elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.

-de, de, je, als achtervoegsel veel gebruikt: doede, doe je, gòdde, bende, hedde. (det) = je het, stemloze e, zoals in ‘je’ of ‘het’, als achtervoegsel veel gebruikt: doedet, doe je het, meudet, enz.
Aa, Oo, Aa (rivier). de Oo duutr uit, de Aa overstroomt.
aaien, eijen, aaien.
aal, ool, aal.
aan, aon, aan: daor kumt iemant aon, daar komt iemand aan.
aanbetalen, aonbetaolen, aanbetalen.
aanbranden, aonbráánden, aanbranden.
aanbreken, aonbreken, aanbreken
aanerven, aonèrven, aan komen lopen (van een hond).
aangaan, aongaon, beginnen: de school ging aon, de school begon.
aangaan, aongaon, tekeer gaan: ge moet nie zo aongaon.
aangemaakt, aongemakt, opgescheept zitten met.
aanhebben, aonhebben, aanhebben, van kleren.
aanholperen, aonholleperen, rennen.
aanijveren, aonieveren, moed geven.
aankeren, aonkéren, naar zich toehalen, van zich afbijten. zunne kant aonkéren.
aanleggen, aonleggen, aanleggen.
aanlopen, aonlópen, 1) beginnen te lopen; 2) ergens naar toe gaan.
aannemen, [aanvaarden], aonnemen, aannemen.
aanpassen, [zich richten naar, kleding passen], aonpáássen, aanpassen. zie ook páássen.
aanpraten, aonpraoten, aanspreken.
aanraden, aonroojen, iets aanraden. zie ook rojen. wa kunde mèn aonroojen?, wat kun je mij aanraden?
aanraken, aonraken, aanraken.
aanrecht, aonrecht, aanrecht.
aansmeren, [aanpraten], aonsmeren, iemand iets aansmeren
aanstalten, aonstalten, aanstalten.
aansteken, aonstoken, aansteken. die hè z’n eigen hut aongestokt, hij heeft zijn eigen huis in brand gestoken.
aantellen, aontellen, 1) beginnen met voorbidden; 2) in verwachting raken.
aantrekken, aontrekken, aankleden. z’n eigen aontrekken, zich aankleden.
aanuieren, aònuieren, meer worden.
aanvangen, aonvangen, uithalen.
aanvatten, aonvatten, aanpakken.
aanwensel, aonwensel, gewoonte.
aanwerk, aonwérk, aanstalten maken. ge moets onderháánd aonwérk maken, je moet eens zoetjesaan aanstalten maken. zie ook apperensie.
aanzeggen, [waarschuwen], aonzeggen, bidden aonzeggen: de buurt uitnodigen om gezamenlijk de rozenkrans te bidden ten huize van een overledene.
aap, aop, aap, verkl. èpke.
aar, oor, aar. mv. aoren. verkl. örke.
aard, aort, 1) geaardheid, inborst; 2) ik kan er d’n aort nie krijge, zegt iemand die zich in een nieuwe omgeving niet thuis voelt.
aard, aort, het fijne, de aardigheid van een zaak: hij zonk dèt unnen aort hai, hij zong dat het een lust was.
aardappel, erpel, elper, aardappel. mv. erpel, elper. zie ook erpel. De elper afgiete, gaan plassen.
aardappelkelder, erpelkelder, aardappelkelder.
aardappelpoter, erpelpoter, pootstok voor aardappels.
aardappelriek, erpelriek, riek met platte tanden, of tanden met een verdikking aan de uiteinden, zodat de aardappels bij het opscheppen niet beschadigd worden.
aardappelschep, erpelschoep, schop waarmee aardappels opgeschept kunnen worden, zonder dat ze beschadigen.
aardbei, erdbeer, aardbeien. mv. erdbeere. roeij en zwarte beren, rode en zwarte bessen.
aarde, eerd, aarde. D'Eerd, Eerde, bij Veghel. boven d’eerd staon, tijd tussen dood en begrafenis.
aarden, aorden, den aort krijgen: hij is er goet geaort, hij voelt er zich goed thuis.
aardeweg, erdweg, zandweg.
aardgal, erdgal, paardebloem.
aardhoop, erdhóóp, hoop zand.
aardig, aorig, 1) aardig; 2) vreemd, raar, in ongunstige betekenis. Dè’s zò’n aorig mènneke, dat is zo’n vreemd mannetje.
aardkar, erdkar, korte kar, om zand mee te vervoeren.
aars, ers, aars.
aas, aos, aas. mv. eus of aozen, in het kaartspel.
abuis, abuus, abuis. ge hèt abuus! je vegist je.
accorderen, akkerdéren, overweg kunnen met elkaar. die twéé, da akkerdeert glad nie, die twee kunnen helemaal niet met elkaar overweg.
acht, aacht, acht.
achter, aachter, achter, achterhuis.
achter, taaftere, na de middag.
achter mekaar, achtermekare, 1) achter elkaar; 2) meteen. zie ook mee.
achteraf, [afgelegen, na afloop], aachteraf, afgelegen. hij weùnt wijd aachteraf, hij woont erg afgelegen.
achterboks, achterboks, tuig achter op het paard.
achtereen, achterèn, meteen.
achterom, aachterum, achterom. aachterum is’t kermis, kom maar achterom.
achtje, aachje, biertonnetje van 17½ liter.
Adam, Addàm, Adam.
adem, aojem, adem. hij hai gènnen aojem mèr, hij snakte naar adem.
ader, oojer, ader. verkl. eujerke.
Adriaan, Joon, Adriaan.
advent, Novent, Advent.
advocaat, advokoot, advocaat.
Aemilius, Miel, Emilius.
afblekken, afblèkken, pellen, van een sinaasappel, of een ei.
afblikken, afblieken, afkijken. mèster, Jèntje zit af te bliéke!, meester, Jantje kijkt af!
afblotten, afblotten, 1) schors verwijderen; 2) bladderen (van verf).
afdoen op, afdoen op, gaan naar. waor doed’op af, waar ga je naar toe?
afgelasten, aflassen, afgelasten: deur ’t kooi weer moesse ze de persessie aflassen. vanwege het slechte weer moest men de processie (optocht) afgelasten.
afhalen, afhaolen, afruimen. we gaon de taofel afhaolen, we gaan de tafel afruimen.
afheffen, afheffen, afpakken.
afhelpen, afhelpen, bedienen. een klant afhelpen, een klant bedienen.
aflaat, aflaot, kerkelijke kwijtschelding van straffen. Een tijdelijke aflaat zorgde voor verkorting van de vagevuurtijd; een volle aflaat gaf direct toegang tot de hemel. Vooral Allerzielendag (2 november) was een uitgelezen dag voor het verdienen van aflaten door te gaan persjonkelen.
afleiden, afleyen, afleiden.
afmaken, [omheining plaatsen], afmaken, omheining plaatsen.
afpikken, afpikken, sterven.
afpingelen, afpengelen, afdingen.
afpraten, afprooten, afspreken. iets afprooten, iets afspreken.
afrossen, afròssen, afslaan, afranselen: die jong van ’t Uiventje wieren op de Graspèl flink afgerost. Zie ook afsloon.
afscheiden, afscheien, ophouden. ik scheir af, ik houd ermee op.
afschieten, [betalen], afschiéten, betalen.
afslaan, afslaon, afsloon, 1) afdraaien, een zijweg ingaan; 2) weigeren. dè sloi ik nie af, dat kan ik niet weigeren.
afslaan, afslaon, afsloon, afranselen.
afslappen, afslappen, minder worden, verminderen.
afsluiter, [lichtschakelaar], afsluiter, lichtschakelaar.
aftands, aftands, paard ouder dan 8 jaar.
aftrekken, aftrekken, droogtrekken: de vloer met een wisser drogen.
aftroffelen, aftroefelen, ontfutselen.
afuieren, afuieren, minder worden.
afvatten, [afpakken], afvatten, afpakken. ze hebbe mènne sèpsteel afgevat, ze hebben mijn dropsteel afgepakt.
afwinnen, afwinnen, het eerste zijn.
afzetten, afzetten, plassen. ik goi efkes afzette, ik moet eventjes plassen.
ajuin, juin, ui, ajuin. Uitdrukking: zò gek as unnen juin, heel erg gek.
ajuinpijp, juinpèpkes, bieslook.
akelig, aokelig, akelig, naar.
akker, akker, ekker, hoog gelegen bouwland, akker.
akkermannetje, akkermènneke, witte kwikstaart. zie ook ploegdrijverke.
aks, aks, grote bijl.
al zijn leven, alzeleven, altijd. hij litter alzeleven te vraelen, hij is altijd aan het vervelen.
aling, [heel; helemaal], aoling, heel, helemaal. Hèdde gij dè aoling alléén gemakt?, heb jij dat helemaal alleen gemaakt?
alkoof, alkoof, slaapplaats. zie ook bedsteej.
alla, alla, vooruit. Alla, doe’s vòrt, vooruit, schiet eens op.
alleen, alléén, allènnig, alleen.
Allegonda, Gon, Allegonda.
allemaal, allemaol, ammaol, allemaal.
alleman, [iedereen], alleman, iedereen.
allengs, allèngskes, langzamerhand.
allergedachten, allergedachten, zeer waarschijnlijk.
Allerheiligen, Allerhelligen, allerheiligen. (1 november).
allerschoonste, alderschònste, allermooiste.
allicht, allicht, gemakkelijk, natuurlijk.
als, as, 1) als, as’t goet is kom ik mèèrgen, als het goed is kom ik morgen; 2) dan, hij hè meer as ik, hij heeft meer dan ik.
alsof, asof, alsof.
alst, aals, een als kruid gebruikte plant. ook aalst.
altaar, alter, autoor, outoor, altaar. de karse stòn op d’n autoor, de kaarsen staan op het altaar. verkl. outörke.
altijd, alteit, alt, altijd. met de klemtoon op de eerste lettergreep: steeds, maar met de klemtoon op de tweede: minstens, ten minste, althans. ook aoltèd.
ander, áánder, ander. hèdde gèn áánder dinge?, heb je geen andere kleren?
andersom, auwsum, andersum, andersom, verkeerd om: ge hèt oewen sok auwsum aon, je hebt je sok verkeerd om aan.
Andreas, Dreej, Dries, Andreas.
Anthoinet, Net, Anthoinet
Anthonius, Teun, Tòn, Tón, Anthonius.
Anthonius, Tóón, Anthonius.
Antonia, Tônia, Tônna, Antonia.
apotheek, appeteek, apotheek.
appel, appel, appel. mv. appel; verkl. èppelken.
apprensie, apperensie, aanstalten.
april, pril, april.
arbeider, [werker], arbeier, erbeier, arbeider.
aren, eren, ploegen.
arend, aorend, arend.
Arie, Orrie, Arie.
arm, èèrm, arm. mv. èèrm. mè unnen krommen èèrm, met een cadeau op bezoek komen
armboog, ermboog, elleboog.
arme, èèrme, arme. mv. ermen, arme mensen.
armoede, èèrmoei, armoede. dòr is’t èèrmoei troef, daar is het een armoedige boel.
armoeden, èèrmoeien, ploeteren.
armoedig, èèrmujig, armoedig.
armvol, [= ERVEL], elver, elvert, ervel, armvol, hoeveelheid. brengt unnen elvert hoi mee, breng wat hooi mee.
Arnout, Nöl, ook Nol, Arnold.
as, áásse, as uit een kachel.
asbak, [bak voor as], áássenbak, asbak, waarin men met de áássenschup de as uit het haardvuur deponeert.
askruisje, áássekruiske, askruisje. Op aswoensdag zet de priester een askruisje op je voorhoofd. Het begin van de veertigdaagse vastentijd.
asschop, áássenschup, schopje om de as uit het haardvuur te halen en in de áássenbak te doen.
assurantie, astrantie, verzekering, ze komme geld ophaole vèur de brandastrantie, ze komen het geld voor de brandverzekering ophalen.
astma, astman, astma.
astrant, ekstrant, strant, onbeschaamd, vrijpostig, brutaal.
avanceren, avveseren, avvaneeren, opschieten.
averechts, auws, links: de ausse hàànd; averechts: aus bréien.
avond, aovend, ovend, avond, unnen goeien aovond!, goede avond! ge moet veur d’n aovend thuis zen, je moet voor het donker thuis zijn. t’aovend, vanavond. bende t’aovend thuis?, ben je vanavond thuis?
avond, t’aovend, vanavond.
baan, baon, 1) baan, betrekking; 2) weg: de Bosse baon.
baar, baar, in de baare klompen, zonder kousen in de klompen.
baar, boor, draagbaar.
baard, baort, 1) baard, 2) afval van vlas.
baas, baòs, baas. mv. baós of baoze. ook wel de vader, of gezinshoofd. Is d’n baòs òk thuis?, Is het gezinshoofd ook thuis?
baasje, baòske, jongetje.
babbel, [toffee], babbel, toffee.
badhandschoen, badhandschoentje, washandje.
bak, bak, 1) gevangenis, 2) koffiekop.
bakje, bèkske, bakje, kop om koffie uit te drinken. zie ook tas.
bakkes, bakkes, gezicht.
balduinen, balduinen, ravotten.
balie, baolie, wild lopend vrouwspersoon.
balie, bàllie, iemand die over een ander praat. dè’sn gróóte bàllie, dat is een grote roddelaarster.
baliën, baoliën, zwaaien, wild, onachtzaam lopen. gòt mar aon de kant, d’r kumtr ènne aongebaoliet, ga maar opzij, want daar komt iemand wild aangelopen.
baliewind, balliweengt, ruwe wind.
balken, [Koppelen aan BALK], balken, hooizolder. zie ook hòizulder. ge meut nie op de balken speulen, je mag niet op de hooizolder spelen.
bamboe, bamboes, harde bezem. keert d’n hèrd mars uit mè d’n bamboesen bèssum, veeg de keuken maar eens uit met de harde bezem.
bamis, bamis, 1 oktober, vervaldag van de pacht.
band, báánd, band. mv. bèènt. De bèènt, twijgen, wilgetenen. Unnen bàànd en unnen wis, die haolde daortie is, boerengeriefhout mag je overal kappen.
band, bènd, wilgetakken om rijsbos mee samen te binden.
bange schijter, bangescheitert, bangerik. wa bènde gij toch unnen bangescheitert, wat ben jij toch een bangerik.
bangmaker, bangmaker, vogelverschrikker.
bank, bank, bank, verkl. bènkske.
barak, brak, klein, oud huis, barak.
baren, baren, kinderspel, soort vangertje en verlos.
barg, bùrgt, gecastreerd varken.
barrevoets, bèrrevoets, vörrevoet, blootsvoets. vgl. baar. kousevoet. mv. vörrevoeten, vörrevuut, voet die alleen met een kous bedekt is, zonder klompen of schoenen. Ik kan nie ’t huis uit, want ik ben op de vörrevoeten, ik kan het huis niet uit, want ik ben op mijn kousen. Op de vörrevoeten gaon, betekende oorspronkelijk: op de tenen lopen, daarna: zo zacht mogelijk lopen; zonder schoeisel dus.
barrière, brier, barrière, tolboom. bij de Gèffese brier moete tol betaolen, bij de Geffense barrière moet je tol betalen. zie ook tol.
bats, bats, grote afgeronde schop.
batteren, batteren, slaan; afbatteren, afranselen.
bedaf, bedaf, veraf gelegen, achteraf.
beddenplank, [plank achter bedstee], bedplank, plank achter in de bedsteej waar de lamp en de pispot op staat.
bedevaart, beevert, bedevaart.
bedienen, bediénen, het sacrament der stervenden toedienen.
bedroefd, [verdriet hebbend], bedruufd, bedroefd.
bedrukt, [ernstig], bedrukt, ernstig. wa kèkte bedrukt, wat kijk je ernstig.
bedstee, bedsteej, ingebouwde slaapplaats.
beduiden, beduien, aanduiden.
beeld, bild, beeld, ’t Hèllighartbild is van ’t trôntje gedonderd, het Heilig-Hart-beeld is van zijn staanplaats gevallen. verkl. bildje.
beemd, bimd, laag, vochtig weiland.
been, béén, been. mv. been. verkl. bintje.
beensleter, bensletter, doek tussen knieën en enkels, ter bescherming van kleding bij het mesten.
beer, beer, mannelijk varken. mv. birren.
beergelt, beergelt, dekrijpe zeug.
beest, bèst, beest, beest. mv. biste. verkl. bisje, d’n beest uithange, zich onbehoorlijk gedragen.
beetje, bietje, bitje, beetje.
begaaien, begaojen, 1) mishandelen, toetakelen, er slecht uitzien: o, hij zag er zo begaoit uit. 2) verbruien, grof maken: jonge, jonge, wa hèddet toch begaoit! wat heb je je toch slecht gedragen!
begankenis, begènkenis, drukte, feestelijkheid.
begeren, begèrren, verkiezen: da begèr ik nie te doen, dat verkies ik niet te doen.
begerig, begèrrig, begerig.
beginnen, begos, ’t begos, het begon. ’t waar al kaauw, en’t begos òk nog òk te regenen, het was al koud, en tot overmaat van ramp begon het ook nog te regenen.
begrafenis, begraffenis, begrafenis
begrafenisbidder, begraffenisbidder, iemand die komt uitnodigen voor de begrafenis.
begraven, begraoven, begraven.
beheimst, beheimd, stiekem. wa ligde dòr beheimd te doén?, wat ben je daar stiekem aan het doen? zie ook foezelen.
behouden, [bevrucht], behaauwen, behouden. de ków hè nie behaauwe, de koe is niet bevrucht.
beide, baej, béi, allebei, beide.
bekeukelen, bekeukelen, begoochelen; ogen bekeukelen, het gezicht bedriegen, goochelen.
bekonkelen, bekoenkelen, iets in het geheim afspreken.
bekruizen, bekruizen, zwart maken, vooral met houtskool (kruiskool), of met roet van een ketel.
belatafelen, belaoitaofelen, bedriegen. ge bent belaoitaofeld, je bent bedrogen.
beloken, beloken, beloken Paosen, de zondag na Pasen.
belommerd, belommert, betrokken lucht, tegen onweer.
bels, [paard], bèls, Belgisch trekpaard. d’n Bèls duuter zunnen tijd ovver, het Belgisch trekpaard neemt er de tijd voor.
beluchtdrager, beluchtdrager, de naaste buurman die bij een begrafenis alles regelt en in de stoet voorop loopt.
ben, bèn, mand.
benadelen, benadeilen, benadelen.
beneden, benejen, beneden.
bengel, bèmmel, bèngel, 1) reep stof; 2) band; hoosbèngel, kousenband.
bengelen, bèmmelen, bengelen, slenteren. hij bemmelt mar langs de stroot, hij slentert maar doelloos rond.
bent, bunt, 1) helm-, duingras; 2) gebied met deze begroeiing. hij vaort mè mèèst d’n Bunt in, hij rijdt met een kar mest naar dat land.
bentbezem, buntbèssum, bezem gemaakt van de wortels van buntgras.
Beren, Beren, inwoners van Erp.
berg, berg, bèèrg, 1) Aanduiding voor een opgestoven hoogte van mager klapzand. Zo ontstonden de benamingen Bedafse bergen, Bergmaas, Kreitsberg, Nabbegatse berg, Raktse bergen, Reekse bergen, Steenbergen, Trentse bergen, Zevenbergen. (Deze laatste benaming is misschien ook wel afkomstig van de zeven grafheuvels, die er gevonden zijn), berg. d’r lag unnen bèèrg záánd op de misse, er lag een berg zand op het erf; 2) hooiberg.
Bergmaas, Bergmaos, Bergmaas. gebied in Zeeland.
berhaak, berhook, pikhaak (bij een zicht).
berig, bèrrig, de zeug wil naar de beer.
berm, barm, opgehoogde kant. ook berm.
berrie, bùrrie, burries van een kar, waar het paard tussen staat; draagbaar van een kruiwagen.
bes, beer, braambes. mv. beren, brombeer.
bescheid, beschèit, bericht: hedde al beschèit gekrigge van d’n dokter?, heb je de uitslag al gekregen van de dokter? hij wit goed van beschèit, hij weet veel. we hebben dè d’r goed bij beschéien, die voorwaarden hebben we duidelijk gesteld.
beschieten, [voldoen], beschiéten, voldoen, ’t beschiétr nie aon’, het is niet voldoende.
beschoren, bescheert, beschoren, door het noodlot toegedacht.
beslag, beslag, beroerte.
beslagbijl, beslagbijl, bijl om een boomstam tot balk te hakken.
besnieten, besniéten, misniéten, bezuren, ervoor boeten, ontgelden. zie ook misniéten. mè de kooi, moeten ’t òk de goei besniéten, samen met de slechten, moeten het ook de goeden bezuren.
besnijden, [castreren], besnijen, besnijden, castreren. Een mnl. big wordt m.b.v. een schars ontdaan van zijn zaadballetjes en wordt daarna burcht genoemd.
best, bèst, z’n best, flink: ze zijn z’n best aon het werken.
beste, beste, biste, w.c., toilet.
besteken, besteken, schenken: iemand mène koek besteken, iemand een koek schenken.
bestel, bestelleke, gedoetje.
bestel, bestèlleke, anijsbol.
bestelen, bestillen, bestelen.
bestellen, bestellen, zwanger zijn. ze hi wa besteld, zij is zwanger.
bestuiten, bestuiten, complimenteren. zie ook stuiten.
betalen, betaolen, betalen.
betamelijk, betaomelijk, betamelijk, passend.
betamen, betaomen, passen, behoren. da páást nie, dat hoort niet.
beter, bètter, beter.
beu, buj, beu, genoeg.
beugel, beugel, ijzeren band om de hals van de koe, waarmee ze getuierd staat. zie ook halsbeugel.
beugelbaan, beugelbaon, ruimte waar men kan beugelen.
beugelen, beugelen, spel waarbij een houten bal door een ijzeren ring (beugel) gerold wordt. zie ook sleger.
beuk, buuk, beuk.
beuken, búúken, boeren.
beuling, bulling, 1) een zekere lekkernij: een mengsel van boekweitmeel en spek, als worst in de dikke darm gestopt, daarna koud geworden, tot schijven gesneden en gebakken in de pan; 2)ingewanden van dieren.
beuren, beuren, nog tegoed hebben van slaag: ge zult ze nog beuren!
beurt, bùrt, beurt. umstebùrt, om de beurt.
bewaarschool, bewaarschool, kleuterschool. zie ook kakschool.
bewaren, bewaoren, bewaren.
bezem, bèssum, bezem. d’n bèssum stè buite, ze hebbe vrijhof, de bezem staat buiten, ten teken dat de ouders van huis zijn.
bezemen, [haastig lopen], bèssumen, haastig lopen. Ze bèssumde ovver de stroot, ze liep haastig over straat.
bezetsel, bezetsel, bandje aan een zoom. zie ook stootkant.
bezetting, [het bezet zijn, benauwdheid], bezetting, grote benauwdheid op de borst, longontsteking.
bezig, bezzig, bizzig, bezig. wòr bènde mi bezzig?, waar ben je mee bezig?
bezij, bezij, verstand.
bezijden, bezije, naast. d’n bòm stè bezijen ’t huis, de boom staat naast het huis.
bezwaai, bezwaoi, eerbetoon. de néije pestóór wier mè gróót bezwaoi ingehòld, de nieuwe pastoor werd met gróót eerbetoon ingehaald.
bidden, bidden, bidden. (bidde, gebid). d’r wier vruuger veul méér gebid as tiggewòrrig, er werd vroeger veel meer gebeden dan tegenwoordig.
bieden, biyen, bieden. (biy, biyt, bòide, gebòjen), bij een verkoop, of het kaartspel: wa biyde?, wat bied je?
bies, bies, lang oevergewas. gedroogd wordt het gebruikt om stoelen en matten te vlechten. zie ook biézen.
biest, biest, eerste melk van een koe die gekalfd heeft. Soms werd witbrood ook met biest gebakken.
biesthoek, biesthoek, gebied waar veel biezen groeien.
biezen, beezen, rondrennen. wa ligge die koei toch te beezen!, het rondrennen van de koeien met opgeheven staart. As d’een ków beest, stikt d’áánder den stàrt umhòg, spreekw.: men aapt elkaar na.
biezen, [van bies gemaakt], biézen, unnen biézen stoél, een stoel met een van biezen gevlochten zitting.
big, bag, big. verkl. bègske. zie ook koer.
biggenbak, baggebèkske, kleine varkenstrog.
biggenmand, baggemáánd, biggenmand. platte mand waarin de biggen naar de baggemèrt werden vervoerd.
biggenmarkt, baggemèrt, biggenmarkt, markt waar de biggen worden verhandeld. In Uden was een levendige biggenhandel.
biggentang, baggetèngske, biggentangetje. mè ’t baggetèngske wiere de tèndjes geknipt, met het biggentangetje werden de tandjes geknipt; zodat de biggetjes de zeug geen pijn deden bij het zogen.
bij, , bij. bè wie bende gewist?, bij wie ben je geweest? , bè d’n Dries, wel, bij Driessen.
bij, , bij, wel. Bè ja, wel ja. Bè foei toch èvvel!; goed. de klok stè nie bij, de klok staat niet goed op tijd.
bij, biy, bij. mv. biyen.
bijdraaien, [toegeven], bijdrijen, toegeven.
bijenboer, bieboer, imker. zie ook bieman.
bijenman, bieman, imker.
bijenmees, biymees, bimbees, koolmees. verkl. biymiske, bimbiske.
bijkans, bekant, bijna. ook bekanst.
bijster, bijster, ’t is te bijster, ’t is wat te zeggen.
bijten, bitsen, bijten, verdelen.
bijvoorbeeld, beveurbild, bijvoorbeeld.
bijzonder, bezunder, bijzonder.
bikken, bikken, eten.
bil, [werktuig voor bij het billen: bilijzer, bilhamer], bil, hamer om molensteen te scherpen. zie ook bilhammer.
bilhamer, bilhammer, hamer om molensteen te billen, te scherpen.
billen, billen, scherp maken van een molensteen.
binden, bijnen, bingen, binden: ze zèn de rog aon ’t bijnen, ze zijn rogschoven aan het binden. zie ook bingen.
binneneest, binnenèèst, binnenkant van een huis.
binnentas, binnetès, binnenzak. hij hènen tiek in z’n binnetès, hij heeft een knikker in zijn binnenzak.
Bitswijk, Bitsek, Bitswijk.
bitswijk, bitswijk, een gebied dat verdeeld is.
blaak, blook, walm, rook.
blaar, bleur, blaarkop: koe met witte kop.
blaar, bloojer, blaar.
blaas, bloos, 1) (varkens)blaas. zie ook foekepot; 2) domme vrouw.
blaaspijp, bloospijp, pijp om het vuur aan te blazen.
blad, blèdje, blad, tijdschrift. Hij blaoiert in ’n blèdje.
blad, blad, blad. mv. blaoi, blaojer. verkl. blaoike, bleeike, blèdje.
bladeren, blaoieren, bladeren. hij blaoiert in d’n Engelbewaarder, hij bladert in ‘De Engelbewaarder’ (een katholiek jeugdtijdschrift).
blak, blak, ’t sti glijk blak, alles staat blank; blak wàtter, niets dan water; ten blakke kommen, te voorschijn komen.
blaken, bloken, blaken, walmen. de lamp blòkt, dreitms wà lègger, de (olie)lamp walmt, draai hem eens wat lager.
blauwlegger, blauwlegger, heggenmus.
blauwverver, blauwverver, katoendrukker, iemand de schorten van zelfgesponnen linnen bont verfde.
blazen, blozen, ook blaozen, blazen: bloost de kàrs màr uit!, blaas de kaars maar uit!
bleek, bleik, bleekveld: grasveldje bij het huis, waar de was op gelegd wordt om te bleken.
bleken, bleiken, bleken.
blekken, blèkken, afpellen van een ei of sinaasappel.
blèren, blèren, blaten.
bleu, bleui, verlegen.
blijven, blijven, blevven, blijven. (blijf, blif, geblivven).
blik, [vertind dun plaatstaal], blèk, blik. ’n blèkken trummelke, een blikken trommeltje
blik, [boomschors], blèk, schors van een boom.
blikken, bliéken, gluren, stiekem of nieuwsgierig kijken. wa stòdder toch te bliéken, wat sta je toch nieuwsgierig te kijken; hij blièkt van de kaauw, hij ziet wit van de kou.
blikkerd, bliékerd, gluurder.
blikschop, blèkschup, ijzeren schopje om de bast van een boom af te halen.
bliksem, bliksem, ook blitsem, scheld- of vloekwoord. zie ook wirlicht. heten bliksem, appelstamppot.
blind, bleind, blind.
blindaas, bleindaos, daas.
bloeden, bloeien, bloeden. ’t bloeit verrèkkes, het bloedt ontzettend erg.
bloeien, bluien, bloeien; wa bluien de kruinagels toch schòn, wat bloeien de seringen toch prachtig.
bloeimaand, bluimònd, mei
bloem, bloem, verkl. bluumke.
bocht, bocht, 1) kromming in de weg; 2) nageboorte van een koe; 3) tuig, waardeloos spul; 4) onkruid.
bode, booi, postbode.
bodem, bòjjem, bodem. schraapt d’n bòjjem d’r nie uit, zegt men als iemand heel hard door de pan krabt.
boedelslechter, boelslichter, degene, die de erfenis moet afhandelen.
boek, boek, boek. mv. boeken of búúk. verkl. buukske.
boekweit, boekent, boekweit.
boekweitkoek, boekendekoek, boekweitkoek. boekendekoek dorsen, hiermee wordt het met de knuppel dorsen besloten; men slaat dan niet beurtelings, maar met alle vlegels tegelijk.
boender, [schrobber], buunder, boender, schrobber, gemaakt van heide, om b.v. klompen, melkbussen of pannen mee schoon te schuren
boenen, buunderen, boenen, schrobben.
boer, boer, boer, oprisping. gift diejen boer okne stoel, zegt men als iemand een boer laat. zie ook búúken.
boerenkool, boeremoes, boerenkool.
boest, boest, bolster van een walnoot.
boesten, boesten, walnoten van de bast ontdoen.
boezeroen, boezeroen, baseloen, werkkiel. ook boezeloen.
bok, bok, 1) bok. verkl. bùkske; 2) stuiver.
bokking, bukkem, bokking (gerookte haring).
bokpaal, bokpool, A-paal, waar de elektriciteitsdraden aan hangen.
boks, bòks, broek. verkl. bukske.
boksband, bòksenbáánd, riem.
boksen, [een boer laten], buksen, boeren, een boer laten.
bokstas, bòksetès, broekzak.
bonenstaak, [stok waarlangs bonen groeien], bònnestaak, bonenstaak, stok waarlangs bonen groeien.
bonk, bonk, paard.
bont, bont, Brabants Bont, de rood-wit geblokte Brabantse vlag.
boog, bòg, boog. mv. beug. verkl. beugske.
boom, bòm, boom. mv. beúm. verkl. bùmke. ’t kan bètter van d’n bòm as van d’n tak, zij die het meeste hebben, kunnen ook het meeste geven.
boomaarde, bòmeerd, binnenste van een holle knotwilg, gebruikt om planten in te zetten.
boomgaard, boogerd, boomgaard. In Uden lagen vroeger veel kersenboogerds.
boon, bòn, boon. mv. bònne: hij is in de bònne, hij is in de war. gruun en witte bònne, groene snijbonen gemengd met witte bonen
boos, beus, boos.
boot, bóót, boot. verkl. bùtje.
bord, bùrd, etensbord, ge it diejen bùrd leeg!, je moet dat bord leegeten. zie ook telder.
bord, bret, losse plank, voor op de kruiwagen.
borg, bùrg, borg.
bos, bos, bos (bloemen), bundel; struik. verkl. buske.
bos, bòs, bos. verkl. buske. Den Bòs, ’s-Hertogenbosch..
boskriek, boskriek, wilde kers.
Bosschenaar, Bussener, Bosschenaar.
bossen, bossen, schatten. Bij de verkoop van een boerderij werd de hoeveelheid hooi of stro op de balken of in de schuur gebost.
bot, bot, niet scherp; ’n botte hiép.
bot, bot, been. verkl. bùtje.
boter, bòtter, boter.
boterbloem, bòtterbloem, boterbloem.
boteren, bòtteren, overweg kunnen. die twéé, dè bòttert nie, die twee kunnen niet met elkaar overweg.
boterfabriek, bòtterfebriek, boterfabriek. In Uden stond melk / boterfabriek H. Henricus, in Zeeland boterfabriek St. Jacobus.
boterham, bòtteram, bot, boterham. mv. bòtteramme.
boterkletser, bòtterkletser, 1) grote platte lepel om boter mee te maken; 2) botermaker.
boteromgang, bòtterùmgang, jaarlijkse omgang om boter op te halen voor de pastoor. zie ook ùmgang.
boterpot, botterpot, botervloot.
boterprent, bòtterprent, versiering op de boter.
boterteljoor, bòttertelder, beslagkom.
botsen, boetsen, stoten.
bouwen, boúwen, ploegen. zie ook eren.
boven, bovvene, boven.
bovenarms, bovenèrmens, van bovenèrmens, diep.
braaf, braof, braaf.
braakband, brabbant, braakliggend, afgebakend gebied.
braam, breem, braamstruik.
braambes, brèmbeer, brembèzzem, braambes. mv. brèmbeeren, brembèzzemen of brèmbèssums.
braden, broojen, braden.
brak, brak, schakel van een ketting
brand, bráánd, 1) brand; 2) gerooide plek in het bos. Tussen Uden en Zeeland ligt het ‘Bráánds heike’, dat vroeger als vuilstortplaats gebruikt werd. zie ook rooi.
brander, bráánder, lampje, peer.
bras, brats, drats, modderpoel, modder, smeerboel.
breed, brééd, breed. unnen breje weg, een brede weg.
breekgoed, breekgoéd, aardewerk, porselein. zie ook breekwaor.
breekwaar, breekwaor, serviesgoed.
brei, brei, balkenbrei.
brei-ijzer, breiijzer, breinaald.
breken, breken, 1) breken. (breek, brikt, braak, gebroken); 2) verspreiden. mèèst breken, mest verspreiden.
brensen, briensen, hinniken.
breukrand, breukrand, Door en langs Uden loopt de Peelrandbreuk. Langs breuken in de aardkorst kunnen aardbevingen plaatsvinden, zoals op 28 november 1932 in Uden, die minieme schade aanrichtte. Het hoog gelegen deel, waar Uden op ligt, heet horst, het lage deel slenk.
brik, brik, gesloten rijtuig met vier wielen.
brillen, brillen, lelijke gezichten trekken.
