|
Zie ook Sint-Maartenszingen 
“De liedjes worden steeds korter!” Vanaf de negentiende eeuw, toen Sintmaartenliedjes voor het eerst werden verzameld en opgetekend, is deze klacht te horen geweest, en nog elk jaar kan hij uit de mond van ouderen worden genoteerd. Of het waar is? Er bestaan nog steeds langere en kortere liedjes; de liedjes die bij het langs de deuren zingen werden gezongen waren toch al nooit zo lang, en voorzover ze dat wel waren bestonden ze uit segmenten die, in afwachting of de deur zou open gaan en er iets zou worden gegeven, in wisselende of vaste volgorde aan elkaar werden geregen. Zolang de zangers de verwachting koesterden iets te zullen krijgen werd er doorgezongen. Zodra ze iets kregen werd met zingen gestopt; werd de deur uiteindelijk toch niet opengedaan dan werd een andere toon aangeslagen. In feite gaat het nog steeds zo. Als de liedjes echt steeds korter zouden worden zegt dat in de eerste plaats iets over de snelheid waarmee deuren worden geopend en snoep, fruit of wat dan ook wordt uitgedeeld. Het zegt ook iets over de repertoirekennis van volwassenen enerzijds en over de zangpraktijk op Sint Maarten anderzijds. De zangers hebben weinig tijd: ze gaan op pad wanneer het begint te schemeren; is het eenmaal donker dan kunnen ze niet al te lang meer doorgaan. Voor hen is het zaak om in die korte tijdsspanne zo veel mogelijk buit binnen te halen door zo veel mogelijk huizen aan te doen. Ze houden het daarom liever kort dan lang. Naarmate kinderen kleiner zijn en de meest simpele liedjes nog niet helemaal beheersen worden ze vocaal meer ondersteund door de hen begeleidende ouder(s). Van de oudere kinderen zijn het vooral de meisjes die langzaamaan een repertoire opbouwen (en daaruit in onderling overleg een of meer korte liedjes selecteren om langs de deuren te zingen). Het zijn echter de enigszins in het onderwerp geïnteresseerde volwassenen die over het grootste repertoire (kunnen) beschikken. Hun kennis is niet alleen al dikwijls opgefrist maar behalve met eventuele nieuwe liedjes ook aangevuld met wat hen al of niet toevallig in de loop der jaren uit gedrukte bronnen onder ogen is gekomen. Zoals – relatief beschouwd – in nagenoeg elke generatie de jeugd niet wil deugen, zullen – eveneens relatief gezien – Sint Maartensliedjes nog heel lang ‘steeds korter worden’. Overeenkomsten met andere kalenderfeesten Elf november, de dag van Sint Maarten, vertoont nogal wat overeenkomsten met andere feesten. Het door kinderen langs de huizen gaan met een lichtje, in welke vorm dan ook, om wat lekkers of wat geld bij elkaar te schooien, vormt ook een aspect van het tegenwoordig steeds meer terrein winnende Halloween (1 november). Sinterklaas, Kerstmis, Onnozele kinderen, Nieuwjaar, Driekoningen, Vastenavond, Pasen en Pinksteren werden in het verleden of worden nog steeds benut om zingend langs de deuren te gaan in de hoop iets te krijgen. Bij de meeste van deze gelegenheden vormde of vormt het verkleed gaan een niet onbelangrijk deel van het optreden.
