door John Helsloot
 

Dat Sinterklaas een ‘knecht’ heeft, die bovendien ‘zwart is van kleur’, was voor het eerst te zien op de mooie illustraties in het boekje met versjes Sint Nikolaas en zijn knecht. Het verscheen in 1850 in Amsterdam en was geschreven door de oud-onderwijzer Jan Schenkman. Een naam gaf Schenkman de knecht, of het ‘knechtje’, niet.


Omdat Schenkman geen uitsluitsel bood, kon iedereen in principe zelf een naam verzinnen. Hoe dat precies gegaan is, is nog steeds niet goed onderzocht. Toch valt er over de grote lijn in de naamgeving wel iets te zeggen. Het is hoogstwaarschijnlijk dat de naam ‘Zwarte Piet’ pas in de eerste helft van de twintigste eeuw in brede kring aanvaard en ingeburgerd is geraakt. Dat kwam doordat het Sinterklaasfeest steeds meer een nationaal karakter kreeg. Men ging er prijs op stellen dat dit overal in Nederland, min of meer gelijktijdig gevierde feest ook steeds meer volgens ongeveer hetzelfde patroon verliep. Dan was het ook zaak dat de naam van de dienaar van Sinterklaas overal hetzelfde was.

In de periode tot aan ongeveer 1950 bestond er nog een grote variëteit, om niet te zeggen een wildgroei, aan namen voor de knecht. Enerzijds kon men het accent leggen, zoals Frits Booy in zijn boek Op zoek naar Zwarte Piet terecht schrijft, op het exotische van van deze figuur. Dan was ook een vreemde, mysterieuze of rare naam op z’n plaats. Zoals, met name in de zuidelijke provincies, Trappadoeli, Assiepan, Sabbas, Sjaak Sjoor of, in aansluiting bij soortgelijke figuren in Duitsland en Vlaanderen, Hans Moef of Nicodemus. Anderzijds kon men hem in de eerste plaats als een gewone knecht beschouwen. Dan kreeg hij een naam die een knecht in Nederland vaak had, zoals Jan. Of Piet.

Typisch Nederlands


Wat nu de doorslag gegeven heeft dat juist Piet het gewonnen heeft van zijn vele concurrenten blijft onduidelijk. Het klinkt in ieder geval heel erg Nederlands. Dat was belangrijk toen in de loop van de twintigste eeuw het Sinterklaasfeest steeds meer als iets ‘typisch Nederlands’ werd beschouwd. Jan komt daarvoor zeker ook in aanmerking. Maar Piet ligt, taalkundig gezien, beter in het gehoor dan Jan.

Daar komt bij dat de naam Piet oude papieren heeft. De combinatie ‘zwarte Piet’ trof Frits Booy voor het eerst aan in een prentenboek uit 1868. ‘Pieter’ vond Jef de Jager al in een boek uit 1863, De feestvierende Katholieke kerk in Nederland. Huisboek voor Christelijke gezinnen. Daarin wordt beschreven hoe Sinterklaas thuis op bezoek komt. ‘Menigeen’, gaat het verder, ‘laat hem vergezellen door een ander personaadje [personage], een Neger, die onder den naam van Pieter, mijn knecht niet minder populair is dan de Heilige Bisschop-zelf’.

Jozef Alberdingk Thijm


Uit mijn eigen onderzoek blijkt dat deze tekst is overgenomen uit de krant De Tijd van 1859. En ik vond een nog oudere bron voor deze combinatie ‘Pieter mijn knecht’. Via een artikel van Anton van Duinkerken in De Tijd van 1931 stuitte ik op een boekje, getiteld St. Niklaasgoed. 1850. Het wordt bewaard in de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam. De katholieke literator Jozef Alberdingk Thijm (1820-1889) liet dat in 1850 bezorgen bij zijn goede vriend E.J. Potgieter (1808-1875), de bekende redacteur van het tijdschrift De Gids. Het bevat een aantal door Thijm in 1850 geschreven, merendeels godsdienstige gedichten. Voorin staat een handgeschreven opdracht van Thijm, in de vorm van een geestige dialoog tussen ‘St. Niklaas’ en… ‘Pieter-mê-knecht’.