Brobbelbies, Brobbelbiés, moerassig gebied, tussen Zeeland en Nistelrode.
broche, [sieraad], bröske, sierspeld.
broeden, brujen, broeden.
broeder, brujer, broeder.
broek, broek, laag, drassig land.
broeksteen, broekstéén, afgezette ijzerdeeltjes die samenklonteren en zo ‘stenen’ vormen, waardoor de doorstroming van het water wordt bemoeilijkt. zie ook wijst.
broel, broelie, ravage, troep.
broer, bruur, broer. mv. bruurs. verkl. bruurke.
brokkenpap, brokkepap, melk met daarin brood gebrokkeld.
bronolie, [petroleum], bronòllie, petroleum. ook bromòllie.
bronstig, [ritsig], brustig, bronstig, van schapen.
brood, bróód, brood. meestal bedoeld roggebróód, dit in tegenstelling tot mik. Omdat men roggebróód gezonder vond, maar ook wel uit zuinigheid, zei men: van bróód worde gróót, van mik worde dik. mv. breuj. verkl. breuike.
brouwer, brouwer, bierbrouwer. Jaonus, gôdde gij bij d’n brouwer ’s een tùnneke Faro-bier haolen, Jan, ga jij bij bierbrouwer van de Ven eens een vaatje Faro-bier halen.
bruiloft, brulluft, bruiloft. brulluften, bruiloft vieren. ik kom oe verzuuke op de brulluft, ik kom je uitnodigen voor de bruiloft.
brullen, brullen, huilen.
brusselen, brusselen, kruimelen, brokkelen.
bui, buij, regenbui.
buigen, buigen, buigen. (buig, bog, geboggen).
buil, buil, (papieren) zak. verkl. bùileke.
buisman, buisman, zie cichrei.
buiten, buiten, vergeleken met. ’t is vandaag mar kaauw, ’t schilt veul buiten gisteren, het is vandaag maar koud, het is een heel verschil vergeleken met gisteren.
buitenbeentje, buitenbins, buitenbeentje, tegendraads. da jong is aolling buitenbins, die jongen is helemaal tegen de draad in.
bukken, bòkken, 1) bukken; 2) schelen: ’t kan me nie bòkken.
bulken, bùlken, schreeuwen. wa ligder toch te bùlken, wat ben je toch aan het schreeuwen.
bult, bult, 1) bult, bochel; 2) heiturf, die van de bulten (hoogten) afgestoken wordt.
bultenkuil, bultekuil, kuil, waaruit je turf kunt steken.
bunder, buunder, een hectare land.
burgemeester, bùrgemèster, burgemeester. ook wel burgemister of d’n bùrger.
burgerij, burgerij, elite van het dorp.
burremiel, burremiel, berremiet, koperen pot waar soep in gekookt werd. zie ook moor, moer, soepketel.
bussel, bussel, ronde, rieten mand. In deze manden, met een doorsnee van 50-60 cm, werden de kersen naar de veiling gebracht.
buten, buten, verstoppertje spelen.
buts, buts, duts, deuk.
butsel, butsel, pukkel. mv. butselen.
butsen, butsen, indeuken, van vruchten en metalen voorwerpen.
buurt, bùùrt, aantal huizen, dat bij elkaar in de buurt ligt. zie ook nober, noberschap en gebuurt of geboert.
buurten, bùùrten, kletsen. ze dinne vruuger veul buurten, vroeger werd er met elkaar veel gezellig gekletst.
buut, buut, doel, bij verstoppertje.
cache-nez, kazineel, vierkante versierde wollen doek, opgerold gedragen als das door mannen. ook kazenee of kazienee.
café, kefee, café.
Calvarie, Calvarie, afbeelding van Christus aan het kruis op de Calvarieberg.
canada, canidas, populier.
canaille, karnallie, wijf. wa’s dè ’n aorig karnallie, wat is dat een raar vrouwspersoon.
catechismus, kàttechismus, katechismus, boekje met voorschriften en regels voor de katholieke kerk.
Catharina, Kaat, Ketoo, Trien, Catharina.
cefiel, cefiel, amper.
ceintuur, centuur, ceintuur.
chagrijnig, [slecht gehumeurd], sjegrijnig, boos, chagrijnig. wa kèkt ie toch wèr sjegrijnig, wat kijkt hij toch weer boos.
chauffeur, sjuffeur, chauffeur.
Christiaan, Janus, Christianus.
Christina, Stien, Christina.
cichorei, cichrei, suikerij, cichorei, koffiesurrogaat bereid uit de gedroogde en daarna gemalen wortel van de cirocheiplant. (Buisman). surrogaatkoffie, ook wel buisman genoemd, gemaakt van de geroosterde en gemalen wortel van de cichoreiplant.
cijns, cijns, belasting.
clown, kloon, clown.
cognac, coenjac, cognac.
contributie, contrebutie, contributie.
coöperatie, coperatie, coöperatie.
Coppensmolen, Coppesmeulen, molen in de Kerkstraat te Zeeland.
cornedbeef, cornètbief, corned beef, ingeblikt rundvlees.
Cornelia, Kee, Cornelia.
Cornelis, Kéés, Knèllis, Kis, Knillis, Krillis, Neel, Neelis, Nill, Cornelius. Sinter Knillis, de bedevaart van de H. Cornelius in Zeeland, de eerste zondag in mei.
cowboy, coyboy, cowboy: ze speule coyboy en indiaan.
daad, dood, daad. mv. daoi.
daalder, daolder, daalder, 150 cent.
daar, dòr, dóór, dèr, daar. dòr liggut, daar ligt het; nadrukkelijk aanwijzen: dóór! wordt gezegd als men iets onvrijwillig geeft: dèr, dor heddet! daar heb je het!
daaraan, dòraon, daaraan. wa hedde dòraon?, wat heb je daar aan?
daarbij, dòrbij, daarbij.
daarginds, dòrgins, daarginds.
daarin, dòrin, daarin.
daarmee, dòrmi, daarmee.
daarom, dùrrum, umdùrrum, daarom. Wùrrum? Dùrrum!
daarvoor, daorveur, ervoor.
daas, daos, daas, steekvlieg.
dabben, dabben, debberen, 1) met handen of voeten door een zachte substantie gaan; dur de modder dabben; 2) eten prakken.
dadelijk, daluk, dadelijk. dè doe’k daluk wel, dat doe ik dadelijk wel.
dag, dag, dag. mv. daag.
dagelijks, daogeluks, dagelijks.
dalen, daolen, 1) dalen; 2) ijlen. wa littier toch te daolen, wat is de zieke toch aan het ijlen.
dampig, dèmpig, kortademig.
darm, dèèrm, darm. mv. dèèrm.
dat, , asda, da, dat. ditten en dètjes, niemendalletjes. Dè’s net ènder, dat is om het even; dat. ge moet zörgen asda ge op tijd klaor zijt, je moet zorgen om op tijd klaar te zijn.
dauw, daauw, dauw.
dazen, daozen, zeurderig blijven praten over hetzelfde.
december, dizzember, december.
deel, deel, voorstal. dorsdeel, dorsvloer.
deel, dèl, 1) deel, ’n dèl appel, een hoeveelheid appels; 2) laagte in de grond, ven. de Smèrdèl, een poel in de Nabbegatse bossen bij Zeeland. mv. dellen; 3) gek, dwaas, (vooral van vrouwen).
deger, deger, schoon, zuiver. De sneùw is deger weg, de sneeuw is helemaal weg.
dek, dek, deksel.
dekker, dekker, rietdekker.
deklier, dekliér, ladder van de rietdekker.
delen, déilen, delen. (déil, déilt, dilde, gedéild). as ge verjeurt meud’ op school snuupkes déilen, als je jarig bent, mag je op school snoepjes uitdelen.
demaintje, tementie, voor de middag.
den, den, openbare dorsplaats.
denken, denken, denken. (daocht, gedaocht). ik daocht toch èècht dagge kwáámt, ik dacht toch echt dat je zou komen.
derde, dòrde, derde.
derf, derf, neerslag in eigengebakken roggemik.
dertien, dartien, dertien.
dertiende, dortiende, dertiende.
dertig, dartig, dertig.
dertigste, dortigste, dertigste.
deur, deur, mv. dùrre, deur. verkl. deùrke. zie ook dur.
deurgebint, deùrgebont, deurkozijn.
devotie, devossie, eerbied.
deze, dees, dizze, dit, deze.
deze, dis, hierheen; kom ’s dis op aon.
die, dieje, diegene, d’n dieje, die moet ik nie!, hem moet ik niet.
die, diy, die.
dienen, dienen, 1) werken. d’n boer gaon dienen, bij een boer gaan dienen als meid of knecht; 2) niet anders kunnen. dè zou wel dienen, dat kan niet anders.
dijk, dijk, weg, straat.
dikkop, dikkop, kikkervisje. verkl. dikköpke. zie ook kwab en pannelekker.
dikwijls, dikkels, dik, duk, dikstentijd, diksentijds, duksentijds, dikwijls, vaak. dè heb ik duk zat gedaon, dat heb ik vaak genoeg gedaan. maar: hij is duk zat, hij is vaak dronken.
ding, ding, meisje. mv. dingen en dinger. Het laatste mv. gebruikt men als met minachting over een meisje wordt gesproken.
ding, dingen, ding. heeft een ruime betekenis zonder goed nedl. alternatief. ’t dingen sti schòn te vèld, het veldgewas staat er goed bij. doet oe kooi dingen aon, doe je oude kleren aan. ’t is goei dingen, dèt ie verkùpt, hij verkoopt goede waar. hij wit z’n dingen goed te doen, hij doet zijn werk goed.
dissel, dissel, dijsel, hakbijl om zijkanten van een balk glad te hakken, dissel.
distel, dijstel, dijsel, distel.
dit, di, dit.
dobbelen, dùbbelen, dobbelen.
doek, doek, doek. mv. doeken of dúúk. verkl. duukske.
doel, doel, handboogschutterij. d’n doel.
doen, doén, (ik doei, hij duu, ge doet, doede, ik din, ge dint, dinde, wij dinnen, gedaon.) Wordt vaak gebruikt voor een ander werkwoord; ik doei schrijve, ik ben aan het schrijven; hij duu lezen, hij is aan het lezen; ze dinnen zingen, tòw ik binnenkwáám, toen ik binnenkwam, waren ze aan het zingen. Veel gebruikt is de vraag duuget? (doet het) is het zo? en duuget nie? is het zo niet? nietwaar? ’t is laot, duuget nie? het is al laat, nietwaar? dè duu me nie, dat doet men niet, dat hoort niet. hij duu lillijk, hij moppert. wa doede?, wat ben je van plan? dè’s gèn doen, dat is ondoenlijk. wa duu’ta?, wat geeft dat? ik doei op huis aon, ik ga naar huis. hij duu-t-em niks, hij doet hem niets. doe’s vort, schiet eens op. ze duugetr um, ze doet dat met opzet. doe mar hènne, ga zo maar door. zo ge doet,zo worde gedoet, wie kaatst moet de bal verwachten. duget doet 't
doerak, doerak, ondeugend persoon.
doffen, doffen, stompen.
dol, dol, duizelig
Donatus, Natus, St. Donatus, beschermheilige tegen onweer en andere natuurrampen, vereerd in Reek op de tweede zondag in juli. We gaon naor De Natus, we gaan op bedevaart naar St. Donatus.
donderen, donderen, ‘t hi gedonderd op unnen kaolen bòm, als het al vroeg in de lente onweert, is dat een teken voor een slecht jaar.
donderschoer, donderschoer, onweersbui. zie ook schoer. ’t kwam as ’n donderschoer, het kwam erg onverwachts.
donk, donk, hooggelegen gebied.
donker, donkere, vèur d’n donkere thuis zèn, voordat het donker is moet je thuis zijn.
dons, dòns, donsveren.
dood, dóód, dood. unnen dóójen, een saai persoon.
doodbidden, doodbidden, 1) uitnodigen voor de begrafenis; 2) gezamenlijk gebed bij een overledene. We gaon tante Trui doodbidden.
dooddoener, doddoener, iemand waar niets van uitgaat.
doof, dòf, doof.
dooien, dòien, dooien. ’t doit, het dooit.
dooier, dòjjer, dooier van een ei.
door, deur, dur, door, doorheen. daor kùmt ’t deùr, daar komt het door, daor kùmt ’t deúr, daar komt het doorheen.
doorgaan, deurgoon, durgaon, doorgaan, verdergaan. ’t moet wel deurgoon, het moet wel door gaan, verder gaan. zie ook dùrgaon. doorgaan. zal ’t durgaon?, zal het doorgaan?
doorhalen, deurhaolen, hij wier d’r flink deurgehaold, hij werd goed voor de gek gehouden.
doorloop, deùrloop, diarree.
doorroker, deùrrokerke, stenen pijpje.
doorslag, deùrslag, vergiet. Leentje, wáást de flodderbònne efkes in d’n deùrslag?, Lenie, wil je de tuinbonen even wassen in de vergiet?
doos, dóós, 1) doos; 2) simpel vrouwspersoon, gans. verkl. deuske.
dop, dùp, simpel manspersoon.
doppen, döppen, dùppen, doppen, de schaal eraf halen. we moesse d’n aollingen middag erte döppe, we moesten de hele middag erwten doppen. erten dùppen: doperwten uit de peul halen, doppen.
doppen, dùppen, centje dùppen, een spel waarbij men op een steen gelegde centen laat omwippen door er een knikker op te laten vallen. De centen krijgen hierdoor langzaam de vorm van een dop.
dor, dòrre, ’n dòrre heg: een (mei)doornen haag.
dor, dùr, dor. zie ook dòrre.
dorp, dùrp, tùrp, dorp.
dorpel, dùlper, dùrpel, dorpel. hij stùlpert ovver d’n dùlper, hij struikelt over de drempel.
dorshout, dorshout, sprokkelhout.
dozig, deuzig, verdwaasd. wa duu dè keind toch deuzig, wat gedraagt dat kind zich verdwaasd.
draad, droot, draad mv. dreui of drooi.
draai, draèi, draai, bocht. ’t pèrd kan d’n draèi nie vatten, het paard kan de bocht niet nemen.
draaien, draèjen, draaien.
draaiorgel, draèjörgel, draaiorgel.
drankmachine, drankmesjien, ketel voor het koken van voer voor het vee. zie ook vèèrkesmesjien.
dreef, dreef, weg waarover het vee gedreven werd. mv. dreven. De schoop gongen ovver d’n Ujesen dreef, de schapen liepen over de Udense dreef.
dreggen, [plagen, treiteren], drèggen, plagen, treiteren. zie ook ezelen.
drie, driy, drie.
drie-evenaar, driyèvventer, langere èvventer voor 3 paarden.
Driekoningen, Driykunningen, Driekoningen. d’n zesden janewarie gaon ons jong as driykunningen roond, op 6 januari gaan onze kinderen verkleed als de drie koningen de deuren langs, om te zingen en wat geld of snoep te verdienen.
driemaal, [drie keer], driymel, drie maal.
dries, dries, weiland, aan de boerderij grenzend.
drieslag, driyslag, manier om (onvruchtbare grond) toch enigszins rendabel te bewerken: Het eerste jaar werd er tarwe of rogge als wintergraan verbouwd, het tweede jaar werd gerst of haver als zomergraan gezaaid en in het derde jaar lag het land braak. Later liet men de grond niet meer braak liggen, maar zaaide men klaver, dat de akker veel vruchtbaarder maakte.
driespeen, driyspeen, koe, waarbij een speen geen melk geeft.
droevig, druvig, droevig.
drogen, dreugen, drogen.
droog, dreug, droog. dè’s unnen dreuge, dat is een saai iemand. ’n dreug ków, een koei die geen melk meer geeft. staon de koei dreug?, zegt men wel eens als er geen melk bij de koffie is.
drossaard, drossent, drossaard, vertegenwoordiger van de landheer.
druivenwingerd, druivevijger, druivestruik, wingerd.
drup, drùp, het druppen: van de regen in d’n drùp.
drup, drop, drùppel, druppel. d’n lèèsten drop is de bòtterknop, de laatste druppel melk levert de vetste boter op; een aansporing om de koe helemaal leeg te melken.
dubbel, dobbel, dubbel. Verdobbelen, verdubbelen.
Dubbel-oud, Dobbel-aauw, In Veghel gebrouwen bier.
dubbelen, [nalezen, aardappels zoeken op een reeds gerooid land], dobben, dùbben, aardappels zoeken op een reeds gerooid land, nalezen.
dubbeltje, dùbbeltje, dubbeltje.
duffel, duffel, dikke winterjas.
duiden, duien, (duide, geduit), duiden. Uitduien, verklaren.
duiker, duiker, watergang, onder een weg door.
duim, duim, ongeveer 2½ cm.
duist, dòns, bloem van meel
duit, dòit, duit. verkl. doitje.
Duits lijntje, Duits lijntje, spoorlijn van Boxtel naar Wesel.
duivel, duvel, duivel.
duizend, duzend, duizend.
dun, dunder, dunner, slanker. d’een meid waar nog dunder dan d’aander, het ene meisje was nog slanker dan het andere.
dunnen, dunnen, hij is aon d’n dunnen, hij heeft diarree. zie ook spèllen.
durske, dùrske, meisje. dè’s ’n schòn dùrske, dat is een knap meisje.
dutsel, dutsel, van de wijs. hij is aon d’n dutsel.
dutsen, dutselen, dommelen, suffen, van oude mensen gezegd: hij is aon d’n dutsel.
duwen, douwen, duwen.
dwars, dwèrs, dwars. de zatlap viel dwèrs deur de dòrre heg, de dronkaard viel dwars door de doornen haag.
dwarsbomen, dwèrsbòmmen, tegenhouden.
dwarsligger, dwèrsliggers, dwarsliggers. we speulden op de dwèrsliggers vant spoor, we speelden op de dwarsliggers van de spoorlijn.
dweil, dwael, dweil.
echt, èècht, echt.
edik, eek, azijn.
een, één, unne, een. hij zinner gènnen ènnen, hij zei helemaal niets.
een paar, eppor, een paar.
een van, evvan, een van. Evvan die jong hait gedòn, een van die jongens had het gedaan.
eend, end, eend
eender, ender, dè’s net ender, dat is toch om het even. dè’s fel ender, dat is hetzelfde.
eenmaal, immaol, eenmaal.
eens, ens, ins, eens. ik ben ’t mè ouw ens, ik ben het eens met je.
eer, eer, voordat, vooraleer. ’t zal regenen eer ik op de Knipperdul ben, het zal gaan regenen voordat ik op Knipperdul ben.
eer, ter erre, ter ere.
eerbiedig, [met respect], eerbiejig, eerbiedig. in de kerk moesse de jong eerbiejig de pet afdoén, in de kerk moesten de jongens eerbiedig hun petje af zetten.
Eerde, Eerde, Oivers.
eerder, erder, irder, eerder. da haide erder moete zeggen, dat had je eerder moeten zeggen. hàttà irder gezeed, dat had je eerder moeten zeggen.
eerlijk, erlijk, irlijk, eerlijk. ge moet ’t erlijk zeggen, je moet het eerlijk zeggen.
eerst, ùùrst, eerst.
eeuw, eùw, eeuw.
eeuwsel, [hooiland], eùwsel, een reeks grasvelden, hooiland.
eg, eegt, eg. mv. eegden. Onzen Theej is mè d’eegt naor d’n bunt, onze Theo is met de eg naar het land in de Bunt.
egel, egel, bloedzuiger.
eghaak, eghook, om de eg te schudden.
egpers, egpors, ketting om de eg mee vooruit te trekken.
ei, eijer, eieren.
eierkorf, eijerkurf, eiermand. mè d’n eijerkurf kommen, op kraamvisite komen.
eieromgang, eijerùmgang, jaarlijkse omgang om eieren op te halen voor de pastoor. zie ook eierwezels.
eierwezel, eijerwezel, 1) wezel. 2) (eijerwezels ) vrouwen, die in het voorjaar eieren ophaalden (voor de pastoor).
eigen, eigen, eiges, zelf. m’n eigen, oew eigen, z’n eigen: hij hè z’n eigen gestoten, hij heeft zich gestoten. hij viel van z’n eigen, hij raakte bewusteloos. commandeert d’n hond en blaft eiges!, doe het zelf maar!
eimad, ijment, tòmmet, naweide (eimaat). zie ook lèkeimund.
einde, [vee(dieren)], eint, engt, stuks vee: dezen boer hè tien einder, deze boer heeft tien stuks vee.
einde, eint, engt, end, einde. mv. einder. zij hetm aon z’n eint gebrocht, zij heeft hem tot aan zijn dood verzorgd. iemand aon z’n end brengen, verzorgen tot aan de dood.
einde, tèn, het einde.
el, el, ongeveer 68 cm.
elastiek, stiek, 1) snelbinder; 2) kousenband.
Elizabeth, Bèt, Bèts, Elizabeth.
elk, ielk, elk.
elkeen, ielken, iedereen. ielken diejen moetr zunnen zegen ovver sloon, iedereen bemoeit er zich mee.
ellenmaat, ellemaat, stok van die lengte om lappen stof e.d. af te meten.
ellenwaar, ellewaar, manufacturen.
elveren, elveren, een grote hoeveelheid dragen.
emigreren, immigreren, emigreren, naar het buitenland verhuizen.
ene, eenen, dit woord wordt vaak gebruikt in de betekenis van men; ge zout eenen bang maken, men zou bang van je worden.
eng, ing, akker.
engel, engel, D’n Engel des Heren; als de kerkklokken om 12 uur ’s middags dit gebed luiden, staakt men even het werk om te bidden.
enig, innig, innigst, enig. enigst. hij is innigst keind, hij is het enigst kind.
enige, innige, enige.
eraf, er af, hij isr af, hij is de kluts kwijt.
erfhuis, erfhuis, openbare verkoop van een nagelaten boedel.
erg, èèrg, erg, in de gaten. hij hètter gèn èèrg in, hij heeft niets in de gaten, hij is zonder èèrg, hij is erg onnozel.
ergens, errest, erges, ernte, ergent, ergens.
erna, ternoo, erna, naderhand.
eromheen, drumhinne, eromheen.
Erp, Errup, Erp.
erwt, ert, erwt.
erwtensoep, ertesoep, erwtensoep, snert. Bij hitte en vorst, erwtensoep bij van Dorst.
Escharen, Esteren, Escharen.
eten, [voedsel, maaltijd], eet, d’n eet, het eten. komd’op d’n eet?, kom je bij ons eten?
eten, eten, eten. (eet, it, aat, geëten).
eu de cologne, onjeklònje, eau de cologne. brengde ’n fleske onjeklonje mee?, breng je een flesje eau de cologne mee?
Eucke, Jeuk, beekje, dat na kanalisatie de Leigraaf werd genoemd.
euh, hù-ù, bevestiging, wordt soms in plaats van ja gezegd.
evangelie, evangellie, evangelie. da’s een aorig evangellie, dat is een vreemd verhaal.
evenaar, evventer, 1) hieraan konden twee handknuppels vastgemaakt worden om b.v. met twee paarden tegelijk te kunnen werken; 2) evenaar.
evene, eve, 1) oud koren; 2) lichte haver.
eventjes, ekkes, eefkes, efkes, eventjes. kommes èkkes, kom eens eventjes.
evenwel, evvel, evenwel, toch. wild’èvvel, wil je wel.
expres, vèursprès, expres. da hedde vèursprès gedaon, dat heb je expres gedaan.
ezel, ezel, schraag om was op te hangen. zie ook wasezel.
ezelen, [plagen ], ezelen, plagen.
fabriek, febriek, fabriek.
falie, fallie, lange zwarte doek, voor in de rouw. ook falie.
falie, faolie, op z’n faolie krijgen, een pak slaag krijgen.
faliekant, faoliekant, mis, verkeerd: dè ding kumt faoliekant uit, die zaak heeft niet de verwachte afloop; ge heggut faoliekant mis, is eigenlijk dubbelop.
familie, femilie, familie.
Faro, Faro, het befaamde Zellands bier. het kostte 6 ct per halve liter. Het werd gebrouwen in bierbrouwerij De Roode Leeuw van v.d. Ven.
fatsoen, fesoen, fatsoen. houd oe fesoen, gedraag je netjes.
fatsoenlijk, fesoenlijk, fatsoenlijk.
fazant, fezant, fazant.
februari, fibberwarie, februari.
fee, feej, fee.
feest, fèst, fist, feest.
feestelijk, fistelijk, feestelijk.
feesten, fèsten, feest vieren.
fel, fel, ongeveer, praktisch, bijna. dè’s fel ènder, dat is praktisch hetzelfde.
feliciteren, fliciteren, feliciteren.
femelen, [treuzelen], fimelen, met de vingers treuzelwerk doen.
feurtsen, förtsen, tikkertje.
fiets, fiets, taptemelk of ondermelk, overblijfsel na de boterbereiding.
fietspin, fietspinneke, uitstekend ijzeren pinnetje aan de achteras van de fiets, om het opstappen te vergemakkelijken.
fijn, feeng, fijn.
filippine, fielepienen, lupinen.
filosoof, [wijsgeer], filesoof, filosoof.
fip, fip, tussen gróót en klein, tussen de fip en de fallie.
flapper, flapper, 2½ cent.
flater, fleter, zie Heter.
flats, flats, koeienvla.
fleer, fleer, klap, oorvijg. moete’n fleer hebben?, moet ik je een klap geven? zie ook muilpeer.
fles, flès, fles.
fletsen, flatsen, ook flansen: iets weggooien.
flikkeren, flikkeren, gooien. hij flikkerde z’n fiets op de grond, hij gooide zijn fiets op de grond.
flodderboon, flodderbòn, tuinboon. hèdde de flodderbònne al gepòt?, heb je de tuinbonen al gepoot?
foefelen, foewelen, liefkozen.
foep, foek, Ook foep: veerkracht (van zaken), moed, geestkracht (van personen). De foep is uit die veer, die veer is slap; de foek is uit hum uit, hij mist alle moed.
foep, foep, dennenappel.
foeperpot, foekepot, Rommelpot voor vastelaovend. Aan een gedroogde varkensblaas werd een stevige rietstengel vastgebonden. Daarna werd de varkensblaas over een pot of conservenblik gespannen en stevig vastgebonden. Door met een bevochtigde hand (bijvoorbeeld met spoúw) een glijdende beweging over de rietstengel te maken, werd een laag rommelend geluid voortgebracht, waarbij men liedjes zong. b.v.: foekepotterij, foekepotterij, geef mene cent dan gaak voorbij.
foezelen, foezelen, stiekem iets doen.
fooi, foi, fooi.
fornuisketel, fornuiskettel, ketel voor het koken van de was of voor het varkensvoer. zie ook sopkettel.
fraai, fraoi, meestal omgekeerd bedoeld: ’t is fraoi!, dat is niet zo mooi.
Francina, Sien, Francina.
Francisca, Cisca, Francisca.
Franciscus, Cis, Franciscus.
frats, fratsen, rare kunsten.
freeën, freeën, afrasteren.
friemelen, friemelen, krioelen.
friemelmuis, friemelmuis, tol.
frut, frutje, fopspeen.
frutkont, frotkont, treuzelaar.
frutten, frotten, prutsen, wa bende toch aon ’t frotten, wat ben je toch aan het prutsen, in elkaar aan het knutselen.
gaaf, gef, geef, 1) gaaf, vlak, niet ruw, glad; 2) niet slordig, niet vuil: hij hi geef kleer aon, zijn kleren zien er fatsoenlijk uit, 3) knap: ’n geef durske, een knap meisje.
gaan, goon, gaan. (gaoi, gi, gùt, gòn, gòdde, gonk, gingen, gegaon). Gòdde mee naor tante Til?, ga je mee naar tante Mathilde?
gaap, [suffe vrouw], gaap, sufferd, domme vrouw.
gaar, gaór, gaar.
gaard, gáárd, omheinde tuin.
gaarne, geer, graag. geer of nie, graag of niet.
gaas, gaós, gaas.
gaat het, gùgget, gigget, gaat het.
gading, gaojing, gading.
gaffel, gavel, tweetandige hooivork. verkl. gèvvelke.
galg, gáálge, bretels.
gang, gank, 1) gang. mv. gèng. verkl. gèngske; 2) manier van lopen.
gangig, gankig, hij is weer gankig, hij kan weer goed lopen.
gangvaardig, gankvèrrig, klaar om te gaan.
gapen, gapen, geeuwen.
gaper, gááperd, gaperd, domoor, sufferd, domme man. ook gaapmuts.
gard, geerd, tak. mv. geerden, lange dunnen tak. verkl. gèrtje.
garen, [gaar (laten) worden], gaóren, gaar worden.
garen, gaòren, garre, garen, om te naaien of te breien.
garenwinder, garrewijnder, apparaat om garen op te winden.
garf, garf, gèèrf, korenschoof. mv. gerven.
garstig, gárst, ranzig (van spek).
gasconnade, kasgenade, zwetserij, verbeelding. kasgenade maken, opscheppen.
gast, gáást, gast. mv. gaest. verkl. gaestje
gast, gáást, vier of zes tegen elkaar opgezette korenschoven.
gasthuis, gáásthuis, bejaardenhuis.
gat, gat, gat. mv. gaoter, verkl. gètje.
gauw, gaauw, (gawwer) gauw, snel. hoe gawwer hoe bètter, hoe sneller hoe beter.
gebaar, gebaor, gebaar.
gebakzak, gebèkzak, grote linnen zak om graan in te laten malen.
gebint, gebont, 1) deurkozijn; 2) houten constructie van een boerderij. ook gebint.
gebod, gebooi, het aflezen van de beslissingen van de gemeenteraad, officiële publicaties, huwelijksaankondigingen enz. Die twiej staon onder de gebooi, ze zijn in ondertrouw. zie ook roep.
geboorte, gebòrte, geboorte.
geboren, gebòrren, geboren.
gebroeders, gebruurs, broers.
gebuurte, gebuurt, geboert, buurtschap. we hebbenn goei gebuurt, we wonen in een fijne buurtschap.
gedaante, gedaonte, gedaante.
gedaas, gedwas, gedwassen, vreemde praat, woorden, handelingen, die aanduiden dat iemand een verkeerde daad wil plegen.
gedeelte, gedèlte, gedeelte.
gedoe, gedoe, drukte. dèsn héél gedoe, dat is een heel gedoe.
gedoe, gedoei, (gedoentje) boerderij.
gedurig, gedurig, steeds. ook geduurend of geduriges.
gee, [rij garven], géén, rij garven.
geel, gèl, geel.
geen, gin, gèn, geen. ik hebr ginnen inne, ik heb er niet een, ik heb geen geld.
geeneens, ginins, niet eens.
Geertruida, Trui, Geertruda.
geest, geest, hooggelegen land.
geest, gèst, gist, geest.
geestelijk, [tegenover wereldlijk], gistelijk, geestelijk.
geestelijkheid, gistelijkheid, geestelijkheid.
geeuwhonger, geehonger, geeuwhonger.
geheng, geheng, scharnier.
geit, guit, geit. de guit melken, de klok luiden.
gek, gek, grap. hij zinnut mène gek, hij zei het voor de grap.
gekijf, kijves, gemopper. Hij krig kijves, er werd op hem gemopperd.
gekken, gekken, 1) jokken, ge gèkt is meer ge vergist oe, terwijl ge liégt meer beledigend is bedoeld; 2) voor de gek houden..
gelag, gelog, gelag.
geleerd, geliérd, een geliérd vèèrken, een geslacht varken, dat aan de ladder hangt.
gelijk, glijk, alles, allemaal; hij wil 't glijk, hij wil het allemaal.
gelijk, [gelijk], lek, lik, likkus, gelijk, zoals.
geloof, gelóóf, geloof.
geloven, geleuven, geloven: ik geleuf ’t wel, ik hou het voor gezien, en gij geleuft dè?, en jij gelooft dat?
gelte, gèlt, vrl. varken. mv. gèlten.
gemakkelijk, gemekkelijk, gemakkelijk.
gemeente, gemènte, gemeente.
gemeentehuis, gemèntehuis, gemeentehuis.
gemoedig, gemujig, zacht, lenig.
genaam, geneem, aangenaam: ’t is geneem wèrke, het is lekker weertje.
geneuk, geneúk, vervelende handeling van een ander. zie neúken.
genoeg, genòg, genoeg.
genoegen, genugen, genoegen.
geraakt, geràkt, gepikeerd: gij bent ók gaúw geràkt, jij bent ook snel gepikeerd.
geraamte, geràmte, geraamte.
geraas, geroos, geraas.
geraden, geroojen, geraden; 't is oe geroojen, het is je aan te raden.
Gerard, Gert, Gerard.
Gerard, Graarus, Grad, Graorus, Gerardus.
Gerarda, Grada, Gerarda.
gerecht, gerèècht, rechtbank.
gereedschap, geridschap, gereedschap.
geregeld, [regelmatig], geregeld, steeds, regelmatig.
gerei, grei, gereedschap; wa’s dà vèur grei?, wat is dat voor spul?
geren, geeren, spits toelopende stukken land.
gerend, geerend, spits toelopend.
gerfkamer, gerfkammer, sacristie.
gerief, grif, meer dan. ‘k heb grif zat bôtterammen um mee te nemen, ik heb meer dan genoeg boterhammen om mee te nemen.
gerst, garst, gerst. de garst is glijk platgewaeid, de gerst is door de harde wind helemaal plat gaan liggen.
gerusten, gerust, wel. dè kunde gerust, dat mag je wel doen.
gesemmel, gesèmmel, gezanik.
geslacht, geslacht, het geslachte (varken).
gesp, geps, gaspel, gesp.
getoelie, getoelie, muziek.
gevaar, gevoor, gevaar. mv. gevoren.
gevaarlijk, [riskant], gevorlijk, gevaarlijk. doe’s nie zo gevorlijk, doe eens niet zo gevaarlijk.
gevoel, gevuul, gevoel.
gevoelig, gevulig, gevoelig.
gewaad, gewood, gewaad.
gewaar, gewaor, gewaarworden, doorhebben. wordet haost gewaor? heb je het bijna door?
geweten, gewééten, geweten.
gewoonlijk, gewònlijk, gewoonlijk.
gewoonte, [wat men gewend is], gewònte, gewoonte.
gewormte, gewùrmt, lastige vliegende insekten zoals muggen, vliegen enz.
gewricht, gevricht, gewricht.
gezoetel, gezoetel, getreuzel.
giebel, giebel, giechelaar.
giebelkont, giebelkont, giechelend meisje.
gierigaard, gierigerd, gierigaard.
Gijsbertina, Bèrtha, Gijsbertina.
Gijsbertus, Bèrtus, Bijs, Gijsbertus.
gilde, gild, guld, het (schutters)gilde.
ginderwijd, ginderwijd, ginds in de verte. zie ook ginter.
ginds, gins, ginter, geeneind, gineind, ginds, daarginds.
gindsop, ginsop, naar die kant, daarheen.
giroffel, snuffelkes, anjers.
gisp, gieps, dunnen roe, karwats of zweep.
gispen, giepsen, met een gieps slaan.
glad, glad, helemaal. ik ben ’t glad vergeten, ik ben het helemaal vergeten.
glad, glattig, glad.
gladheid, glattigheid, gladheid.
glas, glas, glas. mv. glaos of glees: glaos zijn vensterglazen, glees drinkglazen. verkl. gleeske.
glint, gelent, gelint, afrastering.
gloeien, glöjen, gloeien.
gloeiend, gloeiende, antwoord bij bepaald (bal)gooispel: op de vraag: knijp?, volgt bij toestemming het antwoord: de gloeiende!, waarop gegooid wordt.
Godfried, Goert, Godefridus.
godsamme, godsamme, uitroep van teleurstelling.
godsnaam, gòdsename, in de Gòdsename, op hoop van zegen.
godverdju, gordju, vloek.
godverdulleme, gordulleme, verdorie.
goed, goéd, goei, goed. hij trekt z’n goei dingen aon, hij trekt zijn beste kleren aan. wa hebbe we’t toch goéd, wat zijn we toch gelukkig. de goei kamer, de zitkamer waarin men alleen tijdens feestelijke gelegenheden zit.
goedemorgen, gemèèrrege, goedemorgen.
goedenavond, noovunt, goedenavond.
goedig, [goedaardig], goeiig, goedig.
goedkoop, goeiekóóp, goedkoop.
goelijk, [goedhartig], goeilijk, goed van hart.
gooi, goi, unnen goi, niet ver.
gooien, gòjen, gooien. (gòi, gòit, gòiden, gegòid).
goor, goor, moerassig gebied.
goot, geut, 1) dakgoot. 2) de plaats in de boerderij waar de gùtsteen staat, de keuken.
gootsteen, gùtsteen, gootsteen.
gootwater, gùtwatter, afwaswater.
gorgel, gùrgel, golger, gorgel.
gorts, gòrs, uitroep, zoiets als verdorie! ook gorts of gôs.
graad, gróót, graad.
graaf, graaf, sloot
graaf, groof, graaf.
grabbelen, gribbelen, te grabbel gooien.
graf, graft, graf. mv. graften.
grasmaand, grasmònd, april
Graspeel, Graspèl, De Graspèl, De Graspeel.
grauwen, groúwen, schemering.