Sint Maarten als bisschop, kindervriend en belerer, al dan niet gezeten op een (wit) paard, zien we terug in Sint Nicolaas. Ook al lijken ze nog zoveel op elkaar, de viering van hun respectieve feesten vertoont in het algemeen duidelijke verschillen. Niettemin waren of zijn er gebieden waarin de twee, behalve door hun namen, niet van elkaar zijn te onderscheiden, omdat het daar op elf november Sint Maarten is die door een kier van de deur strooit, binnenkomt, lekkers uitdeelt, de stoute kinderen berispt en de brave prijst (Venlo vóor de Tweede Wereldoorlog), of die op dezelfde dag met zwarte knecht en schimmel per schip arriveert, over de daken rijdt en zijn gaven door de schoorstenen werpt (de Westhoek in Westvlaanderen, de streek rond Aalst in Oostvlaanderen). In die gevallen doet Sinterklaas het op 5 december nog eens over ofwel kwam hij toch al nooit. Want zowel op het Belgische als het Nederlandse platteland was Sinterklaas, soms tot ver in de twintigste eeuw, als kinderheilige nagenoeg onbekend. Wel heeft Sint Maarten in Belgisch Vlaanderen en Brabant op z’n minst vanaf de zeventiende eeuw gezelschap gehad van de Greef, de Graaf van Halfvasten, die op de middag vóór zondag Laetare hier en daar, al dan niet vergezeld van zijn ‘Grevin’, in vol ornaat op zijn witte paard paradeerde en lekkers uitdeelde en in de nacht daarop door het land reed om korfjes en mandjes van kinderen met alle mogelijke soorten snoep en koek te vullen. In de loop van de negentiende eeuw werd hij voorzien van het predikaat ‘sint’ (Sinte(r) Greef) en begon steeds meer trekken van Sint Niklaas te vertonen: hij reed nu ook over de daken om, geholpen door zijn knechten, snoepgoed, geschenken of een roe door de schoorstenen in de daartoe klaargezette schoenen, klompen of mandjes te mikken nadat hij daaruit het eventuele voedsel voor zijn paard had weggenomen. In de loop van de twintigste eeuw heeft deze namaak-heilige het tegen de oprukkende echte Sint (Nicolaas) moeten afleggen. Meer in het algemeen wordt de rol van kindervriend en vermaner na vijf of zes december doorgegeven aan de kerstman en/of aan het Kerstkind. In Duitsland, met name in Württemberg, duikt gedurende de gehele periode tussen 11 november en 25 december een enigszins schimmige figuur op. Hij gedraagt zich als Sinterklaas, ziet er soms uit als een kruising van kerstman en (witte) piet en heet Pelz-, Nuß-, Rollen- of Schellenmärte (Märte = Martinus). Op kerstavond draagt hij zijn rol officieel over aan een per jaar wisselend meisje dat als Kerstkind fungeert. Overgangen worden onder andere gemarkeerd door het stoken van vuren. Op of rond Sint Maarten is dat de definitieve overgang van zomer naar winter. Vuren werden en worden onder meer ook gestookt rond Kerstmis (midwinter), oud- en nieuwjaar, Pasen, Pinksteren en Sint Jan (24 juni, midzomer). Op Driekoningen zowel als op Sint Maarten sprongen kleinere kinderen over brandende kaarsen of dansten daar omheen (vergelijk het spelliedje Vinger in de roet wie er mee doet). Gezien al deze overeenkomsten is het niet verwonderlijk dat een en hetzelfde liedje of liedsegment bij verschillende gelegenheden kan worden ingezet. Het meest geschikt daartoe zijn de enigszins ‘neutrale’ versjes, die waarin geen toespeling op de aanleiding tot het bedelzingen wordt gemaakt. Het zijn vervolgversjes, gezongen achter het eerste of tweede liedje waarin de aanleiding (Sint Maarten, vastenavond, enz.) meestal wèl wordt vermeld. Nagenoeg alle versjes hebben een Duits equivalent.
Laat ons hier zo lang niet staan We moeten nog een deur verder gaan
Laßt uns nicht so lange stehn Wir müssen noch ein Häuschen weiter gehn
Geef wat, houd wat, ’t Volgend jaartje weer wat
Gebt wat, holt was Auf das Jahr wieder was
Bovven inne de hörste, Doar hange de spiele mit wörste: Doo mi eenen langen, En loat dee kleine mer hangen.
