Sinterklaas en de Kerstman brengen in december allebei geschenken. Waarom doet Sinterklaas dat met het gezag van een eerbiedwaardige oude man, terwijl de Kerstman zich gedraagt als een kinderlijke, jolige goedzak?

Dhr. N. Verkooijen, Kerkrade

Het antwoord wordt gegeven door Eveline Doelman

Dat is een recente ontwikkeling. Zowel Sinterklaas als de Kerstman hebben in de negentiende eeuw een functie gekregen bij de opvoeding van kinderen. Als fictieve figuren gingen ze een rol spelen bij de gezinsfeesten die toen onder de gegoede burgerij in zwang raakten. Zij werden de alwetenden die ijverige kinderen beloonden en luie kinderen vermaanden. In Nederland werd Sinterklaas in die tijd een belangrijk feest voor het gezin, in Duitsland ontstond Kerstmis als vooraanstaand familiefeest. Dit Duitse feest heeft de kerstviering in andere landen sterk beïnvloed, ook die in ons land.

Klaasjagen

De huiselijke feesten van de burgerij moesten een alternatief bieden tegen wilde vormen van openbaar feestgedrag in de winter, in de weken voor, rond en na het feest van Sint Nicolaas: het zogenaamde klaasjagen of sunteklaaslopen. Jongelui trokken (veelal verkleed en met zwartgemaakte gezichten) rond als boeman- of boze bisschopfiguren (Klazen) en hun knechts, drongen huizen binnen, vroegen naar stoute kinderen en eisten geld of lekkers. Sommige ouders haalden zelf ‘klaaskerels’ in huis om kinderen te leren gehoorzamen. De boemannen maakten kinderen bang en dreigden hen met straffen. Aan deze wilde feestvormen nam de verlichte, vooruitstrevende burgerij steeds meer aanstoot. Het werd als onbeschaafd ervaren. Ook tegen de bangmakerij groeide verzet. Gehoorzaamheid moest niet worden afgedwongen door kinderen geloof in boemannen aan te praten. Goed gedrag moest hen – zo dacht men – worden aangeleerd met behulp van rechtvaardige maar strenge fantasiefiguren die tijdens feesten ijver en deugdzaamheid beloonden en luiheid straften. Zo zouden kinderen zelf de verantwoordelijkheid leren dragen voor hun gedrag.

Sinterklaas en de Kerstman

In de loop van de negentiende eeuw werden de burgerlijke feesten tot ideaal, tot opvoedkundige norm, verheven. Vooral via (zondags)scholen en winkels verspreidden ze zich verder, ook in de lagere sociale milieus. Voorbeelden van hoe het bij zo’n huiselijke viering kon toegaan, vond men met name in verhalen en op prenten. Daardoor verdwenen geleidelijk de wilde buitenfeesten. De Klazen of boemannen die daarbij hoorden, verdwenen ook. In Nederland verscheen nu op het sinterklaasfeest een burgerlijke (strenge, rechtvaardige, alwetende) Sint (gekleed in een bisschopsjas) met zijn knecht Zwarte Piet. In Duitsland en andere landen waar Kerstmis het belangrijkste gezinsfeest werd, ontstond de figuur van de Kerstman. Deze zag er soms uit als een bisschop, maar ook wel als ‘winterman’ met een warme jas aan, een kerstboompje met zich meedragend.

Hoe Sinterklaas en Zwarte Piet eruit moesten zien, is in ons land in de tweede helft van de negentiende tijd min of meer vast komen liggen. Het prentenboek Sint Nikolaas en zijn knecht (1850) van de Amsterdamse onderwijzer Jan Schenkman heeft daar een belangrijke invloed op gehad. Met het uiterlijk van de Kerstman werd door prentenboekmakers veel meer geëxperimenteerd. Een zak voor cadeaus of voor stoute kinderen was een attribuut van beide figuren.