Grave, [Grave (toponiem)], Graaf, De Graaf, de stad Grave. hij moet òm zeggen tegen de Graafse brug, zegt men als iemand te nieuwsgierig naar een familierelatie informeert.
grazen, graozen, steeds over hetzelfde doorzeuren.
grein, grein, 65 mg.
grep, grip, groep, (grip) afwateringsgeultje, (groep) goot achter de koeien, voor de mest.
gretig, greeg, gretig, gulzig, schraapzuchtig.
griebelgruwelen, griebelgroúwen, schemering. ook wel groúwen.
griezel, [hark], griesel, hark.
griezelen, grieselen, harken. ge moet de misse nog grieselen, je moet het erf nog harken.
griffel, griffie, griffel.
grijnzen, grijnzen, mopperen. ook gringzen.
grijnzerd, grijnzerd, mopperpot.
groeien, grùjen, groeien, meer bepaald: vet worden. Erges in grùjen, leedvermaak hebben.
groen, gruun, 1) groen; 2) ongekookt, rauw: gruun spek; 3) groenknollen: onze vàd is gruun aon’t plukke, mijn vader is groenknollen aan het plukken; 4) onrijp. gezegde: as ’n zwarte bes róód is dan issie nog gruun. Hij is nog gruun achter z’n òrre, hij is nog onervaren.
groenig, gruunsig, groenachtig.
groensel, [soort vogel], gruunsel, groenling.
groente, gruuntes, groenten.
groepstal, groepstal, stal met mestgoot achter de koeien. Deze goot wordt iedere dag leeggemaakt en de mest wordt buiten bewaard op de mestvaalt. zie ook potstal.
groeskant, groeskant, berm van de weg.
groesplak, groesplak, met gras begroeid land.
groeze, groés, het gezamenlijk gras van het weiland. verkl. gruuske.
groezen, groézen, veel groene (ongekookte) vruchten eten.
grof, grof, 't is grof, het is erg.
grond, grond, zand. de grond indoen, een zandweg inslaan.
gronen, gròniejen, 1) hinniken; 2) huilerig zeuren.
groot, gróót, (gròtter) gróót.
grootje, grùtje, oma.
grootmoeder, gròtmoeder, grùtmoeder, gróótmoeder. zie ook grùtje.
groots, grùts, verwaand.
grootvader, gròtvadder, grùtvadder, grootvader. zie ook uttevan.
grootveld, gróótveld, gemeenschappelijke akkers.
grop, grùp, gretig persoon. dè’s ’n gróóte grùp, dat is een gretig iemand, hij wil altijd alles hebben.
groppig, grùppig, gretig.
gulp, gùlp, gulp. oe gùlp stè open, je gulp staat open.
gungzen, gungzen, het geluid dat een koe maakt als ze gevoerd wordt.
haak, hook, haak. mv. heuk. verkl. hökske.
haakgat, hookgat, opening naar de balken, van buitenaf te bereiken.
haaks, [rechthoekig], hòks, haaks, rechthoekig. Houd’oe hòks, houd je goed.
haal, haol, hangijzer, waaraan een ketel hangt boven het vuur. zie ook heug of zaagijzer.
haam, haam, halsjuk van een paard. een open haam: een open onderbroek, met linten om dicht te strikken.
haamknuppel, handknuppel, balk achter het paard waar de hagten aan vast zitten.
haan, haon, haan.
haar, aar, links, bij het mennen van een paard. Hot en aar, rechts en links.
haar, heur, hurre, urre, durre, haar. Die néi fiets is van heur, die nieuwe fiets is van haar. is dè durre vrijer?, is dat haar verloofde?
haar, hoor, haar. mv. hoor, (op je hoofd), haren. verkl. hörke.
haard, hèrd, 1) haard, stookplaats; 2) het vertrek waarin de stookplaats is, de keuken, het woonvertrek in boerenhuizen; 3) huisvloer, erges veul ovver d’n hèrd kommen, iemand veel bezoeken; 4) koewachter. Ook wel gebruikt in de samenstelling koei- of koehèrd. mv. hèrden.
haardkeersel, hèrdkèrsel, zand wat de kamer uitgeveegd wordt.
haardresser, hoordresser, kapper.
haareender, hoorènder, precies hetzelfde. die twéé lijken hoorènder op mekaar, die twee personen lijken precies op elkaar.
haarenkelen, horènkelen, tijdens het lopen met de enkels tegen elkaar slaan.
haargetouw, haorgetouw, haorhammer en haorkruin samen, om de zeis te scherpen
haarhamer, haorhammer , hamer, waarmee de zeis scherp geslagen wordt op de haorkruin.
haarkruin, haorkruin, ijzeren pin die in de grond geslagen wordt, met daarop een ijzeren plaat die als aambeeld dient, om de zeis te scherpen.
haarmik, haormik, stok met een v-vorm, om de zeis in te hangen, wanneer deze gescherpt wordt.
haarop, haarop, naar links.
haas, haos, haas.
haast, haost, haast, wa hà d’n dokter wir veul haost, wat had de dokter weer veel haast.
haast, haost, hòst, bijna, ’t is haost Sinterklòs, het is bijna Sinterklaas. dè kóóst hòst niks, dat kost bijna niets.
haastig, haostig, haastig.
haat, haot, haat.
hacht, hacht, hagt, ketting waarmee het paard voor de kar gespannen wordt; trekketting aan de haam van een paard.
haffelen, haffelen, steeds in de handen nemen: die jong haffelen geduurig mi de kat; verhaffelen, door veel in de handen te nemen vuil maken, verfrommelen: ’n verhaffelt klééd; wa ziet 'r dè keind verhaffelt uit, wat zitten zijn kleren slordig.
haffelkat, haffelkat, poes die veel gepakt wordt.
haksel, haksel, kort gesneden stro.
hakselen, hakselen, hekselen, stro kort snijden.
hakselmachine, hekselmachine, werktuig om stro kort te snijden.
halen, haolen, halen. (haol, haolde, gehaold).
halen, holen, een knecht of meid ‘installeren’. De knechten en meiden uit de buurt verzamelen zich ’s avonds in het huis van hem of haar die in een nieuwe dienst gekomen is (meestal rond 24 februari, Sint Mathijs); men leidt ze het huis rond om hen de voorwerpen, die bij hun werk nodig zijn, te tonen; men brengt de knecht naar de paardenstal en hakselkist, men wijst de meid waar het melkgereedschap en de bezem enz. staat. Vervolgens wordt er gedanst en de nieuwe knecht en meid schenken jenever.
half, hallef, half.
hals, hals, dè’s unnen èèrmen hals, hij is te beklagen.
halsbeugel, halsbeugel, ijzeren beugel om de koe of de geit te tuieren.
halster, helster, halsriem voor een paard.
halte, halte, stopplaats voor de trein. Op de Trent had je Halte Zeeland, een stopplaats van het Duits lijntje. Waar nu de Losplaats ligt bij de Dico, lag het station van Uden.
hamer, hammer, hamer. zie ook hèst.
hand, háánd, hand. mv. háánd. verkl, hèndje. Ik wilr m’n háánd nie um verdraejen, het is mij volkomen onverschillig. Ik goim ’n háánd geven, gaan plassen.
Handel, [toponiem], Hândel, Handel. We gaon op beevert naor Hândel, we gaan op bedevaart naar Maria in Handel.
handig, hèndig, gemakkelijk. dè’s hèndig zat, dat is heel gemakkelijk. dè’s gennen hendige, daar ga je niet gauw mee lachen.
handsekant, handsekant, linkerkant van een paard.
handvol, haffel, handvol. mv. haffelen en haffels. een haffel kersen, een kleine hoeveelheid, een bundel, die men met de hand omvatten kan: bij het vlasbraken wordt het vlas in haffelen genomen. ’n haffel mensen, een verschillend aantal mensen. verkl. hèffelke.
handwijzer, handwijzer, wegwijzer.
hanenbalk, haonenbalk, bovenste balk in de nôld van de boerderij. hosbalken: hanebalken
hanengeschrei, haoneschréi, hanenstap, in het versje: Sunte Lucéi, Dan lengt d'n téi, Alle daag ènnen haoneschréi. Na St. Lucia (14 december) beginnen de dagen te lengen. Het versje dateert dus van voor de Gregoriaanse kalender. (Paus Gregorius XIII hervormde in 1582 de kalender door te besluiten dat na 4 okt. meteen 15 okt. zou volgen.)
hanenkam, haonekáám, 1) hanekam, 2) varenplanten.
hanenkraai, haonekreij, gerecht dat gemaakt werd nadat een varken was geslacht: gehakt in de pan met hersenen erbij.
hangen, hangen, hangen. (hang, hing, hong, gehongen).
hanghout, hanghout, hout om het geslacht varken aan te hangen. zie ook hangknuppel.
hangknuppel, hangknuppel, hout om het geslacht varken aan te hangen. zie ook geliérd.
hannes, hannes, sukkel.
hannes, hannes, fluweelboom.
hannes, [mannetjeskonijn], hannes, mannelijk konijn.
hannik, [ekster], hannik, ekster.
hansop, hansop, wijd nachthemd.
hansopboks, hansopboks, broek met achterklep.
hardhorig, [doof], hardheurig, doof.
harekant, haarrekant, linkerkant.
haren, haoren, de zeis met d’n haorhammer scherp maken.
haring, hèrring, haring.
harmonica, mònnika, trek- of mondharmonica. Hènt kan moi mònnika speulen, Harrie kan mooi accordeon spelen.
harmonie, hèrmenie, harmonieorkest.
hart, hàrt, hert, hart, lef. Hèt ’t hàrt ’s um dè te doén, heb het lef eens om dat te doen
hartstikke, hartsteken, hartsteken dóód, morsdood.
has, hàs, hoofd, gezicht.
haspel, hapsel, ook hepsel, haspel.
haspelen, [moeizaam werken], haspelen, moeizaam werken.
hatelijk, [onvriendelijk], haotelijk, hatelijk.
haten, haoten, haten.
hauw, hauwkes, peulachtige vrucht.
hebben, hebben, hebben. (heb, hè’k, hi, hèt, hemmen, hedde, haj, ha'k, haik, hàdde, haide, hagget, hajjen, hân, gehad). da hè’k, dat heb ik. hedde ’t gedaon?, heb je het gedaan? we hemmen ’t genog, wij hebben genoeg. ha’k ’t mar gedaon, had ik het maar gedaan. da ha’k in munne kop hangen, dat meende ik toch echt. haide gij geheurd wà’k zèn?, had je gehoord wat ik zei? we hân getijt um te kòmme, we waren van plan (we hadden het plan) om te komen.
heel, héél, hil, hèlle, hille, heel. dè’s al unnen hille kèl, dat is al een flinke knaap.
heen, hèn, hin, hinne, heen, weg, naar toe. waor issie hèn?, waar is hij naar toe? doe mar hin, ga maar door. wanneer doen ze wir hin?, wanneer gaan ze weer weg? waor gòdde hin?, waar ga je heen?
heenkomen, heenkomen, daor komme wij nie van hin, dat ligt niet in onze aard.
heensloeren, hinsloeriën, heen doen.
heep, hiep, kleine bijl, hakmes.
heer, héér, heer. dè’s unnen hóógen héér, dat is een belangrijk heerschap, mv. hirren of hèrren: dè zèn hóóg hèrren. zie ook hòg.
heerbroer, hèrbruur, broer die priester is.
heerneef, hèrneef, neef die priester is.
heeroom, hèrròm, oom die priester is.
heerzoon, hèrzoon, zoon die priester is.
hees, [kreupelhout], hees, kreupelhout.
hees, hès, hees, schor.
hees, heeze, heideveld met moeras.
Heesch, Hès, Heesch.
heest, hèst, hamer.
heffen, heffen, weglopen. hij gè heffen, hij gaat er vandoor.
heft, hèft, handvat van een mes.
heggenweduwe, hegweùw, ongehuwde moeder.
heibezem, heibèssum, bezem, gemaakt van heipollen, die gebruikt werd op de stal.
heiboender, heibuunder, borstel, gemaakt van hei om b.v. melkbussen te schuren.
heide, héi, heide; onontgonnen, woeste grond. Ge moet gèn héi roepe vèurda ge d’r over bent, je moet niet te vroeg juichen.
heikant, heikant, het deel van het land van Ravenstein bestaande uit Boekel, Uden en Zeeland.
heikantsgerecht, heikantsgericht, rechtbank van Boekel, Uden en Zeeland.
heikneuter, heikneuter, kneu.
heikriekels, heikrikkels, Mariaheide.
heilig, hèllig, heilig. Hij krijgt d’n hèlligen òllie, hij wordt bediend.
heiligendag, hèlligendag, feestdag van een heilige, of kerkelijke zondag.
heiligje, hèlliske, prentje met een heiligenafbeelding.
heimelijk, heimelijk, stiekem.
heiningpaal, heiningspool, weipaal.
heivlaggen, heivlaggen, heiplaggen.
heizeis, heizicht, korte zeis, om heidestruiken af te maaien.
hek, hèkke, hek. mv. hèkkes.
hekbezem, hekkenbèssum, grote ruwe tak om de schuur bij te vegen.
hekel, hekel, bord met tanden om vlas te zuiveren.
hekelmolen, hekkelemeulen, kleine dorsmachine.
heksen, heksen, opschieten. ik kan nie heksen, ik kan het niet zo snel.
hekslag, hekkeslag, ingang tot het weiland. zie ook slag.
hel, hel, levendig, flink: 'n hel dùrske, een flinke meid.
hel, hèl, hel. himmel, hèl en vagevuur, hemel, hel en vagevuur.
held, hilt, bikkel.
helemaal, hèllemaol, hillemaol, helemaal.
helen, hillen, helen, genezen.
Helena, Lien, Helena.
hem, hum, um, hem.
hemdrok, baaien hemdrok, onderrok, gemaakt van dikke stof, voor in de winter.
hemdrok, hemsrok, borstrok.
hemdsmouw, [sporthemd], hemsmouwes, sporthemd.
hemel, himmel, hemel.
hemelen, himmelen, (himmel, himmelt, himmelde, gehimmeld) sterven. Miekemoèt gè himmelen, tante Miek ligt op sterven.
hemelrijk, himmelrijk, nederzetting nabij een langgerekt bosgebied.
hemels, himmels, hemels. hij wit zich gènnen himmelsen rood, hij is radeloos.
Hemelvaartsdag, Himmelvaortsdag, Hemelvaartsdag.
hemelzaad, hemmelzood, bladluizen.
hen, hen, kip. hij’s de henne voejere, hij is de kippen aan het voeren.
Hendrik, Driek, Hènt, Harrie, Hendrik, Hendricus.
Hendrika, Drieka, Hendrika.
hennengat, hennegat, kippenuitgang in de staldeur. zie ook kiepegat.
hennep, kennip, hennep. Hennip heten de niet zaaddragende planten.
Henriëtte, Jet, Henriëtte.
herberg, herberg, café.
herenboer, hèrboer, deftige, rijke boer.
herfsthaan, herfsthaon, oude vrijgezel.
herfsthaan, herfsthaonen, opgeschoten jeugd.
herfstmaand, herfstmònd, september
Hermanus, Manus, Mònnus, Hermanus.
heten, hèiten, verwarmen, zich warmen. hij hèit z’n eigen bij de kachel, hij warmt zich bij de kachel.
heten, hèiten, hieten, (hiet, gehèiten) heten. hoe hèite gij?, hoe heet jij?
heterdefleter, heter en fleter, de wirlicht hi d’n bòm tòw heter en fleter geslagen, de bliksem heeft de boom in duizend splinters geslagen.
heuen, heuen, opjutten.
heug, heug, 1) feestpartij bij een ondertrouw; 2) haal om ketel boven het vuur aan op te hangen. zie ook zaagijzer.
heumig, hommig, hooghartig.
hevel, [restant (zuur)deeg], hevel, restant van deeg gebruikt als zuurdesem voor volgend baksel, zuurdeeg.
hevig, hivvig, hevig.
hij, ie, hij.
hik, hibbik, hik.
hiksik, hiksik, hagedis. d’n hiksik hè zunnen start verlorre, de hagedis is zijn staart kwijtgeraakt.
hit, hit, klein soort paard.
hitsen, hissen, 1) ophitsen (b.v. een hond); 2) opjagen; 3) op hopen drijven (b.v. van sneeuw). de weind hè de sneùw aolling ovver de heg hèn gehist, de heg ligt bedolven onder de opgehoopte sneeuw.
hitsneeuw, hissneùw, bijeen gewaaide sneeuw.
hitte, hèit, hitte. deur de hèit waar alle ròmme zoer geworren, door de hitte was de melk zuur geworden.
hittenkar, hittekar, kar getrokken door een hit.
ho, how, huui, ho, stop, van een paard.
hoe, how, hoe.
hoed, hoéd, hoed. mv. húúj. verkl. húújke.
hoeden, hujen, hoeden (van vee).
Hoefkens, Huufkens, buurtschap tussen Zeeland en Reek.
hoefslag, [pad voor een paard], hoefslag, het pad, waarop het paard loopt, tussen de karresporen.
hoek, hoek, buurtschap.
hoeken, huukes, hoeken.
hoest, hoest, 1) schep om varkensvoer kort te maken. zie ook oest; 2) kooien hoest, kinkhoest.
hoeve, hoéf, hoeve. mv. húúf, pachthoeve. verkl. hùùfke.
hoeve, hoeve, oppervlaktemaat; zoveel land, als nodig is voor een boerenbedrijf.
hoeveel, hoeveul, hoeveel.
hoevenaar, huuvender, pachtboer.
hof, hof, hof. m.v. héuf, tuin; ook pachthoeve. Prinsenhof, domeinhoeve. verkl. höfke, heufke.
hoho, hou hou, ho ho.
hoi, hòi, begroeting.
hoken, hoken, garven aangeven door het hookgat.
hokkeling, hokkeling, jong kalf van ± 1½ jaar oud.
hollen, [hol maken], heulen, uithollen.
hollen, hollen, ’t is bij hum hollen of stilstoon, dan weer werkt hij heel hard, dan weer doet hij niets.
hom, hom, zijdelings verplaatsen van een paard.
hompen, hoempen, hompen, mank lopen, kreupel lopen.
hond, hónd, hond. m.v. heúnd. verkl. hùndje.
hondenkooi, hónskoi, 1) hondenkooi; 2) cylinderhoed. Spottenderwijs vraagt men aan iemand, die bij een plechtige gelegenheid zo’n ‘hooge zéije’ draagt: Mag vandaag d’n hónd loslóópen?
hondsblaar, hóndsbloojer, omloop (soort ontsteking aan een vinger).
hondsgezeik, hóndsgezeik, heel vaak, in de uitdrukking: ieder hóndsgezeik.
hongerfluit, hongerfluit, op de hongerfluit speulen, iemand die klaagt van de honger.
honing, hònning, honing.
hoofd, heut, hoofd.
hoofdeinde, heutenèind, hoofdeinde.
hoofdvlees, huutvlès, hoofdkaas, zult.
hoog, hòg, verwaand. zij hèggut nogal hòg, ze is behoorlijk verwaand.
hoog, hóóg, hòg, heuj, hoog. Hij wònt op ’t hóóg, hij woont op een hooggelegen stuk land. Goit diejen bal màr ’s umhòg, gooi die bal maar eens omhoog. te heuj, omhoog.
hoogkar, hògkar, hóógkar, hoge kar.
hoogkoor, hóógkóór, priesterkoor.
hoogmis, hògmis, hoogmis, plechtige mis, soms wel mè driy hèrre: met drie priesters, meestal een zingende mis, waarin door het koor gezongen werd; dit in tegenstelling tot een stille mis.
hooi, hòi, hooi.
hooiberg, hòiberg, hooiberg.
hooien, heuien, met de koe de bermen langs om te laten grazen.
hooien, hòien, hooien.
hooihof, hòihof, gebied waar veel gehooid werd.
hooileer, hòilèrke, trap om op de hooizolder te klimmen.
hooimaand, hòimònd, juli
hooirijf, hòireif, houten hooihark.
hooiruif, hòirep, ruif.
hooiwagen, hòiwagen, 1) wagen om hooi te vervoeren; 2) langpotig, spinachtig dier.
hooizolder, hòizulder, hooizolder.
hookstaak, hookstaak, ijzeren pin, waar de koeien mee getuierd staan.
hoop, hóóp, hoop. mv. heúp. verkl. hùpke.
hoorn, horre, hoorn. mv. horres, hoorn van een koe.
hoos, euzen, mv. het onderste van het dak, waar het water afvloeit.
hoos, hoos, kous. mv. hoos of hozen.
hoosbinder, hoosbender, kousophouder.
hord, [stok], hoord, stok.
horen, heuren, horen.
horken, hörken, uithoren, ergens naar vragen. zie ook uithörken.
horloge, lòzzie, horloge. Wa bende gij toch unne lozzie, wat ben je toch een sufferd.
horst, horst, 1) hoogte in het land, d’n bèrrenboer wònt op d’n Heihorst. vgl. ook Maashorst, Venhorst; 2) schoorsteen, in het vastenavondliedje: In diy hoog horsten, Daor hangen diy laang wóórsten.
hort, hort, 1) een poos, korte tijd. verkl. hörtje. zie ook stoot.
hort, hort, staken, latten, voor kippenslaapplaats, zie ook veeke. de hort op, naar bed.
horzel, heurs, hoorz, horzel. legt nèt mar ovvert pèrd, want d’r zitten veul heurs, hang het vliegennet maar over het paard, want het heeft veel last van horzels. zie ook hoorz.
horzen, hoorzen, stormgeluid.
hot, [bit voor paard], hottie, bit voor het paard, voor een enkele teugel. zie ook stang en trens.
hot, hot, hottum, (naar) rechts.
hottekant, hottekant, rechterkant.
hotten, hotten, schiften van melk.
houden, hóuwen, (houw, hieuw, gehóuwen), houden.
houdens, houwes, Is ’t vèur houwes of speule we vèur sles?, spelen we voor echt of niet?
houdoe, houdoe, tot ziens.
houkind, haauwkeind, kind dat bij andere mensen wordt opgevoed.
hout, hout, hout. mv. houter, struikgewas. Het verkleinwoord höltje is te vinden in de uitdrukking op z’n eigen höltje, op eigen gezag.
houten, houteren, houten, van hout. Houteren lóód, de latten, waartussen de vensterglazen staan. Toen het lood, waarin vroeger de ruiten gevat waren, door hout werd vervangen, behield men daarvoor de naam lóód, maar nu met bijvoeging van houteren. Houteren beevert, ter bedevaart gaan zonder gebiecht te hebben.
houtkers, houtkers, wilde kers.
houtven, houtvennen, bosgebied, dat in het najaar overstroomt.
houwen, hóuwen, (houw, houwde, gehóuwen), hakken.
houwmouw, hóuwmóuw, dwarrelwind, wervelstorm.
houwpost, hóuwpost, blok hout om kachelhout op te hakken.
hoven, heuven, tuinieren, in de hof (tuin) werken.
hozen, euzen, water hozen.
hubbord, heùbeùrt, hubburd, verticale plank, voor en achter op een wagen of kar. zie ook hubburd.
huif, huufke, eerste korst van het brood
huif, huif, stoffen overspanning voor de lange kar.
huis, hous, huis, huis, en thous, thuis. (Uden) [Algemeen: in Uden wordt de ‘ui’, (huis, muis, enz.) vaak als ‘ou’ uitgesproken.] mv. huis. verkl. hùiske.
Huisgezin, Huisgezin, voorloper van het Brabants Dagblad.
huishouden, huishaauwe, huishouden, gezin.
huisje, huiske, w.c.
hullie, hullie, hun.
huls, huls, peul.
hulte, hult, laagte in het land (van hol). In de uitdrukking: over hult en bult, over ongebaande weg. vgl. holderdebolder.
hupsel, hupsel, twee handen vol, twee haffels.
hurk, [(scherpe) hoek], hurk, scherpe hoek.
hurken, huiken, hulken, hurken, op de hurken gaan zitten.
husselen, hutselen, mengen. ook husselen.
Ida, Iet, Ida.
iemand, iemes, iemand, ook iemest.
iets, iet, iets.
ietsje, ietskes, beetje. s ietskes trug stoon, ga eens een beetje naar achteren.
ijs, hoolijs, zwak ijs, waar water onder zit.
ijselijk, eiselik, ijselijk.
ijspin, ijspin, ijspegel. mv. ijspinnen. zie ook krekel.
ijver, iever, ijver.
ijveren, [zich inspannen, vorderen], uuveren, vorderen. ‘t uuvert nie, het vordert niet.
ijzel, hijzel, ijzel, rijp. trekt mar ’n par kousen ovver de klompen, wantt hijzelt, trek maar een paar kousen over de klompen, want het ijzelt.
ijzelen, hijzelen, ijzelen.
ijzen, eizen, ijzen, rillen van schrik.
ik, ikke, ik. ikke ikke en de rest kan stikken.
immers, ummers, immers.
inbeelden, inbilden, inbeelden, zich voorstellen.
inbeelding, inbilding, inbeelding, verbeelding. ge hèt nogal wa inbilding, je hebt nogal wat verbeelding.
inbinden, inbeinden, inbinden, ophouden. ge moets ’n bietje inbeinden, je moet eens een beetje ophouden. tów bond ie toch wel in, toen hield hij toch wel op.
ineens, inèns, inins, ineens.
inhalen, inhaolen, 1) iemand inhalen, huldigen. de neije pestóór wier mi gróót bezwaoi ingehaold, de nieuwe pastoor werd met veel eerbetoon ingehaald; 2) binnenhalen van de oogst.
inkerman, inkerman, hinderman, pan met twee vakken er in en een deksel erop, waarin dagloners hun middageten mee naar het werk nemen; twee eetpannen aan elkaar. zie ook inkerman.
inkomen, inkòmmende, inkomen. hij hè ’n goei inkommende, hij heeft een goed inkomen.
inkopen, inkóópen, bevallen.
inkt, int, inkt.
inktlap, inktlap, op elkaar genaaide lapjes om de (kroontjes)pen aan af te vegen.
inmaken, [wecken], inmaken, groenten enz. wecken. unnen ingemakte, een egoïst.
inpiepen, inpiepen, kleren aantrekken, bij kleine kinderen.
inspannen, inspannen, opstappen. We spannen mar wèr ’s in, we stappen maar weer eens op.
introuwen, introuwen, na het huwelijk bij iemand, meestal een van de schoonouders, gaan inwonen.
Isidorus, Ies, Isidorus.
ja, jao, , ja.
jaar, joor, jaar. mv. jòrre. verkl. jörke. hij werkt al twèntig joor vèur diejen baos, hij werkt al twintig jaar voor die baas.
jaarlijks, [ieder jaar], jorlijks, jaarlijks.
jaartal, jortal, jaartal. We moesse van de mèster veul jortallen lééren, we moesten van de onderwijzer veel jaartallen leren.
Jacob, Jôp, Jòpik, Sjaok, Kôbus, Jacobus.
Jacoba, Kôba, Jacoba.
jagen, jagen, hard rijden. hij jaagt al wàttie kan op Nisseroi aon, hij rijdt heel hard naar Nistelrode toe.
jagen, jaogen, jagen.
jager, jeger, rond ijzer op de zeis-boom.
jak, jak, strakke bloes.
jammer, jaommer, jammer, erg, medelijden. Daor hoefde gènne jaommer mè te hebben, dat hoef je niet erg te vinden..
janken, janken, huilen.
januari, jannewarie, januari.
japon, jepon, jurk.
jat, jat, hand.
jatten, jatten, iets stelen.
jeetje, sjimmes, jeetje.
jenever, snevel, jenever.
Jettenmolen, Jettemeulen, molen op Moleneind te Uden.
jeuken, euken, jeuken.
Jezus, Jizzus, Jezus.
jij, , gij, jij, u.
jodenvet, jòddenvét, soort snoep.
Jodocus, [mansnaam, sufferd], Docus, Jodocus.
joe, jeu, het paard aansporen.
joekelen, joekeren, janken van een hond. ook joenkelen of joenkeren.
Johanna, Jans, Jòntje, Hanne, Jaan, Johanna.
Johannes, Jannus, Janus, Jaonus, Jas, Hàs, Jônnus, Hannes, Johannes.
jong, jóng, kinderen. die verrèkte jóng luisteren òk nòit, de verdraaide kwajongens luisteren nooit.
jong, jónk, jong. jónk zijn, geboren worden. waor bende gij jónk gewi?, waar ben jij geboren?
jongen, jóngen, 1) jongen. mv. jónges. Het mv. jónges wordt ook gebruikt bij het aanduiden van kinderen in het algemeen. zie ook jóng. verkl. jungske.
jongen, jóngen, jongen werpen, bij dieren. d’n hond moet alwèr jongen, de hond krijgt al weer puppies.
jood, jòd, 1) jood; 2) sjacheraar.
jou, oe, jou, je. hoe gùgget mè oe?, hoe gaat het met je? waor hedde oewen mins?, waar is je man?
jouw, [bezittelijk voornaamwoord bij 'jij'], ow, jouw.
Jozef, Jòzzef, Jozep, Jozef.
juffer, juffer, joffer, juffrouw. verkl. jufferke.
juist, sjuust, juist.
jullie, gellie, gullie, aollie, ollie, ullieje, jullie. b’ons, b’òllie en b’alle mense, bij ons, bij jullie en bij alle mensen. waor is aollieje vàdder?, waar is jullie vader? vgl. b’ons, b’aollie en b’alle mense: bij ons, bij jullie en bij alle mensen.
jus, suj, seuj, jus.
Jut en Jul, jut en jul, spottende aanduiding van een niet al te snugger (echt)paar.
kaal, kaol, 1) kaal. Hij hè unnen kaolen hàs, hij heeft een kaal hoofd; 2) helemaal, hij hèggut kaol verspùld, hij heeft alles verloren.
kaan, kooi, kaan. mv. kojen, verkl. kooikes, kanen uit gesmolten vet.
kaars, kars, kaars.
kaarten, kaorten, het kaartspel spelen.
kaarten slaan, kaorten sloon, soort loting door middel van het omdraaien van speelkaarten.
kaas, kaos, kees, kaas. Hij löt de kees nie van zunne mik eten, hij laat de kaas niet van zijn brood eten. door komme we binnekort aon de kees, daar is binnenkort een sterfgeval.
kaatsbal, kaotsenbal, kaatsbal.
kaatsen, kaotsen, het kaatsspel spelen (een bepaald slagbalspel), kaatsenballen, kaatsen.
kabas, kabas, karbas, boodschappentas, handtas.
kachelgruis, kachelgruis, sintels, as.
kadaster, kedaster, kadaster.
kadaver, kedaver, kadaver.
kadaverhuis, kedaverhùiske, Gebouwtje, waar de kadavers van koeien en varkens tijdelijk werden bewaard. Tussen Uden en Zeeland stond vroeger een kedaverhùiske.
kademmer, kedemmer, kademmer, rare snijboon, persoon. wa’s dè vèur unne kademmer, wat is dat voor een persoon.
kaduuk, keduuk, kapot, bouwvallig.
kaf, kaf, omhulsel van de graankorrel. Door te wannen werd het kaf van het koren gescheiden. Dit werd veel gebruikt als vulling voor het matras. Haverkaf had daarbij de voorkeur.
kak, kak, verwaandheid. die hè veul kak, die beeldt zich heel wat in.
kakkemom, kakkemom, blinddoek.
kakkemommen, kakkemommen, blindemannetje spelen.
kakschool, kakschool, kleuterschool.
kakstoel, [toilet], kakstoel, kinderstoel, vaak met uitsparing in het zitvlak voor de po.
Kalland, Klant, verbastering van Kalland, land van Karel de Grote.
kam, kaam, kam. mv. kèèm. verkl. kèmke.
kameel, kimmel, kameel.
kamer, kammer, 1) kamer; 2) afgepaald perceel.
kameraad, kammerood, kameraad, vriend. mv. kammerooi. ik goi mè m’n kammerooi naor de kermis, ik ga met mijn vrienden naar de kermis.
kammen, kèmmen, kammen.
kamwiel, kamwiel, tandwiel.
kan, kan, 1) melkbus. doe’s vòrt mè de kanne, daor hèdde de romboer al, schiet eens een beetje op met de melkbussen, daar komt de melkophaler al aan; 2) korenmaat, inhoud 1 liter.
kanarie, karnarrie, kanariepiet.
kantoor, kantóór, kantoor. diejen deftigen héér werkt op ’n kantóór, die deftige heer werkt op een kantoor.
kapel, kepèl, kapel.
kapelaan, kappeloon, kapelaan. (priester die samen met een pastoor op de pastorie woont. Ook wel eens ‘herdershond’ genoemd)
kapelse lof, kepèlse lof, lof in de kapel.
kapitoor, kappetunie, kaft van een boek. de kappetunie li aolling van de kàttechismus af, de kaft van het katechismusboekje is helemaal stuk.
kapmantel, kapmantel, mantel zonder mouwen, die tot bijna op de grond hangt.
kapmuts, kapmuts, gebreide muts met kraag, onder de kin gebonden.
kapot, kepot, gepot, kapot.
kappertje bier, kappertje bier, glaasje met een voet.
kaps, kèps, alle speelgeld verloren hebben, platzak.
kapucijn, kapecijn, 1) Capucijner pater. de Capecijn hielt unnen donderpreek, een paar keer per jaar kwam een Capucijner pater preken voor de missie: een soort bezinningstijd; 2) soort boon.
kar, kaar, kar.
karbonade, karmenaai, karbonade. Jungske, brenge gij de karmenaai mar ’s naor de pestóór, jongen, breng jij deze karbonade maar eens naar de pastoor.
karhengst, [dom persoon], karhengst, dom mens.
karn, keer, karnton
karnen, kèrren, kernen, karnen. (keerde, gekeerd).
karnmolen, kermeulen, apparaat om te karnen.
karploeg, karploeg, soort ploeg met 2 voorwielen, ook stellingploeg genoemd. zie ook rolploeg.
karrad, karrad, karwiel.
karreep, karréép, houten beugel waarover de huif gespannen wordt. mv. karréépe.
karwats, kerwats, karwats, rijzweep.
karweg, karweg, zandweg waarop karren rijden.
karwei, kerwei, karwei.
karwip, karwip, een steun, onder de kar gezet, om de as te kunnen smeren.
kast, káást, kast. de stölp mi Tresia stè op de káást, de stolp met het beeld van de H. Teresia staat op de kast.
kastanje, kestanje, kastanje.
kasteel, kesteel, kasteel.
kat, kat, kat. verkl. kètje.
kater, kaoter, kater.
katholiek, kàtteliek, katholiek.
katje, kètjes, wilgenkatjes. zie ook poeskes.
katoen, ketoen, katoen.
kattekop, kattekop, gierpomp.
katten, katten, soort kaartspel.
kattenhol, kattenhool, woest, spookachtig gebied.
katuil, kàtoul, uil.
kazuifel, kezuifel, kazuifel.
kebbelen, kebbelen, druk praten, babbelen.
keel, [= KEELTJES], keelen, raapstelen.
keeljas, keljas, werkjas.
keelmand, kelmáánd, grote mand om aren in te dragen.
Keelstroper, Keelestreupers, inwoners van Reek.
keer, kéér, kir, keer. mv. kèrre, kèrres of kirres. Te kéér goon, razen tieren. Ook wel te kóór goon, waarbij men kan denken aan een koordienst door kloosterlingen. Ik zegt mar ènne kéér: Ik zeg het maar een keer, hoeveul kèrres hekt nou al gezeed: hoe vaak heb ik het nu al gezegd.
kei, kéi, vaak gebruikt voorvoegsel, in de betekenis van heel, erg: da’s kéischòn: dat is heel mooi, da hèk al kéiduk gedaon: dat heb ik al heel vaak gedaan. kéigróót, kéilang, kéimoi, kéiveul, enz.
keienschijters, kéienschijters, oude scheldnaam van Udenaren en ook van de inwoners van Ravenstein.
keisterwind, keisterweind, storm.
keldertralie, kelderketrallie, kelderraam. de pudding stont vèur het kelderketraliie, de pudding stond voor het kelderraam (om af te koelen).
kelderzeug, kelderzog, pissebed.
