door Leendert Brouwer

 
Dit jaar (2011) bestaat de burgerlijke stand 200 jaar en gezien de efficiëntie van de persoonsregistratie die bewerkstelligd is, mogen we daar best even bij stil staan. Verschillende archieven besteden uitgebreid aandacht aan dit feit. Het Meertens Instituut is met name geïnteresseerd in de naamkundige kant van de burgerlijke stand. Denkt menigeen immers niet dat wij onze achternamen aan Napoleon te danken hebben?

 
Welnu, de genealogen die inmiddels de archieven van de burgerlijke stand doorgespit hebben, weten dat dat voor de meeste namen niet opgaat. Genealogen kunnen achternamen soms tot diep in de Middeleeuwen herleiden. Toch zijn de eerste decennia van de 19e eeuw ook naamkundig van belang: door de invoering van de burgerlijke stand in 1811 werd in feite het proces van familienaamvorming afgerond, namen die daarvoor nog aan verandering onderhevig waren kregen hun definitieve vorm.

1811

Wat nu Nederland is maakte van 1810 tot 1813 deel uit van Frankrijk. De inwoners van het land dienden zich toen naar de Franse wet te schikken. In 1792, enkele jaren na de Franse Revolutie, en nog voor Napoleon het voor het zeggen had, was in Frankrijk de burgerlijke stand als staatsinstelling ingevoerd. Ter onderstreping van de scheiding tussen kerk en staat had de wereldlijke macht de persoonsregistratie van de kerkelijke macht overgenomen.

In 1811 begonnen gemeenteambtenaren ook in Nederland een burgerlijke stand op te zetten, waar voordien alleen de kerken voor hun leden ­administratie boeken hadden aangelegd met individuele gegevens: de boeken die voor de genealogen bekend staan als de doop-, trouw- en begrafenisboeken, en die de retroacta van de burgerlijke stand vormen.

Stamboom

Voor genealogen is het eenvoudig om tot 1811 terug te komen, maar daarvóór wordt het veel moeilijker om de familierelaties in een stamboom aan te vullen. Hoe ouder documenten hoe onvollediger de dekking. Daar zal iedereen rekening mee houden die een archief binnentreedt. Maar een onverwachte tegenvaller is misschien de gebrekkige weergave van eigennamen in het tijdperk voor 1811, of zelfs het ontbreken van familienamen. Het blijkt dat deze voortijd niet alleen legislatief maar ook orthografisch en onomastisch een stuk primitiever was. Oftewel de spelling van de woorden was nog niet goed geregeld en de naamgeving was nog los-vast.

Dankzij de burgerlijke stand zijn wij gewend één of meerdere voornamen te hebben en een achternaam. Voornaam en achternaam liggen in de geboorteakte in principe vast; de achternaam in de spelling waarin hij van de vader is overgenomen. Maar omstreeks 1811 was dit patriarchale systeem in delen van het land nog niet algemeen. Het bleek zelfs nodig om een decreet af te kondigen waarmee de bevolking opgeroepen werd om een vaste achternaam te laten registreren in een naamsaannemingsakte. De neiging om in bepaalde streken niet van het traditionele patroon af te wijken dat daar eeuwenlang heerste, bleef echter bestaan. Ook nadat men uiteindelijk toch een burgerlijk naam had, zoals de joden het noemden, wist men onderling hoe men ‘eigenlijk’ heette. In het oosten van het land bijvoorbeeld heette men naar de boerderij waar men woonde. Die ongeschreven regel blijft tot in de twintigste eeuw geldig. Elders gebruikte men bijnaampatronen die soms zo floreerden dat er in bepaalde gemeenschappen in feite een officieus naamsysteem naast het officiële heerste. Alleen van het patroniemen ­systeem zoals we dat uit de geschiedenis kennen, lijkt met de invoering van de burgerlijke stand afstand te worden genomen. In de dorpen in noordoosten heette men Douwe Jellesz, dwz. Douwe de zoon van Jelle, en vervolgens Jelle Douwesz, maar dat werd in 1811 definitief Douwes of Douma en Jellema, Jellinga of Jelles. In het westen, waar men vaak een drieledig naamsysteem hanteerde met een voornaam, een patroniem én een achternaam, werd het patroniem stellig afgeschaft in 1811. In de akte van de burgerlijke stand is er geen ruimte voor het patroniem ingeruimd en ook in het dagelijkse sociale verkeer is het patroniem verdwenen. Wel komen afleidingen van voornamen nog terug in de informele naamgeving, maar dan anders: bijvoorbeeld in een constructie als ‘Willy van Sjefke van Hansie’.

