Klassieke muziek in de negentiende eeuw trekt volle zalen

Datum
12 april 2019

De vierde Louis Peter Grijp-lezing werd op 10 mei uitgesproken door Thomas Delpeut. Hij doet onderzoek naar luistercultuur in het negentiende-eeuwse concertleven. Veel rituelen die we nu kennen in de concertzaal, wanneer stil zijn en wanneer klappen, kwamen toen tot stand.

door Mathilde Jansen

In 1864 opent het Paleis van Volksvlijt in Amsterdam zijn deuren, in 1888 gevolgd door het Concertgebouw. Gebouwen zoals deze spelen een belangrijke rol in de concertcultuur van de Nederlandse hoofdstad. Maar ook in de rest van het land neemt het aantal concertzalen explosief toe in de negentiende eeuw. Het heeft alles te maken met de toenemende welvaart en veranderende plaats van ‘klassieke’ muziek in de maatschappij, vertelt muziekhistoricus Thomas Delpeut, die promotieonderzoek doet naar dit onderwerp aan de Radboud Universiteit.

“Mensen krijgen meer vrije tijd en meer geld te besteden waardoor concertzalen een breder publiek trekken. Daarbij lopen de belangen van idealistische organisatoren en bezoekers echter dikwijls erg uiteen. Een klassiek voorbeeld hiervan is een van de eerste uitvoeringen van de Matthäuspassion in Nederland onder directie van Johannes Verhulst, waarbij het publiek tijdens het slotkoor alvast de concertzaal verliet en de dirigent vervolgens in tranen uitriep: ‘mensen wat doen jullie nou, hoe kunnen jullie weglopen bij het mooiste koor dat ooit geschreven is’.”

Een bonte mengelmoes

De verbreding van het concertpubliek is een tendens die ook in de rest van Europa gaande is. In de concertzalen kwamen mensen met zeer uiteenlopende muzieksmaken samen. Die diversiteit zie je ook duidelijk terug in de concertprogrammering van de eerste helft van de negentiende eeuw. “Een programma bestond vaak wel uit acht tot tien stukken van verschillende genres”, zegt Delpeut.

“Een symfonie, een concert, opera-aria’s, liederen, fantasieën en variaties, soms zelfs nog een wals tussendoor. Zelf sprak men van ‘een bonte mengelmoes’, om tegemoet te komen aan het diverse publiek. Het brede publiek kwam vooral voor de opera-aria’s, de échte ‘liefhebber’ kwam voor de symfonie.”

De symfonie

In de loop van de negentiende eeuw worden de programma’s stilistisch veel homogener. “Ze worden toegespitst op één genre of muziekstijl, één periode of een samenstelling van canonieke werken. Over de precieze samenstelling werden allerlei discussies gevoerd. Bijvoorbeeld over de plaats van de symfonie, die traditioneel aan het begin van het concert plaatsvond. Maar voor de echte idealisten was dit het mooiste en belangrijkste stuk. Zij wilden deze daarom aan het einde van de avond programmeren, want dan werk je toe naar een climax. Zodat het stuk nog resoneert in je oren als je naar huis gaat. Maar in de praktijk werkte het niet, want veel bezoekers kwamen vooral voor de beroemde solisten en gingen al voor het einde van het concert naar huis.”

De concertprogrammering had volgens de historicus een enorme invloed op de muziekbeleving van de negentiende-eeuwse concertganger. Dit onderwerp staat dan ook centraal tijdens zijn lezing. Maar ook andere factoren hadden invloed op de muziekbeleving. Daarom put hij voor zijn promotieonderzoek niet alleen uit concertprogramma’s, maar ook uit grote kranten en tijdschriftenarchieven die vaak digitaal beschikbaar zijn, en bijvoorbeeld uit ledenlijsten van muzikale instituten, briefwisselingen en andere egodocumenten.

Dagboeken

Voor die persoonlijke bronnen moet hij het archief in. “Van dit type onderzoek word ik het gelukkigst”, zegt Delpeut. “Omdat je dan bronnen vindt waarin je de stem van de concertbezoeker zelf kunt horen.” Als voorbeeld geeft hij een dagboek dat hij vond uit 1870, waarin een Amsterdamse vrouw allemaal concertprogramma’s heeft verzameld van openluchtconcerten. “Op al die programmablaadjes, wel een stuk of honderd, heeft ze aangegeven wat ze wel en niet mooi vond."

Vaak worden dit soort documenten in het onderzoek niet zo serieus genomen, legt de promovendus uit. Maar het levert volgens hem een belangrijke bijdrage aan het beeld dat we hebben van die tijd. "Onderzoekers hebben de openluchtconcerten namelijk lang gezien als een vrij triviaal fenomeen, een contrast met de ‘serieuze’ muziekcultuur. Uit dergelijke bronnen kun je echter afleiden dat bezoekers ook daar heel actief konden luisteren en reflecteren op hun eigen muzieksmaak.”

“Aan de hand van de dagboeken ga ik bovendien meer de diepte in. Het is vooral leuk als verschillende bronnen uiteenlopen: als de recensent zegt ‘het was zo druk’ en dat vervolgens uit de gegevens blijkt dat er heel weinig mensen waren. Dan zie je dat de recensent er een eigen agenda op na hield.” Juist de combinatie van al die bronnen levert de onderzoeker dus een completer plaatje op.

Negentiende-eeuwse rituelen

Nog even terug naar de huidige tijd. Hoe verschilt de negentiende-eeuwse concertcultuur met die van nu? “De rituelen zijn nu heel strak: er wordt heel stil geluisterd, en iedereen weet precies wanneer hij moet klappen en wanneer niet. Die rituelen zijn grotendeels ontstaan in de negentiende eeuw. Maar jongeren zijn er vaak niet bekend mee en dat werkt drempelverhogend, terwijl organisatoren nu juist een jonger publiek willen aantrekken. Om die drempel te verlagen worden bijvoorbeeld grappige filmpjes gemaakt over de ‘juiste’ etiquette in de concertzaal, die zijn te vinden op YouTube. Het is misschien goed om te beseffen dat die rituelen ook maar ooit bedacht zijn. En niet in steen gebeiteld.”


Wilt u de vierde Louis Peter Grijp-lezing, uitgesproken door Thomas Delpeut, bijwonen? Er zijn nog enkele plaatsen beschikbaar. Aanmelden voor de Louis Peter Grijp-lezing.


Dit artikel is verschenen in de digitale nieuwsbrief van het Meertens Instituut. Ook abonnee worden? Klik hier.