(Twente 1839)
Droben in dem Firste Hängen die langen Würste Gebt uns von den langen, Die kurzen lasset hangen. (Geheel Noord- en Westduitsland)
Ik heb zo lang met de rommelpot gelopen, Ik heb geen centjes om broodjes te kopen, Al in die bakkerij, al in die bakkerij, Geef mij een centje, dan ga ik voorbij. (Tegelen (L.)1997, St. Maarten)
‘k Hebb so lang met de Rummelpott gelopen57 ‘k Hebb kein Geld um Brod te koopen Fuckepottereij, Fuckepottereij, Giff mi ’n Cent dann gaoh ick U vorbeij. (Niedersachsen, Vastenavond)
Pronepotema, pronepotema, Giwet us en Penning dann goh eck vörbi. (Westfalen, St. Maarten)
Fuckepottereij, Fuckepottereij, Geef mie ’n Stüwer dann gaohn ik vörbie. (Rheinland, Vastenavond) Rommelpot is overal, Koeien en paarden staan op stal, Vette varkens liggen in ’t hok, Blief je wat te geven voor de rommelpot? (Edam (N.H.) 1904, St. Maarten)
Rommelpot staat open, Gooi er maar een centje in. Open, open, open... (Volendam (N.H.) 1997, St. Maarten)
Sinte Maarten (Sinte Pieter, Vastenavond) is zo koud, Geef me ’n turfje of wat hout.. (Vlaanderen, Nederland)
Onse Possen* es so kolt/kalt, *Pasen Gew ons doch en Büssken Holt/Holz. (Westfalen, Rheinland)
Vonk, vonk, fakkele, Zoe menige vonk, Zoe menige appele... (Limburg ca. 1930, Meivuur; Geilenkirchen-Heinsberg 1932, Sint Maartensvuur) Hier woont ain rieke man, Dei ons wel wat geven kan, 'n Cent, 'n appel of een peer, Kommen we 't haile joar nait weer
(Kropswolde (Gr.) 1997)
Hier woont zonne rieken man Dee zo völle gèven kan Äppelkes gèven, keukskes gèven, Zalig zal hij sterven Den hemel zal hij erven. (Losser (Ov.) 1967)
Gooj vrouw, gaef ös get*, *wat Alle kienjer* kriege get, *kinderen Zalig zalt Geer* sjterve, *gij (er) De hemel zalt Geer erve. (Roermond (L.) 1997)
Hier woont een rijk man, Die veel geven kan, Veel zal hij geven, Lang zal hij leven, Zalig zal hij sterven, De hemel zal hij erven. (Beverwijk (N.H.) 1997)
Hier wohnt ein reicher Mann, Der uns wohl was geben kann Viel kann er geben, Lang soll er leben, Selig soll er sterben Das Himmelreich ererben. (Nordrhein-Westfalen, Rheinland) Deer woont 'n raik man, Die veul geve kan, Hoe veel kan niet schelen, Alles zulle we dele, Suikergoed en marsepein, O, wat zal dat heerlijk zijn. (Callantsoog (N.H.) 1997, St. Maarten) Verwantschap bedellied - kinderlied Er zijn nogal wat bedelliedjes waarvan de versregels of verzenparen op eenzelfde melodieregel worden gezongen, een melodieregel met meestal de omvang van een grote terts ofwel een kleine terts met de bovenliggende secunde. [Afb. 2] Een goed voorbeeld is de lange versie van Sinte Sinte Maarten:
Sinte Sinte Maarten, De kalvers dragen staarten De koeien dragen horens De kerken dragen torens De torens dragen klokken De meisjes dragen rokken De jongens dragen broeken Van ouwe skutteldoeken (of andere variaties),
het gaat maar door (voorzover de zangers de vrij ingewikkelde tekst kunnen reproduceren), op dezelfde ‘dreun’, totdat er aan het eind ook melodisch een afsluiting wordt gemaakt. Dezelfde melodische structuur is te herkennen in de korte, vierregelige versie:
Sinte Sinte Maarten De kalfjes hebben staarten
De meisjes hebben rokjes aan Daar komt Sinte Maarten aan,
een versie die overigens al zo’n veertig jaar meegaat, gemakkelijker te onthouden is en inmiddels overal, ook in de Belgische gewesten, populair is. Een ander voorbeeld is Sinterklaas goedheilig man:
Sinterklaas goedheilig man Trek je beste tabbert an Rij er mee naar Amsterdam Van Amsterdam naar Spanje Appeltjes van oranje Peertje van de bomen Sinterklaas gaat komen;
