Op 15 juni is het precies een jaar geleden dat de website Meldpunt Taal werd gelanceerd. Marc van Oostendorp, één van de initiatiefnemers van het Meldpunt, vertelt over de resultaten die het ‘weerstation van de taalwetenschap’ inmiddels heeft opgeleverd.

door Mathilde Jansen

Het was Ewoud Sanders , taalhistoricus en journalist, die vorig jaar als eerste een balletje opgooide voor een centraal meldpunt voor taalverschijnselen. Want, was zijn redenering: als er talloze websites zijn voor het melden van natuurverschijnselen, waarom bestaat zoiets dan niet voor taalverschijnselen? Marc van Oostendorp pikte het idee op, en binnen mum van tijd was er een Meldpunt Taal, een samenwerkingsverband tussen het Meertens Instituut en het Instituut voor Nederlandse Lexicologie. Een jaar later spreken we met Van Oostendorp over de opbrengst van het meldpunt: wat kan de taalwetenschap ermee? En: welke trends zijn er na een jaar te ontdekken?

Taalverandering

Eigenlijk is het nog een beetje te vroeg om dit soort vragen te stellen, legt onderzoeker Marc van Oostendorp uit. "Het interessants van het Meldpunt is de historische dimensie en die is er nu nog niet. Over een jaar of tien is het corpus pas echt bruikbaar voor onderzoek. Dan kun je patronen van taalverandering ontdekken." Ondertussen scrollt Van Oostendorp wat door het reactieveld van het Meldpunt. "Hier wordt bijvoorbeeld melding gemaakt van het woord ‘groep’ dat als telwoord gaat functioneren, op dezelfde manier als ‘aantal’: Prins Willem Alexander zou gezegd hebben ‘Een grote groep Nederlanders zijn nog niet digivaardig’. Dit wordt interessant zodra het vaker gemeld wordt. Misschien kom je het over vier jaar veel vaker tegen en is het over tien jaar ingeburgerd."

 

Taalergernis

Toch is het corpus het afgelopen jaar alvast gebruikt voor een kleinschalig onderzoek. Van Oostendorp haalt een dikke masterscriptie tevoorschijn. Het is geschreven door Frances Doderer, studente aan de VU, en gaat specifiek over taalergernissen. Behalve het corpus van het Meldpunt Taal, gebruikte de studente een corpus van ingezonden brieven uit het tijdschrift Onze Taal. Doderer keek niet alleen naar het type taalergernissen, maar vooral ook naar de categorisering die mensen daarvoor gebruiken. Opvallend is namelijk dat de meeste meldingen onder de categorie ‘anders’ terechtkomen, en minder in vaststaande categorieën als ‘nieuwe woorden’,’ vreemde woorden’ of ‘kindertaal’. In deze categorie mogen de taalobservators zelf een naampje bedenken voor hun melding. Deze hebben vaak een subjectieve lading, zoals ‘ambtelijke, gezwollen spreektaal’ of ‘overdreven taalgebruik’.

Taalperceptie

"Die categorisering laat zien hoe mensen denken over taal. In de taalkunde spreekt men van taalperceptie. Dat mensen zich ergeren aan bepaalde uitingen van taal, komt doordat ze een ideaalbeeld van de taal in hun hoofd hebben. Maar dit ideaalbeeld is gebaseerd op verschillende principes. Soms is logica een criterium, de andere keer taalzuiverheid [waarbij geen elementen uit vreemde talen worden toegelaten, red.]. Omdat deze criteria vaak met elkaar botsen – een vreemd element kan het taalsysteem soms wel logischer maken – is het eigenlijk onmogelijk om tot één ideaal taalsysteem te komen. En tóch blijven mensen nog roepen dat taalkundigen ongelijk hebben als zij zeggen dat regelgeving voor taal onmogelijk is. Voor mij als taalwetenschapper is dat onbegrijpelijk. Maar het is wel heel interessant om te weten hoe niet-taalkundigen denken over taal. Ook zoiets geks: als mensen zeggen ‘het hoort zo en zo, want dat zegt mijn taalgevoel’. Sommige mensen zijn namelijk taalgevoelig. Maar wat is dat eigenlijk, taalgevoel? Dat vraag ik mij af als taalkundige."

Afbeelding: ThisParticularGreg

Iiis goed!

"Wat ik ook een boeiende vraag vind, is hoe taalverandering en taalergernissen samengaan. Lopen die twee parallel of niet? Taalergernissen ontstaan wanneer een bepaald taalverschijnsel opeens vanuit het niets opduikt. Het lijkt misschien logisch dat zo’n ergernis weer verdwijnt zodra het verschijnsel niet meer gehoord wordt, maar sommige ergernissen gaan een heel autonoom leven leiden. Neem bijvoorbeeld de uitspraak "Iii­s goed", die je een aantal jaar geleden veel hoorde. Hoewel je die nu bijna niet meer tegenkomt, zijn er nog steeds mensen die zich eraan ergeren. Ook een klassiek voorbeeld van een taalergernis: ‘dodelijk slachtoffer’. Het wordt vijf keer genoemd op het Meldpunt. Dan vraag ik mij af: waarom ergert men zich hier wél aan en niet aan bijvoorbeeld ‘staand buffet’?"

Overigens zijn het niet alleen maar ergernissen die gemeld worden, laat Van Oostendorp weten. "Gelukkig niet. Het valt me juist op hoe serieus de meldingen zijn. Meestal blijft het niet bij een melding, maar zoeken de taalobservators er zelf nog een verklaring bij. Dat laat zien welke ideeën mensen hebben over taal. Dat is interessant om te weten voor het taalonderwijs, maar ook voor onderzoek naar taalverandering. Opvattingen over taal kunnen namelijk ook een belangrijke rol spelen bij taalverandering."

Links

http://www.kennislink.nl/publicaties/duizenden-paren-ogen-en-oren (Artikel Kennislink juni 2010)
http://www.vanoostendorp.nl/linguist/kwiebustaal.html (Artikel Onze Taal december 2010)

 

Dit artikel is verschenen in de kosteloze digitale nieuwsbrief van het Meertens Instituut. Ook abonnee worden? Klik hier.