Keldonk, Kelling, Keldonk.
kenbaar, [te kennen], kenber, kenbaar.
kennef, kenf, koebeugel, die om de hals werd gedragen.
kepie, kepi, soldatenpet.
kerel, kèl, kerel, man.
keren, keren, 1) vegen. Gij moet van onze vad d’n hèrd uitkeren, jij moet van vader de keuken uitvegen; 2) tegenhouden. dè kunde nie keren, dat kun je niet tegenhouden.
kerk, kerk, bende gij in de kerk gebòrre?, zegt men als iemand de deur open laat staan. hij kwam onder de kerk, hij kwam op bezoek terwijl we in de kerk zaten.
kerkgang, kerkgang, ritueel bij het weer ter kerke gaan van een vrouw die bevallen was.
kerkmeester, kerkmèster, lid van het kerkbestuur.
kerkvolk, kerkvolk, hij duugget vèur ’t óóg van ’t kerkvolk, hij doet het niet uit overtuiging, maar om slechte praat te voorkomen.
kermisbloem, kermisbloem, in Zeeland een flox. Elders afhankelijk van het tijdstip van de kermis.
kern, keer, de kern, het binnenste van een boom.
kers, kors, kers. mv. korsen.
kersenboom, [soort fruitboom], korsenbòm, kersenbòm, kersenboom.
kersenboomgaard, kersenboogerd, korsenboogerd, kersenboomgaard.
Kerstmis, Korsmis, Kerstmis. ook korsemis.
kervel, kelver, kervel.
ketel, kettel, kittel, ketel.
ketelboeter, kettelbuter, ketellapper. Meestal in de uitdrukking vloeken of liégen as unne kettelbuter.
kettingkast, kettingkáást, kettingkast.
keu, koer, keut, varken, zeug. verkl. koerkes, kutjes
keukelen, keukelen, duikelen. kùpke keukelen, kopje duikelen.
Keulse pot, Keulse pot, aardewerken pot, grauwgrijs geglazuurd met blauwe versieringen, om snij- of sperziebonen in te bewaren. deze pot was vaak mooier versierd dan een kronenpot.
keur, keur, wetgeving.
keutelen, koételen, vals spelen (b.v. bij kaarten).
keuterij, keuterij, kleine boerderij.
kiel, keel, een kiel van blauw linnen, het kledingstuk van kooplui en marktgangers.
kietelkei, kietelkeike, rond glad steentje.
kieuw, kieuw, varkenskaak.
kieuwen, kieuwen, woord, gebruikt om iemand in de verte te roepen, te kieuwen.
kieviet, kieviet, kievit.
kiezen, kiézen, kiezen.
kift, kift, afgunst. ’t is de kift, ze zijn afgunstig.
kijk, keek, kijk. zullie henr keek op, zij hebben er kijk op.
kijken, kijken, keken, keeken, kijken. (kijk, kikt, keken, gekeken). kik nao togs, kijk nu toch eens. in Uden: keeken. Kom toch ’s ekkus keeken: kom toch eens eventjes kijken. In Zeeland niet zo gebruikt, wel weer de vervoeging kik, gekeeken: kik daor nou, kijk daar nou. kijken offie kikt en assie kikt nie keeken, kijken of hij kijkt en als hij kijkt niet kijken.
kijven, kijven, schelden (kif, gekivven).
kikker, kikkerd, kikker.
kikvors, kikvors, kikker. mv. kikvorsen.
kil, keel, laagte tussen twee heuvels.
killen, kèllen, ziek worden van de koude handen.
kind, keind, kind. mv. keinder. ook kingd, mv. kingder. verkl. kiéntje en kiéneke. Hij hoempt al van keindsafaon, hij loopt al van kinds af aan mank. Zes keinder hà ze, drie platte en drie natte, zes kinderen had ze, drie dochters en drie zonen.
kinderachtig, keinderéichtig, kinderachtig.
kinds, [dement], keinds, dement. Driekòm is al aolling verkeindst, daor kunde niemer mi proten, Oom Hendrik is al helemaal dement, daar kun je geen gesprek meer mee voeren.
kindskind, keindskeinder, kleinkinderen.
kinnebak, kinnebak, onderkaak.
kip, kiep, kip, hen.
kippengat, kiepegat, gat in de staldeur, waardoor de kippen en en uit gaan.
kippenkooi, kiepekoi, kippenkooi.
kist, kiest, kist.
kistjesvolk, kisjesvolk, marskramers.
kitsen, kitsen, braken.
kittig, kittig, gauw boos.
klaar, kloor, 1) klaar, helder, onvermengd; 2) gereed, af. As de koffie kloor is, is ie nog nie kloor.
Klaas, Klòs, Klaas (Vaak). unnen houteren Klòs, een houten Klaas; Sinterklòs, Sint Nicolaas.
klad, klad, klad, restje. verkl. klèdje.
kladderpad, kladderpad, slecht begaanbaar pad.
kladkoek, kladkoek, laatste koek uit de pan.
klampvogel, krempvogel, roofvogel.
klapbes, [kruisbes], klapbes, sneeuwbes.
klaploper, klaplóóper, nietsnutter.
klappei, klabaaj, iemand die van iedereen iets weet te vertellen.
klapzand, klapzáánd, onvruchtbaar stuifzand.
klapzweper, klapzweper, dunne, benige vrouw.
klassineren, klazineren, druk praten.
klaver, klééver, klaver. Jungske, gao ’s wa klééver haolen vèur de knijnt, jongen, haal eens wat klaver voor de konijnen.
klaverblad, [kachel met drie gaten], klééverblad, kachel met 3 gaten, brandopeningen.
klaveren, klaveren, klauteren.
klaveren, klèvveren, klaveren. wie hètter klèverren aos?, wie heeft klaveren aas?
kleed, klééd, kleed. mv. kléér of klier. verkl. klééike.
kleerkast, kléérkáást, klerenkast.
kleermaker, klirmaker, kleermaker.
klein, kléin, ook klèng, kléén, klein.
kleinigheid, [iets onbelangrijks], klennigheid, kleinigheid.
kleinveld, kleinveld, particuliere akkers.
klem, klem, speld. verkl. klèmke.
klemvogel, klemvogel, sperwer.
klep, klep, mond. houd’oe klep, hou je mond.
klepboks, klepboks, broek met voor, en soms achter, een klep.
kleppen, kleppen, roddelen.
kleren, kléér, klerazie, kleren. wa hedde schòn kléér aon, wat heb je mooie kleren aan.
kleuter, kaveleuter, kleine jongen.
kleuteren, [iem. napraten], kleuteren, kloteren, napraten.
kleven, kliéven, kleven.
klibber, klibber, dril. d’r li veul klibber in de slóót, er ligt veel kikkerdril in de sloot.
klieken, klieken, spuwen. wie kan d’r ’t weidste klieken?, wie kan het verste spuwen?
klinkriemen, klinkriemen, nietsnutten. wa ligder toch te klinkrieme, wat ben je toch aan het nietsnutten.
kloek, kloek, klokhen.
kloek, kloek, flink, gezond.
kloeken, kloeken, klokken, als een kloek, of als water, dat uit een fles gegoten wordt.
kloekendooier, kloekendooier, sufferd. wa bende toch unnen kloekendooier, wat ben je toch een sufferd.
kloeter, kloeters, opgedroogde mest.
klompels, klompèls, priem.
klomppin, klomppin, klein houten pinnetje om de leren riempjes mee vast te staan bij een kapotte klomp. Meestal van pinhout, de vuilboom, gemaakt.
klont, klont, klont, verkl. kluntje. Vats ’n kluntje bòtter, pak eens een klontje boter.
kloof, kleúf, kloof, spleet.
kloofbeitel, kleufbeitel, beitel om hout te kloven.
kloofbijl, kleufbijl, bijl om hout te kloven.
klooster, klòster, klooster.
kloot, kloot, dit woord wordt in veel betekenissen gebruikt: da kan me gèn klote schille, dat kan me helemaal niets schelen; dè’s gèn klote werd, dat is niets waard; dès unne goeie kloot, dat is een goede kerel; klôtr mi hinne, ga er rustig mee verder; hij schuptm tigge z’n klote, meestal niet letterlijk toegepast: hij schopt hem eens flink tegen zijn achterste; lòpt nor de klote, loop naar de pomp; wa ligd’r toch te klote, wat ben je toch aan het klungelen.
klootdurske, klòtdùrske, aankomend meisje.
klootveger, klòtveger, snotaap.
kloris, kloris, sul, deugniet.
klossen, klossen, door het water lopen.
klot, klot, zwarte turf; klont. verkl. klötje.
kloten, kloten, iemand vervelen, lastig zijn. Wa ligd’r toch te kloten, wat ben je toch vervelend. zie ook vraelen.
klotenjong, klòtjong, lastige kinderen.
kloven, kleúven, kloven.
klucht, klócht, troep (vogels).
knaak, knaak, rijksdaalder.
knaap, knaap, handvat op een zeisboom.
knapzak, knapzaak, jongen.
knar, knarrie, vervelend persoon.
knauwen, knáuwen, 1) stevig kauwen; 2) blijven zeuren.
knecht, knèchtje, jongen.
knekelhuis, [ossuarium], krekelhuis, knekelhuis.
kneut, kneut, rommel.
kneuter, kneuter, kneu.
knevel, knevel, snor.
knie, kniy, knie, mv. kniy of kniejes.
kniebak, kniybak, hakselbak, bak waarin groenvoer of stro gesneden werd.
kniepoten, kniepoten, vastbinden; lastige koeien werden met een touw aan horens en voorpoten vastgebonden, zodat ze niet konden weglopen.
knijp, knijp, Vraag bij bepaald (bal)gooispel: Na de vraag: knijp?, volgt bij toestemming het antwoord: de gloeiende!
knijpen, nijpen, knijpen.
knijper, knipke, wasknijper. mv. knipkes.
knijpknoop, knipknupke, drukknoopje.
knijplicht, kniplichje, zaklamp.
knip, kniép, knipmes.
knipbeurs, knipbeurs, portemonnaie.
knipperdol, knipperdul, takkenbrug over een beekje.
Knipperdul, Knip, hij wònt op De Knip, hij woont in het buurtschap Knipperdul.
knoeperen, knoeperen, hoorbaar bijten.
knoeris, knoeris, varken. zie ook kéienschijters.
knoerpen, knoerpen, knarsen.
knoet, [kachel], knoét, kachel.
knokenvet, knokevet, dè kòòst knokevet, dat kost veel energie.
knokerd, knookerd, met riet begroeid land.
knokkel, knokel, bot. mv. knokels, been.
knol, knol, paard.
knook, knook, 1) noest in hout; 2) bot.
knoop, kneúp, knup, knoop, knoop in een touw, mv. kneúp, verkl, knupke.
knoors, knoors, knotwilgengebied.
knoot, knóót, knotwilg. mv. kneút.
knopen, knuppen, kneúpen, een knoop leggen.
knopstoel, knopstoel, veel voorkomende stoel met biezen zitting en rugleuning en aan de bovenzijde voorzien van twee knoppen.
knorren, knoerken, knorren van varkens.
knors, knoersel, kraakbeen.
knot, knut, knot. rolt diejen knut ’s efkes op, rol die knot eens eventjes op.
knots, knots, lollie.
knul, knöllekes, inwoners van Boekel.
knuppel, klippel, knuppel.
koe, ków, koe. mv. koei. verkl. kuuske, kèlfke.
koeherder, koeherd, koewachter.
koeioneren, koejeneren, plagen.
koek, koek, koek, pannenkoek. verkl. kuukske.
koekappel, koekappel, appel voor in de pannenkoek.
koekgat, koekgat, nis in de brandmuur.
koekoek, koekoek, 1) koning in een bepaald kaartspel; 2) golving in een slecht gehaorde zeissie.
koel, kollus, licht gekleed.
koelen, kuulen, koelen.
koevereren, koeveréren, èrges op koeveréren, bekomen, vooruitgaan.
koffiedrinken, koffiedrinken, we gaon koffiedrinken, de broodmaaltijd gebruiken.
koffieën, koffiën, koffiedrinken.
koffietafel, koffietòffel, uitgebreide broodmaaltijd.
koker, kòkker, koker.
kolder, kulder, bloes zonder mouwen, die mannen onder de boezeroen dragen.
kolderij, kulderij, grappenmakerij.
koldert, koldert, bolle akker.
kom, kom, kop, beker. verkl. kumke.
komaf, komaf, afkomst.
komen, kommen, komen. kom mar tèn, kom maar hier.
komende, kommende, volgende. kommende week is’t kermis, volgende week is het kermis.
kommerlijk, kummelijk, 1) lastig van humeur, vervelend; 2) zwak. hoe is’tr mi? nou, ‘t is mar kummelijk, hoe gaat het er mee? nou, ik voel me niet zo best.
konijn, kanijn, knijnt, konijn.
koning, keùning, kunning, koning. zie ook kunning.
koningin, kunnigin, koningin.
konkel, koenkel, stok waaromheen vlasvezels worden gedraaid om gesponnen te worden.
konkel, kónkel, vrouw, die veel van koffie houdt; die niet zuinig genoeg huishoudt.
konkelen, koenkelen, koenkelfoézen, kónkelen, 1) (koenkelen, koenkelfoézen) slinkse plannen smeden; 2) (koenkelen, koenkelfoézen) draaien, 3) (kónkelen) koffiedrinken, de buurvrouwen heimelijk op de koffie vragen, op verkwistende wijze huishouden.
kont, kont, achterwerk. ze kijken oe mè de kont niet aon, ze negeren je helemaal.
kontje, kuntje, afgesneden onderste stompje van een champignon.
kooi, koi, kooi.
kooi, kooi, kerkbank. mv. kooie. we hemme driy plàtse in de kooie gepáácht, we hebben drie zitplaatsen in de kerkbank gepacht.
kool, kòl, kool. mv. kòlle.
koolraap, knolderapen, koolrapen.
kooplui, [handelaars], kòplui, kooplieden.
koopman, kòpman, koopman.
koor, kóór, zangkoor, priesterkoor.
koord, koort, dun touw. mv. koorden. verkl. keùrtje.
koorts, korts, koorts.
kopen, kóópen, kopen. (kóóp, kùpt, kóócht, gekóócht).
koper, [iem. die koopt], kóóper, iemand die koopt.
koper, kòpper, koper (metaal). De kòpperen brulluft, een 12½ jarig huwelijk.
koppijn, koppingt, hoofdpijn.
kopschuw, kòpschouw, kopschuw. Dà pèrd is noggal kòpschouw, dat is een schichtig paard.
kopziekte, kopziekt, bepaalde runderziekte met kramp.
kordon, kardóns, deur de kardóns moeten, tussen twee rijen jongens doorlopen, die dan naar hartelust mogen slaan, spitsroeden lopen. fig. door een zure appel heenbijten.
koren, kòrren, koren.
korenschop, kòrreschoep, houten schep voor koren.
korf, körf, korf.
korrel, kòrren, korrel.
korrelig, [chagrijnig], koerlig, chagrijnig.
korset, kursjet, korset.
kort, kort, met of in weinig water: De koffie kort zètten. De èrpel kort koken.
kort, kort, klein vlees van het varken, ribkes enz.
kortor, kortòrre, kleine kinderen. door lóópen driy kortòrre roond, daar lopen drie kleine kinderen rond.
korts, korts, 1) pas geleden; 2) binnenkort.
kost, kòòst, kost. mv. kòòsten. gij hèt de kòòst wel verdiend, je hebt flink gewerkt.
koster, kùster, köster, koster. de kùster luidt d’n Engel des Heren, de koster luidt het twaalfuur gebed.
kots, kots, braaksel.
kotsen, krotsen, overgeven.
koud, kaauw, koud, koude. d’r stè unnen kaauwe weind, er staat een koude wind. hij is van de kaauwe kant, hij is aangetrouwd.
koude schotel, kaauwschòttel, koude schotel.
koukrimper, kaauwkrimper, koukleum. wa bende gij toch unnen kaauwkrimper, wat ben jij toch een koukleum.
kousenband, kousenbengel, elastieken band om de kousen op te houden.
kouter, kotter, kouter, mes op een ploeg, om de zode te snijden, bij het grasland ploegen. zie ook kouter.
kraai, kreij, kraai. mv. kreijen.
kraai, [dam, waterkering], kraej, dam in een beek.
kraaien, kreijen, kraaien, van een baby.
kraaienbek, kreijenbek, klein tangetje.
kraal, kral, bes, kraal. mv. krallen, (vlier- of lijsterkral).
kraam, kroom, marktkraam, kraambed, bevalling. Dè kunt in zunne kroom te páás, dat is koren op zijn molen
kraamslip, kromme slip, kado voor kraamvrouw.
kraan, kroon, kraan. de kroon drùpt, de kraan drupt.
krabben, krabben, bijeengaren van strauwsel, met behulp van een krabzeissie.
krabzeis, krabzeissie, kantenkrabber voor sloten of heggen.
kramer, krèmmer, 1) marskramer, zie ook teut.; 2) pijn in de rug.
kramig, krèmmig, stram, reumathiek.
krats, krats, een beetje.
Kreitsberg, Krijtsberg, buurtschap in Zeeland.
krek, krèk, juist, precies. krèk wa’k wou, precies wat ik wilde.
krekel, [ijspegel], krekel, ijspegel.
krekel, kriekel, muggezifter.
krekelkont, krekelskont, vervelend iemand.
krenselen, [druk bewegen ], krienselen, heel druk bewegen (van kinderen).
krent, krint, krent.
krentenbaard, krintenbaord, gezicht met veel puistjes.
krentenmik, krintemik, krentenbrood.
krets, krets, schurft.
kribbe, krib, bed.
kriek, kriek, soort kers.
krijgen, krijgen, krijgen. (krig, gekriggen).
krijt, krijt, strijdperk.
krijten, krijten, strijden.
krijten, krijten, huilen.
krip, krèp, 1) insnijding, kerf; 2) aars, achterste; 3) stuk rookvlees.
krippeneind, krèppenéind, laatste stukjes gerookt vlees, die aan behoeftigen werden uitgedeeld.
krochen, kruchen, geluid, bij grote krachtsinspanning; zich pijnlijk of onwel voelen.
kroep, kroep, difterie.
krombos, krombos, los stro wat op een ronde bos gebonden is.
Krommenhoek, Krommenhoek, weg tussen Voederheil en Nabbegat.
kronenpot, kronenpot, hoge aardewerken inmaakpot, vaak bruin geglazuurd, voor groenten, b.v. snijbonen. ook steile pot genoemd. zie ook Keulse pot.
kroos, króós, klokhuis van appels enz.
kroos, króós, kleine soort pruim.
kroot, [(onvolgroeide) boomvrucht, klein persoon], krots, 1) boomvrucht die haar natuurlijke grootte niet bereikt; 2) klein persoon.
kroot, [dennenappel], kruts, dennenappel. verkl. krutske.
kroppen, [in de krop (slokdarm) blijven steken], kröppen, in de krop of slokdarm blijven steken.
kruidnagel, kruinagels, seringen.
kruimel, krummel, kruimel. verkl. krummelke.
kruimelen, krummelen, kruimelen.
kruisbeeld, kruisbèld, kruisbeeld.
kruisbes, kroesel, kruisbes. mv. kroeselen of kroesels.
kruisbesbos, kroeselbos, kruisbessenstruik.
Kruisheren, Kruishirren, Orde van de Kruisheren, die in Uden een klooster met Latijnse school beheerden. Nu nog een klooster aan het Lievevrouweplein..
kruiskool, kruiskolen, houtskool.
kruiwagen, kruigen, kruiwagen.
krulhaar, krolhoor, krulhoor, krulhaar.
krullen, krullen, ’t krultr wir, het gaat er weer heftig aan toe.
krups, krups, tegendraads.
kuieren, kuieren, rustig lopen.
kuil, kuil, hoop met bieten of aardappels.
kuiper, kuiper, kuipenmaker.
kuis, kuus, kalf.
Kuisen, Kuusen, inwoners van Veghel.
kulbinder, kolbender, nietsnutter.
kuljakker, koljekker, aansteller.
kullen, kullen, voor de gek houden. hij hè me gekuld, hij heeft me voor de gek gehouden.
kunnen, kunde, (kos, konde) kun je. wa kunde? niks kunde, dè kunde, je kunt ook helemaal niets.’t kos, het kon. ’t kos mar nèt, het kon maar net. konde kon je
kunstzeep, kunstzéép, soda.
kussensloop, kusstrùpke, kussensloop.
kwaad, kood, kwaad, slecht, ’t kos koier, het kon slechter. da’s een kooi vrouw, dat is een slechte vrouw. doet oe kooi dingen aon, doe je oude kleren aan. hij hè kooi zin, hij is boos.
kwaal, kwool, kwaal, ziekte.
kwaap, kwaap, pasgeboren kuiken.
kwab, [moeras; kikkerdril], kwab, 1) moeras; 2) kikkervisje.
kwak, kwak, kleine hoeveelheid, verkl. kwekske.
kwakkellucht, kwakkellocht, veranderlijk weer.
kwakken, kwakken, 1) met de stoel op en neer gaan; 2) iets neergooien. kwakt door mar in d’n hoek, gooi het daar maar in de hoek.
kwalijk, kwaolik, kwalijk, kwaadaardig.
kwalijk, [nauwelijks], kwellik, 1) nauwelijks. zunne vadder hàttum nog mar kwellik gewòrschouwd of Jèntje donderde mè zunne stoel aachterover, zijn vader had hem nog maar nauwelijks gewaarschuwd, of Jantje viel met stoel en al achterover; 2) bezwijmd, kwellik worre, onwel worden.
kwartier, ketier, kwartier. ‘t Brabants ketierke, de gewoonte om een kwartier later te beginnen.
kwattaroom, kwattarómme, chocolodemelk.
kwattawater, kwattawàtter, chocoladedrank, met water i.p.v. melk.
kwebs, kwebs, kweps, 1) slap, ziek, 2) blut.
kwek, kweek, schreeuwerig vrouwspersoon.
kwekerd, kwekerd, schreeuwerig manspersoon.
kwekken, kweken, roepen, schreeuwen.
kwikken, kwikken, wikken, op het gevoel wegen. zie ook ópkwikken.
kwikriem, kwikriem, buikband voor een paard, dat voor de kar staat.
kwispelen, kwipselen, kwispelen.
kyrië, kyrië, soort slingerspelletje.
laag, léég, laag. die wei lè léég, dat weiland ligt laag. de weg löpt van hóóg naor lèg, de weg loopt van hoog naar laag. Dès lègge grond, dat is een laaggelegen akker.
laag, loog, laag. hij smeert ’n dikke loog bòtter op zunne mik, hij smeert een dikke laag boter op zijn brood.
laagte, lègt, laagte. in die lègt stè duk wàtter, in die laagte staat vaak water.
laar, laar, open veld, open plek in het bos.
laars, lèrs, laars. mv. lerzen.
laat, laot, laat.
laat maar, lammar, laat maar.
laatst, lèst, lòtst, laatst. Lèste geven, de laatste (klap) geven, krijgertje spelen. Degene, die de laatste klap heeft gekregen, wordt toegezongen: Die de lèste moet léien, moet mee d’n diender z’n dochter (of: z’n kat) gaon vreijen.
labboon, làbòn, tuinboon.
lade, laoi, la uit een kast enz. mv. laoi.
laden, laojen, laden. (laoj, laojde, gelaojen).
lam, laam, lam, kreupel.
lam, lam, lam, verkl. lèmmeke.
Lamberdina, Dien, Lammerdien, Lamberdina
Lambert, Bèrtus, Lambertus.
Lamberta, Bèts, Lamberta.
Lambertina, Bèrtha, Lambertina.
lamenteren, lamenteren, klagen.
lamp, lamp, lamp. Stikt de lamp ’s aon, dan zien we wa we zeggen, doe de lamp eens aan, dan zien we het beter. verkl. lèmpke.
lampengat, lampegat, opening tussen d’n hèrd en de stal om een lamp in te zetten zodat men ook op de stal wat kon zien. zie ook vizierhool.
lampteur, lampteur, stallamp.
lamzak, [vervelend persoon], lamzak, vervelend persoon.
land, láánd, land. D’n boer is ’t láánd aon ’t boúwen, de boer is de akker aan het omploegen.
landschrijver, landschrijver, secretaris voor het uitschrijven van akten.
landweer, lander, landweer, een opgeworpen aarden dam met aan weerskanten een diepe sloot.
lang, lank, lang.
Langenboom, Langenbòm, Langenboom.
langs, langs, naast, ze lùpt langs mèn, zij loopt naast mij, komt ’s unne kéér langs, kom eens een keer op bezoek.
langsdoor, langsdeur, overlangs, van voor naar achter.
langstrek, langstrekke, lange benen.
langzaam, langsam, lansam, langzaam.
lantaarn, lantarn, lantaarn. ook lanteer of lanteere, mv. lanterres. zie ook strootlamp.
lantaarnpaal, lantarnpool, lantaarnpaal.
lap, lap, lap, doek. verkl. lèpke.
laplucht, laplocht, buiig weer.
lappen, [geld bijeenbrengen], lappen, geld bijeen leggen.
lappenmand, lapmànd, lap-, voddenmand. In de lapmànd zèn, ongesteld zijn.
lapschei, lapschaei, achteloos, vergeetachtig persoon. De schaejen (dwarshout) van een kar moeten uit een stuk zijn.
lariks, lork, lariks.
last, láást, ruimte in de schuur.
lastig, láástig, lastig, vervelend. wa waare die verrèkte jong vandaag wir láástig, wat waren die kinderen vandaag weer vervelend.
latafel, laoitaofel, tafel met lade, voor bestek enz.
laten, loten, laoten, laten. (loot, lòt, liet, geloten); aderlaten. Lòt ze toch hèn doen, laat ze toch hun gang gaan. laot da mar liggen, laat dat maar liggen.
later, laoter, làtter, later.
lauw, loúw, lauw. wane louwe slappe loerie, wat een lauwe slappe koffie.
lawaai, [= LAWEIT], lawijt, lawaai, leven. makts nie zòn lawijt, maak eens niet zo’n lawaai.
ledikant, liddiekant, ledikant.
leed, lééd, leed. mè leed en èrremoei, met veel pijn en moeite.
leeg, leeg, leeg.
leer, léér, leer. ’n lèrre boks, een leren broek.
leest, lèst, leest.
leeuw, leùw, leeuw.
leeuwenbek, leùwebèkske, leeuwebekje.
leeuwerik, leùwerik, troslèuwerik, leeuwerik.
leewieken, leùwieken, kortwieken.
leger, lechter, leger van een haas.
leggen, leggen, leggen. (leg, li, lin, linnen, gelééd). de kiepe leggen goéd, de kippen leggen veel eieren.
leghen, lèghen, legkip.
lei, [teugel, toom; looprek voor kinderen], lei, looprek. zet ons Truuske mar efkes in de lei, dan kan ze róónd doén, zet ons Truusje maar eventjes in het looprek, dan kan ze wat rond lopen.
lei, léi, 1) dakbedekking; 2) schrijfbordje; 3) aanplakbord. d’r hangen ’n par vèèrkes aon de lèi, een paar varkens worden te koop aangeboden.
leiden, laejen, leiden. hij laeit ’t pèrd naor d’n dries, hij leidt het paard naar het weiland.
leis, leis, kerstlied.
leizen, leisen, kerstliederen zingen.
lekken, lijken, lekken. d’n emmer lijkt, ‘t zèktr van alle kanten uit, de emmer lekt, het loopt er van alle kanten uit.
leknamad, lèkeimund, laatste gras in de herfst.
lelijk, lillijk, lellijk, leulik, lelijk. Hij duu nogal lillijk, hij moppert nogal.
lelijkerd, lillijkerd, lelijkerd.
lendenen, lennen, lendenen.
lentemaand, lentemònd, maart.
lentemorgen, lentemèèrgen, akker waar door de warme ligging de zaden al vroeg in het voorjaar ontkiemen.
Leonharda, Leentje, Leonarda.
Leonhardus, Leej, Leen, Nard, Narus, Leonardus.
lepel, lèppel, lippel, lepel.
leppen, lèppen, drinken.
leren, lééren, leren. (léér, geléérd), aanleren. Ze moeten veul lééren van diejen mèster, van die onderwijzer moeten ze veel leren.
lessen, lèssen, kalk blussen, kalk lèssen.
leuning, lunning, leuning.
leven, leven, leven, lawaai, herrie.
leveren, livveren, leveren, afleveren. vande week kunnen we de eijer livveren, deze week kunnen we de eieren leveren.
lezen, lezen, lezen. (lees, lest, leesde, gelezen).
licht, lòcht, luchtig: ’n lòchte kamer; niet zwaar: lòcht wérk; ijl, niet dicht opeen: de béum staon hier lòcht; niet vast: lòchte mik; opgeruimd, luchthartig: èrges lòcht ovver denken; van lichte zeden: ’n lòcht vròmmis, unnen lòchten timmer.
licht, ligt, lus, waar de burries door gingen.
lichtelijk, [min of meer, waarschijnlijk], lichelijk, waarschijnlijk, misschien. hij kan nogal lichelijk, hij kan gemakkelijk.
lichten, luchten, lichten, bijlichten. lucht ’s èkkes bij, licht eens eventjes bij. hij kanm nie luchten of zién.
lichtpaal, lichtpool, lantaarnpaal.
lid, lit, 1) lid, lidmaat. ’n ziekt onder de leei hebben, door een ziekte aangetast zijn. verkl. leeike; 2) deksel: ’t lit van ’n kan, van ’t óóg. mv. leei.
lied, lied, lied. verkl. leejke of liedje.
lieden, loi, lieden.
liegen, liégen, jokken.
lier, [ladder], liér, ladder. mv. liéren. ‘Ik kom de leer van God brengen’, zei de rondtrekkende geloofsverkondiger. ‘Zetm daor mar tegen d’n bòm aon’, zei de boer, ‘dè’s hèndig bij ’t kèrse plukken’.
Lieshout, Liesent, Lieshout.
Lieve-Heer, lievenhiér, 1) Onze Lieve Heer, kruisbeeld; 2) raadgever; zuster Prudentiana is hurren Lievenhiér, zij weet overal raad op.
Lieve-Vrouw, Lievrouw, Lieve-Vrouw, Mariabeeld.
Lieve-Vrouw hoog, Hóóglievrouw, Maria ten hemel opneming (15 augustus). zie ook Lievrouw.
Lieve-Vrouw laag, lééglievrouw, feestdag van Maria geboorte, 8 september.
lieverkoek, lieverkuukskes, liever hebben. lieverkuukskes worren hier nie gebakken, zegt men als iemand om iets anders vraagt.
lievermannetje, lievermènnekes, duizendschoon.
lievevrouwshaantje, lievrouwenhènneke, lieveheersbeestje.
liggen, liggen, liggen. (lig, li, lag, gelegen) waor li da ding nou wir?, waar ligt dat ding nu weer?
lijden, lijen, lijden. (lij, leej, gelejen), verdragen. Lijde gij dè?
lijf, lijf, katoenen hemd.
lijs, lijs, man, die vrouwelijke arbeid verricht.
lijzaad, lijnzènt, lijnzaad. ook lingzènt.
likken, lèkken, likken. de kiendjes lèkken aon durren knots, de kinderen likken aan hun lollie.
liksteen, lékstéén, zoutblok voor het vee.
limeneren, limeneren, feestvieren. ze hebben flink gelimeneerd, zij hebben flink feestgevierd.
lindeboom, lijndenbòm, lindeboom.
linnen, lijnen, linnen. ook lijnden of lingden.
lint, leengt, lingt, leint, lijnt, teugel, touw. mv. lingden, lijnden.
lint, lint, lint. mv. linter.
lis, lis, lelie. bezijen ’t huis stonne schòn lisse, naast het huis stonden mooie lelies.
liszand, liessent, natte drassige grond, begroeid met lissen.
lobbes, laobes, goedzak.
lodderig, lodderig, vriendelijk.
loeder, loéter, verachterlijk (diefachtig of ontuchtig) vrouwspersoon. Ook gebruikt, als scheldwoord, voor snoeplustige katten.
loeriën, loeriën, veel drinken.
loeris, lôrias, iemand die onverstandig handelt.
lof, lof, korte middagdienst in de kerk. de misdiender diende geer ’t lof, want dan mog ie mè ’t wieròksvat zwaaien, de misdienaar diende graag tijdens de eredienst, want dan mocht hij met het wierooksvat zwaaien.
lombokker, [mestkalf], lombakker, mestkalf van 100 kilo.
loo, loo, bos, open plek in een bos.
lood, lóód, 1) lood. verkl. lödje; 2) een half ons, 50 gram.
loof, lòf, loof.
looi, looi, schors van de eikeboom.
loon, lóón, loon.
loop, lóóp, sloot.
looprek, lóóprek, looprek, box voor kleine kinderen.
loops, löps, loops.
loos, lóós, long.
loos, lóós, loos.
looskist, lóóskist, lege kist, gebruikt bij lijkdiensten, wanneer het lijk, vanwege b.v. een besmettelijke ziekte, reeds begraven was.
loot, lóót, loot. mv. lóóten, boomscheut..
lopen, [akkermaat], leúpes, akkermaat, 1/6 hectare. mv. leúpesen. Het was vroeger gebruikelijk, de grootte van een akker aan te duiden door de hoeveelheid koren op te geven, die nodig was om hem te bezaaien (zie ook plak). Zodoende kan leúpes ook als een korenmaat beschouwd worden, ongeveer 80 liter of 8 schepel.1/6
lopen, lóópen, lopen. (lóóp, löpt, gelóópen). bitter unne kwaaie lóóp dan unne kwaaie kóóp, beter voor niets gelopen dan dat je een miskoop hebt gedaan.
lossen, lossen, lóssen, losmaken, lossen, losraken.
lot, lot, vergeetachtig, onachtzaam.
loten, lóóten, loten.
lotflorie, lotflôri, vergeetal.
lotje, lordje, van lordje getikt, van lotje getikt.
lotskop, lotskop, vergeetachtig iemand.
lou, louw, niets, weinig.
Louis, [persoonsnaam], Lewie, Louis.
louwen, louwen, (louwde, gelouwd), het ‘louw’ roepen tegen elkaar zoals de herders doen.
louwmaand, louwmònd, januari.
lucht, lòcht, lucht. d’r kumt ’n schoer aon, de lòcht wörd zo donker, er komt een onweersbui aan, de lucht wordt zo donker.
luchter, luchter, kandelaar.
luiden, lúijen, luiden.
luiewijvenpap, luiwijvepap, melk met beschuit erin gebrokkeld.
luiewijvensoep, luiwijvesoep, soep uit een pakje.
luizenlap, luizelèpke, scapulier.
lukken, lukken, gelukken. ’t mag naauw lukken, het is erg onwaarschijnlijk.
lul, lul, 1) mnl. lid; 2) nietsnut. wa bende toch unne lul, wat ben je toch een nietsnut.
lulboks, lulboks, iemand die onzin vertelt. ook lulfiep.
lullen, lullen, kletsen, onzin uitkramen. ge moet nie zo lullen, je moet niet zo’n onzin vertellen.
luns, luns, pin, in de as van de kar.
lusten, [blieven], lussen, lusten. (lus, gelussen) iets lusten. zullie lussen dè nie, zij lusten dat niet.
lutje, lutske, poosje. komts ’n lutske buurten, kom eens een poosje buurten.
luttel, luttel, klein, van weinig waarde.
luwte, luwt, uit de wind.
luxe, luuks, luxe. ’n luuks pèrd en een wèrkpèrd, een rijpaard en een werkpaard.
maag, maog, maag.
maagd, maogd, maagd.
maaien, maejen, maaien.
maal, mool, jonge koe. verkl. mölke.
maalloon, maollóón, maalloon. De molenaar mocht als maalloon het achttiende deel van het te malen graan voor eigen gebruik houden.
maan, moon, maan. Half moon: raam in de vorm van een halve cirkel.
maand, mònd, maand.
maandag, mòndag, maandag.
maands, mòns, per maand.
maanzaad, moonzood, maanzaad, zaad van de papaver.
maar, mar, maar. mar kan’t wel, maar kan het wel.
maart, mèrt, maart.
maarts veulen, merts veulen, groene specht.
Maas, Maos, 1) Maas; 2) moerassige grond.
Maas-Waal, Maoswool, Maas-Waal, de streek tussen Maas en Waal.