de twee eerste tekstregels (man/ an) op eenzelfde melodieregel, tekstregel drie, vier (hier wisselt het eindrijm van mannelijk naar vrouwelijk) en vijf (Amsterdam/ Spanje/ oranje) op de volgende (tweede) melodieregel; op tekstregel zes wordt melodisch het slot ingezet en op tekstregel zeven wordt melodisch afgesloten. Het geheel is onregelmatig, de tekst is eerder associatief dan logisch en lijkt ter plekke geïmproviseerd om ‘het’ zo lang mogelijk te laten duren. Bij bedelliedjes en de eraan te rijgen segmenten is dat ‘het’ de kans dat er iets wordt gegeven, bij Sinterklaas goedheilig man, van oudsher een knieliedje, was dat ‘het’ het plezier van het rijden op vaders of moeders knie. Vinger in de roet, een speelliedje afkomstig van het ‘kaarsje springen’ op Driekoningen en Sint Maarten, heeft vier onregelmatige tekstregels op eenzelfde melodieregel van een kleine terts met de bovenliggende secunde; het abrupte slot wordt min of meer gesproken en gaat vergezeld van een sprong op de hurken (Hoezee! Wie valt doet niet meer mee). De lol voor kinderen zit hier in de herhaling van telkens hetzelfde. ’t Grunneger Zangbouk van P. Groen bevat een wiegeliedje (nr. 78, ‘Ik zat op ’t hooi...’), voornamelijk bestaande uit (fragmenten van) andere liedjes en versjes. Van de 22 versregels worden er 21 gezongen op dezelfde grote terts, dalend of stijgend, soms met gebruik van de onderkwart.Toch is het geen ‘dreun’ (benaming van P. Groen voor de ‘gewone’ Sint Maartenliedjes), en dat is toe te schrijven aan de gevarieerde ritmiek, veroorzaakt door de onregelmatige wisseling van mannelijk en vrouwelijk rijm en van binnen- en eindrijm, en mogelijk ook aan de (6/8) maat waarin het gezongen moet worden. grote terts: 
kleine terts + bovenliggende secunde:
De terts, vooral de kleine, is de meest natuurlijke interval om iemand te roepen. Aan de hier genoemde, op een terts gebaseerde bedel-, spel-, knie- en wiegeliedjes en aan menig ander liedje uit die kategorieën is dan ook geen componist te pas gekomen. Ze zijn ontstaan in de praktijk, en ze ontstaan nog steeds. Uiteraard zijn en worden er ook nieuwe (bedel)teksten gemaakt op bestaande ‘echte’ melodieën. Ik noem hier die van Altijd is Kortjakje ziek voor een aantal lampionliedjes en die van Daar was laatst een meisje loos (of O wat zijn we heden blij) voor Elf november is de dag.
Ook in de teksten is de invloed van kinderliedjes op bedelliedjes zichtbaar, bij voorbeeld in de nog steeds groeiende kategorie waarin vaders en moeders aan de orde komen. De wiegeliedjes
Suja, suja, kindje! Moeder is je mintje Vader is je winnebrood; Over een jaar is 't kindje groot
stond samen met
Roe! roe! kind-je, Hoe ben je toch zoo stout! [enz.] 't Wiegje dat gaat zwik, zwak, Voor den kleinen dikzak
model voor Sinte Maarten (of Sint Martinus) mik-mak:
Sinte Maarten mik-mak Je moeder is een dikzak Je vader is een dun(ne)tje Geef me ’n pepermuntje
Dit liedje, voor het eerst gedocumenteerd in 1963 in Heemskerk (N.H.) en inmiddels overal bekend, genereerde weer andere mik-mak-versies inclusief vaders en moeders. Een paar misschien alweer belegen voorbeelden:
Sinte Maarten mik-mak Je moeder kijkt naar Tik-Tak* *(Vlaams kleuterprogramma BRTN) Je vader kijkt naar Sesamstraat Dat is wel een snoepje waard. (Groningen, Friesland, Drente 1997, Utrecht 1998, Noord Holland 2000-2003) Sinte Maarten mik-mak, Mijn moeder maakt een flik-flak, Mijn vader maakt een koprol, Middenin een hondendrol.
(Purmerend, Alkmaar (N.H.) 2000, 2001) Sinte Maarten mik-mak Je moeder is een dikzak Je vader is een hamer Smijt hem door de kamer. (Alkmaar 2001)
In Groningen heeft de Suntermeerten-vogel (uit Kip, kap, kogel), in 1938 nog overal bezongen, in 1997 volledig voor de vaders en moeders moeten wijken:
Kip kap kogel, Mien moeke is ’n vogel, Mien pa is ’n muske, Ze geev’n elkoar ’n kuske. (o.a. Midwolde 1997)
Kip kap kögel Mien mouder is ’n vögel Mien vaoder is een Sottan Doar bin ik een kind van! (Oude Pekela 1938, Bellingwolde 1997) Kip kap kogel, M'n vader schiet een vogel, M'n moeder braad 'm in de pan, Daar krijg ik een stukje van.