Degene die zijn familiegeschiedenis uitpluist, zal aan de hand van de burgerlijke stand, pas in de beginperiode ervan en daarvóór, met deze naamkundige problematiek te maken krijgen. Voorouders blijken bijvoorbeeld de gezochte achternaam niet te gebuiken, maar een andere naam, of slechts een patroniem dat aan een enkele generatie is verbonden. Men zal beseffen dat het moeilijk wordt om voorouders met zekerheid te identificeren.

Spellingsperikelen

Spellingsperikelen maken identificatie nog moeilijker. Want het blijkt ineens dat een naam op verschillende manieren geschreven kan worden. Wie nu kijkt naar de vele spellingsvarianten die onze familienamen kunnen hebben, zal zich realiseren dat een bepaalde naamvorm geen bewuste keuze is geweest, maar een toevallig overgeleverde naamvorm die dankzij de burgerlijke stand is vereeuwigd. Aan het begin van de 19e eeuw was er immers nog geen nationaal gestandaardiseerde spelling. Er vigeerden verschillende spellingsmethoden. Juist in 1804 werd er met de spelling-Siegenbeek een poging tot normalisatie ondernomen, maar de spellingsverschillen van de namen in die jaren laten zien dat de spellingsvoorschriften bepaald nog niet algemeen waren doorgevoerd. Bovendien schreef men zijn naam niet zelf op, maar wérd die naam genoteerd. Misverstanden in verband met de verstaanbaarheid alom. Vooral namen van buitenlandse herkomst werden begrijpelijkerwijs nog al eens verbasterd. Hübscher werd Hupse, Clayton werd Kleton, Charlouis werd Scharlewie, Pot-de-vin werd Poddewijn en Rockmacher werd Rookmaker. Dat leverde ook onkiese en onkuise associaties op waarmee hedendaagse naamdragers nog te stellen hebben: Picard werd Pikhaar, Copin werd Koppijn, Abercrombie werd Apekrom (zie spreidingskaart van 2007). Niet veel zijn daar meer van.

De herkomst van dergelijke namen blijft echter vaak verborgen, omdat het spoor hier dankzij de onnauwkeurige weergave van de originele naam juist dood loopt. Maar men kan zich wel voorstellen dat namen als Proeskie, Slinsslie en Riezouw eveneens een buitenlandse oorsprong zullen hebben. Daarnaast bezit onze namenschat heel wat curieuze namen die van oorsprong wel Nederlandstalig zijn en die soms eeuwen verder teruggaan dan 1811. Om er maar enkele te noemen: Duurentijdt, Drieduite, Alderlieste, Breekpot, Hetebrij en Seldenthuis.

Men denkt wel eens dat namen die ons bespottelijk in de oren klinken aangenomen zijn om Napoleon op de korrel te nemen. Maar nee, ook zonder hem was de burgerlijke stand wel ingevoerd, ook zonder hem waren er al naamgrappen.

Zie voor meer informatie over familienamen de Nederlandse Familienamenbank van het Meertens Instituut.

Meer informatie over Napoleon in Nederland 1811 - 2011 en een overzicht van activiteiten in het land is te vinden op http://www.thematijdschriften.nl.


Dit artikel is verschenen in de digitale nieuwsbrief van het Meertens Instituut (maart 2011). Ook abonnee worden? Klik hier

Afbeelding  'Jellema' in Geboorteregister 1901, bron: http://www.allegroningers.nl.