Maaskant, Maoskant, het deel van het land van Ravenstein ten noorden van Zeeland.
maat, moot, maat, kameraad. verkl. mötje.
maat, mat, boodschappentas.
machinetje, mesientje, petroleumstel.
madam, medam, achterstelt onder de (lange) kar.
made, maot, hoeveelheid gras die door een man in een dag gemaaid kan worden. ook mat.
made, maoi, made. mv. maoi.
mainteneren, menteneren, waarderen, verzorgen.
maken, máoken, (maok, makt, gemakt) maken, repareren. zo ge’t makt zo heddet, zoals je het maakt, zo heb je het ook.
makkelijk, mèkkelijk, gemakkelijk.
malen, maolen, malen.
malheur, malleur, term uit het rikken (kaartspel).
mallemolen, mallemeulen, mallemolen.
manchester, mechèster, manchester broek, geribd katoenfluweel. ’n mechèsterse bòks, een manchester broek.
mand, máánd, mand.
manege, menézie, balk, die rondgedraaid werd door een paard, om de dorsmachine aan te drijven.
manen, maonen, aansporen, aanmanen.
mangel, mangel, voederbiet. mv. mangelen.
mangelen, mangelen, ruilen.
mangelmolen, mangelmeulen, bietensnijder.
manier, menier, manier.
manskerel, manskèl, man.
mansvolk, máánsvolk, mannen. ’t máánsvolk záát aon de rechtse kant in de kerk, de mannen zaten aan de rechterkant in de kerk.
Margaretha, Griet, Margareta.
Margaretha, [persoonsnaam], Riet, Margriet.
Maria, Mie, Riet, Miek, Miep, M'rie, Riek, Maria.
Maria ter Linde, Linde, Maria ter Linde, het wonderbeeld dat zich bevindt in de kapel van de Kruisheren te Uden. Het schijnt gevonden te zijn in een lindenboom en uit notenhout gesneden te zijn, omstreeks het jaar 1500.
mariakoek, m’riekuukske, droog, rond biscuitje.
Marinus, Mies, Ries, Rinus, Marinus.
markt, merkt, mèrt, ook wel mèrt, markt. We gaon naor de Ujese baggemèrt, we gaan naar de Udense biggenmarkt.
markten, [de markt bezoeken], mèrten, naar de markt gaan.
marmer, mölmer, 1) marmer; 2) knikker; 3) bolletje brood, ± 5 cm doorsnee. mv. mölmers.
mars, mars, kistje met neg òssie, op de rug gedragen door de krèmmer.
marsen, marsen, op de rug dragen.
Martinus, Mies, Martien.
Martinus, Mart, Tien, Ties, Tinus, Martinus.
Mathilde, Til, Mathilde.
mauwen, mauwen, zeuren. ge moet nie mauwen, je moet niet zeuren.
medelijden, millij, medelijden. hij hètter gèn millij mi, hij heeft er geen medelijden mee.
mee, mee, meteen. hij duuget mee, het doet het meteen.
meepassant, meepesant, tegelijk. voejert meepesant de kiepen, voer tegelijkertijd de kippen.
meer, meer, drassige, natte grond.
meer, mir, meer. dè doede nie mir, dat mag je niet meer doen.
meerhoek, mirhoek, nat gebied.
meerkol, morkolf, morkuus, vlaamse gaai. d’r zaat unne morkolf in d’n kersenbòm te lachen, er zat een vlaamse gaai in de kersenboom te lachen.
meerloo, melle, mirlo, ontstaan uit meer en lo, drassig (bos)gebied.
meest, mèst, meest. wie hèggut mèst, wie heeft het meeste.
meestal, mèstal, mistal, meestal.
meestentijds, mistentèds, dikwijls.
meester, mèster, mister, onderwijzer, meester. zie ook mister. dieje mèster hètter de weind goed onder, voor die onderwijzer hebben de kinderen goed ontzag.
meet, meet, grens, schreef, als uitgangspunt bij een spel.
meid, maot, dienstmeid. mv. meegs, verkl. mèdje.
meid, meid, meisje, verkering. ik gòi naor de meid, ik ga naar het meisje waar ik verkering mee heb. verkl. meidje of mèske.
meieren, meieren, zeuren.
meimaand, meimônd, meimaand.
meimarkt, meimèrt, drukke markt in Uden, op de eerste maandag van mei.
meisje, mèske, meisje.
meizoentje, meizuuntje, madeliefje.
mekaar, bekanderen, malkander, mekandere, elkaar.
melde, milt, melde, een schadelijk onkruid, ook wel schijtmilt genoemd.
melk, mùlk, karnemelk.
melken, mèlken, de koeien melken.
melker, [dwarshout om een deur te sluiten], melker, dwarshout om een deur te sluiten.
melkpap, mùlkepap, karnemelksepap.
melkstoel, melkstuuleke, melkstoel, met drie poten.
mem, mèm, tepel, van een zeug.
meneer, menier, meneer.
menen, méinen, menen. ook wel mèngen. Mèinde gij dè?, meen je dat?
menig, minnig, menig.
menigte, minnigte, menigte.
mens, mens, mins, man; echtgenoot. In de kerk zaten de mensen rechts en de vroúwen links. verkl. mènneke.
mentie, mentie, te mentie, heden ochtend.
mentig, mentig, dapper, flink.
merel, malder, 8 vat, ongeveer 1,3 hectoliter. zie ook mud.
merel, merl, malder, merling, merel.
merg, mörg, merg.
merkaton, merketon, rode perzik.
mertselen, mertselen, aanstalten maken.
mesje, mèske, mesje. Ze zèn aon ’t mèske pikken, ze zijn landverovertje aan het spelen. (kinderspel op een stukje grond dat beurtelings d.m.v. een in de grond gegooid mes veroverd wordt).
mest, mèèst, mist, mest. de kruige li op de mèèstvaalt, de kruiwagen ligt op de mestvaalt.
mest breken, mèèstbreken, mest verspreiden.
mesten, mèèsten, misten, (vee) mesten, (het land) bemesten.
mestvaalt, mestvaalt, bewaarplaats van de mest buiten de stal.
met, mi, met. waor hedde da mi gedaon?, met wat heb je dat gedaan? ook mee.
meteen, medènne, metènne, meteen.
metselaar, metseler, metselaar.
meutel, meutel, houtworm.
meutelen, meutelen, 1) vermolmen; 2) losraken, in beweging komen: de schuts meutelt uit, er breken stukjes uit de knikker; ’t begint er te meutelen, de verlossing (van een kraamvrouw) nadert.
Michaël, Giel, Michiel.
middag, ‘s middegs, ‘s middags, na de middag
middeldeur, mildeur, deur tussen huis en stal.
mierzeiker, mierzeiker, mier. zie zeikmier
mieter, mieter, donder. hij krig flink op z’n mieter, hij krijg een flinke uitbrander. d’r is gèn mieter te doen, daar is niets te beleven, zie ook sodemieter.
mieteren, mieteren, weggooien.
mieterig, mieterig, niet lekker.
mij, mèn, mij. blèf af, dè’s van mèn!, blijf er van af, dat is van mij, in mènnen tijd waar dè wel anders, in mijn tijd was dat wel anders.
mijn, mèn, ming, (munne, mingen) mijn. blèf af, dè’s van mèn!, blijf er van af, dat is van mij, in mènnen tijd waar dè wel anders, in mijn tijd was dat wel anders. dè’s van ming, dat is van mij. van ming dinge blijfde af, van mijn spullen moet je afblijven.
mijt, mijt, geordende stapel, de hoimijt, de hooimijt.
mik, mik, wit brood.
mik, mik, gaffelvormige stok.
mikplaat, mikplaot, bakblik.
mikvloot, mikvlóót, broodschaal, bak om deeg in te mengen.
min, min, zwak. Grof, grof, wa’n minne kiendje, ’t is erg, zo’n zwak, klein kind; de ziéke li héél min, hij is heel ernstig ziek.
min, mieneke, geit.
mirakel, mirakel, wonder. ’t is ’n mirakel, het verwondert me.
misdienaar, misdiender, misdienaar.
miskraam, [misgeboorte], miskroom, miskraam.
mismaakt, mismakt, mismaakt.
mispel, mipsel, mispel.
misse, misse, boerenerf.
missie, missie, 1) bezinningstijd. Een paar keer per jaar kwamen paters, meestal Capucijnen, de gelovigen weer op het rechte spoor zetten; 2) een pater of non werd uitgezonden naar een vreemd land om het geloof te verkondigen en de mensen te helpen.
missiebus, missiebuske, collectebusje dat op menige winkeltoonbank stond.
modden, modden, èrgens in modden, overhoop halen om het beste er uit te zoeken. zie ook mòjiken.
mode, mòdde, mode. dè’s de nei mòdde, dat is de nieuwe mode.
moe, meui, muui, moe.
moed, moét, 1) moed; 2) opgewektheid, levenslust; 3) gemoed, in de uitdrukking zunne moét schoot vol, de aandoening overmeesterde hem. Gemoét wordt gebruikt in de uitdrukking dè kos ie nie ovver z’n gemoét krijge, dat kon hij niet van zich verkrijgen.
moeder, moen, moèt, moeder. waor is ons moen, waar is mijn moeder.
moeder, moejer, vrouwelijk konijn.
moei, moèt, mòi, tante. verkl. moètje. Het woord wordt achter de naam geplaatst: Hannemoèt, tante Han. We moete naor Miejemoète, we moeten naar tante Marie.
moeien, moeien, zich bemoeien. wòr moeid’oe eige mi, waar bemoei je je mee.
moer, [waterketel], moer, (koperen) waterketel
moeras, moer, moeras.
moes, moes, boerenkool.
moesappel, moesappel, appel om appelmoes van te maken.
Moeskoppen, moeskoppen , inwoners van Schaijk. ook Moesstampers.
moesstamp, moesstamp, boerenkoolstamppot.
moeten, moete, moet je.
moeter, moetert, verplichting, noodzaak. ’t is gènne moetert, het is niet verplicht.
moetje, [oma, grootmoeder], moetje, oma.
mof, mof, handwarmer, van bont gemaakt, die aan het fietsstuur zit.
mogelijk, meugelijk, muggelijk, mogelijk.
mogen, meugen, mogen, (mag, meut, maade, made, meude, maagt, gemeugen). made gij dè?, mag jij dat?
mok, [mist], mok, mist. verkl. mökske.
mok, mùk, kalf.
mokkelen, mökele, slampampen, lummelen.
molbord, molbord, werktuig om zand te verplaatsen, om de akker gelijk te maken.
molen, meulen, molen.
molenpaard, meulepèrd, zwaar persoon.
Molenstraat, Meulenstroot, Molenstraat.
molenwiek, meulewiek, molenwiek.
mollen, mollen, illegaal slachten.
mombakkes, moembakkes, boembakkes, masker.
momber, mómmer, voogd.
mommelen, mummelen, binnensmonds praten.
mondmuziek, mondmeziek, mondharmonicamuziek.
mondvol, [kleine hoeveelheid], móffel, mondvol, beet. verkl. muffelke.
mooi, mòi, (mòier) mooi, meestal omgekeerd bedoeld: ’t is mòi, ’t is niet zo mooi.
mooieken, mòjiken, 1) onrijpe vruchten wegstoppen, om ze zacht te laten worden; 2) sparen, oppotten; 3) overhoop halen om het beste eruit te halen.
Moor, Moor, Moor
moor, moor, ijzeren waterketel. verkl. meùrke. ‘n eike in de moor doen, een tabakspruim in de mond stoppen.
mop, mop, koekje.
morel, morel, zure kers.
moren, moren, wroeten. wa bende toch aon’t moren, wat ben je toch (in de tuin) aan het werken. zie ook vruuten.
morgen, mèèrgen, 1) morgen, ochtend; 2) de volgende dag; 3) morgen, als landmaat; een hoeveelheid die op een morgen bewerkt kon worden, 84 are.
mormel, mormel, hond.
mortel, mèrtsel, een halve mèèrgen, dus zo’n 42 are. ook mortel.
mosterd, mostert, mosterd. Als iemand op de vraag: ‘waor hèdde dè gehaold?’ geen antwoord wil geven, scheept hij de vrager af met de weervraag: ‘waor haolde Bartel de mostert?’ Vgl. de uitdrukking: ‘hij weet waar Abraham de mosterd haalt’.
mot, [mist, motregen], mot, mist, motregen. b.v. in het versje: ’s oves vuur aon de pot, / dè gift ’s mèèrges regen of mot, / of d’n haon kapot.
motor, moter, motor.
mottig, mottig, mokkig, mistig.
mouwen, moúwen, stuiven, stof opjagen.
mozzik, mozzik, drek.
mud, mud, ongeveer 1 hectoliter.
muil, moel, mond, gezicht. vroeger hoorde men op een schoolplein regelmatig de kreet, héé jaa, op de moel!, om de vechtersbazen aan te moedigen.
muilpeer, muilpeer, klap.
muiltrom, moeltrom, mondharmonica.
muizenpeper, muizepeper, zwart op wit, salmiakpoeder.
mulder, mùlder, molenaar.
mulder, mùlder, meikever. Aan een draad gebonden vliegt zo’n dier in een cirkel, wat men maolen noemt.
muntgrond, muntgrond, gemeenschappelijke grond.
muren, mieren, met half toegeknepen ogen zien, scherp turen.
mussennest, mussenèèst, gebied met veel mussennesten. De overlast van mussen was soms dermate groot dat er ooit een ‘mussengilde’ bestond, waar men voor een of twee centen een jonge of oude mus kon inleveren.
mutsaard, musterd, takkenbos.
mutsaardmijt, musterdmijt, stapel takkenbossen.
muur, miér, muur, een plantensoort.
muziek, meziek, muziek.
na, nao, naor, nò, noo, voorz., na. nò de middag, ’s nòmiddags.
naad, noot, naad. mv. neui. verkl. nùtje.
naadzak, naozik, naadzak in een vrouwenrok, zijzak.
naaf, aaf, naaf van een wiel.
naaien, naejen, 1) naaien; 2) iemand belazeren. hij naejt um waor tie bijstè, hij belazert hem waar hij bijstaat; 3) d’r uitnaejen, zich uit de voeten maken.
naairing, néirink, vingerhoed.
naaister, naejster, naaister.
naakt, nakt, ook naks of nakent, naakt.
naald, naold, nôld, naald.
naald, nôld, nok van het dak.
naar, naor, nao, naar.
naargelang, naorgelang, naargelang.
naast, naost, naast, dichtstbijzijnde. we verzuuken de naoste buurt, we nodigen de naaste buurtgenoten uit.
Naat Piek, Naat Piek, schelm, die allerlei fratsen uithaalt in het Land van Ravenstein. Uit het gelijknamige boek van H. van den Heuvel, 1933. In Uden is het openluchttheater naar deze figuur genoemd.
Nabbegat, Nabbegat, buurtschap in Zeeland. Hèdd’oit gehùrd van de heks van Nabbegat?, heb je ooit gehoord van de heks van Nabbegat?
nabij, nòbij, nabij.
naburen, noberen, ww. nabuur zijn, tot de naaste buurt behoren. Wij noberen daor nie mèr, dat huis hoort niet meer bij onze buurt.
nabuur, nober, buurman. mv. noberen, naaste buur. Op de noberen rust bij sterfgevallen de plicht voor het afleggen, versieren en grafwaarts dragen van het lijk en voor het aonzeggen of ‘bidden’ ter begrafenis van de familieleden te zorgen; zij hebben het recht, bij huwelijken, geboorten en andere feestelijkheden afzonderlijk onthaald te worden. Eens of twee keer per jaar nodigt men de noberen of naoste buurt op de koffietòffel (een namiddagbroodmaaltijd). De meisjes uit de noberschap komen in het voorjaar op de spinning.
nabuurschap, noberschap, nabuurschap, de bùùrt. Bij ieder huis hoort een bepaalde kring huizen, die wel willekeurig getrokken, maar toch onveranderlijk is. Al wat binnen die kring woont, hoort tot de noberschap.
nacht, naacht, nacht.
nachtmerrie, nachtmaar, ook nachtmeer, nachtmerrie. Ter afwering daartegen plaatst men bij het naar bed gaan de pantoffels, schoenen of klompen omgekeerd, dus met de hakken naar het bed toe gericht. Het ineenvlechten van de paardenmanen schrijft men ook aan de nachtmaar toe.
nachtmis, naachtmis, nachtmis. we gòn um vier uurre naor de naachtmis, we gaan om vier uur naar de (kerst)nachtmis.
nadat, naodè, nadat.
nadeel, naodeel, nadeel.
nadenken, noodenken, nadenken.
naderhand, [later], naoderhand, later.
nageboorte, noogebòrt, nageboorte.
nagel, nagel, spijker, nagel. mv. negel, verkl. nèggelke.
nagelen, nèggelen, nagelen, nagelen, spijkeren.
najaar, nòjoor, najaar.
nakaarten, nookaorten, nakaarten.
nakind, nookeind, nakomertje.
nalopen, noolóópen, nalopen.
namaak, nòmaak, namaak.
namaken, noomaken, namaken.
namiddag, nòdemiddag, ’s namiddags.
natuurlijk, netuurlijk, natuurlijk.
nauw, naauw, 1) eng, de boksepijpen waren te naauw, de broekspijpen waren te eng; 2) kieskeurig, hij isr nogal naauw aon; 3) nauwgezet zijn, kèk mar nie zò naauw; 4) nauwelijks, ‘t mag naauw lukken, het zal wel niet lukken.
nauwen, naauwen, er is grote drukte, haast of levendigheid. 't naauwt 'r, men is er zeer druk; ook: er wordt hevig getwist. zie ook spannen. dè naauwtr niks, dat heeft geen haast.
navenant, nòvenant, naovenant, venant, navenant, naar evenredigheid, naar verhouding.
nazien, naozién, 1) nakijken; 2) verzorgen.
nazitten, noozitten, achterna lopen, hij zaatm noo tot aachter op d’n dries, hij liep hem achterna tot achter in het weiland..
nee, nieje, nee. nieje, nieje, dè duu me nie, nee, nee, dat doet men niet.
neer, nere, stal en schuur van een boerenhuis.
neerkijken, nirkeken, neerkijken.
neerkletsen, nirkletsen, vallen.
negende, [rangtelwoord], nèggende, niggende, negende.
negentien, nèggentien, niggentien, negentien.
negentig, nèggentig, niggentig, negentig.
negotie, negòssie, koopwaar. dieje krèmmer hè alderhande neg òssie, die marskramer heeft veelsoortig koopwaar.
nemen, nemen, (neem, nimt, naam, genòmmen) nemen.
nerf, erft, 1) opperhuid, nerf; 2) de zode van het weiland.
nergens, nèrnte, nèrreste, nergens.
nering, nirring, handel, kostwinning.
net eender, nètènder, precies hetzelfde
netel, nittel, (brand)netel.
netelig, nuutelijk, geprikkeld.
netsen, nètsen, plagen. ligt ’r nie te nètsen, hou eens op met plagen.
neuk, neuk, slag, stoot.
neuken, neuken, 1) een slag of stoot geven; 2) bezig zijn op een wijze, die anderen verveelt: ligtr nie te neuken, schei uit, doe niet zo vervelend.
neusdoek, neùzik, omslagdoek. zie ook tesneùzik.
neuzendruppel, neuzendrùp, overhangende dakgoot.
nevens, neven, naast. ik kom neven oe lopen, ik kom naast je lopen.
Nicolaas, Klaos, Nicolaas.
niemand, niemes, niemand. ook niemeste, niement.
niet, nie, niet. dè kan nie, dat kan niet.
nieuw, néi, neit, ook néit, nieuw.
nieuwjaar, neijoor, nieuwjaar.
nieuwmodisch, neijmòddes, nieuwe mode.
nieuws, néis, nieuws.
nieuwsgierig, néischierig, nieuwsgierig.
Nijmegen, Nimwegen, Nijmegen. we zèn in Nimwegen naor de V en D gewist en toen gonken we òk nog naor Vroom en Dreesman.
niks, niks, niets. dòr kunde gij niks aon doen, daar kun je niets aan doen. ik hebtr niks op, ik heb er geen vertrouwen in.
nippig, nippig, haastig, kortaf.
nirken, nèrken, herkauwen. de koei liggen glijk te nèrken, de koeien liggen allemaal te herkauwen.
Nistelrode, Nisseroi, Nistelrode.
node, nóói, node, met tegenzin.
noden, neujen, uitnodigen.
noemen, numen, noemen.
noen, noenes, ’s middags, tussen de middag.
nondeju, nondejuu, vloek.
nondejuke, nondejuuke, vrijgezellenstrikje.
nooit, noit, nooit. dè hè’k nog noit nie gedaon, dat heb ik nog nooit gedaan.
noordhoek, noordhoek, weg in het noorden van een plaats.
nou, nou, nu. ge moet ’t nou zeggen, je moet het nu zeggen.
november, nòvvember, november.
nuchter, nuchtere, 1) jong, pasgeboren. d’n boer gè ’t nuchtere kalf witteren, de boer gaat het pasgeboren kalf melk geven; 2) nog niet gegeten. vruuger moesse we op de nuchtere maag naor de kerk, je mocht in de mis alleen de communie ontvangen als je nog niet gegeten had.
nuk, nukken, vervelende streken.
nummer, noemer, nummer. welke noemer hè ollie huis?, welk huisnummer hebben jullie?
nuun, [fluitje gemaakt van wilgentak], nuun, fluitje, gemaakt van de bast van een dun wilgentakje, die aan het ene einde platgedrukt wordt. In de lente gemakkelijk te maken; als de sapstroom weer op gang komt, zit de bast van de wilg wat losser om de tak.
nuver, nuver, 1) ijverig, werkzaam; 2) gezond (van een klein kind gezegd).
och arme, ochèèrm, och, helaas.
och god, ochot, oegótte, maar, och, och toch.
och toch, oetóch, jammer toch.
Odiliapeel, Terraveen, oude naam voor Odiliapeel.
oefenen, ufenen, oefenen.
oest, [schep voor meel of varkensvoer], oest, schep voor meel of varkensvoer.
oever, oever, voor- of achterstuk van het land. zie ook vùrk.
ogen, óógen, eruitzien. dè óógt toch nie, dat ziet er niet uit.
olie, ollie, olie
olie slaan, ollie sloon, olie persen uit lijnzaad, d.m.v. een oliemolen.
olienoot, ollienùtje, pinda.
olifant, olliefant, olifant.
om, um, om
omdat, umdè, omdat. ook umda.
omgang, umgang, omgang. de pastoor of kapelaan kwam enkele keren per jaar goederen of geld ophalen om in hun levensonderhoud te voorzien. Zo had je de bòtter-,éier- of rogùmgang.
omhoog, umhog, omhoog. de weind stè omhòg, de wind komt uit het noorden.
omlaag, umblèg, omlaag. de weind stè umblèg, de wind komt uit het zuiden.
omlullen, umlullen, ompraten, op andere gedachten brengen. zie ook umproten.
ommel, ommelen, houtommelen, houtskool.
ompraten, [op andere gedachten brengen], umproten, ompraten.
omstebeurt, umstebùrt, om de beurt.
omtrekken, umtrekken, z’n eigen umtrekken, zichzelf omkleden.
omtrent, umtrent, omtrent, bij lange niet.
omwassen, umwáássen, afwassen.
omweg, uweg, weg. hij gè uweg, hij gaat weg, er vandoor.
omwenden, umwèèngen, omkeren.
onbenullig, ombenullig, lomp.
onderboks, onderbôks, onderbroek.
ondereen, [onder elkaar], onderèn, onder elkaar. hij ruurt zunne bùrd onderèn, hij roert met een vork zijn eten onder elkaar.
onderhand, onderháánd, eindelijk.
onderschieten, onderschiéten, onderspitten.
onderweg, onderweeges, onderweg. hij blif lang onderweeges, hij bleef lang onderweg.
ongeraakt, ongeràkt, ongeregeld. hij kumt alt ongeràkt van z’n wèèrk af, hij komt altijd op ongeregelde tijden van zijn werk thuis.
onland, onláánd, woeste, braakliggende grond. vgl. brabbant.
onnozel, onneuzel, 1) onschuldig; 2) simpel, idioot. Onneuzele keinder, gedenkdag van de kindermoord door Herodus, 28 december.
onnut, onnut, ondeugend.
onrein, onrèngs, oneerlijk.
ontheukt, ontheùkt, verbolgen.
ontig, ontig, ongepast, onbehoorlijk.
ontigheid, ontigheit, zie ontig.
ontijd, ontij, ontijd. mv. ontijen, slechte tijd: bij naacht en ontij.
Onze-Lieve-Heer, ons héér, de communie. de pestoor gonk mè ons Héér naor ’t Loo, de pastoor ging met de communie naar de zieke mensen op het Loo.
Onze-Lieve-Heer, slieven heerke, Onze Lieve Heer.
Onze-Lieve-Vrouw, slief vrouwke, Onze Lieve Vrouw.
oog, óóg, oog. mv. eug en óógen. verkl. eugske.
oogst, okst, oogst.
oogsten, oksten, oogsten.
oogstmaand, okstmònd, augustus
ooievaar, oiver, ooievaar.
ooit, oit, ooit.
ook, ok, ook. Hij duuget ok nog ok, hij doet het ook nog.
oom, om, oom. het woord komt achter de naam: Tiesòm, oom Ties; komt het woord voor de naam, dan wordt gezegd: ome Ties.
oor, óór, oor. mv. órre. verkl. örke. hedde gij gèn órre?, waarom luister je niet?
oord, oort, punt van een mes. Als je bij een ander een mes leent om b.v. een appel door te snijden, moet je een mèssenoort: het mes met een stukje appel aan de punt, teruggeven. verkl. eùrtje.
oorlog, orlog, oorlog. hij wit nog veul van d’n orlog van 14-18, hij weet nog veel van de eerste wereldoorlog.
oorworm, [oorwurm], orwörm, oorworm.
oost, ost, oost.
op hasard, oppézaort, wellicht, waarschijnlijk.
opbreken, opbreken, spijt krijgen.
opfrommelen, opfroemelen, opfrommelen.
ophalen, ophaolen, de taofel ophaolen, de tafel dekken.
ophebben, ophebben, ergens om geven. die hebben veul mè mekaar op, zij houden veel van elkaar.
opjuinen, opjuinen, opheujen, opjutten.
opkalefateren, opkalefateren, opknappen.
opkamer, opkammer, opkamer, kleine kamer boven de kelder. hij slùpt in d’opkammer, hij slaapt in de opkamer.
opklaren, opklooren, opklaren. ’t kloort wèr op, we doen op huis aon, het klaart weer op, we gaan naar huis.
opkwikken, opkwikken, 1) opfrissen, opfleuren; 2) opkweken, opfokken.
opnieuw, opnéit, opnieuw. Jèntje moes van de mèster z’n sommen opnéit maken, Jantje moest van de onderwijzer zijn sommen opnieuw maken.
oppassen, oppáássen, gedragen. ge moet nètjes oppáássen, je moet jezelf netjes gedragen.
opper, opper, hoop.
opperen, uperen, opperen, een metselaar of rietdekker de materialen anbrengen.
opperman, uperman, opperman.
oproepen, oproepen, wakker maken. hoe laot moet ik oe oproepen?, hoe laat moet ik je wekken?
opscheppen, opschöppen, opscheppen. schôpt nog mar unne kéér op, d’r is nog zat, schep nog maar een keer op, er is nog genoeg.
opschudden, opschudden, opmaken. de bedden opschudden, de bedden opmaken.
opspelen, opspeulen, mopperen.
opstal, òòstal, noodstal, hoefstal.
opsteken, opsteuken, iemand tot iets kwaads aanzetten; z’n eigen ópsteuken, zich opwinden.
opstieren, opstieren, de koe door de stier laten bespringen.
opwarmen, opwèèrmen, opwarmen.
opwinden, opwijnen, opwinden. ge moet oe eigen nie zo opwijnen, je moet jezelf niet zo opwinden.
oranje, oranjes, oranje. gif mèn die oranjese snuupkes mar, ik zou graag die oranje snoepjes willen hebben.
orde, orde, de derde orde, een kerkelijke groepering.
ordineren, ordeneren, bevelen, regelen. hij li alléén mar te ordeneren, hij beveelt alleen maar. zie ook verordeneren.
organist, örgelist, organist.
orgel, örgel, orgel. ook ölger. ’n Smitsörgel wier in De Reek gemakt, het Smitsorgel werd in Reek gemaakt.
ort, orten, overschot van het eten, dat op iemands bord blijft liggen. Ge meut gèn orten maken, je moet alles opeten.
ossenhaam, ossenhaam, onderbroek met pijpjes.
otteren, ooteren, otteren, knutselen, bezig zijn, klungelen. wa ligder toch te otteren, wat ben je toch aan het klungelen.
oud, aauw, aut, oud. unnen aauwen mins, een oude man. d’ aauw nonnen, zusters Birgittinessen, de eerste zusterorde in Uden. Toen er zich andere zusters vestigden, werden ze dan ook de aauw nonnen genoemd.
oude tiend, aldetiend, oude tiend; gebieden die al in cultuur gebracht waren voor de instelling van de tienden. zie ook tiend.
oudelui, aauwlui, ouders
ouder, [ouderdom], aauwer, ouderdom.
ouder, aauwers, ouders.
ouderwets, aauwverwetst, ouderwets.
oudje, utje, gróótmoeder.
oudvader, [grootvader], utvaai, uttevan, gróótvader.
ouwehoer, [kletser], ouwoer, kletser.
ouwehoeren, ouwoeren, kletsen.
ovenblok, ovenblok, noga.
Oventje, Uiventje, ’t Uiventje, het Oventje, buurtschap bij Zeeland. Bij Goertjes op ’t Uiventje bakken ze goeie mik, bij bakker Willems op het Oventje bakken ze lekker brood.
over, ovver, over. hij duuter zunne tijd ovver, hij neemt er de tijd voor.
overgang, overgank, epidemie.
overweek, overweek, na de volgende week.
ozendrop, euzendrùp, het druppelen van het water van het dak; blèft nie onder d’n euzendrùp stòn, blijf niet onder de druppelende dakrand staan. zie ook neuzendrùp.
paal, pool, paal. mv. peul. verkl. pölleke.
paalstaak, poolstaak, ijzeren ring aan de hookstaak.
paar, paor, par, 1) (paor) echtpaar 2) (par) paar
paard, pèrd, paard. mv. peerd. verkl. perdje.
paardenstal, pèrdstal, paardenstal.
paars, pers, paars.
paaslelie, paoslillie, gele narcis. zie ook Pinksterlillie.
paasnagel, paosnaogel, spijker in de paaskaars.
pad, páád, pad (dier). mv. padden, verkl. pèdje.
pad, pad, voetpad. mv. peei en paoi. verkl. pètje, peeike.
pak, pak, 1) kostuum; 2) pakket, doos. verkl. pèkske.
pakhuis, pakhuis, gebouw van de boerenbond, waar voer en zaaigoed gekocht kan worden.
pakkendrager, pakkendrager, bagagedrager van een fiets.
paling, paolling, paling.
palm, palm, ongeveer 10 cm.
Palmpasen, Pallumpaosen, Palmpasen.
palmtak, pallumtak, palmtak. verkl. pallumtèkske.
pandkeermaken, páántkerremaken, gereed maken, (zich) inspannen.
pannenbakker, pannebakker, maker van dakpannen.
pannenlikker, pannelekker, kikkervisje.
papier, pampier, pepier, papier. mv. pampieren.
parallelweg, prelweg, parallelweg.
paraplu, parepluu, hooiberg.
parel, perl, parel.
part, pert, part.
Pasen, Paosen, Pasen.
passen, páássen, passen, aanpassen. páástmns, pas het eens aan. piessie?, paste het?
passer, pèsser, passer.
pastoor, pestóór, pastoor. as d’n diejen pestóór wurd dan kalft d’n os, iets wat onmogelijk is.
pastorie, pastorij, pastorie.
pater, poter, pater.
paternoster, paternoster, rozenkrans.
patronaat, pàtternaat, patronaat, jeugdgebouw.
patroon, petrontje, haak- of breipatroon.
Peel, [De Peel, toponiem], Péél, de Peel.
Peeltoeter, Pééltuuters, mensen uit de Peel.
peen, peei, wortel.
peer, péér, 2) klap, moet ’n peer hebbe?, wil je een klap hebben?; 3) mv. pirre, peer. verkl. pirke.
peerke verschiet, peerke verschiet, vogelverschrikker in de kersenboogerds.
pekweg, pèkweg, geasfalteerde weg.
pelen, [versieren (met bloemen, gekleurd papier)], péélen, versieren met (papieren) bloemen, linten, gekleurd papier, groene slingers, takken of kleine denneboompjes. Een ‘jong’ lijk (van een ongehuwde), de pijp van een bruidegom, het huis van een bruidspaar, dit alles wordt ‘bepéélt’. Bepéélen is ‘met péélsel (bloemen enz.) versieren.
pelerine, pellerien, omslagdoek, hing los over de schouders, met franjes.
pellen, polen, bònne polen, bonen van hun schil ontdoen.
pels, pels, onderrok.
pelsen, pelsen, kleren.
peluw, pulling, kussen, peluw.
peperkoek, pipperkoek, peperkoek. de Ujese slingerkoek was destijds fameus.
peren, [slaan], peren, slaan. hij peert erop, hij slaat er op los.
perkhinkelen, perkhinken, hinkelen.
permegratie, permegracie, permegracie speulen, dringend bidden, smeken. Zoals ‘asjeblief speulen’ betekent: ‘bij herhaling asjeblief! zeggen’ en vandaar: ‘zich nederig en dienstbaar opstellen’, zo betekent ‘permegracie speulen’ eigenlijk: ‘herhaaldelijk zeggen permitteer me de gracie!’: ‘zich opstellen als iemand, die op smekende wijze ergens om aanhoudt.’
permitteren, permitteren, dringend bidden, smeken. Zoals foeteren eigenlijk betekent ‘vloeken met foutre!’, aaien ‘strelen met aai!’ en jammeren ‘klagen met jammer!’ zo is permitteren eigenlijk ‘verzoeken met het woord permitteer!’ Later kreeg het woord de betekenis ‘goedgunstig. welwillend veroorloven’.
pers, pors, 1) pers; 2) egketting.
persen, porsen, persen.
persoon, persôn, persoon.
perzik, spierk, perzik. mv. spierken.
pesjonkelen, persjonkelen, aflaten verdienen. Op Allerzielen, 2 november, kon men, door de kerk binnen te gaan en vijf ‘onzevaders’ en ‘weesgegroetjes’ te bidden een aflaat verdienen. Door de kerk uit en weer binnen te gaan kon men dit onbeperkt herhalen. Het werd vaak een wedstrijd wie de meeste aflaten kon verdienen.
petemoei, petemoei, peettante.
Peter, [persoonsnaam], Péér, Peter.
petoet, petoet, gevangenis.
petroleum, pieteròllie, petroleum.
Petronella, Nèl, Pieta, Petronella
petunia, pittertùnnekes, pettertunneke, petunia’s, sleutelbloem.
peukelen, peukelen, peuteren.
pezerik, pizzerik, geslachtsorgaan van het mnl. varken. Werd gebruikt om de zaag mee in te vetten.
Piekenhoek, Piekenhoek, weg met een scherpe hoek, tussen Zeeland en Schaijk.
piel, piel, penis.
pielen, pielen, prutsen. wa ligde’r toch te pielen, wat ben je toch aan het prutsen.
pieper, pieper, aardappel.
Pieper, [bijnaam (voor o.a. inwoners van Volkel)], Piepers, inwoners van Volkel.
piepertje verbergen, pieperke verbergen, verstoppertje spelen.
pier, pier, regenworm. hij kèkt nogal pierig, hij ziet nogal bleek.. unnen pierigen appel, een wormstekige appel.
pierig, pierig, pips, bleek.