(Stuifzand (Dr.) 1997)
Sunner Meerten tuut(je) of Aiber Sunder Tuudje werd in 1997 nog wel gezongen, maar lang niet zo vaak meer als in 1938:
Sunner Meerten tuutje, Mien voader dei hait Luutje, Mien mouder dei hait Jaantje, Geef mie 'n cent ient haandje (o.a. Pieterburen 1997)
Andere vader- en moeder-liedjes of versjes:
Zwaen, zwaen, platvoet, Je moeder is ’n natvoet, Je vader is een timmerman Die de kost verdienen kan. (Palmpasen, Hoorn (N.H.) ca. 1900)
Palm, palm-paasie, Je moeder ken in een glaassie, Je vader in een pijpekop, En ’t kind ken in een neutedop. (Texel (N.H.) ca. 1900)
Pallem, pallem paosen Mien vader heet Jan Klaosen Mien mooder heet Jan Driekusman, Daor bunne wi'j femilie van. (Meddo (Gld.) ca. 1985)
Klaar... Over! Je vader is een rover, Je moeder is een dief, Ik ben lief. (Amsterdam ca. 1950) Het oudst bekende (Nederlandse) Sint Maartensliedje Het oudste gebruik dat gekoppeld is aan het Sint Maartensfeest – of waartoe het Sint Maartensfeest werd aangegrepen – was de opening van het nieuwe wijnjaar: het ceremoniële proeven van de nieuwe wijn, dat al snel uitliep op uitgebreide eet- en drinkgelagen. Voorzover toch al niet door de kalender bepaald kon de koppeling van Martinus aan wijn worden gelegitimeerd met de wijnwonderen die hij volgens zijn latere biograaf Gregorius van Tours zou hebben verricht. Het gebruik om op of aan de vooravond van het Sint Maartensfeest lekker te eten en overmatig te drinken (althans door wie zich dat kon permitteren), aanvankelijk beperkt tot centraal Frankrijk, heeft zich, niettegenstaande een al in 585 door de Synode van Auxerre daartegen uitgevaardigd kerkelijk verbod, in de loop van vijf of zes eeuwen over nagenoeg heel Europa verspreid.
aqu.jpg)
Behalve voor de welgestelden was het Sint Maartensfeest in de Nederlanden vooral een feest voor de armen en voor de schooljeugd. De armen, kreupelen en gebrekkigen werden op het feest van hun patroon in sommige steden (extra) bedeeld. De schooljeugd kreeg, na het verplicht bijwonen van de mis, voor de rest van de dag vrijaf en vermaakte zich met het verzamelen van en het bedelen om brandbaar materiaal, met fakkels lopen en vuren stoken. Het eerste verbod daartegen werd in 1443 uitgevaardigd in Dordrecht, misschien niet eens zozeer vanwege de vuren dan wel vanwege de daartoe aan de huizen aangerichte schade: de 'jonghe boefkens' ontzagen zich niet om voor hun vuren banken, deuren, vensters en al het overige hout dat zij konden afbreken mee te nemen. Toen in 1542 in Gent de Sint Pietersvuren wegens brandgevaar en toegebrachte schade verboden waren volgde in 1573 Mechelen, eveneens na vernielingen en houtdiefstal. In de onafzienbare reeks van verboden die tijdens en na de Reformatie in de Noordelijke Nederlanden zijn uitgevaardigd – tegen Sint Maartens-, Sint Jans- en Meivuren, tegen fakkeloptochten, tegen het Meiboom halen en planten, tegen het Nieuwjaarszingen, het Driekoningenzingen, het 'Vastenavond lopen', de Vastelavondbieren en de daaraan verbonden verkleedpartijen, tegen het bedelen om Paaseieren, het luilakvieren, de Pinksterbruid, de Sint Nicolaasgebruiken en vooral tegen het dansen en tegen de daarbij gezongen liedjes – is het niet altijd duidelijk of het daarbij ging om handhaving van de openbare orde en veiligheid, om uitroeiing van heidens (= katholiek) bijgeloof, of om een toenemend fatsoensbesef. Het hoeft niemand te verwonderen dat in een klimaat waarin de scheiding tussen het ‘volk’ en degenen die zich daartoe niet rekenden steeds groter werd, er weinig belangstelling, eerder afkeer en minachting bestond voor de liedjes die dat volk zong. Tot in de negentiende eeuw is daarvan dan ook nagenoeg niets vastgelegd. Tenminste van één Sint Maartensliedje weten we zeker dat het bekend is geweest. In Den christelicken hvys-hovder, een katholiek instructieboekje met vragen en antwoorden, verschenen aan het begin van de zeventiende eeuw, komt de volgende passage voor:
“Wat bediedet dat de kinderen op S. Martens avondt roepen Stoockt vier, maeckt vier: Sinte Marten komt hier Met syne bloote armen Hij soude hem gheerne warmen? Dat is upt die oorsake ghesproten dat hij eens met haeste synen rock eenen armen gaf ende een arm kleedt aen dede daer de mouwen syne armen niet en bedeckten.”