Het valt moeilijk om hierin iets anders te zien dan een zinspeling op de figuur van de knecht van Sinterklaas, die in datzelfde jaar 1850 ten tonele was verschenen in het boekje van Jan Schenkman. Ongetwijfeld heeft Thijm het zelf gekocht of ervan gehoord. Want hij vierde graag Sinterklaas. Hetzelfde gold voor Potgieter. Van hem weten we zeker dat hij het boekje kende, althans in 1865. Want toen vond hij het belangrijk genoeg, zo blijkt uit onderzoek van Eugenie Boer, om het aan de bibliotheek van de Historical Society in New York toe te sturen. Maar hoogstwaarschijnlijk heeft hij het eerder, vast ook al in 1850, gekocht of onder ogen gehad en er misschien wel met Thijm over gesproken. Want anders was de dialoog voor hem immers onbegrijpelijk geweest.

Heeft Thijm de naam Pieter-mê-knecht meteen zelf bedacht voor de knecht toen hij het boekje van Schenkman las? Of deed die in Amsterdam al gauw de ronde? Er klinkt iets-van-anderen-gehoords in door. Of zelfs iets-al-langer-bestaands.

Kroesharige neger


Een aanwijzing dat dat misschien inderdaad het geval was, valt te lezen in een in 1884, dus op 64-jarige leeftijd, door Alberdingk Thijm geschreven artikel in het dagblad De Amsterdammer. Daarin beschrijft hij een Sinterklaasfeest, een ‘Strooiavond’, in 1828, waarop hij als kind was uitgenodigd met nog zo’n veertig, vijftig andere jongens en meisjes. Het werd gegeven op de Herengracht in het huis van een welgestelde koopman, de Italiaan Dominico Arata, die met een nicht van Thijms moeder was getrouwd. Van Arata werd gezegd dat hij ‘hoewel van geboorte een vreemdeling, in gewoonten en manieren een Nederlander geworden’ was. Terwijl de kinderen dansten en Sinterklaasliedjes zongen, ging plotseling

de deur open en de kinderlievende Bisschop, in eigen persoon kwam, met een choorkap [koorkap] om, met een langen witten baard en een mijter, de kamer binnen. "Pieter me knecht" was in zijn gevolg, een kroesharige neger, die, bij de familie Arata, geen "gard" onder den arm droeg, maar, in tegendeel, een ruimen korf, waar allerlei elegante prezentjens [...] gestapeld waren. Terwijl wij dansten, wierp Sint Niklaas van tijd tot tijd ulevellen, chokolaadjens met pistachen, kapittelstokjens, suikererwten, amandelen, rose, wit, licht geel, enz. in den kindercirkel, uit een grooten zijden zak, die hem voor het lijf gebonden was. Hij gaf ons [...] eenige kwalijk geformuleerde zedelessen ten beste, en daarna begiftigde hij ieder onzer met een artikeltjen uit den korf van "Pieter me knecht".

Als we Thijm mogen geloven, speelde al in 1828 iemand voor de zwarte knecht van Sinterklaas. Dat kan een man zijn geweest die zich met ‘kroeshaar’ zo uitdoste, net zoals een Sinterklaas dat doet met een lange witte baard. Of het was een echte zwarte. Thijm suggereert ook dat deze "Pieter me knecht" niet uitsluitend bij de Arata’s op bezoek kwam.

