Reeks Nederlandse Dialectatlassen ook online raadpleegbaar

Datum
4 juni 2018

De Reeks Nederlandse Dialectatlassen bevat meer dan een kwart miljoen dialectzinnen uit Nederland en Vlaanderen, die tussen 1923 en 1982 verzameld zijn op initiatief van de Gentse professor Blancquaert. De fonetische transcripties zijn nu digitaal beschikbaar gesteld door onderzoekers van de Universiteit Gent.

In de jaren 20 van de vorige eeuw vatte prof. E. Blancquaert van de Gentse Universiteit het plan op om 141 zinnetjes in het dialect te laten vertalen door goede dialectsprekers en nauwgezet fonetisch te (laten) noteren. Hij startte in zijn geboortestreek Klein-Brabant, maar geleidelijk aan werd het project uitgebreid tot heel Vlaanderen en later ook tot Nederland, met inbegrip van Friesland. E. Blancquaert en zijn latere opvolger Willem Pée maakten zelf vele transcripties. Ook wisten ze heel wat collega’s te overtuigen om mee te werken. De transcripties zijn sinds dit jaar digitaal beschikbaar via de website http://www.dialectzinnen.ugent.be/.

Blancquaerts bedoeling was de basis te creëren voor taalgeografisch onderzoek; daarom heet de reeks ‘Dialectatlassen’. De transcripties werden inderdaad ook op kaarten ingetekend. De verzameling kaarten werd gedigitaliseerd door het Meertens Instituut en werden daar in de digitale kaartenbank ondergebracht (zie http://www.meertens.knaw.nl/kaartenbank/). De kaarten zijn zgn. ‘objectieve kaarten’ omdat de fonetische transcripties ongeïnterpreteerd op de kaart werden gezet. Blancquaert inspireerde zich daarbij op het voorbeeld van zijn leermeester Gilliéron van de Atlas Linguistique de la France.

Bron voor dialectstudies

De opvragingen begonnen in 1923 en de eerste dialectatlas verscheen in 1925 (uiteraard die van Klein-Brabant), het 16de deel verscheen 1967 (Groningen en Noord-Drenthe), het laatste deel (deel 14, over Zuid-Drenthe en Noord-Overijssel) pas in 1982. Blancquaert had de bedoeling alle gemeenten van meer dan 2000 inwoners te bewerken en indien nodig ook de tussenliggende plaatsen om zo een gelijke spreiding over het taalgebied te krijgen. Zelden liggen twee meetpunten meer dan 5 km van elkaar. Bij voorkeur werden zegslieden “van gemiddelden leeftijd” ondervraagd; in elk geval moest de zegsman/zegsvrouw het plaatselijke dialect door en door kennen.

Er is dus meer dan een halve eeuw gewerkt aan het project, dat uiteindelijk resulteerde in transcripties voor 1.956 plaatsen, met in totaal meer dan een kwart miljoen zinnetjes. Ze geven een beeld van de dialecttoestand in de eerste helft van de 20ste eeuw. Blancquaert zag in dat de materiaalverzameling zeer belangrijk en zeer dringend was, en heeft meer tijd besteed aan de verzameling dan aan de bestudering van de dialectklanken. De RND is dan ook achteraf de voornaamste bron gebleken voor dialectgeografisch onderzoek op fonetisch en fonologisch gebied. Ook andere taaldomeinen als morfologie, syntaxis en lexicon hebben overigens met de RND hun voordeel kunnen doen. Honderden dialectstudies zijn achteraf op de RND gebaseerd.

Goeman-Taeldeman-Van Reenen

Het spreekt vanzelf dat de dialectologie sinds het verschijnen van de 16 RND-boekdelen vooruit is gegaan, en dat men gaandeweg ook enkele gebreken heeft ontdekt. Niet alle interessante klankverschijnselen zijn via de RND-verzameling te bestuderen en de transcripties zijn niet altijd optimaal. De zinnetjes die als basis dienden, zijn soms verre van natuurlijk, en daardoor moeilijk te vertalen. Blancquaert probeerde namelijk om allerlei mogelijke ontwikkelingen van het Oudgermaanse klanksysteem, samen met bepaalde verschijnselen uit de vormleer, syntaxis en woordenschat, in woorden onder te brengen en met die woorden dan zinnetjes te maken. Dat lukte af en toe vrij goed, maar lang niet altijd. Er is overigens zowel een ‘Vlaamse’ als een ‘Noord-Nederlandse’ versie gemaakt, omdat men er gaandeweg achter kwam dat in sommige streken bepaalde zinnetjes moeilijk begrepen werden.

Om de onvolkomenheden van de RND recht te zetten, werd er op het einde van de 20ste eeuw een nieuwe enquête gelanceerd, die naar de initiatiefnemers ervan de naam Goeman-Taeldeman-Van Reenenproject (GTRP-project) meekreeg. Dat project had als bedoeling de fonologie en morfologie van de Nederlandse dialecten te bestuderen aan de hand van een mondeling opgevraagde lijst van 1.976 woorden en korte zinnetjes voor 622 plaatsen in het Nederlandse taalgebied. De fonetisch getranscribeerde gegevens zijn beschikbaar aan het Meertens Instituut in Amsterdam en resulteerden in twee atlassen: de Fonologische Atlas van de Nederlandse Dialecten (FAND, 1998-2005) en de Morfologische Atlas van de Nederlandse Dialecten (MAND, 2005-2008).

Bron: Dit is een aangepaste tekst afkomstig van de website http://www.dialectzinnen.ugent.be/ door Jacques van Keymeulen

Afbeelding: kaart naar Van de Wijngaard, H. en R. Belemans (red.) (1997), Het dialectenboek 4. Nooit verloren werk. Terugblik op de Reeks Nederlandse Dialectatlassen (1925 -1982). SND, Groesbeek. p. 142.