Waarmee de auteur, Joannes David (1545-1613), een spirituele draai aan de realistische inhoud gaf, uiteraard om zijn lezers te stichten. Hij gebruikt weliswaar het woord ‘roepen’ (eerste regel), maar gezien de versvorm zal dat eerder scanderen zijn geweest, zo niet het zingen op een ‘monotone’ (drietonige) melodie. Mogelijk is dit liedje ontstaan rond de Sint Jansvuren (24 juni); afbeeldingen van Sint Maarten met blote armen zijn uiterst dun gezaaid, terwijl Johannes de Doper veelal met half of geheel ontkleed bovenlijf en blote benen wordt weergegeven. Het lied(segment) wordt nog steeds gezongen, in zijn geheel, gedeeltelijk, aangevuld met andere versregels of ingevoegd als segment. In 1997 werd het, na uitzending van een vragenlijst over Sint Maartensgebruiken, aan het Meertens Instituut toegestuurd vanuit Terschelling, Overijssel, Gelderland, Noord Brabant, Limburg en vooral vanuit Westvlaanderen. Wel was het aantal inzendingen van dit segment, in vergelijking met een in 1938 uitgezonden lijst over hetzelfde onderwerp, beduidend minder. In ’38 was ook Friesland nog ruim vertegenwoordigd met de eerste twee regels en met verschillende varianten van de nu enkel nog op Terschelling bekende (vierregelige) versie, een contaminatie met het vooral in Noord-Holland populaire ‘Sinte Maarten is zo koud/ Geef een turrefie of wat hout’. De onderstaande (verlengde) versie is daarvan een voorbeeld:
Sinte Marten is so koud Hij bouwt sin fuur van turf en hout Hij sit erbij te warmen Al met sin blote armen Hij sit erbij te trillen Al met sin blote billen. (Huizum 1938)
In het Groninger Westerkwartier werd in ’38 enkel nog de eerste regel van de door Joannes David gebruikte verse, althans een klanknabootsing daarvan: Rood vuur, braand vuur, gezongen, wat bij ontstentenis van een tweede, rijmende regel, nu ook verdwenen is. De gecontamineerde ‘Terschellinger’ versie was in ’38 ook nog hier en daar in Zeeland en Noord Holland bekend, in en rond Krommenie en Westzaan eveneens met een toegift:
Suntere Maarten is zo koud Geef ’m ’n turrevie of ’n hout Kan ie zich bewarreme Met z’n blote arreme Met z’n blote bene Kan ie ’n centje verdene (of:) Daar gaat Sunter Maarten hene.
Aan weerskanten van de IJssel wordt nu nog gezongen ‘Stook vuur, stook vuur/ Sonde (Sante, Sinter) Maarten is zo duur’; in Maasbree (L.) klinkt dezelfde formule, maar daar is Sint Merte juist níet duur (‘neet deur’). In Noord Brabant en West-Vlaanderen zijn de door David geciteerde regels ingebed in een ander lied, waarvan uit Westvleteren het volgende voorbeeld:
Sinte-Moartens oavend, de torre goa mei noa Gent, En o' mien moedre koekschjes bakk'n, 'k zitt'n zoa geir’n oentrent. Stokt vier, makt vier, Sinte-Moarten komt ollier, Mê zien bloat'n oarmes, Meuk ê bitje warmen, Warmen toet te vieren, 't Is morge' Sinte-Liere, Overmorge' Sinte-Lap, It je buuk vul dikk’n pap.