Pieter, Péér, Pieter.
pijn, pingt, pijn.
pijnlijk, pingdelijk, pijnlijk.
pijppot, pijppot, kan om melk in te bewaren.
pikhaak, pikhook, samen met de zicht gebruikt om b.v. koren te maaien.
pin, [gierigaard], pin, 1) gierigaard. zie ook prèngel; 2) eind. d’r een pin aon lullen, een eind maken aan het gesprek.
pin, pinneke, wasknijper.
pinegel, pinegel, egel.
pingelen, penkeren, sterk afdingen.
pinhout, pinhout, een tak van de vuilboom, waar pinnen uit gesneden worden om klompen te kunnen repareren.
pink, pink, kalf van 1 jaar.
pinksterlelie, pinksterlillie, witte narcis.
pionier, pionier, ontginners, eerste bewoners.
pip, pip, ziekte onder kippen.
pis, pis, plas.
pisdoek, pisdoek, luier.
pisknol, pisknùlleke, groenknol.
pispotjes, pispötje, bloem van de haagwinde.
pissen, pissen, plassen. As ge unne pestóór tegen zunne toog pist, dreuget noit mèr op, zegt men wanneer iets niet meer goed gemaakt kan worden. toen pissen plassen wier, ist gezeik begonnen, toen alles op een andere manier moest, begonnen de problemen.
pistool, pistòl, pistool.
plaag, ploog, plaag.
plaat, plaot, plaat. verkl. plaotje. ‘k heb ’n plaotje van de poter gekrigge, ik heb een prentje van de pater gekregen.
plaats, plôts, plaots, plaats. ge moet oe plôts kennen, je moet weten wat je plaats is.
plagen, plogen, plagen.
plakken, plakken, vorderen, vooruitgaan. plakt ’t al?, gaat het goed vooruit?
plaks, plaks, oppervlaktemaat. unne zak plaks, voldoende zaaigoed voor een bepaalde oppervlakte.
plaksteel, plèksteel, zuurstok.
plant, plant, plant. verkl. plèntje.
plas, plès, beschuit, platte, ronde mik van het deeg wat overbleef. verkl. plèske.
plat, plat, dialect. plat proten, dialect praten.
plattebuis, plattebuis, soort kachel.
plavuis, plevuis, plavuis. mv. plevuizen.
pleister, plaoster, pleister.
plek, plak, uitgestrektheid, hoeveelheid: unne plak wàtter, een plas water; ze hebbe unnen hèlle plak afgemaeit, men heeft een grote uitgestrektheid hooiland gemaaid. Niet iedereen betaalt bij die kapper evenveel: ge moet door betaolen venant plak, je betaalt daar naar de hoeveelheid haar die geknipt wordt. De oude wijze van landmaat op te geven is: dè láánd is ’n schepel plaks, ’n mud plaks, die akker is zo groot, dat men een schepel, een mud koren nodig heeft om hem in te zaaien. verkl. plèkske.
plek, plèk, vlek.
ploeg, ploeg, ploeg. mv. pluug. verkl. pluugske.
ploegdrijver, ploegdrijverke, kwikstaart.
ploegstoker, ploegsteuker, mikvormige stok om mest in de ploegvoor te duwen. zie ook riéper.
pluisteren, bluisteren, een gebluisterd gezicht, een met uitslag, puisten of blaren bedekt gezicht.
pluksel, [onkruid], pluksel, onkruid.
poeha, boenhej, gróót leven om niets.
poelepetaat, poelepetaat, parelhoen.
poelie, [vloeistof, (verdunde) melk], poelie, dunne vloeistof, als men melk of ondermelk verdunde met water.
poeliën, poeliën, schudden, water in beweging brengen.
poes, pies, poes.
poes, [bont], poes, bont.
poes, [wilgenkatje, bloeiwijze], poeskes, wilgenkatjes.
poesten, poesten, term uit de beugelsport. Als de bal zonder de grond te raken in een keer door de ring gegooid wordt.
poets, [iem die graag/veel poetst], poets, iemand die graag en veel poetst. dè’sn goei poets, zij kan heel goed schoonmaken.
pof, póf, op de póf kóópen, op krediet kopen, borgen.
poffen, póffen, op krediet kopen of verkopen.
poffer, póffer, strook met linten, veren en bloemen, boven op de muts bevestigd. Door boerinnen gedragen. Vaak wordt ook het hele hoofddeksel als zodanig genoemd.
poken, poken, met een pook porren.
pol, [hand], poeleke, handje.
politie, pliesie, politie.
polsje, pulske, gebreid bandje voor om de polsen.
ponder, punder, unster.
poort, port, poort.
poot, póót, poot. mv. peut. verkl. pùtje.
por, [om de eg aan te bevestigen], por, om aan de eg te bevestigen.
portefeuille, portefulje, portefeuille.
portret, portret, foto.
post, pòòst, 1) post; 2) deurstijl.
postbode, pòòstbooi, postbode.
pot, pot, pot. verkl. pötje.
potage, petazzie, betazzie, tazzie, stamppot.
potlood, potlóód, potlood. verkl. potlödje.
potloodsel, potloodsel, kachelpoets.
potstal, potstal, zachte stal, stal waarin de koeien op hun eigen mest staan en dus steeds hoger komen te staan, want er komt ook steeds strauwsel onder. Dit in tegenstelling tot de groepstal.
praats, pròts, praats. hij hè nogal veul pròts, hij heeft nogal veel praatjes.
prakkeseren, prakkezeren, plakkezeren, 1) nadenken, uitdenken, verzinnen, piekeren. laot mes efkes prakkezeren, laat me eens eventjes nadenken. wa prakkezeerde toch, wat denk je wel; 2) zich zorgen maken. ge moet nie zo veul prakkezeren, je moet je niet zoveel zorgen maken.
praten, proten, praten. (proot, praotte, gepraot).
pratten, pratten, pruilen, zacht huilen.
preekstoel, prikstoel, preekstoel.
prengel, prèngel, gierigaard.
prent, prent, plaatje met (religieuze) afbeelding, o.a. gemaakt door de rond 1773 in Uden werkzame Philippus J. Lecuyer.
pressen, pressen, ontbieden (personen).
preut, pruut, bips.
prikkeldraad, pikdrood, ook pikkeldrood, prikkeldraad.
Prilleke, Prilleke, oude linde op de markt in Uden.
probeersel, perbeersel, probeersel.
proberen, perberen, proberen.
processie, persessie, processie. Op 23 oktober was er een persessie ter gelegenheid van de feestdag van Maria ter Linde.
proeven, pruuven, proeven; borreltjes drinken.
pronkappel, pronkappel, sierkalebas.
pronsel, prunselke, beetje.
pront, pront, secuur.
proost, pròst, armstoel.
prop, pop, prop, gemaakt van stro, om dakpannen tochtvrij te maken.
prop, prop, vrucht van een els.
proptuit, proptuit, uitgeholde vliertak om proppen mee weg te schieten.
pruim, [pruimtabak], pruim, pruimtabak.
prul, prul, 1) bedrieger; 2) los deeg dat gebakken wordt.
puingras, pùing, puingras, onkruid.
punaise, punèèske, punaise.
purper, pulper, purper.
putmik, putmik, stok om water te putten.
puttee, poetjes, beenwindsels voor soldaten.
quatsch, kwats, onzin. wa lulde toch unnen hóóp kwats, wat vertel je toch een boel onzin.
quidam, kwidammer, aansteller.
quitte, kwijt, even (in een spel): we zèn kwijt, we staan quitte, we hebben even vaak gewonnen.
raad, rood, raad. ‘k weet er gènne goeie rood mè, ik weet niet goed wat ik moet doen; hij zit in de rood, hij zit in de (gemeente)raad.
raadhuis, raodhuis, raadhuis, gemeentehuis.
raadsel, raodsel, raadsel.
raak, raak, gehemelte.
raam, raom, 1) afgebakend perceel; 2) waterloop.
raam, room, raam. mv. romen. verkl. römke.
raap, raap, biet.
raat, raot, honingraat.
rabbelen, rebbelen, onophoudelijk praten.
rad, rad, rad. mv. raoi, wiel. verkl. raoike, rèdje.
rademaker, raoimaker, wielmaker, ook wagenmaker.
raden, rojen, 1) (rooi, raoide, gerojen) raden; 2) aanraden. dè’s oe gerojen, dat word je aangeraden.
rafelen, [rafels krijgen], reifelen, rafelen.
rails, [van het spoor], riels, spoorrails.
rak, [langgerekt stuk land], rakt, langgerekte strook land.
rakelen, rookelen, 1) rakelen, poken; 2) slaan, oorvijgen uitdelen.
rakelijzer, rookelijzer, pook. Het Zeelands nieuwsblad.
raken, raken, hij is gaauw gerakt, hij is snel op z’n teentjes getrapt.
rallen, rallen, klaaglijk loeien van een koe.
rand, ráánd, rand.
ranken, rèèngen, peulen van uiteinden en draad ontdoen.
ratelaar, ratelaar, ratelpopulier of esp.
rauw, roúw, 1) rauw, ongekookt. Meestal zegt men gruun; 2) ruw, ruig, wild. dè zèn toch ’n par roúw jong, dat zijn toch een paar wilde jongens.
rauzen, rauzen, wild tekeergaan.
razen, raozen, rozen, razen.
razend, razzend, razend.
recht, rèècht, recht.
recht, richt, d’r is gèn richt mè te schiéten, daar is niets mee te beginnen.
rechtdoor, rèèchtdéur, rechtdoor.
redder, réder, iemand, die de boel overhoop haalt.
redderen, réderen, ridderen, 1) de boel overhoop halen; 2) organiseren
redelijk, rolluk, rillijk, redelijk, tamelijk.
reden, riyen, reden.
Reek, [toponiem], reek, De Reek, de plaats Reek. Hier woonde de beroemde orgelbouwersfamilie Smits.
reep, réép, 1) dik lang touw; 2) band, hoepel. verkl réépke.
regenhondjes, regenhundjes, grijze regenwolken.
registerkoe, registerkoe, stamboekkoe.
rein, rèin, rein. ook rèng.
Reinaart, Rein, Reinaart.
reins, [eerlijk (bij een spel)], rèins, ook rèngs, eerlijk (bij het spel).
rekken, rekken, afleggen. unnen dooie rekken.
relikwie, rillekwie, relikwie.
remmen, rèmmen, met een snoer dichttrekken, b.v. een geldzak.
remplaçant, rammelesant, plaatsvervanger, (voor iemand die in het leger moest).
repel, reep, werktuig om vlas van de zaadbollen te ontdoen, vlaskam. ook reepel.
repelen, reepelen, vlas van zaadbollen ontdoen.
repeltand, reepeltáánd, ijzeren tand van een vlaskam.
repen, réépen, met een hoepel spelen.
retraite, retrèt, retraite.
retraitehuis, retrèthuis, retraitehuis.
retsen, rètsen, veel adressen achter elkaar bezoeken.
retskont, rètskont, iemand die vaak weg is.
reupen, réupen, wild stoeien.
reut, reut, d’n hèlle reut, de hele boel.
Ria, [persoonsnaam], Riek, Ria.
riek, riék, drietandige vork, mestvork.
riels, riels, 1) slank. wa’n riels vrommis, wat een slanke jongedame; 2)
riem, riem, bòksenbáánd.
rij, réi, 1) rij; 2) lat, grote liniaal.
rijden, rijen, rijden. hij rijtm, hij zit in de problemen.
rijeren, rèieren, rillen.
rijf, rijf, houten hooihark.
rijf, rijf, niet zuinig.
rijglijf, rèllif, rijg- of keurslijf.
rijgnestel, rijnassel, schoenveter. mv. rijnassels.
rijks, riks, rijksdaalder.
rijn, rijn, molenijzer, dat de bovenste molensteen doet draaien. Het embleem van de mulder.
rijsbos, rijsbos, bos hout, takkenbos.
rijsmijt, rijsmijt, mijt van takkenbossen.
rijt, rijt, beek of waterloop.
rijven, rijven, hooi bijeen harken.
rijzen, rijzen, (rees, rezen, gerezen), 1) stijgen; 2) uitdijen, uitzetten: de mik begint te rijzen; 3) Langzamerhand afvallen van bloemen of bladeren; 4) van korsten op een wond zegt men dat ze rijzen of afrijzen: groter of kleiner worden.
rikraden, rikraoien, zich afvragen.
ring, rink, ring. wane schònne rink, wat een mooie ring.
rins, rins, ook rings, zuur.
ripper, [werktuig bij het ploegen], riéper, stok gebruikt bij het ploegen.
ritnaald, ritnaold, larve van de kniptor.
rits, ritse, perzikkruid.
ritsig, ritsig, tochtig, van koeien.
rodekool, rojekòl, rode kool.
roe, roe, sausje van bloem en boter.
roede, roei, 1) roe. mv. roeien, de roe van zwarte Piet; 2) mv. roei, oppervlaktemaat, ± 14 m2. Er gaan dus 700 roei in ènnen buunder; 3) gordijn- of traproede.
roemer, ròmmer, rèumer, roemer, wijnglas.
roep, roep, drie zondagen voor de trouwdag. ook onder de gebooi stôn.
roeren, ruuren, roeren.
roesachtig, róósèèchtig, koortsig.
roet, [rundervet], ruut, rundervet.
roffel, roefel, wasbord.
rogge, rog, rogge. ook rok. rog palmen, met palmzondag een palmtakje in het gewas zetten.
roggekuch, roggekuch, roggebrood.
roggeomgang, rogùmgang, jaarlijkse rondgang om rogge of ander voedsel op te halen voor de pastoor. zie ook ùmgang.
roken, réuken, róóken, in de rook hangen, (b.v. ham, worst of spek), roken.
rol, ról, 1) rol; 2) gedrukt lied. verkl. rölleke.
rollenzanger, róllezanger, liedjeszanger.
rolploeg, rolploeg, soort ploeg, met een wiel vooraan.
rond, roond, rond.
rond deel, rondeel, stuk land met ronde vorm.
rondje, rundje, rondje.
rondom, róndum, rondom.
rood, róód, róói, rood. hij wier róód tot ááchter z’n òrre, hij werd rood tot achter zijn oren. wa hèdde toch ’n róói kleur, wat heb je toch een rode kleur.
rooi, [gerooide plek (in het bos)], rooi, een gerooide plek in het bos.
rooien, rooien, volbrengen. dè rooit ie nie, dat krijgt hij niet klaar.
rook, róók, rook.
room, ròmme, melk.
roomboer, ròmboer, de man die de ròmkannen vervoert naar de ròmfebriek.
roomfabriek, ròmfebriek, coöperatieve stoomzuivelfabriek, waar de melk verwerkt wordt. In Uden was dat, tot 1971, een ròm-/bòtterfebriek, de Heilige Henricus; in Volkel, tot 1942 de Heilige Anthonius Abt; en in Zeeland, tot 1970, een bòtterfebriek, St. Jacobus.
roomgeld, ròmgeld, melkgeld.
roomkan, ròmkan, melkbus.
roomkar, ròmkar, melkwagen.
roompot, ròmpot, melkkan.
rooms, ròms, rooms, nog ròmser dan de paus.
roomschepper, ròmschöpper, monsternemer. zie ook schöpper.
roomtuit, ròmtuit, melkkan.
roos, róós, 1) roos (bloem); 2) hoofdroos; 3) rode huidontsteking; 4) koorts.
roosduif, róósduif, duif, die meestal in een kooi binnenshuis verbleef en scheen te helpen tegen koorts.
root, róót, kuil waarin vlas geróót wordt.
rosdoek, rosdoek, juten zak die onder de kar hangt.
roskammer, roskammer, veehandelaar.
rossen, rossen, de dieren borstelen.
roten, róóten, vlas in het water leggen, om de stengels te laten rotten, zodat ze bewerkt kunnen worden.
rouw, rouw, rouw, droefheid.
rouwigheid, rouwigheid, 1) struikgewas; 2) rommel.
rozenhoed, ròzzenhuudje, vijf ‘tientjes’ van de ròzzenkrans bidden.
rozenkrans, ròzzenkrans, 1) een kralen- of bidsnoer; 2) de ròzzenkrans bidden: drie keer een ròzzenhuudje bidden.
rug, ruk, rug.
ruig, rudig, ruig.
ruik, ruik, geur.
ruiken, ruiken, ruiken, stinken.
ruin, ruin, gecastreerde hengst.
ruiter, [droogrek; vierkante brok, kubus], ruiter, 1) houten pyramidevormig droogrek, voor hooi enz.; 2) vierkante brok, kubus: unne ruiter spek.
rulletje, rullekus, ronde gummi hakken voor de schoenen.
runmolen, runmeulen, molen om eikenschors te malen.
rups, rieps, rups. d’r zitten veul riepse in de kòlle, er zitten veel rupsen in de kool.
rus, rós, 1) graszode; 2) paard. verkl. ruske.
rus, rus, riet- of buntgras.
russel, russel, rùster, reusel, rooster.
rust, roest, rust: we gaon naor de roest, we gaan rusten; d’n haon van’t geweer stö in de roest, de slagpen is ontspannen.
rusven, rusven, moerasgebied met buntgras.
sabbelen, soebelen, sabbelen.
sacrament, sacrement, sacrament.
sacramentsdag, sacrementsdag, 2e donderdag na Pinksteren. Herdenkingsdag van de instelling van de eucharistie, dag waarop de sacrementspersessie gehouden werd.
sacramentsprocessie, sacrements-persessie, door de Kruisheren werd deze processie gehouden op de eerste zondag na 3 mei (feest van de Kruisvinding).
sajet, sjet, halfruw wollen garen.
salamander, sallemander, salamander. we gòn in de Kleuter sallemanders vangen, we gaan in de Kleuter salamanders vangen.
salie, zelf, ook zaelf, salie.
samen, saomkes, samen.
sars, sars, aan elkaar genaaide juten zakken.
saus, saus, jus.
savooie, sevooi, savooie.
schaal, schaol, peul, eierdop.
schaal, school, kerkschaal, weegschaal.
schaamte, schèmt, schaamte.
schaap, schoop, schaap. mv. schoop en scheup. verkl. schöpke.
schaar, schéér, schiér, schaar.
schaar, schèrke, slot op een venster.
schaarde, schaort, gat. mv. schaorden, uitgebroken stuk, inkerving in een mes, opening in een heg.
schaars, schars, schaars.
schaats, schaots, schaats.
schaatsen, schaotsen, schaatsen. op Iese gat kunde goed schaotsen, de plas bij de Heische Tip is goed geschikt om op te schaatsen.
schade, schaoi, schade.
schaduw, schaoi, schaduw.
schaften, schòvven, voor een tijdje de arbeid onderbreken, schaften; een keer overslaan.
Schaijk, schòik, Schaijk.
schakel, schakel, soort ring, die een koe om de poot kreeg als zij getuierd werd.
schalie, schaolie, lei, als dakbedekking.
schamppost, schamppóóst, schuin houten gedeelte onder aan een deurstijl.
schandaal, schandool, schandaal.
schandalig, [schandelijk], schandòllig, schandalig.
schande, scháánd, schamt, schande. ’t is gróóte scháánd.
schans, schans, rijsbos, takkenbos.
Schapenwasser, Schaopenwáássers, inwoners van Odiliapeel
schaper, scheper, schaapherder.
schapersschop, schepersschupke, schopje van een herder.
scharen, schaarsen, bijeen doen, verzamelen.
scharen, schoren, het vee in- of uitschoren, in een andere wei brengen.
scharenslijp, scheresliep, scharen- en messenslijper.
schavierlijk, schaviérlijk, ondeugend.
schavierlijkheid, schaviérlijkheid, baldadigheid, straatschenderij.
schede, schaei, 1) schede (van een zakmes); 2) dwarshout (van een kar).
scheef, scheef, gebroken vlasstengel, zoals bij het braken en zwingen afvalt.
scheef, schif, scheef. dè pölleke stè aolling schif, dat paaltje staat helemaal scheef.
scheerlappen, schêrlappen, oogkleppen voor een paard.
scheermes, schars, scheermes.
scheet, scheet, wind. ’t is gènne scheet werd, het is niet de moeite waard.
scheid, geschéid, grens, scheiding: de Scheiwal li op ’t geschéid tussen Zelland en Langenbòm, de Scheiwal (waterloop) ligt op de grens tussen Zeeland en Langenboom.
scheid, schéi, 1) scheiding in het haar; 2) verbinding tussen wagen en burrie, voorste plank van een kar.
scheiden, schéien, scheiden.
scheidsteen, schéistéén, een kei die in de grond op de grens tussen twee akkers ligt.
scheidweg, scheiweg, grensweg.
schelden, schèllen, schelden. hij litm geduurig uit te schèllen, hij scheldt hem steeds uit.
schelen, schillen, schelen. da schilt nie veul, dat scheelt niet veel.
schelf, schelft, hooizolder
schelf, schilver, bos hout.
schelfsel, schilfsel, zolder van schelf- of rijshout, boven de stal of dorsvloer.
schelling, schilling, 30 cent.
schelp, schölp, 1) schelp; 2) bovendeel van een klomp; 3) dop van een noot.
schelp, schulp, bovenste helft van een klomp.
schemer, schimmer, schemer.
schemeren, schiemeren, licht worden, schemeren. ’t schiemert, het is morgenschemering; m’n ogen schiemeren, het schemert mij voor de ogen. zie ook schimmer.
schenden, schèinen, schengen, ook schèngen, schèènen, schenden.
schenk, schènk, bot, been. verkl. schènkske.
schep, schepel, schop. mv. schepel, grote platte houten schop om graan mee te scheppen, inhoud ongeveer 10 liter (2 vat); 8 schepel is een leúpes.
schepenbank, schepenbank, rechtbank.
scheplepel, [opscheplepel], schöplèppel, opscheplepel.
scheppen, schöppen, scheppen.
schepper, schöpper, melkmonsternemer.
scherf, schèèrf, scherf.
scherp, schèèrp, scherp.
schertsen, schiertsen, giechelen.
scheur, schurke, smal pad van de weg naar het erf.
scheurbot, scheurbot, scheurbuik.
scheut, scheut, we zijn al wijd op scheut, we vorderen al heel goed.
scheuteling, schötteling, schutteling, big van ± 1 maand oud.
scheuterig, scheuterig, goedgeefs.
schibbelen, schibbelen, beven, trillen.
schieferen, schieferen, onscherp zien.
schielijk, schielijk, schierlijk, vlug, plotseling.
schieten, schiéten, ontkiemen. de elper schiéten al, de aardappels ontkiemen al. hij heggut geschoten, hij heeft het goed getroffen.
schietworm, schietwörm, zilvervisje.
schijnen, schingen, schijnen.
schijt, schijt, uitroep van onverschilligheid.
schijtbos, schijtbossen, graspollen.
schijten, schijten, poepen. hij kan dóór op de taofel schijten, hij kan daar alles doen wat hij wil.
schijthak, schijthakken, hakken van de koe.
schijtmilde, schijtmilt, milde (onkruid).
schik, schik, plezier, pret, ze hebben veul schik, ze maken veel plezier. hij hettur gènne schik, hij heeft het daar niet naar zijn zin.
schikken, schikken, meevallen. dè schikt nogal, dat valt nog wel mee.
schil, scheel, deksel (van een pot); óógscheel, ooglid.
schil, schèl, schil.
schilbodem, schèlbôjem, aardappelschilmandje. zie ook schribber.
schillen, schèllen, schillen, de èlper schèllen, de aardappels schillen.
schilmes, schèlmes, schilmes.
schim, schiem, flits. hij zagt in unnen schiem, hij zag het in een flits.
schimmel, schimmel, bederf.
schip, schip, schip. mv. scheep.
schob, schop, schuurtje, afdak, waar het landbouwgereedschap opgeborgen wordt.
schobben, schóbben, zich schurken, wrijven.
schobberdebonk, Schabber de Bonk, er opuit gaan om iets van zijn gading te treffen, zonder er echt naar te zoeken.
schoelje, schoelie, minderwaardige mensen.
schoen, schoén, schoen. mv. schoén en schuun. verkl. schoéntje, schuuntje.
schoentrekker, schoentrekker, schoenlepel.
schoepen, schuupen, bezoeken, zoekend rondgaan.
schoeper, schuuperd, stiekemerd. zie ook smierkerd.
schoer, schoer, onweersbui. ook wel donder-, regen-, weind- of záándschoer.
schoffel, schoefel, schoffel.
schoft, schòft, 1) scheve schouder, schoft van een dier; 2) een kwart van een werkmansdag.
schokken, schokken, betalen.
schol, schol, ijsschots. scholleke lóópen, van de ene op de andere ijsschots springen.
schoof, [bos], schob, bos.
schoof, schoof, schoof. mv. scheuf, vooral van schoon gemaakt, enkel lang stro.
schooien, schòien, schooien, bedelen, dringend verzoeken.
schooier, schòier, schooier.
schoon, schòn, schoon. Van personen gezegd betekent het: met mooie kleren aan: wa bende schòn. En van iemand, die op zondag en werkdag met dezelfde kleren loopt, zegt men: Alle daag even schòn, likkus ons lievrouwke in d’n tròn.
schoorsteen, schorstéén, schoorsteen, het gedeelte dat boven het dak uitsteekt; dit in tegenstelling tot de schouw.
schop, schoep, platte schop.
schop, schup, schop.
schophalster, schubhelster, om paard te sturen.
schoppen, schuppen, schoppen.
schort, scholk, schort, voorschoot. verkl. schölkske.
schot, schot, schutting, plank om iets af te maken.
schotel, schòlt, schòttel, bakkers-, ovenschotel, schotel. schòttele wáássen, de afwas doen. kaauw schòttel, koude schotel.
schoteltjesfeest, schòttelkesfèst, na een huwelijk werden de meisjes uit de buurt uitgenodigd op de koffietafel.
schotelwater, schòttelwàtter, afwaswater.
schottelslet, schòttelslèt, vaatdoek.
schouder, schouwer, schouder.
schout, schout, rechter, voorzitter van de schepenbank.
schouw, schouw, 1) schoorsteen, het gedeelte dat van buitenaf niet zichtbaar is; 2) schuw, wild; 3) gek, erg, grof: wa hèddet schouw gemàkt, wat heb je het gek gemaakt; alles litter even schouw, alles ligt er erg wanordelijk door elkaar; 4) verlegen: da zèn toch schouw jong, die kinderen zijn erg verlegen; 5) inspectie van het waterschap.
schouwveld, schouwveld, wanordelijk gebied.
schraal, schrool, schraal.
schrap, [streep], schrap, streep. verkl. schrèpke.
schraper, [gierigaard], schraap, gierigaard. ook schraperd.
schrappen, schrappen, land ondiep ploegen, b.v. met drieschaar.
schreek, schreek, schreeuwend persoon.
schreeuwen, schreùwen, schreeuwen, schreien.
schribbelaar, schribber, mandje, waaruit de aardappels geschild worden. zie ook schrubber.
schribbelen, schribben, schillen. èrpel schribben, aardappels schillen.
schrieken, schreken, schriéken, schreeuwen, gillen
schrieker, schrekerd, schreeuwerd.
schrijven, schrijven, heten. hoe schrijfde gij?, hoe heet je? zie ook van.
schrijvertje, schrijverke, geelgors.
schrikachtig, schrikèèchtig, schrikachtig. wa’n schrikèèchtig pèrd, wat een schrikachtig paard.
schriks, schriks, schrijlings.
schrobber, [boender], schrubber, aardappelmandje.
schrobbezem, schrobbèssum, schrobber, boender.
schrobgat, schrobgat, afvoer in de muur voor het schrobwater.
schrobscholk, schrobscholk, werkschort. zie ook slobscholk.
schroeven, schroepen, krassen.
schropscholk, slobscholk, werkschort, vaak van jute.
schudden, schudden, inschenken. schudm nog mar ’s vol, schenk het glas nog maar eens in.
schuif, schaaf, grendel. [Algemeen: in Uden wordt de ‘sch- aan het begin van een woord, als ‘sk- uitgesproken.]Vruuger skupten ze in Uje mekaar mè de klompen nog wel ’s tigge de skeenen en dè waar netuurlijk gróóte skaand. Mar tiggeworrig gaon ze mè skôn skoén naor skool. En sommige rijke keieskijters gaon zellufs schiën op de Skans.
schuifelen, schuifelen, 1) met platte steentjes over het water keilen. zie ook titsen; 2) voorzichtig lopen; 3) op de vingers fluiten.
schuilen, scholen, verstoppertje spelen.
schuins, schuinewèg, schuin. ook schuins.
schuren, schoeren, schuren.
schut, schut, plaats waar loslopend vee werd vastgehouden. ook schutte.
schutboom, schutbòm, slagboom waarachter loslopend vee werd vastgehouden. ook schutpaal.
schutkooi, schutkoi, omheinde plaats, waar verdwaald vee werd ingesloten.
schutsboom, schutsbòm, schutsboom. lange paal, waarop de vogel geplaatst wordt, die de schutters (van het gilde) moeten proberen eraf te schieten.
schutse, schuts, stuiter, grote stenen of ijzeren knikker.
schutveld, schutveld, plaats waar de schutkooi stond.
secretaris, sik, (gemeente)secretaris.
seffens, seffes, direkt, dadelijk.
seminarie, simmenarie, seminarie.
sep, sèp, drop (van zoethout).
sepkatje, sèpkètje, 1) katjesdrop; 2) vrouw met zwart haar en donkere ogen.
sepwater, sèpwàtter, hoestdrank, gemaakt van in water opgeloste drop.
shag, sjèk, shag.
sigaar, segaar, sigaar.
sigaret, sigret, sigaret.
sik, sik, geit.
sinds, seins, sinds. ik hebm nie mèr gezien seins ie naor Canada is geïmmigreerd, ik heb hem niet meer gezien sinds hij naar Canada is geëmigreerd.
singel, singel, brede riem aan het tuig van een paard.
sint, sunt, ook sunte, Sint (voor heiligennamen).
Sint Anthonis, Sint Tunnis, St. Antonis.
sint-cornelisroos, sunterknellisróós, pioenroos.
Sint-Cornelius, meisunterknillis, sunterknellis, De eerste zondag in mei, feestdag van St. Cornelius in Zeeland, bechermheilige tegen kinderziektes.
sint-jansklokken, St. Jansklokken, het latere Bisdomblad. Hierin publiceerde de Udense kruisheer Herman Linnebank (1876-1927) diverse artikelen, o.a. over oude volksgebruiken en ook enkele verhalen in het Udense dialect.
Sint-Oedenrode, Rooi, de plaats St.-Oedenrode.
sintel, sintels, afval van kolen.
sintelzeef, sintelzeef, om as mee te zeven.
Sinterklaas, Sinterklòs, Sint Nicolaas.
sjalot, slot, ui, sjalot. mv. slotten.
sjans, sjans, avontuurtje, flirt.
sjansen, sjansen, flirten.
sjanskous, sjanskousen, gekleurde kousen.
sla, slaoi, sla. de slaoi ziet vol riepsen, de sla zit vol met rupsen.
slaag, sleeg, slaog, slaag. wa kriggie toch veul sleeg, wat kreeg hij toch veel slaag. de zoon van d’n bovenmèster kreeg ’t mèste sleeg, de zoon van de hoofdonderwijzer kreeg het meeste slaag.
slaan, sloon, slaan. ook slòn, (slaòi, slù, sloeg, geslaogen, geslòn).
slaap, sloop, slaap.
slaapsok, slopsokken, sloffen over de schoen gedragen.
slaaptijd, [tijd om te gaan slapen], slopestijd, middagdutje, zo ongeveer tussen een en drie uur.
slabben, slabben, 1) knoeien; 2) oplikken.
Slabroek, Slobbroek, Slabroek. moerassig gebied.
slachten, slachten, ook beslachten, gelijken.
slachtmaand, slachtmònd, november
sladderig, sladderig, glibberig.
slag, slag, 1) ondiepe plaats in een sloot, waardoor men bij lage waterstand droogvoets kan lopen. 2) ingang tot het weiland. zie ook hekkeslag.
slager, slachter, slager.
slak, slèk, slak.
slakkenhuis, slèkkenhuis, slakkenhuis.
slampamper, lampampus, sukkelaar.
slang, slang, slang, verkl. slèngske.
slapen, slopen, slapen. (sloop, slùpt, sliép, geslopen).
slechten, slichten, slechten, met de grond gelijk maken; sporen slichten, de karresporen in de weg dichtmaken. ook sliechten.
slechts, sles, slechts, zonder reden, zonder aanleiding: ik heb ’t sles gedaon, ik heb het gedaan, ofschoon ik er geen reden toe had; we speulen vèur sles, we spelen zonder gewin of verlies.
sleedoorn, sléén, sleedoorn.
sleeuws, sleùws, gevoelig. unnen sleùwsen taand, een gevoelige tand.
sleger, sleger, plankje, waarmee bij het beugelspel de ballen geworpen worden.
slenk, slenk, het lage deel langs een breukrand.
slepen, sleipen, slepen. (sleip, slèpt, gesleipt).
sleutel, sleùtel, sluttel, sleutel.
slibberen, slibberen, glijden over het ijs.
slien, slién, kleine paarse pruimen, zie ook króós.
sliep, sliép, karrevet wat gebruikt is.
slieps, slieps, stropdas.
sliepuit, [uitroep], sliepuit, uitroep bij het uitlachen, terwijl men de wijsvingers over elkaar strijkt.
sliet, sliet, rechte wilgen- of elzentak van een paar meter lang.
slim, slim, 1) scheef, ze hèt unne slimmen heup, zij heeft een scheve heup; 2) erg, dès nie zo slim, dat is niet zo erg.
slinderen, [vlechten], slinteren, vlechten.
slinger, [peperkoek], slinger, bekende Ujese pipperkoek.
slinger, slunger, slinger. de slunger van de klok is d’r afgevallen, de slinger van de klok is eraf gevallen.
slingerlaatste, slingerlèèste, spel waarbij men in een lange rij rondloopt.
Slingerpad, Slingerpad, fraai fietspad in de bossen tussen Uden en Zeeland, door de Belgen, die vanaf 1914 op Vluchtoord woonden, aangelegd. Restanten van een wielerbaan zijn nu ook nog enigszins langs dit pad te bespeuren.
slip, slip, schoot, voorschoot. kom mar kiendje, kom mar op munne slip zitten. schort, als draagdoek gebruikt: unnen slip èrpel.
slipover, slipover, spencer.
slob, slob, 1) modder; 2) schort.
slobberen, slobberen, luidruchtig drinken, van b.v. varkens.
sloffen, sloefen, sloepen, de voeten niet opheffen onder het lopen. sloffen.
sloof, sloof, voorschoot, sloop. verkl. sleufke.
sloot, slóót, sloot.
slot, slot, slot. verkl. slötje.
slotpad, slotpad, weg in de richting van de kapel of abdij. verkl. slotpèdje.
sluier, slöier, sluier; sjerp.
sluitspeld, sluitspel, veiligheidsspeld. gifs efkesn sluitspel, want m’n boks zakt af, geef eens eventjes een veiligheidsspeld, want mijn broek zakt af.
slurfen, slurfen, met de klomp een streep door het zand trekken.
slurpen, sloerpen, slörpen, slurpen.
smakken, smekken, smakken. zitter ’s nie zò te smekken, zit er eens niet zo te smakken.
smal, smaol, smal. dè’s ’n smaol pèdje, dat is een smal paadje.
smalen, smelen, schimpen, smalen.
smart, smert, smart.
smeden, smeejen, smeden.
smederij, [smidse], smees, smederij. wa wier d’r wir geslagen in de smees, wat werd er weer flink gehamerd in de smederij.
smeerdeel, smèrdèl, 1) smeerpoets; 2) poel bij Nabbegat.
smeerlap, smèrlap, smeerlap. ook smirlap.
smeren, smeren, ervandoor gaan, weggaan. nou smeert iem gaauw, nu knijpt hij er vlug tussenuit.
smerig, smèrrig, smerig, vies.
smetkoord, smetkoort, een met roet bestreken koord, waarmee men op bomen, die tot planken gezaagd moeten worden, rechte lijnen trekt.
smid, smit, smid. mv. smeei.
smierken, smierken, rondneuzen, zich stiekem gedragen.
smierker, smierkerd, stiekemerd.
smiespelen, smiespelen, fluisteren. in gezelschap gôdde nie zitte smiespelen, in gezelschap mag je niet fluisteren.
smoezelen, smoezelen, 1) vuil, morsig maken; 2) eten (vooral vette spijzen). Smoezelpanneke, pan met stukken gebraden vlees of spek.
smous, smous, 1) hondenras; 2) inwoner van Zeeland.
snauwen, snaauwen, snauwen.
sneeuw, sneùw, sneeuw.
snelbinden, snelbijnder, snelbinder.
sneu, sneui, 1) schrander, snugger; 2) jammer.
