| Aandachtsgebieden |
|
De centrale onderzoeksvraag van de variatielinguïstiek is hoe het komt dat talen en taalvariëteiten verschillen. Deze vraag kan langs verschillende dimensies benaderd worden. We kunnen de empirische kant van taalvariatie – meer in het bijzonder taalkundige microvariatie (bijv. verschillen tussen dialecten of variëteiten) en kwantitatieve taalvariatie (bijv. verschillen binnen afzonderlijke dialecten, tussen groepen sprekers of zelfs binnen sprekers) – verdelen over drie dimensies die tezamen de ruimte vormen waarbinnen de variëteiten van een taal variatie vertonen. Taal in de geografische ruimteHet zwaartepunt van het onderzoek naar taalvariatie aan het Meertens Instituut was in het verleden vooral gericht op een beschrijving en bestudering van de traditionele dialecten, die typisch waren voor de gesloten, voorindustriële dorpssamenlevingen van boeren, vissers en ambachtslieden. Het onderzoek resulteerde in monografieën die betrekking hadden op de grammatica en de woordenschat van specifieke lokale dialecten of de vergelijking van verwante lokale dialecten; die vergelijking vond plaats langs geografische en historische dimensies. Het doel was om via inzicht in het heden zicht te krijgen op de ontwikkelingen in het verleden. Deze historische benadering is inmiddels verlaten. In de huidige visie veronderstelt deze dimensie in eerste instantie een synchrone benadering van taalvariatie. In aanvulling op de traditionele dialecten wordt er ruimschoots aandacht besteed aan andere vormen van geografische (en sociale) variatie, zoals stadsdialecten. Taal in de sociale ruimteMen kan de relatie tussen taal en samenleving van twee kanten bestuderen. De taalsociologie houdt zich bezig met de positie van een taal(variëteit) in een samenleving voor zover deze weerspiegeld wordt in aantallen sprekers, de vraag of de taal(variëteit) in kwestie in alle of alleen in bepaalde situaties of domeinen gebruikt wordt en de status van een taal(variëteit) in de betreffende samenleving. Het zwaartepunt ligt daarbij op sociologische en ideologische aspecten. De sociolinguïstiek houdt zich voornamelijk bezig met vormelijke variatie in het taalgebruik voor zover deze samenhangt met maatschappelijke verhoudingen (bijv. sociale klassen, etnische groepen) en processen (bijv. sociale en geografische mobiliteit en, in die samenhang, talige in- en uitsluitingsmechanismen). Taal in de tijdZoals gezegd is de centrale onderzoeksvraag van de variatielinguïstiek hoe het komt dat talen en taalvariëteiten verschillen. Het diachrone taalonderzoek benadert deze vraag vanuit het perspectief van taalverandering, oftewel taalvariatie langs de tijdas. Daarbij gaat het om vragen als waarom verandert taal, hoe verandert taal, zijn er beperkingen, en zo ja, welke? Binnen de diachrone taalkunde zijn er grofweg twee verklaringen voor taalverandering: een taalinterne verklaring – taal is inherent instabiel – of een taalexterne verklaring – taalverandering wordt veroorzaakt door taalcontact. Daarnaast kan het onderzoek gericht zijn op het verleden (reconstructie van oudere taalfasen) of juist op het heden (begrip van de huidige situatie vanuit een diachroon perspectief). NaamkundeNamen zijn onmisbaar in de communicatie en vormen een centraal onderdeel in administratieve systemen. We hebben ze nodig om een unieke verwijzing tot stand te kunnen brengen. Ze vormen een bijzonder onderdeel van de taal, het zijn woorden die zich in veel opzichten anders gedragen dan ‘gewone’ zelfstandig naamwoorden. Naast grammaticale kenmerken is vooral de rol van de betekenis intrigerend. Belangrijk zijn ook de buitentalige aspecten van namen, zoals culturele, historische, psychologische, sociologische, geografische en juridische aspecten. Tot slot zijn namen sterk verbonden met identiteit, zowel op individueel als op maatschappelijk niveau. Al deze kenmerken maken eigennamen tot een ideaal onderzoeksobject. |