Over de mogelijke betekenis van ‘torre’ (regel 1) hebben al ettelijke generaties zich het hoofd gebroken. Het woord hoeft misschien niet zo letterlijk genomen te worden. Liedjes als deze werden in eerste instantie mondeling overgeleverd, dat wil zeggen, van de mond van de een via het oor en het verstand van de ander naar diens mond en zo verder, in dit geval naar de pennen van de eerste optekenaren die fonetisch weergaven wat zij hoorden en dat als ‘tore’, ‘toren’ of ‘torre’ in gedrukte vorm lieten conserveren. In het hierboven staande lied zien we dat de lange a-klanken als oa worden weergegeven. Dat zou kunnen impliceren dat ‘tore(n)’ ook als ‘toare(n)’ weergegeven had kunnen worden en dan herkenbaar afkomstig van ‘tare(n)’ zou zijn. De stap naar ‘lantaren’ is dan niet ver meer. Zoals ook in de spreektaal de a van ‘tare(n)’de klemtoon heeft, ligt in de bijbehorende melodie op diezelfde a een metrisch accent. Een onbeklemtoonde lettergreep op die plaats kan eenvoudig niet. Samen met de kan lan- in de opmaat, maar moet daar zo vlug gezongen worden dat het gemakkelijk ingeslikt wordt of nauwelijks meer te horen is. Een nieuwe toehoorder-zanger weet dan niet beter of er moet een tore (mutatis mutandis als torre weergegeven) mee naar Gent, wat dat ook moge zijn, en vandaar ook ‘toren’, omdat men zich daarbij tenminste iets kan voorstellen. Graag zou ik nog zijn ingegaan op het onstaan en het verloop van ‘lichten lopen’, op de organisatie daarvan in de twintigste eeuw waardoor het feest van karakter veranderde, op de min of meer nostalgische belangstelling voor kinderliederen casu quo kalenderliederen rond het midden van de negentiende eeuw, op het ontstaan en de betekenis van de Sinte Maartens vogel, de kip-kap-kogel en haar Noord Hollandse, Oost Friese, Limburgse en Vlaamse equivalenten en op de nog steeds groeiende hoeveelheid aan dierenliedjes in verband met Sint Maarten. Dat bewaar ik voor een volgende keer. Marie van Dijk Literatuur *Bewerkte versie van een lezing, gehouden op 29 Maart 2003 voor de Vereniging van Vrienden van de Martinikerk in Groningen
Abramsz, S., Rijmpjes en versjes uit de oude doos. (1910) 199743.
David, P.I., Bloem-hof der kerckelicker cerimonien, item den christelicken hvys-hovder met eene spongie der qvader seden. Antwerpen 1607
Etnologia Flandrica 11 (1995) (Themanummer over Sint Maarten).
Francken, M.J., ‘Het Sint-Maartenszingen in Noord-Holland’, in Noord-Holland 8 (1963) 141-160
Gouw, J. ter, De volksvermaken. (Haarlem 1871)
Groen, P., ’t Grunneger Zangbouk, de tweede druk van Oude en Nieuwe Groninger Liederen. (Winschoten 1958)
Mezger, W., ‘“Brenne auf mein Licht...”. Zur entwicklung, Funktion und Bedeutung der Brauchformen das Martinstages’, in W. Groß & W. Urban (Hrsg), Martin von Tours. Ein Heiliger Europas (Ostfildern 1997) 273-350
Siuts, H., Die Ansingelieder zu den Kalenderfesten (Göttingen 1968).
Vloten, J. van, Nederlandsche Baker- en kinderrijmen (1874) 1894 en herdrukken
Vragenlijsten Meertens Instituut nr. 4 II (1938, St. Maartensdag) en nr. 68 (1997, Sint Maarten)
Walsh, Martin W., “Martín y muchos pobres”: Grotesque versions of the charity of St Martin in the Bosch and Bruegel schools [Essays in Medieval Studies 14]. www.luc.edu/publications/medieval/vol14/walsh.html
Afbeeldingen in de tekst: 1. Sint Maarten. Aquarel (anoniem), tweede helft 19e eeuw (Atlas van Stolk) 2. Sint Maarten 2001. Gistel (West Vlaanderen) 3. Feesten van het jaar, aquarellen van Karel Frederik Bendorp (1736-1814).
|