Snevelbokken, Snevelbokken, Inwoners van Loosbroek.
snijboon, [soort boon], snijbòn, snijboon. mv. snijbònnen.
snijden, snijen, snijden. (snij, sneej, gesnejen).
snijder, snijer, kleermaker.
snijgetuig, snijgetuig, snijgereedschap.
snijsel, snijsel, kort gesneden stro.
snoek, snóek, snoek. mv. snuuk. verkl. snuukske.
snoep, [lekkernij], snoep, snoep. verkl. snuupke.
snoepjestrommel, snuupkestrùmmelke, snoepjestrommel.
snollen, [snoepen], snollen, snoepen, het beste ergens uit eten.
snotneus, snotneus, klein kind. ook snotpin.
snuit, snuut, snuit, gezicht. verkl. snuutje.
snuiven, snoffen, snuffen, snikken, snuiven, een snuifje nemen.
snurken, snörken, snurken.
soek, soek, hond. ‘t is unne goeien soek, het is een braaf hondje.
soeliën, soeliën, 1) in het klein uitverkopen; 2) onvoordelige, nutteloze arbeid verrichten.
soezen, soézelen, dommelen.
soldaat, saldoot, soldaat. mv. saldoten.
solutie, slusion, solutie, bandenlijm.
somtijds, sommeteien, soms. ook somwelle.
soort, sort, soort. mv. sorten.
sop, sop, drank voor de koeien of varkens (lauw water met kaf, koren, groen, raapkoek, aardappels enz.).
sopketel, sopkettel, ook soppot, ketel waar het voer voor de varkens in gekookt werd, en ’s maandags de was.
soppen, soppen, 1) het vee sop geven; 2) indopen. hij sopt ’n speeklasiemènneke in zunne koffie, hij doopt een speculaasje in de koffie.
sopscholk, sopscholk, voorschoot.
spaak, speek, spaak. mv. speken.
spaan, spaon, spoon, spaan, gesneden dunne plakjes hout, die hield men even in het vuur van de kachel en stak daarmee de lamp of de pijp aan. mv. sponen. verkl. spöntje.
Spaans, Spòns, spaans. spònse kersen, een kersensoort.
spade, spoi, schop om turf te steken.
spaden, spaojen, spitten. hij is d’n hof aon ’t umspaojen, hij is de tuin aan het omspitten.
spalk, spalk, haagappel, rozebottel.
span, span, ongeveer 20 cm.
Spanjaard, Spanjerd, Spònjerd, Spanjaard.
spannen, spannen, 1) spannen; 2) het aanwezig zijn van grote drukte, haast of levendigheid. ’t spèntr, er is een grote drukte. zie ook naauwen.
spar, spaar, spar.
sparen, sporen, (spoor, spoorde, gespoord), sparen. ze hè al goed gespoord vèur d’ren uitzet, ze heeft al veel (linnengoed enz.) bijeengespaard voor haar toekomstige huishouden.
spatlap, [onderdeel van auto of fiets], slijklap, spatlap.
speculaas, speeklasie, ook speeklasiemènneke, speculaas.
speelgoed, spulgoed, speelgoed.
speelplaats, spulplàts, speelplaats. ze dinne moi speulen op de spulplàts, er werd mooi gespeeld op de speelplaats.
speels, spuls, speels.
spekgaffel, spekgavel, lange, gaffelvormig stok om spek of worst in de schouw te hangen of er uit te halen.
spekhoutje, spekhoutje, waar het spek aanhing in de schouw.
spelen, speulen, 1) spelen. (speul, speùlde, gespeùld); 2) loten voor de dienstplicht. wa spenttr toch? , de jonges moeten speulen, wat is er toch een drukte? wel, de jongens moeten loten.
spelig, spullig, tochtig, van een koe.
speuren, speuren, het spoor volgen.
spie, spiy, spie, wig, stuk taart.
spiegelen, spiegelen, pronken. zitr nie te spiegelen, je moet niet gaan zitten pronken met iets wat een ander niet heeft.
spier, spier, spriet. mv. spieren, pijltje, halm: grasspier, grasspriet; stròispier, strohalm; haorspier, haartje.
spiersen, spiertsen, spoúwen, spuwen.
spierzak, [knapzak], spierzak, knapzak, linnen etenszak, aan beide einden gesloten, in het midden open.
spik, [bruggetje, knuppelweg], spik, bruggetje, knuppelweg.
spikkellelie, spikkellillie, soort lelie.
spil, spèl, dunne mest.
spillen, [aan diarree lijden], spèllen, aan diarree lijden. zie ook dunne.
spillereet, spelreet, mager meisje.
spinde, spijntje, spintje, spinde. ook spingtje, kleine voorraadkast, opbergplaats voor kleren.
spinhuis, spinhuis, gevangenis. hij zit int spinhuis, hij zit in Den Bosch in de gevangenis.
spinnenjager, spinnejager, ragebol. zie ook spinnekop.
spinnenkop, spinnekop, 1) ragebol; 2) ijzeren raam, in de vorm van een halve cirkel.
spinning, spinning, namiddag- of avondpartij voor meisjes. Wordt in het voorjaar, na de schoonmaak, gegeven. Het spinnen zelf raakte op de achtergrond. zie ook nober.
spint, spijnt, ook spingt, spinthout, het buitenste, weke hout van een boom.
spits, spits, mager. dè kiendje hè mar ’n spits gezicht, dat kind ziet er mager uit.
spits, spitse, 1) torenspits, hij li aachter de spitse, hij ligt op het kerkhof; 2) langwerpige driehoekige akker.
splinter, splijnter, splinter. d’r zit unne splijnter in munnen duim, ik heb een splinter in mijn duim.
spochten, spóchten, zwetsen, snoeven.
spoelen, spuulen, spoelen.
spollen, spollen, rennen, omwoelen. de koei hebben deur d’n hèllen hof gespold, de koeien hebben met hun geren de hele tuin omgewoeld.
spoor, spoor, trein.
sport, spreut, sport (van een stoel of ladder).
spreeuw, spreùw, spreeuw. mv. spreùwen. makt ’s gróót leven, d’r zitten veul spreùwen in d’n kersenbòm, maak eens veel lawaai om de spreeuwen uit de kersenboom te verjagen.
spreken, sprikt, dè sprikt, dat is vanzelfsprekend.
springen, springen, (spring, spronk, gesprongen), springen.
sprokkelmaand, sprokkelmònd, februari
spuithuis, spuithuiske, berging voor de brandspuit en blusmaterialen.
spurrie, spörrie, spurrie, een muurachtig gewas, gebruikt als veevoer.
spurriën, [tekeer gaan], spörrieën, tekeer gaan. (spörriede, gespörried). ’t hètr gespörried, het (onweer) is nogal tekeer gegaan.
spuug, spoúw, speeksel.
spuwbak, spouwbèkse, kwispedoortje.
staal, staol, monster, staal.
staalpaard, staolpeert, paarden, die op elkaar lijken, die bij elkaar horen.
staan, staon, stoon, staan. (staoi, stöt, stónt, stónden, stonnen, gestaon, gestaòn).
staandebeens, stòndebens, staande iets drinken.
staart, start, 1) staart. verkl. stèrtje; 2) nagebeden van het rozenkransgebed.
staartbeen, startbutje, stuitbeentje.
staartmerten, startmèrten, treuzelen.
staartpan, startpènneke, steelpan.
stad, stad, stad. mv. steei. verkl. stetje, steeike.
stadig, steeg, onwillig (van paarden), koppig, eigenzinnig.
stadrijt, stadrijt, grond langs een waterloop. ook stadrijk.
stads, stads, deftig.
stads praten, stads proten, deftig praten.
staken, [koeien vast zetten], staken, koeien vast zetten.
staketsel, seketsel, steketsel, rekètsel, ijzeren poort, hekwerk, stenen of ijzeren afrastering om de tuin.
stal, stal, stal. verkl. stèlleke.
stalen, staolen, op elkaar lijken. Die jonges staolen goed, die jongens lijken goed op elkaar. Da staolt nerges op, dat lijkt nergens op.
stalkaars, stalkars, dwaallichtje. De stalkarsen zijn de zielen van ongedoopt gestorven kinderen. Het zijn waarschijnlijk dezelfde verschijnselen als de gloejige mennekes, die in de Peel rondzwerven en de zielen zijn van de burgemeesters, die wederrechtelijk de grenzen verlegd hebben.
stalrepel, stalriép, palen, waartussen de koeien op stal staan.
stamelen, stammelen, stamelen.
stamhouder, stamhouwer, stamhouder.
stamp, stamp, stamppot.
standaard, standard, standerd, 1) standaard, voetstuk van een molen.
standbeeld, [sculptuur], standbèld, standbeeld.
stang, stang, bit dat achter de kaken van het paard zit.
star, staar, star.
steek, [een stekend gevoel, b.v. pijn in de zijde], steekt, pijn in de zijde.
steen, stéén, steen. mv. stéén. Als gewicht (voor vlas) is de stéén 4 kg.
steenoven, stènoven, steenfabriek. haolt ’s wa stéén aon de stènoven in De Reek, haal eens wat bakstenen bij de steenfabriek in Reek.
steggelen, stèchelen, bekvechten.
steil, stèèl, steil, rechtop.
stellingploeg, stellingploeg, andere naam voor karploeg.
ster, staar, ster. mv. starren.
sterk, stèèrk, sterk. dè’s unnen stèèrken mins, dat is een sterke man.
stevel, stiefel, laars.
stevig, stivvig, stevig. ze vatte mekaar stivvig váást, ze pakken elkaar stevig vast.
stiefelen, stiefelen, lopen.
stiepel, steiperke, randje langs de muur.
stijgbeugels, stiebeugels, stijgbeugels.
stik, stik, 1) zo meteen, aanstonds: ik zal stik kommen; 2) heel: ‘k heb stik wa bònne gepòt, ik heb heel wat bonen gepoot; 3) ontzettend, in uitdrukkingen als stikblijnt, stekeblind, stikdòf, heel erg doof.
stinkolie, stinkòllie, petroleum.
stoel, stoél, stoel. mv. stuul. verkl. stuuleke.
stoffer, stöffer, ragebol.
stofneuzik, stofneùzik, stofdoek.
stofveger, stofvèèrken, handveger.
stok, stok, stok. verkl. stökske.
stok, stèkske, houten spaan.
stoken, steuken, stoken, opruien, onrust stoken. stoken, iets aonstoken en iets opstoken.
stokjesbak, stèkskesbak, zwavelstokkenbakje, gevuld met stèkskes, om de pijp of de lamp mee aan te steken. zie ook zwevelke.
stoksel, stoksel, kachelvoorraad.
stola, stòl, stool, stola.
stolp, stùlp, 1) glazen stolp; 2) eenvoudige woning.
stolpen, stùlpen, met de opening naar beneden plaatsen.
stolperen, stùlperen, struikelen.
stoof, stoef, weiland met boomstronken.
stook, steuk, vrouw die opruit.
stook, stook, brandstof. hèdde nog zat stook?, heb je nog genoeg brandstof voor de kachel?
stookhoek, stekkerhoek, stookhoek, bewaarplaats voor stookmateriaal, hoek bij het vuur om stoksel te bewaren.
stookhok, stookhok, ruimte in de boerderij waar de sopkettel staat.
stoomboot, stomboot, stoomboot.
stoomfiets, stoomfiets, motor.
stoop, stóóp, grote kruik.
stoot, stóót, 1) stoot; 2) poos. verkl. stötje.
stootje, stötje, tijdje.
stootkant, stôtkant, bandje aan de binnenkant van een zoom.
storen, steuren, storen.
storm, stùrm, storm.
stormramp, stùrmramp, stormramp. in 25 waar d’r unne gruwelijken stùrmramp in Zelland en Langenbòm, in 1925 was er een vreselijke stormramp in Zeeland en Langenboom. Tijdens een windhoos op 10 augustus 1925, in Zeeland en Langenboom, werd er heel veel vernield. Een omgewaaide ijzeren lichtmast op het Oventje herinnert daar nog steeds aan.
straal, strool, straal.
straat, stroot, straat. verkl. strötje. In het algemeen wordt met de stroot de hoofdstraat in het dorp bedoeld, of het centrum. Wònde gij aachteraf of in de stroot? Woon je buiten het dorp of in het centrum?
straatlamp, strootlamp, straatlantaarn.
straatsen, strôtse, mensen uit het dorp.
straatweg, strootweg, straatweg.
straks, strak, straks, op een enigszins verwijderd tijdstip in het verleden of in de toekomst. ook strakke.
streek, streek, dwars liggen: wa hèdde toch streek.
streen, streen, streng (garen).
streep, stréép, striép, streep. mv. stréép, striép. verkl. striepke.
strekel, strikkel, 1) plankje om de zeis te wetten; 2) speen van een melkbeest.
streng, streng, touw voor ploeg of eg.
strepen, [veldweg], strepen, veldweg.
streung, streung, aardappelloof. ze zèn de streung aon’t verstooken, ze zijn het aardappelloof aan het verbranden.
striem, striem, streep of strook.
strijden, strijen, 1) strijden; 2) redetwisten. die liggen geduurig te strijen, die zijn steeds aan het bekvechten.
strijker, [stiekemerd; verwijzend naar (snot)ziekte], strijker, stiekemerd. ’n strijkerige hen, een kip die de pip heeft (snotziekte).
strik, strik, stropdas.
strikkenpoffer, strikkepoffer, poffer met strikken.
Striphout, Stippent, Stiphout.
strisselen, strisselen, fluisteren.
stro, stròi, stro.
stro-ezel, stroiezel, bak om stro in te snijden.
strobloem, stròibloem, strobloem.
stromen, streumen, stromen. (strùmt, strùmde, gestròmd).
strompelen, stroemelen, onvast gaan, wankelen.
stronten, stronten, 1) de darmen schoonmaken; 2) bemesten.
stronthommel, stronthommel, kever.
strooien, stroúwen, strooien: d’n hèrd stroúwen, de vloer bestrooien (versieren) met wit zand; de koei stroúwen, stro of ander strooisel onder de koeien gooien.
strooier, stroúwer, strooier.
strooisel, stroisel, stroúwsel, strooisel. stroisel krabben, dennennaalden verzamelen, strooisel voor onder het vee, bestaande uit stro of heide.
stropen, streúpen, 1) stropen, afstropen; 2) onbevoegd jagen of vissen, boomvruchten stelen.
stroppen, stroppen, een soort uierontsteking.
strot, streut, strot.
strozak, stroizak, strozak. gebruikt als matras.
struif, struif, pannenkoek.
stuf, stuf, gum.
stuik, stuik, vier of zes garven bij elkaar.
stuiken, stuiken, met de armen rechtuit stoten; de wès stuiken, het wasgoed polsen, uit de kuip optrekken en daarna weer onder water duwen.
stuikhol, stuukhùlleke, knikkerkuiltje.
stuiten, stuiten, tevredenheid betuigen: ge hèt netjes opgepáást, ik moet stuiten, je hebt jezelf keurig gedragen, ik ben heel tevreden. De mèster stuitte óvver mèn rapport, de onderwijzer was heel tevreden over mijn rapport.
stuiter, steuter, stoter, stuiter.
stuiven, stiéven, 1) (stiéf, stòf, gestòvven) stuiven, stof maken; 2) (stiefde, gestiefd) snel ergens naar toe gaan.
sturen, sturen, 1) zenden; 2) met de stuur spelen, schommelen.
stuur, stuur, schommel.
stuwen, stouwen, stuwen, drijven: de biste stouwen, de koeien opdrijven.
stuwicht, stuwicht, bank van ijzeroer.
subiet, sebiet, nu meteen.
suikerpeen, suikerpeei, suikerbiet.
sukkelaar, sukkeler, sukkelaar.
taai, taei, taai, kwaad.
taak, taok, taak.
taal, taol, taal.
taat, tat, vader.
taats, tèts, vuurbakje voor in de stoof.
tachtig, taggentig, tachtig.
tachtigen, taggentiggen, een kaartspel.
tafel, taofel, tafel.
tafelen, [bevuilen en vernielen van een huis (van een meisje dat de ondertrouw verbreekt)], taofelen, Een gewoonte die vroeger hier en daar nogal in zwang was: als een meisje dat al in ondertrouw was, er nog ‘uitscheidt’, verzamelt zich een groep jongelui bij haar thuis en wordt er getaofeld: men slaat dingen kapot, besmeert het huis met vuil enz.
tafelkleed, taofelklééd, tafellaken.
taille, tàlje, taille. dè dùrske hè ’n smaol tàlje, dat meisje heeft een smalle taille.
taks, taks, takshond.
talen, taolen, verlangen. (taol, taolde, getaold) ergens naar verlangen, hij taolt er nie naor, hij vraagt er niet naar.
talhout, talhout, geschild eikenhout.
talie, taolie, takel.
talmen, tajjeken, talmen.
tam, táám, tam.
tamelijk, taomelijk, tamelijk.
tand, táánd, tand. mv. tèènd en táánd. verkl. tèndje, als een kind talmt met eten zegt men wel eens: dè páást in unnen hoolen táánd, dat past in een holle tand. hij it mè lang táánd, hij eet met tegenzin.
tarten, torten, uitdagen, tarten.
tarwe, terwe, tarwe.
tas, tas, kop, luste’n tas koffie?, heb je graag een kopje koffie?
tas, tes, 1) broekzak; 2) zak met linten vastgemaakt onder de jurk.
tasje, [enveloppe], tèske, envelop.
tasneusdoek, tesneùzik, zakdoek.
tateren, taotelen, druk en onverstaanbaar spreken, zoals kleine kinderen vaak doen.
teder, téér, teder.
teems, tims, zeurkous.
teen, téén, teen.
teer, taar, teer, pek.
teerpot, taarspot, boodschappentas.
tegader, tegaor, samen.
tegen, tigge, tegen, daor moette nie tiggenin gaon, daar moet je niet tegen in gaan, hem moet je niet tegenspreken.
tegenaan, tiggenaon, tegenaan.
tegenwoordig, tiggeworrig, tegenwoordig.
telder, telder, etensbord.
telen, teulen, telen, oogsten. De boere teulen van ’t jaor goed, de boeren hebben dit jaar een goede oogst.
tellen, tellen, 1) waarderen, schòiersvolk waar nie in tel, schooiers werden niet gewaardeerd; 2)erop rekenen, hij teltr op, het rekent er op.
temper, timper, 1) (pannekoek)beslag; 2) de garde om dat te maken.
temperen, timperen, beslag maken.
ten einde, tèènen, aan het einde. ook tèèngen. We zèn tèènen, we zijn aan het einde, het is klaar. ge blijftr tèènen, je moet er vanaf blijven.
tengentoe, tengentòw, stuk van de dikke darm van het varken om worst van te maken.
tering, tirring, tuberculose, tbc of tb.
terug, trug, terug.
teruggelaar, truggeler, sukkelaar, tobber.
teut, teut, marskramer.
teutelen, teutelen, ook teuten, aarzelen, verlegen doen.
tevoren, tevèurre, tevoren.
Thea, Tiet, Thea.
thee, téé, thee.
Theodora, Door, Thedora.
Theodorus, Tiy, Theodorus.
Theresia, Trees, Theresia.
tiek, [knikker], tiek, knikker. mv. tieken. verkl. tiekske.
tieken, tieken, knikkeren, tieken we vèur sles of vèur houwes, knikkeren we voor de lol of voor winst en verlies; voor het spel of voor de knikkers.
tien, tién, tien.
tiende, tiend, het tiende gedeelte van de opbrengst moest als belasting afgedragen worden.
tientje, tientje, tien weesgegroetjes.
tiet, [ei], tiet, ei.
tiet, tiet, kuiken.
tijd, getijd, van plan zijn: hedde’t nog getijd?, ben je het nog van plan? ‘k hai getijd om mèèrge te kòmme, ik was van plan om morgen te komen.
tijden, tijen, tijden.
tijding, tèèng, tijding, bericht.
tijgen, téien, 1) gaan. (téi, tèide, getèit, téé, getejen), tijgen; 2) van plan zijn, ‘k heb getèit mèèrgen nao de mèrt te gaon, ik ben van plan om morgen naar de markt te gaan.
tikeren, tikeren, vlechten, tijgeren, van kleine vlechtjes voorzien.
timmer, timmer, bouw. lichten timmer, licht van zeden.
timmeren, timmeren, bouwen (van een huis).
timmerplaats, timmerplàts, bouwplaats voor een huis.
timp, toemp, hoek, punt van b.v. een stoel.
timp, tump, top, uiteinde. verkl. tumpke. ‘t tumpke van munne vinger duu wéé, het topje van mijn vinger doet pijn. ik leg ’n knup in ’t tumpke van munne tesneùzik, ik leg een knoop in het uiteinde van mijn zakdoek.
tip, tip, driesprong, het grasveldje ertussen, hij wönt op d’n tip, hij woont bij de driesprong. De Markt in Uden heeft een tipvorm.
tissen, tissen, gonzen. ze is net unnen hommel, as ge d’r aon komt tist ze, die is erg gauw geraakt.
titsen, titsen, met platte steentjes over het water keilen. zie ook schuifelen.
tjan, tjan, tamme kauw.
tochtig, tuchtig, tochtig (van koeien).
tod, tót, ook taót, mv. tódden, vod, lap, lor. verkl. tödje.
toddenkramer, toddekrèmmer, voddenboer.
toe, tów, toe, dicht.
toebaat, tówbaot, toebaat, de kleren, die een knecht of meid boven het loon verdient.
toegeven, tówgeven, toegeven, inbuigen: ’t glas gift nie tów, het glas buigt niet, het breekt als men er tegenaan stoot.
toeleggen, [toegeven, concentreren ], tówleggen, 1) op iets toegeven; 2) zich op iets toeleggen, concentreren.
toelietap, toelietap, knoeierd.
toen, tów, toen.
toetimmertje, toetimmerke, winterkoninkje. zie ook winterkùnningske.
tokken, tukken, even ophouden, aarzelen.
tol, dol, tol. Er zijn ijs- of pin- en drijfdollen. De eerste twee hebben een ijzeren pin, de laatste wordt met een zweep gedreven.
tol, tol, tolgeld. as ge d’r deur wilt bij d’n tol in Velp, dan zulde uurst moeten betaolen, als je bij het tolhuis in Velp verder wilt rijden, dan zul je eerst moeten betalen.
ton, ton, taon, ton, vat. verkl. tùnneke, 100 liter.
tondel, tintel, tondel.
tondelpot, tontelpot, vuurmaker, tondeldoos.
tonen, teunen, tonen.
toon, teun, tóón, toon, klank.
toon, [bladzijde], teun, bladzijde (van een schrijfblok of –boek).
toop, toop, 1) houten stop van de melker; 2) sullig manspersoon.
toortel, toorteltje, klos van een spinnewiel.
toot, toot, dennenappel. mv. tooten.
top, [wilde meid], top, wilde meid.
toppen, [de top eraf halen], töppen, de top er af halen.
toppentaal, toppentaol, helemaal, van het hoofd tot de voeten: toppentaol onder wàtter vallen, kopje onder gaan.
toren, tòrre, toren.
toren, toren, land dat spits toeloopt.
tornen, torzen, tornen.
torsen, toorzen, trillen
touwen, touwen, druk doen op een manier, die anderen verveelt.
traag, troog, ook traog, traag.
traan, traon, troon, traan. mv. traonen. verkl. tròntje.
traktement, traktement, zakgeld.
tralie, trallie, traolie, ketrallie, tralie.
tram, trem, Tramlijn ’s-Hertogenbosch-Helmond-Veghel-Oss, die van 1885 tot 1939 door Uden kwam en die zes keer per dag op en neer ging tussen Veghel en Oss. Met de opkomst van de ‘Auto-Omnibusdienst’ verdween dit vervoermiddel uit het straatbeeld.
trammelant, trammelant, ruzie, drukte.
transport, transport, fiets met bagagedrager aan de voorzijde, waar twee melkbussen op passen.
trapper, trapper, pedaal.
trats, trats, punaise.
trede, treej, 1) traptrede; 2) stap.
treden, trejen, lopen.
treeft, treefje, roostertje als onderzetter voor hete pannen.
trekharmonica, trekmònnika, ook trekzak, accordeon.
trens, trens, bit in de bek van een rijpaard.
trent, trent, gebied met schrale grond.
triestig, [ongeduldig], tristig, ongeduldig.
trijzelen, trijzelen, ronddraaien: hij krig ’n fleer um z’n òrre, dèt ie trijzelde, hij kreeg een klap tegen zijn oren, dat hij ronddraaide.
troep, trop, troep.
troffel, truifel, troffel.
trog, trog, voerbak voor varkens; er werd ook wel deeg in gekneed voor brood of mik.
trommel, trommel, kacheldeksel.
troon, tróón, drinkkan.
troontje, trôntje, beeldenstaanplaats, bloemtafeltje, console.
troost, tròst, troost. zij zuukt tròst in de kerk, zij zoekt troost door te gaan bidden in de kerk.
troosten, treusten, tròsten, troosten.
trouwvaardig, trouwvèrrig, klaar om te trouwen.
trui, troekie, koosnaam voor een konijn.
trullen, drùllen, rollen. hij drùlt van d’n Bloten kont af, hij rolt van de Blote kont af. (een van de Bedafse Bergen).
tuffen, tuffen, spuwen.
tuft, tuft, biezenpollen.
tuieren, tuieren, de koe of geit aan een touw vastbinden.
tuierhamer, tuierhammer, grote houten hamer.
tuiken, tuiken, tuiken trekken: loten met gras- of strosprieten van verschillende lengte.
tuisen, toesen, ruilen van vee.
tuit, tuut, 1) (papieren) puntzak; 2) autoclaxon.
tuit, tuit, melkkan.
tuk, tuk, aard. hij is nog van d’n aauwen tuk, hij is nog van de oude stempel.
tullefrut, tullefrut, treuzelaar.
tulp, tölp, tulp.
turf, tùrf, turf.
turfhoek, tùrfhoek, bewaarplaats voor turf bij de schouw.
turksleren boks, turkslérreboks, bombazijnen broek, gemaakt van sterk katoen.
tus, tus, in de war.
tus, tus, handvol.
tut, tut, 1) fopspeen; 2) saaie vrouw.
tutten, tutten, duimen.
twaalf, twaelf, twaalf.
twee, twéé, twèd, twee, mi twèd, met z’n tweeën.
tweede, [rangtelwoord], twèdde, twidde, tweede.
tweedehands, [niet nieuw], twèddehands, tweedehands.
tweeling, twilling, tweeling.
tweern, twer, twijn(tweedraads)garen.
tweernen, twèrren, twijnen.
twintig, twèntig, twintig.
u, ouw, u of uw.
Uden, Uje, Uden. Gòdde mee naor Uje mèrt?, ga je mee naar de markt in Uden?
Udense zwarte, Ujese zwarte, Udense zwarte, een zoete kers.
uieren, uieren, 1) meer of minder worden. ’t uiert af, ’t uiert aon, het wordt minder, het wordt meer; 2) treuzelen. wa ligde toch te uieren, wat ben je toch aan het treuzelen.
uierzalf, uierzáálf, zalf, speciaal tegen uierontstekingen, maar in de praktijk een veelgebruikt wondermiddel.
uit, out, uit (Uden).
uitbeelden, uitbilden, uitbeelden.
uitdoen, uitdoen, eruit halen, rooien. ze zèn de èlper aon’t uitdoen, ze zijn de aardappels aan het rooien.
uiteen, [uit elkaar], uiterèn, uit elkaar.
uiterdijk, uiterdijk, uiterwaard.
uitgooien, uitgòien, slijm opgeven.
uithoren, uithörken, uithoren.
uitmaak, uitmaak, uitvlucht.
uitnaaien, uitnaejen, d’r uitnaejen, zich uit de voeten maken.
uitportretten, uitporteleveren, fotograferen. ook uitprenten.
uitprenten, uitprenten, fotograferen.
uitschieten, uitschiéten, schoonmaken. hij is de vèèrkeskoi aon’t uitschiéten, hij is het varkenshok aan het schoonmaken.
uitslag, uitslag, huidziekte.
uitsliepen, uitsliepen, uitlachen.
uitsluitsel, uitsleutel, oplossing, verklaring (b.v. van een raadsel).
uitstukken, uitstukken, verstellen.
uittrekken, uittrekken, uitkleden. z’n eigen uittrekken, zichzelf uitkleden.
uitzet, [huishoudvoorwerpen, voor een toekomstig (eigen) huishouden], uitzet, linnengoed en huishoudvoorwerpen. ze hè al veul vèur d’ren uitzet, ze heeft al veel artikelen voor haar toekomstig huishouden.
ulling, ulling, bunzing.
ulper, ölper, afval van vlas.
uw, ouw, u of uw.
vaag, vaog, vaag.
vaal, vaol, vaal, vuil.
vaan, vaon, vaan; vliegende vaon, wapperende vaandel.
vaandel, vèndel, vaandel.
vaandrig, vèndrik, vaandrig.
vaardig, vèrrig, ook vèrdig, klaar.
vaars, veers, vaars.
vaas, vaos, vaas.
vadem, vaojem, vadem, 6 voet (± 1.80 m).
vademen, vaojemen, wijdbeens lopen.
vader, vàdder, vaoder, vàd, faai, at, vader. hulliejen vàd hèn neij pèt, hun vader heeft een nieuwe pet. waor is onze vàdder?
vaderons, vadderons, onze vader. ook vadderonzer.
vaderskant, vadderkants, rechts.
val, val, 1) val, muizenval; 2) zolderluik.
van, van, hoe schrijft hij mi zunne van?, hoe is zijn familienaam?
van de handsekant, vandehandsekant, rechterkant van een paard.
vanavond, vnaovend, vanavond.
vandaan, [van weg], vandaon, vandaan, waor komde vandaon?, waar kom je vandaan?
vandaar, vandoor, vandaar.
vandoor, vandeur, vandoor.
vaneen, vanèn, vaneen. hòlt die twéé heund ’s vanèn, haal die twee honden eens uit elkaar.
vaneigen, vaneiges, vanzelf. dè gè nie vaneiges, dat gaat niet vanzelf. zie ook vanzelvers.
vang, vang, rem van een molen.
vanmorgen, vanmèèrgen, vanmorgen.
vannacht, vannaacht, vannacht.
vanzelf, [zonder ingrijpen], vanzelvers, vanzelf.
var, var, stier.
varen, vaoren, 1) varen; 2) stapvoets met een kar of wagen rijden.
varen, [tegenvallen, afvallen], voren, tegenvallen, afvallen, vreemd vallen.
varken, vèèrken, varken. mv. vèèrkes.
varkenskooi, vèèrkeskoi, varkenshok.
varkensmachine, vèèrkesmesjien, apparaat om gekookt varkensvoer fijn te malen.
varkensstamper, vèèrkesstamper, stamper om varkensvoer kort te maken.
varrig, varrig, tochtig, van koeien.
vast, váást, vast.
vasten, váásten, vasten.
Vastenavond, váástenaovend, vastelaovend, vastenavond, carnaval.
vat, vat, 17 pond. ‘n vat rog, genoeg om 6 are in te zaaien. In 1533 besloot Johan III van Kleef, Heer van Ravenstein, dat het land van Herpen voortaan moest meten met de ‘Graafsche maat’: 1 vat is 12 liter, en in Uden, Zeeland en Boekel moest men de ‘Bossche maat’ gebruiken: 1 vat is 10 liter.
vatbaar, [gevoelig], vatbàr, vatbaar, gevoelig.
vatsel, vatsel, 1) ongeveer 7 are; 2) een vat van ongeveer 26 liter.
vatten, vaoten, vatten, (vattum) vangen.biyen vaoten, een bijenzwerm vangen, pakken. we gaon d’r ènne vatten, we gaan een borrel of biertje drinken. vattum, pak hem.
vatter, vatters, handen. unnen vatterse vent, iemand die z’n handen niet kan thuishouden.
vazzel, vazzel, vagina.
vecht, vócht, vechtpartij: daor is vócht, daar wordt gevochten.
vechten, vèèchten, vechten. (vèècht, vócht, gevóchten).
vee, véé, vee.
veek, [hort voor kippen], veeke, hort voor de kippen.
veel, veul, veel of heel: hij is veul ziek, hij is heel ernstig ziek. nie veul, niet veel.
veen, ven, veen, een soort zandgrond.
veer, veer, 1) (vogel)veer. mv. virre; 2) ’t Nisserois veer. In Nistelrode overstroomde een beek regelmatig de doorgaande weg naar Heesch. Uit balorigheid riep men (vooral buitendorpers) dan wel eens om een veerpont.
veerman, virman, veerman. kende gij unne virman in Nisseroi?
veertien, virtien, veertien.
veertig, virtig, veertig.
veertigdagentijd, virtigdagentijd, vastentijd, van Aswoensdag tot Pasen.
vegen, vegen, hoe krijgde’t geveegd?, hoe krijg je dat voor elkaar?
veger, veger, jonge kerel.
veiling, veiling, fijl, veiling, plaats waar jarenlang in Zeeland groenten en in Uden vooral kersen werden verhandeld.
veld, veld, 1) gebied dat afwatert op lagere gebieden; 2) in cultuur gebrachte grond. te vèld gaon, erop uit gaan.
velen, velen, verdragen, dulden. gij kunt ok nie veul velen, jij verdraagt ook niet veel.
velg, velling, velg van een wiel.
velours, vloers, velours, fluweel.
venijnig, vernijndig, nijdig.
venster, venster, luik. makt de vensters mar ’s efkes dicht, sluit de vensters maar eens.
ver, véére, va véére, van verre.
verandering, [ongesteldheid], verandering, ongesteldheid.
verbalemonden, verbellemonden, verwaarlozen.
verbeelding, [fantasie], verbilding, fantasie, ge hèt veul verbilding, je hebt veel fantasie.
verbeuren, verbeuren, verspelen. zie ook verspeulen.
verbieden, verbiejen, verbieden.
verboden, verbòjen, verboden.
verdikkeme, verdikkese, verdraaide.
verdolen, verdolen, verdwalen. ge kunt in de Péél hèndig verdolen, je kunt in de Peel gemakkelijk verdwalen.
verdraaien, [anders draaien], verdreijen, verdraaien.
verdrogen, verdreugen, verdrogen. ’t moet noddig wir ’s regenen, alles stè te verdreugen, het moet nodig regenen, want alles verdroogt.
verduld, verduld, verdraaid.
verduld, verdulds, ontzettend. ge hèt verdulds geluk, je hebt ontzettend veel geluk.
verdulleme, verdulleme, verdorie. ook verdullemis.
verf, verw, verf.
verfrommelen, verfroemelen, verfrommelen.
vergeme, vergimmes, verdimmes, verschrikkelijk. ‘t gè verdimmes te kéér, het gaat verschrikkelijk te keer (het onweer).
verhogen, [hoger maken], verheugen, verhogen.
verjaardag, [dag dat men één jaar ouder is], verjoordag, verjaardag. de verjoordag worde vruuger nie zò gevierd, aan de verjaardag werd vroeger niet veel aandacht geschonken.
verjaren, [jarig zijn, niet meer van kracht zijn], verjoren, verjaren.
verkindst, verkeindst, dement. diejen mins is aolling verkeindst, die man is helemaal dement.
verlegenheid, verlegendigheid, velegenheid.
verliezen, verliézen, verliezen. (verlies, verlòr, verlòrren).
vermeutelen, vermeutelen, vergaan door houtworm.
verneuken, verneuken, ook verdónderen, bedriegen.
verordonneren, verordeneren, bevelen, gebieden.
verpieren, [wormstekig (aangetast door ongedierte) zijn], verpieren, wormstekig worden. die appel zijn aolling verpierd, die appels zijn helemaal wormstekig.
verraad, verrood, verraad.
verraden, verrojen, verraden.
verrekken, verrèkken, ge kunt verrèkken, verwensing.
verrekt, verrèkkes, heel erg. ’t duu verrèkkes wéé, het doet heel erg pijn.
verrekt, verrèkt, vervloekt.
verrel, vierel, een vierde deel, een kwart. een vierel joor, een kwartaal.
verrot kwaad, verrotskooi, heel kwaad.
vers, vors, vers. Vorse romme, pas gemolken. ’n vorse ków, een koe die pas gekalfd heeft.
verscharen, verschoren, het vee in een andere wei brengen.
verscheidene, verscheijere, veel.
verschieten, verschiéten, 1) verschrikken, (verschoot, verschoten); 2) verkleuren, van stof.
verslaan, verslòn, verslaan.
verslapen, [te lang slapen], verslopen, verslapen.
versleteren, verslètteren, verwelken. De bluumkes zijn glijk verslètterd, de bloemen zijn allemaal verwelkt.
verslijten, verslijten, mager worden. hij is nogal versleten, hij is erg mager geworden.
verspelen, verspeulen, verspelen, kwijtraken. hij hè veul verspeuld, tijdens zijn ziekte is hij erg zwak geworden.
verstaan, verstòn, verstaan, begrijpen.
vertellen, vertellen, misrekenen. hij hè z’n eigen grof verteld, hij heeft erg misgerekend.
vervatten, vervatten, opnieuw doen.
verver, verwer, schilder.
verzoeken, [uitnodigen, vragen], verzuuken, uitnodigen. we verzuuke de heel buurt, we nodigen de hele buurt uit.
verzorgen, verzörgen, verzorgen.
vest, [ijzeren lepel], vest, ijzeren lepel.
vetmesten, vètmèèsten, vetmesten.
vetpot, [potje met vet of boter], vetpot, aardewerken potje, gevuld met boter of vet.
veulen, vèulen, veulen. ook völlen,.
veulendries, vaolendries, veulenweide.
veunen, veunen, aankomen. (geveund), dikker worden.
vigilie, vigilie, vooravond van een kerkelijk feest.
vijf, vèf, vijf.
vijfde, [rangtelwoord], vèfde, vijfde.
vim, vim, 1) honderd garven; 2) schuurpoeder.
vinden, veinen, vijnen, vingen, (veinde, vonde) vinden. Veinde, vind je. Vonde, vond je.
vink, fink, vink.
vitselstek, vitselstek, vlechtwerk, opgevuld met leem. ook fitselstek.
vizierhaal, vizierhool, raampje om vanuit d’n hèrd in de stal te kunnen kijken.
vlag, vlag, plag, afgehakte of afgestoken graszode.
vlaghak, vlaghak, soort schop, om plaggen uit het weiland of hei te hakken. zie ook vlieger.
vlas, vlessen, linnen, van (zelfgesponnen) vlas.
vleermuis, flirmuis, vleermuis.
vlees, vlès, vlees. de slachter snijdt ’n stuk vlès vant vèèrken af, de slager snijdt een stuk vlees van het varken af.
vlegel, vlegel, 1) dorsknuppel; 2) ondeugende jongen.
vlegelen, vlegelen, dorsen met de dorsvlegel.
vlieg, vliég, vlieg. jaagt die smèrrige vlieg ’s uweg, jaag die vieze vlieg eens weg.
vliegen, vliegen, vliegen. (vlieg, vlòg, gevlòggen).
vlieger, vlieger, schop, om heiplaggen mee te steken.
vlier, flier, vlierstruik.
vlieren, flieren, 1) van vlier. flierefluiter: vrolijke nietsdoener; 2) ondegelijk, halfbakken: unnen flieren metseler, een metselaar, die zijn ambacht niet goed verstaat.
vlo, vlòi, vlo. mv. vlòien.
vloed, vloet, overstroombaar gebied.
vloeitje, vloeike, vloeitje.
vloer, floer, vloer.
vloere mik, floere mik, raar iemand.
vlooiensteken, vlòienstoken, oud gebruik op Bedaf; op de eerste zondag van de vastentijd wordt daar het stro of de kaf uit de bedden verbrand.
vloot, vloot, deegbak.
vlos, [(stilstaande) plas in bos], vlos, stilstaande plas in bos of hei. ook vlaas.
vlucht, vlòcht, vlucht (vogels).
vocht, vócht, vochtig, vocht.
voeden, vuujen, 1) voeden; 2) verwekken, veroorzaken (b.v. ongedierte).
voedergoot, voeiergeut, goot waaruit het vee eet.
voedergrep, voeiergroep, voergoot voor de koeien.