Jeugdherinneringen


Dat zou betekenen dat deze figuur ruim twintig jaar vóór het verschijnen van het boekje van Jan Schenkman al bekend was in de Amsterdamse Sinterklaasviering. Was Jan Schenkman dan toch niet de eigenlijke bedenker van Zwarte Piet? Maar eerder iemand die wel eens gehoord had dat Sinterklaas zo’n zwarte dienaar had op strooiavonden, georganiseerd in huizen van gegoede Amsterdammers? Of zijn bij Thijm vroege indrukken en latere ervaringen versmolten geraakt? Het valt niet uit te sluiten, al wist hij heel precies dat het feest plaats had voor ‘de gebeurtenissen van 1830’, de Belgische Opstand, zoiets als tegenwoordig bij oudere mensen ‘voor de oorlog’. Dat Thijm in 1850 direct de naam Pieter-mê-knecht paraat had, wijst er toch sterk op dat hij die zich, geprikkeld door het boekje van Schenkman, echt herinnerde uit z’n jeugd.

Dat plaatst het onderzoek naar Zwarte Piet voor weer nieuwe, spannende vragen. Waar kwam de ‘kroesharige neger’ in 1828 vandaan? Of waarom verkleedde men zich als zo iemand? Was zo’n bediende toen ergens in dienst in de Amsterdamse grachtengordel? Of bestonden daaraan nog herinneringen? Wie bedacht, en waarom, dat die wel goed als helper van Sinterklaas zou kunnen fungeren? Thijm zelf wist dat niet. In een artikel in De Hollandsche Lelie van 1887 vermoedde hij dat de zwarte knecht ‘een schepsel van de volksverbeelding’ was, ‘uit de behoefte aan kontrasten geboren’. Speelde zo’n zwarte knecht, echt of als zodanig verkleed, ook in de jaren 1830-1840 een rol op Amsterdamse Sinterklaasfeesten? En waarom toonde Jan Schenkman deze figuur pas in 1850 in zijn boekje? Wordt vervolgd.

Afbeeldingen: 1. Bron: Flickr, Flashpro; 2. J.A. Alberdingk Thijm, door A.J. Ehnle/P. Blommers (1852). Bron: DBNL.

Bronnen

  • De Tijd 6-12-1859, 5-12-1931; dagblad De Amsterdammer, Extra St. Nicolaasnummer, 24 november 1884 (knipsel in Katholiek Documentatie Centrum, Archief J.A. Alberdingk Thijm, inv.nr. 2356); Algemeen Handelsblad 11-7-1854 (necrologie Arata); De Hollandsche Lelie 7-12-1887.

Literatuur

  • Eugenie Boer, ‘Bien étonnés de se trouver ensemble – of toch niet? Potgieter en Sint-Nicolaas’, Nieuw Nederlands Magazijn 27:2 (2009) pp. 46-51.
  • Eugenie Boer en John Helsloot, Het Sinterklaasboek. Zwolle 2009.
  • Frits Booy, Op zoek naar Zwarte Piet. Een speurtocht naar de herkomst, de ontwikkeling en de betekenis van de dienaar van Sinterklaas. Tweede druk. Eindhoven 2008.
  • John Helsloot, ‘De opkomst van Sinterklaas als nationaal feest in Nederland. Een schets op grond van twee volkskundevragenlijsten van het Meertens Instituut'. In: A. Döring (ed.), Faszination Nikolaus. Kult, Brauch, Kommerz. Essen 2001, pp. 104-139.
  • John Helsloot, ‘De ambivalente boodschap van de eerste "Zwarte Piet" (1850)'. In: E. Doelman & J. Helsloot (ed.). De kleine Olympus. Over enkele figuren uit de alledaagse mythologie. Amsterdam 2008, pp. 93-117.
  • Jef de Jager, Rituelen. Nieuwe en oude gebruiken in Nederland. Utrecht 2001.
  • Marie-José Wouters, Sinterklaaslexicon. Sinterklaas van A tot Z. Tweede druk. Haarlem 2009.

Het boekje Sint Nikolaas en zijn knecht van Jan Schenkman is in zijn geheel gereproduceerd in Henk van Benthem, Sint-Nicolaasliederen. Oorspronkelijke teksten en melodieën. Leidschendam 2009.

Dit artikel is verschenen in de digitale nieuwsbrief (november 2011) van het Meertens Instituut. Ook abonnee worden? Klik hier