 
 

Santa Claus

Parallel aan nieuwe pedagogische opvattingen veranderde het karakter van de figuren van Sinterklaas en de Kerstman sindsdien voortdurend. Ze werden van strenge opvoeders tot lieve geschenkenbrengers die ook stoute kinderen beloonden. Ondanks deze verlieving behield Sinterklaas zijn strenge eerbiedwaardige bisschopsgestalte, zijn jas, mijter en zijn attributen: de staf en het boek waar alles in staat. Maar de zak was in de twintigste eeuw uitsluitend nog snoep- en cadeauzak en geen zak meer voor stoute kinderen.

Bij de Kerstman met zijn minder vaststaand uiterlijk ging het anders: deze ging er na de Tweede Wereldoorlog uitzien als de Santa Claus die in de negentiende eeuw in Amerika in het leven was geroepen. In immigrantengemeenschappen was daar in die tijd ook het wilde gedrag van jongelui bekend. Om dat tegen te gaan creërde de elite een Santa Clausfiguur die bij het huiselijk familiekerstfeest de rol van geschenkenbrenger ging spelen. De beeldcultuur maakte van hem een goeiige dwergachtige figuur met slee en rendier. Het is deze Santa Claus-figuur die via reclame en media na de Tweede Wereldoorlog als Kerstman in Europa is geïntroduceerd en uiteindelijk tot dé Kerstman van het Europese kerstfeest is verheven. Daarmee verdwenen alle bestaande Kerstmanbeelden, ook het beeld waarbij hij nog gezag uitstraalde.

Humor

Een gevolg van de verlieving (en op den duur ook de vermenselijking) van Sinterklaas en de Kerstman was dat kinderen op steeds jongere leeftijd hun geloof in hen verloren. Het zijn vooral volwassenen die hen uit nostalgie en traditie, én om economische redenen, in ere houden. Daardoor kregen de figuren ook andere dan pedagogische functies. Als feestdecoratie zijn ze niet meer weg te denken. Maar de ooit ‘gelovige’ volwassenen laten hen ook graag een omgekeerde rol spelen: in de humorcultuur, als parodiefiguren, als helden van de antipedagogie. Dan kunnen de ‘vergeten’ kwade (boeman)kanten van de Klaaskerels opnieuw kansen krijgen. Een actueel voorbeeld daarvan is de recente film over de horrorsint van Dick Maas (2010).

Fictieve figuren

Behalve aan het sinterklaas- en kerstfeest zijn ook aan veel andere rituelen fantasiefiguren verbonden. Het alledaagse leven is er vol van. Er zijn recente personages, zoals Ronald MacDonald (die – vooral jarige – kinderen tracteert en zieke en gehandicapte kinderen helpt), maar ook  allang bestaande figuren zoals Klaas Vaak en de ooievaar. Deze laatsten kregen net als Sinterklaas, Zwarte Piet en de Kerstman in de negentiende eeuw een functie bij de opvoeding van kinderen. Zo moest de ooievaar kindervragen beantwoorden over geboorte en sex, Vadertje Tijd over het voorbijgaan en het goed besteden van tijd, en Klaas Vaak over slapen en bedtijd. Ook deze figuren veranderden geleidelijk van karakter. Met elkaar vormen deze en andere fictieve figuren de mythologie van onze alledaagse cultuur. Met enige fantasie zou men zich een kleine Olympus als hun woonplaats kunnen voorstellen.

Over een vijftal van deze mythologische figuren (Klaas Vaak, de ooievaar, de Kerstman, Zwarte Piet en Vadertje Tijd) is enige jaren geleden een bundel artikelen verschenen. Aan elk van deze vijf is een aparte studie gewijd. In de inleiding worden ze samen genomen en wordt de geschiedenis van het onderzoek naar het verschijnsel van de alledaagse mythologie uitvoerig behandeld.

Eveline Doelman en John Helsloot (red.), De kleine Olympus. Over enkele figuren uit de alledaagse mythologie. Amsterdam, Aksant/KNAW Press, 2008. Meer informatie over deze publicatie.

Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief van het Meertens Instituut. Abonnee worden? Klik hier.

Afbeeldingen van boven naar beneden

Coca Cola Santa Claus, 1960 - Roadside Pictures, Flickr
Een latere uitgave van het boekje van Jan Schenkman
Filmaffiche Sint
Cover De Kleine Olympus