Voederheil, Voeierheil, buurtschap Voederheil.
voederwikke, voeierwikke, voedergewas.
voegen, vuugen, voegen, passen. dè vuugt nie, dat past niet.
voelen, vuulen, voelen.
voer, voeier, voer.
voeren, voeieren, voeren.
voering, vorring, vervoer.
voering, voeier, voering in kleding
voet, voét, 1) voet. mv. vúút verkl. vuutje; 2) ongeveer 30 cm.
voetgetouw, voetgetouw, schoeisel
voetsen, vuutsen, te voet gaan, lopen.
vogel, vogel, vogel, verkl. vögelke. er vliegt gèn vögelke deur de locht of hij hitern virke van, hij is een weetal.
voldoen, [bevallen], voldoén, voldoen. (volduu, voldòn, voldòn). hij volduu goéd, hij bevalt goed.
volk, volk, Met ons volk bedoelt men zijn huisgenoten of, wanneer men buiten het ouderlijk huis woont, zijn daar nog wonende ouders, broers en zusters.
volk, volluk, uitroep bij het binnenkomen van een huis, waar men niemand ziet.
volle, [geheel en al], volle, te volle, helemaal afmaken.
voltooien, voltòien, voltooien. (voltòi, voltòit, voltòide, voltòid).
vonder, vonder, vlonder.
vonder, vunder, brugje, gemaakt van palen.
voor, vèur, voor.
vooraan, vèuraon, vooraan. hij stè alt vèuraon, hij staat altijd vooraan.
vooraf, vèuraf, vooraf. ge moet door vèuraf betaolen, je moet daar van te voren betalen.
vooral, vèural, vooral.
voorbij, verbij, voorbij.
voordorsen, vèurdorsen, dorsen meteen na de oogst; dit was soms nodig voor eigen gebruik; meestal dorste men pas in de winter, de rustige tijd.
voordurske, vèurdùrske, dochter uit een vorig huwelijk.
voorhuis, vèurhuis, voorhuis.
voorjongen, vèurjongen, zoon uit een vorig huwelijk.
voorkind, vèurkeind, kind uit een vorig huwelijk, voorechtelijk kind.
voorop, [vooraan, verder], vèurop, voorop. hij stè duk vèurop, hij staat vaak vooraan.
voorouders, vèurouwers, voorouders.
Voorpeel, Vèurpéél, voorste gedeelte van de Ujese Péél, tussen de Graspèl en de natte Péél.
voorraad, vèurrood, voorraad.
voorslip, vèurslip, halve schort.
voorstal, vèurstal, vurstal, gedeelte voor de zeul, waarachter de koeien staan, gang voor de koeien door.
voort, voort, doorwaadbare plaats in een rivier of beek.
voortaan, [van nu af aan], vòrt, voortaan, ik doe dè wel vòrt, ik doe dat voortaan wel.
voortdoen, vòrtdoen, voortmaken, doe ’s vòrt, schiet eens op;
voortijd, vèurtijd, voorjaar.
voortijdig, vèurtijig, voortijdig.
voortuin, [tuin voor het huis], vuurtuin, ijzeren hekwerk, wat om de haard of kachel werd geplaatst, zodat kleine kinderen zich daaraan niet konden branden.
voortvatten, vòrtvatten, een nieuw kledingstuk pakken als het andere versleten is.
voortvertellen, vòrtvertellen, doorvertellen.
voortzetten, vòrtzetten, vooruitzetten. zet de klok ’s wa vòrt, zet de klok eens iets vooruit.
vooruit, vòrt, vooruit.
voorzichtig, vurzichtig, voorzichtig.
voorzorg, vèurzùrg, voorzorg.
voosweer, fosweer, benauwd vochtig weer.
vore, voor, vore, groef. d’n boer bouwt ’n rèèchte voor, de boer ploegt een rechte vore.
voren, vèurre, (van) voren.
vorig, vörrige, vorige. dè hebbe we de vörrige week afgeprôt, dat hebben we vorige week afgesproken.
vork, [voorste en achterste stuk van het land], vùrk, voorste en achterste stuk van het land.
vork, vörk, mestriek.
vorket, verkèt, vork.
vorm, vörm, vorm.
vormen, vùrmen, vormen.
vorst, vèurst, voorst.
vouwen, vaauwen, vouwen.
vragen, vrogen, vragen. (vroog, vroeg, gevroogt). vroog ’s offie mee duu, vraag eens of hij mee doet.
vreemd, vrèmd, vrimd, vreemd. unnen vrèmde, iemand uit een ander dorp.
vreeuwen, vreúwen, ontzien. mi zo eenen is’t alteit gevorlijk te vèèchten, hij vreúwt niks, hij zou steken en snijen zo ’t ie kós. het is gevaarlijk om met zo iemand te vechten, hij ontziet niemand en zou zonder pardon steken en snijden.
vreigelaar, vraelerd, vervelend persoon.
vreigelen, vraelen, wringen, ruzie zoeken.
vreuken, vreúken, een werktuig, dat ergens in- of ondergestoken is, met zo’n geweld omdraaien, duwen of trekken, dat het dreigt te breken.
vrijer, [aanbidder], vrijer, vriend, verloofde.
vrijhof, vrijhof, huis waar de dochter of de meid alleen thuis is. Het was gebruikelijk, in zulk geval de bezem bij wijze van vlag uit te steken, ten teken dat het (de) hof vrij was; ‘k heb vrijhof, ik mag d’n bèssum wel uitsteken.
vroeg, vruug, vroeg. vruug in de wei is vruug vet, als je vroeg met je werk begint, ben je op tijd klaar.
vroegachtig, vruugèèchtig, vroeg.
vroeger, vruuger, eerder, vroeger.
vrouw, vrouw, vrouw. verkl. vrouwke.
vrouwlui, vrollie, meisjes.
vrouwmeid, vrouwmeid, huishoudster.
vrouwmens, [(ongehuwd) vrouwspersoon], vrommis, ongehuwd vrouwspersoon. mv. vrollie.
vuig, vuig, gemeen.
vuilak, vùillak, smeerlap.
vurt, vùrt, vùrkt, weerseinden van het land, dat het laatst wordt geploegd, de oever.
vuur, vuur, vuur. ge meut nie mi vuur speulen, je mag niet met vuur spelen.
vuurslag, vuurslag, staal om vonken uit een vuursteen te slaan.
waag, woog, waag.
waaghals, wooghals, waaghals.
waaien, waejen, waaien. (waeit, waeide, gewaeid).
waaks, wòks, waaks. dè’s unnen wòksen hond, dat is een goede waakhond.
Waal, Wool, Waal.
waar, waor, (koop)waar.
waar, woor, waar, echt. ’t is echt woor, het is echt waar.
waar, [nietwaar, hè (tussenwerpsel)], wòr, nietwaar, waar. ’t is goei wee wor?, het is mooi weer nietwaar?
waar, wòr, waar, op welke plaats. wor hedde m’n kniep geloten?, waar heb je mijn zakmes neergelegd?
waaraan, wòraon, waaraan.
waaraf, wòraf, waaraf.
waard, wèrd, de waard van een herberg
waarde, weerde, wèrd, waarde. wa’s de weerde van diejen plak grond? wat is de waarde van dat stuk land? waarde van iets. hoeveul is dè pèrd wèrd, wat is de waarde van dat paard?
waarderen, wardeeren, waarderen.
waarheen, wòrhèn, waarheen.
waarheid, wòrheid, waort, waarheid. ge moet alt de wòrheid spreken, je moet altijd de waarheid zeggen.
waarin, wòrin, waarin. wòrin hèdde mènne tèsneùzik gedouwd?, waar heb je mijn zakdoek in gestopt?
waarmee, wòrmi, waarmee. wòrmi hèdde gij da gedaon?, waarmee heb je dat gedaan?
waarna, wòrnò, waarna.
waarnemen, waornemen, verzorgen.
waarom, wùrrum, waarom. wùrrum? dùrrum!, waarom? daarom!
waarop, wòrop, waarop.
waarschuwen, wòrschouwen, waarschuwen. ik heb oe zat gewòrschouwd, ik heb je genoeg gewaarschuwd.
waartoe, wòrtòw, waartoe. wòrtòw diént dè?, waar is dat voor nodig?
waarvoor, wòrvèur, waarvoor. wòrvèur is dè ding?, waar is dat ding voor?
wablief, wablief, wat zegt u.
wacht, wáácht, wacht. wáácht ’s èkkes, wacht eens eventjes.
wachten, wááchten, wachten.
waden, waojen, waden. (waoide, gewaoijen).
wafel, waofel, wafel.
wagen, waogen, wagen, auto.
wagen, wogen, wagen. (woog, woogde, gewoogd). woog ’t is as ge dùrft!, waag het eens als je durft!
waken, waoken, waken.
wal, wal, windkering en afscheiding van weiland of akker.
waldhoren, waldhòren, Een dikke wilgentak ontdoet men spiraalsgewijs van zijn bast, rolt deze op in de vorm van een trechter, steekt in de opening aan het dunne einde een nuun en de waldhòren is klaar.
walm, wáálm, walm, rook.
walmen, [roken], wáálmen, walmen, roken.
walroos, walroos, heg van rozenstruiken.
wamen, wèèrmen, warmen.
wan, wan, mand om te wannen: het kaf van het koren scheiden.
wand, wáánd, wand, muur. d’r hengt ’n kruisbèld aon de wáánd, daar hangt een kruisbeeld aan de muur.
wanen, waonen, wanen, ge waont oe eigen in d’n himmel, je waant jezelf in de hemel.
wang, wang, wang. verkl. wèngske.
wanmolen, wanmeulen, machine om te wannen. Veel apparaten in deze streken kwamen van wanmolenfabriek ‘De Roem’ uit Boekel.
wanneer, wànnéér, wanneer.
wannen, wannen, gedorst graan zuiveren, het kaf van het koren scheiden.
wapen, wopie, wapen.
warm, wèèrm, warm.
warmte, wèrmt, warmte.
warren, worren, in elkaar verward raken.
was, wès, was. de wès hengt aon d’n draod, de was hangt aan de lijn.
wasem, waosem, wasem, damp.
wasemen, [dampen], waosemen, wasemen.
wasezel, wasezel, schraag om de was op te hangen.
washand, washèndje, washandje.
wasknijper, wasknipke, wasknijper. zie ook knipke of pinneke.
wassen, wáássen, 1) wassen, van kleren b.v.; 2) groeien. ’t wáást goéd, het (koren) groeit goed.
wastafel, wastaofel, wastafel.
wat, , wat. wà zinde?, wat zei je?
wat, wat, wat. verkl. wètje. hij douwt ’n wètje in z’n órre, hij stopt een watje in zijn oren.
wat niet, wànne, ook wànie, waonie of wonne, niet waar?
water, waoter, wàtter, 1) (waoter) water, meestal in grote hoeveelheden: ik goi nie ovver ’t waoter, ik vaar niet over de zee, 2) (wàtter) water, in kleinere hoeveelheden. unnen emmer wàtter, een emmer water. Ik geefr gèn háánd wàtter um, ik geef er niets om, ’t hètr gèn háánd wàtter bij, het heeft er niets bij, het kan er niet aan tippen.
waterblaas, wàtterblaos, waterblaas. kom ’s gaauw, de wàtterbloos is er al, kom eens gauw, de koe staat op kalven.
wateren, witteren, 1) (het vee) te drinken geven; 2) hout in water leggen om hard te worden.
waterkant, [kant van het water], wàtterkant, waterkant.
waterkont, wàtterkont, waterkont. die hen hè’n wàtterkont, die kip heeft een dik achterwerk.
wateropper, wàtteropper, klein hoopje hooi.
waterpot, wàtterpot, po.
wats, wats, klap. moet ’n wats hebbe?, moet ik je een klap geven?
wazig, [onscherp], waozig, wazig.
weduwe, weùw, weduwe.
weduwnaar, weùwer, weduwnaar.
wee, wéé, wiéje, pijn. ’t duu wéé, het doet zeer. waor duuget wiéje?, waar doet het pijn?
week, vandeweek, deze week. we gaon vandeweek de elper uitdoen, we gaan deze week de aardappelen rooien.
weem, weem, land dat aan de kerk behoort. ook wim.
weer, weer, 1) ram. mv. weren, mannetjesschaap; 2) verwering. ’t weer zit in ’t hout, het hout is verweerd.
weer, wèr, wir, weer, nogmaals.
weer eens, wèrrus, wirrus, weer eens. tott wirrus is, tot de volgende keer.
weerbaar, [in staat zich te weren], wirbaor, weerbaar.
weerbarstel, wirbaórstel, tegendraaing in het haar.
weerlicht, wèrlicht, wirlicht, bliksemstraal.
weerlichten, wèrlichten, wirlichten, bliksemen. ’t wirlicht, het bliksemt.
weerom, weerum, wirrum, weer terug. wànnéér komde weerum?, wanneer kom je weer terug?
weerskanten, [aan beide kanten], wirskáánte, weerskanten.
weerslag, wirslag, weerslag.
weg, weg, weg. mv. weeg. verkl. wègske. hij is door geweegd, hij heeft daar het recht van overpad.
wegescheet, wegescheet, puistje bij het oog.
wegge, wèg, witbrood. mv. wèggen, eigen gebakken witbrood. unne wèg bòtter, een kluit boter.
weggooien, wèggòien, weggooien.
weide, wéi, 1) weiland; 2) melk zonder kaasstof. zie ook fiets.
weiden, wéien, weiden.
weinig, wennig, weinig.
weken, wéiken, weken. de wès stè in de wéik, de was wordt ingeweekt.
wel, wel, 1) rolblok, om het ingezaaide gras aan te drukken; 2) bron.
wellen, wellen, een ingezaaid grasveld aanrollen.
welterusten, truste, welterusten.
wemelen, wiemelen, wemelen, krioelen. ’t wiemeltr van ’t òngedièrt, het krioelt er van het ongedierte.
wenden, wéingen, ook wéngen, wenden, schudden, keren. hoi wèingen, hooi schudden.
wensen, [verwensen], wunsen, verwensen, vervloeken.
wereld, wirruld, wereld.
weren, weren, zich verweren.
werf, werf, plaats waar de zicht aan het hout vast zat.
werk, wèèrk, werk. hij gùt naor ’t wèèrk, hij gaat naar het werk.
werkdag, werkendag, dag waarop gewekt wordt, doordeweekse dag. da doede ’s werkendags, mar s’ zondags nie, dat doe je door de week, maar niet op zondag.
wervel, welver, wörvel, wölver, wervel, sluithout aan een deur.
wervel, wulver, schakel van een ketting.
wervelwind, wörvelweind, wervelwind.
wesp, weps, wesp. slòt die weps kapot!, sla die wesp dood!
weten, wééten, weten, (wit, witte, wis, wiessen, gewééten). witte wa’k wou?, weet je wat ik wilde? witte gij’t?, weet jij het?
wetering, wittering, wetering.
wethouder, wethouwer, wethouder.
wetplank, wetplank, harde plank om een mes of zeis te scherpen. zie ook wètstrikkel.
wetsteen, wetstéén, slijpsteen.
wetstrikkel, wetstrikkel, scherper voor zeis of zicht.
wetten, wetten, scherp maken, slijpen.
Wevers, Wevers , inwoners van Nistelrode
wezen, wezen, 1) gelaat, gelaatstrekken; 2) laotm in z’n wezen, laat hem met rust, maak hem niet kwaad.
wichelroede, [gaffelvormige stok], wichelroei, wichelroede.
wie, wiy, wie.
wieden, wijen, wieden van onkruid.
wieg, wiég, wieg. zie ook zuus.
wiel, wiel, 1) spinnewiel; 2) kolk of kuil.
Wies, Wies, 1) Louise; 2) tot. wies mèèrgen, tot morgen.
wijd, wijd, ver. hij gè wijd uweg, hij gaat ver weg.
wijder, wijer, verder. gò’s wijer, ga eens verder, ga eens door.
wijdergaan, wijergoon, doorgaan, verder gaan.
wijdheen, wijdhèn, veruit. hij is wijdhèn d’n bèèste, hij is veruit de beste.
wijf, wijf, vrouw, meestal in ongunstige betekenis. mv. wijver.
wijk, waeck, wijk. Vroeger was Uden in vier wijken verdeeld: Biesen, Leegbroek, Hoogbroek en de Grote Waeck. Deze laatste werd verdeeld in Hoeven en Zandbergen; vandaar de naam Bitswijk
wijl, wijl, tijd. verkl. wijleke of wijlke.
wijlieden, wellie, wij.
wijn, wing, 1) wijn; 2) krik.
wijnmaand, wijnmònd, oktober.
wijst, wijst, vochtige, hooggelegen grond.
wijwater, [gewijd water], wijwàtter, wijwater.
wijwaterbak, wijwàtterbèkske, wijwaterbakje, dat in ieder huis aanwezig was.
wiksen, wieksen, (schoenen) poetsen. Gewiekst, glad, vlug, bij de hand; unne gewiekste kèl, een gladde vent.
wil, [hulp], wil, hulp. daor hettie al veul wil af, daar krijgt hij al veel hulp van.
wilg, wulg, wilg. we hebben diejen wulg umgedaon, we hebben die wilgenboom omgehakt.
Wilhelmina, Mijntje, Mina, Wilhelmina.
willen, wilde, (wilde) wil je. wild’èvvel, wil je wel. (woude) wilde je. woud’iets vroogen?, wilde je iets vragen?
willen, wôkôk, dat wou ik ook.
wind, weind, wingt, wind. de weind stè verkéérd, de wind komt uit de verkeerde richting.
windei, weindéi, windei, een ei zonder schaal.
windjack, windjèk, stevige jack.
wingerd, wijgert, vijger, wingerd, wijnstok.
winterdingen, winterdinge, winterkleren. haolt de winterdinge mar ’s uit de káást, want ’t is Allerhèlligen, vanaf Allerheiligen, 1 november, tot aan Pasen, droeg men winterkleren.
winterkoning, [soort vogel], winterkùnningske, winterkoninkje.
wintermaand, wintermònd, december
wis, wis, 1) takje, twijg. Unnen bàànd en unnen wis, die haolde daortie is, boerengeriefhout kun je overal kappen; 2) bundeltje stro; 3) touw waarmee de koeien op stal vastgebonden staan.
wisboom, wisbòm, lang hout om over het hooi op de kar te leggen, zodat het er niet af valt.
woelen, wuulen, woelen.
woelie, woelie, overdrukke vrouw.
woest, wuust, woest. dòr lùpt unne wuusten stier, daar loop een wilde stier.
wolf, wólf, 1) wolf. mv. wùlf; 2) tandbederf.
wolfstand, wólfstáánt, moederkoren: schimmelwoekering in koren.
wollen, wùllen, wollen. unnen wùllen bòn, een grote boon.
woning, [huis], wònning, wunning, woning.
worden, worren, worden. (wor, wörd, wier, geworren).
worm, wörm, worm.
worp, wörp, worp. (wörpen)
worst, waorst, worst. gift d’n hond òk mar ’n stukske waorst, geef de hond ook maar een stukje worst.
Wouter, [eigennaam], Wout, Wouter.
wraak, vrook, wraak.
wrat, vrat, wrat. as ge mè de schèl van ’n flodderbòn ovver die vrat vrijft dan gettie uweg, als je met de schil van een tuinboon over een wrat wrijft, dat verdwijnt deze.
wreed, vrééd, 1) afschrikwekkend, bars: ’n vrééd gezicht; 2) streng, hard: vrééd werken; hij is vrééd, hij werkt heel hard; 3) buiten-gewoon: ’t is vrééd, zo as ’t regent.
wrijven, vrijven, wrijven. (vrijf, vrif, gevrivven).
wringen, vringen, wringen.
wringer, vringer, wringer.
wroeten, vruuten, 1) wroeten; 2) veel en hard op het land werken.
wroeter, vruuter, harde werker, ploeteraar.
wrong, vrónk, haarknot, wrong. mv. vrúng.
wrongel, vrongel, wrongel, gestremde melk, voor de kaasbereiding.
wurgen, wörgen, wurgen.
zaad, zood, zaad. Op zood zèn, zijn verlies weer gewonnen hebben.
zaagijzer, zaagijzer, Haal om ketel boven het vuur aan op te hangen.
zaaien, zaejen, zaaien.
zaaien, zeujen, uitzaaien. het pluksel zeujt vaneiges, het onkruid zaait zichzelf uit.
zaal, zaol, zaal.
zacht, záácht, zaóft, zôft, soft, zacht, glad, week. dieje spierk is goed zaóft, die perzik is lekker zacht. softe sloffen, zachte sloffen.
zadel, zaol, zadel.
zak, zak, zak. verkl. zèkske. dè zit nog in unne wije zak, dat zal nog wel een poosje duren.
zakdoek, zawdoek, zakdoek.
zalf, záálf, zalf.
zalig, zaolig, zalig.
zaliger, zaoliger, wijlen. vaoder zaoliger, wijlen mijn vader, Willem zaoliger, wijlen Willem. De uitdrukking is eigenlijk zaoliger gedaachtenis: aan wie het zalig is te denken.
zaltpond, zaltpond, ploeg.
zalven, [met zalf bestrijken], záálven, zalven.
zand, záánd, zand.
zanden, záánden, zandten, (vloer) met zand bestrooien.
zandman, záándman, mannetje dat kinderen slaperig maakt door zand in de ogen te strooien, Klaas Vaak.
zaniken, zànnikken, zeuren. ge moet nie zo zànnikken, je moet niet zo zeuren.
zaniktas, zaniktès, zeurkous. wà’s dè tochn zaniktès, wat is dat toch een zeurkous.
zaniktrien, zaniktrien, zeurkous.
zat, zat, 1) dronken; 2) genoeg. ’t is zat gewist, het is genoeg.
zaterdag, zaoterdag, zaterdag.
zauwelen, sauwelen, kletsen, onzin praten.
zee, zéé, zee.
zeef, zeef, zeef. ze begosse al vruug boven mit grof zeef te werken, ‘t regende ‘s morgens vroeg al hard.
zeefdoek, zéidoek, melkzeefdoek.
zeeg, zeeg, mak, tam.
zeel, zeel, dik touw.
Zeeland, Zelland, Zeeland. hij kumt van Zelland, hij komt uit Zeeland.
zeeldraaier, zeeldreijer, touwslager.
zeem, zéém, zeem.
zeep, zéép, zeep.
zeepnat, zèpnat, zeepsop.
zeepsop, [zeepoplossing], zèpsop, zeepsop.
zeer, zéér, zeer.
zeggen, zeggen, zeggen. (zeg, , zeide, zi, zeide, zèn, zin, zènnen, zinnen, gezeed). wa zittie?, wat zegt hij?, wa zinnie?, wat zei hij?, wa zinde?, wat zei je?, wa zèdde?, wat zeg je?, wa hè’k gezeed?, wat heb ik gezegd?, wa zènnik oe?, wat heb ik je gezegd?, zeide, zei je, wa zinde?, wat zei je?
zeik, zeik, plas. iemand in de zeik zetten, iemand belachelijk maken.
zeiken, zeiken, plassen.
zeikerd, zeiktès, gierigaard. die zeiktès gift noitn rundje, die gierigaard trakteert nooit.
zeikmier, zeikmier, zeikmeik, mier. mv. zeikmière, zeikmeike.
zeikworm, zeikwörm, mier.
zeildeur, zeildeur, zèèldeur, zijdeur, achterdeur, buitendeur, staldeur.
zeis, zeissie, zeis.
zelatrice, zilletries, zelatrice, collectante.
zelen, zeelen, slaan, in elkaar draaien
zelen, zeelen, van touw gemaakt. ’n zeelen hèlster, een halster van touw.
zelfbinder, zelfbeinder, stropdas.
zemen, [reinigen met een zeem], zéémen, zemen (zeùmt, zeùmde, gezeùmd).
zenuw, zeen, zenuw.
zenuwachtig, zinnuweigtig, zenuwachtig. doe’s nie zo zinnuweigtig, doe eens niet zo zenuwachtig.
zerk, zèèrk, grafzerk.
zester, sester, zesde deel, een halve liter.
zetten, zetten, planten, poten.
zetter, [potter, (poot)aardappel], zetters, poters, pootaardappels.
zeug, zóg, 1) zeug. mv. zeug; 2) deel van een maaimachine om het koren, wat afgemaaid moet worden, te scheiden.
zeugel, zóggel, varkensbos
zeven, zeuven, zeven.
zeven, [door een zeef halen], ziften, zeven.
Zevenbergshuis, zeuvenbergshuis, Zevenbergs huis.
zevende, zeuvende, zevende.
Zevenhuis, Zeuvenhuis, Zevenhuis.
Zevensbergen, Zeuvenbergen, Zevenbergen.
zeveren, zeiveren, zeveren, zeveren. wa littie toch te zeiveren, wat zevert hij toch. 1) zeuren; 2) kwijlen.
zeverklep, zeverklep, domme praat verkopend.
zicht, zicht, korte zeis.
ziekte, ziekt, ziekte.
zielboek, zielboek, boek met namen van overledenen, die herdacht worden tijdens de mis.
zien, zién, zien. (ziy, ziet,ziede, zaag, zagen, gezien). Ziede, zie je. Ziedut, zie je het.
zij, zullie, zellie, hullie, zij. zullie gaon al naor huis, zij gaan al naar huis.
zijg, zéi, 1) melkzeef; 2) unnen hóóge zeije, een hoge hoed.
zijgen, zéien, melk door de zéi gieten, zijgen.
zijkkloot, zijkkloot, fiets. hij zit op unne neije zijkkloot, hij zit op een nieuwe fiets.
zijn, zijn, zèn, zijn. (ben, is, waar, gewist). ieder ’t zijn, geef ieder wat hem toekomt. wa zèn da vèur dinger?, wat zijn dat voor dingen?
zijn, zunne, zijn. hij hè zunnen hond bij um, hij heeft zijn hond bij zich.
Zijtaart, Zijtert, Zijtaart.
zimmelzeiker, zimmelzeiker, treuzelaar.
zimmeren, zimmeren, treuzelen.
zingen, zingen, zingen. (zing, zonk, gezongen), zingen.
zinken, zinken, zinken. (zink, zónk, gezónken). Als een dode, vanwege een besmettelijke ziekte, in stilte begraven wordt en later pas de plechtige uitvaart zal plaats hebben, dan zegt men dat hij gezónken wordt.
zitten, zitten, zitten. (zit, zaat, gezeten).
zo, , zóó, zo. ze dinne zô gek, ze gedroegen zich zo vreemd. dè moette zóó doén, dat moet je zo doen.
zo meteen, sommendenne, semmedenne, dadelijk, zo meteen of straks.
zo veel als, zoveulàs, zo iets. hij is zoveulàs d’n baos, hij is zo’n beetje de baas.
zo'n, zònne, zo’n. zònne goeie hebbe wij nog nie gehad, wordt als compliment gezongen
zoei, zoei, gier van koeien.
zoeien, zoeien, gieren.
zoeiput, zoeiput, gierput.
zoeischepper, zoeischùpper, emmer met een lange steel om gier uit de zoeiput te scheppen.
zoeiton, zoeiton, gierton.
zoeken, zuuken, (zuuk, zuukt, zòòcht, gezòòcht), 1) zoeken; 2) zin hebben. ik zuuk ’t nie mèr, ik heb er geen zin meer in.
zoel, zoel, benauwd.
zoet, zuut, zoet. wa’n zuute kiendjes, wat een lieve kinderen. ‘n zuut borreltje, een glaasje onverdunde grenadine.
zoet, [zachtjes], zuutjes, zachtjes.
zoetelen, zoetelen, lanterfanten.
zolder, zulder, 1) zolder; 2) achterpand van een broek.
zolpond, zolpond, schroef om de ploeg af te stellen.
zomen, zeumen, zomen.
zomer, zòmmer, zomer. verkl. zummerke.
zomerdingen, zòmmerdinge, zomerkleren. ’t is Paosen, we doen de zòmmerdinge wir aon, het is Pasen, de zomerkleren mogen weer aan.
zomerhuis, zòmmerhuis, prieel, tuinhuisje.
zomermaand, zòmmermònd, juni
zomervogel, zòmmervogel, vlinder.
zon, zaon, zon.
zonde, zund, zonde. ’t is zund, het is jammer, het is zonde.
zonk, zónk, zink, laagte in een akker(land). verkl. zunkske.
zooi, zooi, 1) rommel, troep; 2) maagzuur; 3) zode.
zool, zeul, laag, met een platte balk bedekt muurtje, dat de koestal scheidt van de vèurstal. Achter de zeul staan de koeien, op de vèurstal wordt het voer bewaard. In de zeul staan de stalriépen waartussen het vee met de koppen staat.
zoom, zeum, zoom. mv. zeum.
zoon, zóón, zoon. mv. zeun.
zorg, zörg, 1) zorg. mv. zörg. 2) luie stoel. zie ook pròst.
zorgen, [zorg geven], zörgen, (zörg, zörgde, gezörgd), zorgen.
zout, zaut, zout.
zoveel, zoveul, zoveel
zowaar, zowoor, zowaar. zowoor as ik hier stoi, zowaar als ik hier sta.
zowat, [ongeveer, dergelijke], zowà, zowat.
zozeer, zozéér, zozeer.
zuiden, zuijen, zuiden. ’t zuijen, het zuiden.
zuinig, zùinnig, zuinig.
zuipen, zuipen, zich zat drinken.
zullen, zamme, (zamme) zullen we. uitroep. Godzamme! nou zamme’t krijgen, nu zullen we het krijgen. (zoude) zou je. Zôdt, zôt, zou het.
zult, zult, hoofdkaas.
zuur, zoer, zoersig, zuur. zoer weer, koud, donker weer.
zuursel, zoersel, zuurdeeg voor roggebróód.
zuurselton, zoerselton, ton met varkensdrank.
zuurtje, zuurke, zuurtje.
zuus, zuus, wieg.
zuzen, zuzen, wiegen.
zwaaien, zwaejen, zwaaien. daluk zwaejtr wa, zo meteen krijg je straf.
zwaan, zwaon, zwaan.
zwaar, zwoor, zwaar. dè’s unnen zworen balk, dat is een zware balk.
zwaard, zwaord, 1) zwoerd, van spek; 2) zwaard.
zwaarte, zweert, zworte, zwaarte.
zwad, gezwad, rij afgemaaid gras, zwad.
zwager, zwoger, zwager.
zwaluw, zwaoluw, zwaluw.
zwart, zwert, zwart.
zwarte, [soort kers], zwarte, Ujese zwarte, befaamd kersenras, vroeger veel geteeld in Uden.
zwartsel, zwartsel, kachelpoets.
zwavel, zwaovel, zwevel, zwavel.
zwaveltje, zwevelke, zwavelstokje.
zweep, zwéép, zweep.
zweet, zwéét, zweet.
zwellen, zwillen, zwellen.
zwengel, zwingel, stok om vlas te braken.
zwengelen, [vlas braken], zwingelen, vlas braken. ook zwingen.
zwerfkei, zwerfkéi, zwerfkei. In Volkel en Mill worden veel zwerfkeien, die door de rivieren zijn meegesleurd, uit de grond gehaald.
zwerm, zwèèrm, zwerm. d’n bieboer vengt unnen zwèèrm biyen, de imker vangt een zwerm bijen.
zwermen, [in een zwerm bewegen], zwèèrmen, zwermen.
zwetsen, zwètsen, dom, opschepperig, kletsen.
zwetser, [kletser, opschepper], zwètser, opschepper. ook zwètserd. wa bende toch unne zwètserd, wat ben je toch een opschepper.
zwetskloot, zwètskloot, opschepper.
zwijgen, zwijgen, zwijgen. (zwijg, zwig, gezwiggen).
zwil, zweel, eelt.
Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut