Every first friday of the month (except for July and August), the institute sends out a digital newsletter. The newsletter is in Dutch.

Below you will find an overview of the 'question of the month', all are in Dutch. 

  • In de laat middeleeuwse geschriften, protocollen worden veel afkortingen van woorden gebruikt. Hebben deze afkortingen van woorden in Nederland dezelfde betekenis?

    Vriendelijke groet, H.J.Vesters  

    Deze vraag wordt beantwoord door Mathilde Jansen

    De vorige directeur van het Meertens Instituut, Hans Bennis, schreef in 2015 een boek over het Korterlands. Hij verwees met die term naar het Nederlands van tegenwoordig, waarin veel verkorte taalvarianten worden gebruikt. Met name op berichtendiensten als Whatsapp, waarin mensen snel op elkaar reageren, komen afkortingen veelvuldig voor. Toch zijn verkorte taalvarianten niet nieuw. In zijn boek laat Bennis onder andere zien dat afkortingen van alle tijden zijn. En dat ze bepaalde wetmatigheden volgen.

    Invloed Latijn

    In middeleeuwse handschriften komen bijvoorbeeld ontzettend vaak afkortingen voor. In plaats van afkortingen gebruikt men ook wel de Latijnse term 'abbreviaturen'. Voor een deel gaan die terug op het Grieks en het Latijn. Invloeden uit het Latijn in het Middelnederlands zijn er volop, omdat het Latijn in die tijd veel gebruikt werd als schrijftaal. En in het Latijn werden duizenden afkortingen gebruikt, die allemaal terug te vinden waren in het afkortingenboek van Cappelli.

    Met de hand

    Dat men in de middeleeuwen zo veel afkortingen gebruikte in de geschreven taal had een goede reden. Omdat er nog geen drukpersen waren, moest alles met de hand worden opgeschreven. Om boekwerken te kunnen verspreiden, schreven monniken hele teksten met de hand over. Daarin mochten ze zich wel zekere vrijheden permitteren, niet alleen in de spelling maar ook in het gebruik van afkortingen. Door die vrijheid van de schrijver heb je voor het ontcijferen van een afkorting in een middeleeuws handschrift wél de context nodig. Afkortingen zijn dus niet altijd hetzelfde, maar toch lopen ze ook niet heel erg uiteen.

    Regels

    Er zijn namelijk wel regels te ontdekken in de manier waarop schrijvers in de middeleeuwen afkortingen maakten. Zo is er meestal sprake van suspensie of contractie. In het geval van suspensie zijn er aan het eind van het woord een of meer letters weggelaten. Bij contractie zijn de eerste en laatste letter blijven staan en ontbreken letters daartussenin. Beide principes kom je ook tegen in hedendaagse vormen van afkortingen.

    Herkenning

    Uit het Latijn werden ook bepaalde afkortingsconventies overgenomen. Zo bestond daar de gewoonte om de laatste letter van de afkorting te verdubbelen in het geval van meervoud. Daarom staat ms voor manuscript en mss voor manuscripten, net zoals pp het meervoudige pagina’s betekent, en blzz bladzijden. Vaak werden afkortingen in Middelnederlandse teksten ook voorzien van een speciaal teken: dan stond er boven de letters bijvoorbeeld een horizontaal streepje of een apostrof. Daaraan kon je de afkorting herkennen.

    Bron: Hans Bennis 2015, Korterlands. Anarchie in de schrijftaal. Prometheus, Bert Bakker, Amsterdam.

    Lees ook: Het korterlands is van alle tijden (Meertens Nieuwsbrief 2015)
    _______________________________________

     

    Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (januari 2018) van het Meertens Instituut. Heeft u een vraag voor het instituut, stuur dan een This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.

  • Waarom houdt het Meertens Instituut zich bezig met acupunctuur?
    Het antwoord wordt gegeven door onderzoeker etnologie Peter Jan Margry.

    De vraag zou eigenlijk moeten luiden:'Waarom houdt het Meertens Instituut zich bezig met alternatieve geneeswijzen?' Sinds 2016 verkent het Meertens Instituut het veld van alternatieve geneeswijzen.

    U denkt nu waarschijnlijk: het Meertens Instituut en genezen, dat past niet bij elkaar. Tot op zekere hoogte is dat ook zo. Als het Meertens zou willen gaan vaststellen of geneeswijzen deugen dan wel effectief of werkzaam zijn, dan zouden wij buiten ons disciplinaire boekje gaan. Echter, een dergelijk doel is niet wat we beogen. Ons onderzoek houdt zich in het algemeen bezig met cultuurverschijnselen van het dagelijks leven. Daaronder valt het fenomeen van ‘alternatief genezen’. In de praktijk blijkt immers dat genezen niet alleen door medische maar ook door sociale en culturele factoren wordt bepaald. Tussen de verschillende culturen kan de bestrijding van ziekte en pijn aanmerkelijk verschillen. Op wereldschaal bezien is weliswaar de biomedische geneeskunde dominant, maar als je kijkt hoe met name Afrikaanse en Aziatische samenlevingen omgaan met genezen en hoe overal de domeinen van het geneesmonopolie op heel verschillende wijze, en al dan niet op wettelijke basis, zijn afgebakend, dan blijkt er geen universele geneesvorm te bestaan.

    ==De tekst gaat verder onder de afbeelding==

    Op 20 december 2017 vindt de themamiddag 'Alternatief genezen: conflict en harmonie' van het Meertens Instituut plaats. Meer informatie en aanmelden.

     

     

     

    Medische geneeskunde en alternatief genezen: het gaat om twee omvangrijke domeinen van gezondheidszorg die opmerkelijk genoeg grotendeels naast elkaar en ‘disconnected’ functioneren. Door de toename van alternatieve geneeswijzen en het telkens weer oplaaien van discussies daarover in de media bestaat er een urgente vraag naar meer kennis over en duiding van het verschijnsel, zodat hierover een meer constructief perspectief, zonder alle emoties en misverstanden, tot stand kan komen. Het is zinvol om op een andere manier dan de medische naar het verschijnsel van alternatief genezen te kijken, zowel naar concrete gevallen als naar de impact op de samenleving als geheel.  

    Genezen en alternatief genezen zijn van alle tijden, maar in het recente verleden is de balans tussen beide aanzienlijk verschoven in onze samenleving. In de afgelopen jaren hebben we gezien hoe de markt voor ‘niet-medische’ vormen van genezen zich heeft verbreid, vernieuwd, geprofileerd, en bovenal een steeds vanzelfsprekender plaats in het leven van alledag is gaan innemen. Dat laatste beperkt zich allang niet meer tot degenen die als ‘zwevers’ bekendstaan. Integendeel, we hebben te maken met een massaal gevoelde behoefte binnen de Nederlandse samenleving.


    Het is daarmee een relevant thema voor een onderzoeksinstelling als het Meertens Instituut, dat zich ten doel stelt de cultuur van het dagelijks leven te onderzoeken. De behoefte aan kennis over de socio-culturele kanten van alternatief genezen is immers groot. Vroeger gebeurde dergelijk onderzoek met behulp van ‘Volkskundevragenlijsten’, tegenwoordig gebruiken we informatie die afkomstig is van het zogenoemde Meertens Panel, een online platform waarmee we een groot aantal Nederlanders thematisch kunnen bevragen. In het verleden zijn irreguliere genezeressen object van onderzoek geweest. Een curieus voorbeeld van volksgeneeskundig onderzoek ging over de aan de tortelduif verwante lachduif die vroeger in kooien boven de keukendeur werd gehangen, ter genezing van huidziekten. Bedevaarten en genees- en beschermheiligen zijn zelfs systematisch door ons onderzocht, en sinds kort beschikken we over een online platform voor wetenschappelijk onderzoek naar alternatieve geneeswijzen (www.rahrp.org).

    > Op 20 december 2017 vindt de themamiddag 'Alternatief genezen: conflict en harmonie' plaats. Meer informatie en aanmelden.
    > In januari 2018 verschijnt het zogenoemde nieuwjaarsboekje van het Meertens Instituut, dat dit jaar over alternatieve geneeswijzen gaat. Meer informatie volgt.
    > In 2016 werden de eerste uitkomsten van het onderzoek n.a.v. de vragenlijsten over alternatief genezen gepresenteerd.

    Foto's: 1. Flickr.com, Side (CC BY 2.0), 2. Peter Jan Margry, 3. Vragenlijst Meertens Instituut

    _______________________________________

    Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (december 2017) van het Meertens Instituut. Heeft u een vraag voor het instituut, stuur dan een This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.

     


     
  • Werden nonnen vroeger weleens ingemetseld in de muur van een kerk of klooster?

    De vraag wordt beantwoord door Lisanne van Kesteren, stagiair bij de Volksverhalenbank.

    De middeleeuwen staan vaak – deels ten onrechte – bekend als erg wreed. Zo doen verhalen de ronde waarin nonnen als straf werden ingemetseld of levend werden begraven. Een voorbeeld hiervan is de sage van de non van Singraven. In dit verhaal wordt een non onkuis bevonden door andere nonnen. Na een schijnproces wordt ze ingemetseld in de muur van het klooster. Dagenlang is haar gekrijs en gejammer te horen, maar daarna wordt het stil. Het begint te spoken in het klooster. De geest van de non kan zelfs eeuwen nadien nog angst inboezemen bij mensen uit Singraven.

    Door dit soort verhalen denken veel mensen dat nonnen vroeger als straf of boetedoening (penitentie) werden ingemetseld. Dit is echter niet meer dan een fabel, want penitentie bestond, nadat er gebiecht was, over het algemeen uit bidden en goede daden verrichten. Het vrijwillig inmetselen van nonnen gebeurde echter wel in een andere betekenis van het woord: voor hen was het een persoonlijke keuze om zich in te laten sluiten als kluizenares. Een goed voorbeeld hiervan is Suster Bertken.

    In 1457 liet deze dertigjarige zuster zich op deze manier vrijwillig inmetselen in de Utrechtse Buurkerk, om zich niet langer door het wereldse te laten afleiden en zich in alle vroomheid aan God te kunnen wijden. Zij leefde in totaal 57 jaar in haar ‘kluis’, welke een kamer was van een paar vierkante meter groot. Ze bezat een bed, een tafel en een stoel en er was een deur die door een geestelijke geopend kon worden in geval van nood, ziekte of overlijden. Daarnaast zaten er twee raampjes in de kluis. Door het ene raam kon ze het hoofdaltaar van de kerk zien, waardoor ze alle vieringen kon bijwonen. Het andere raam zat aan de straatzijde, wat ervoor zorgde dat Suster Bertken kon praten met voorbijgangers die haar advies of een luisterend oor nodig hadden.

    Op de Maartensbrug tegenover de Buurkerk in Utrecht is een lantaarnconsole te zien waar de inmetseling van Suster Bertken staat afgebeeld. Op deze plek kunt u het verhaal van Suster Bertken lezen en beluisteren dankzij de nieuwe route van Sagenjager.nl. Dit is een wandelroute genaamd ‘Kleurrijk Utrecht’, die loopt door het centrum van de stad. In deze route zijn veel verschillende verhalen opgenomen, die variëren van oude legenden (zoals Suster Bertken) tot moderne broodjeaapverhalen over de Utrechtse studenten en sprookjes uit Turkije en Marokko.

    Heeft u zin om de oude Domstad eens op een andere manier te bekijken? Loop dan mee met de Sagenjager en laat u verrassen door de grote verscheidenheid aan verhalen die in deze stad de ronde doen.
     

    Foto's: 1. Het huis van Singraven (Verhalenbank), 2. Suster Bertken bij de Maartensbrug (Wikipedia, Kattenkruid CC BY 3.0)

    _______________________________________

    Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (november 2017) van het Meertens Instituut. Heeft u een vraag voor het instituut, stuur dan een This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.

     
  • Welk onderzoek kun je doen met de Liederenbank?

    De Liederenbank van het Meertens Instituut wordt veel geraadpleegd door muziekwetenschappers, letterkundigen en een algemener publiek. De afgelopen 25 jaar is de functionaliteit van de databank alleen maar toegenomen. Liedonderzoekers van het Meertens Instituut en de Universiteit Utrecht beschrijven de achtergrond en onderzoeksmogelijkheden in een recent artikel in International Journal on Digital Libraries.

    door Mathilde Jansen

    De Nederlandse Liederenbank is een digitale verzameling van Nederlandse liedcultuur, beschikbaar via een online interface. De databank werd in de jaren 1990 opgezet door musicoloog Louis Peter Grijp (1954-2016). De databank bevat circa 173 duizend vindplaatsen van Nederlandse liederen, uit bronnen variërend van de twaalfde eeuw tot nu. Het gaat om liefdesliederen, spotliedjes, religieuze liederen, kinderliedjes, kerstliedjes et cetera. In de meeste gevallen is een directe link te vinden naar de bron, een scan of een geluidsopname.

    In het tijdschrift International Journal on Digital Libraries zetten Peter van Kranenburg, Martine de Bruin en Anja Volk uiteen hoe de Nederlandse Liederenbank zich heeft ontwikkeld tot een betrouwbare en toegankelijke bron voor kwalitatief en kwantitatief onderzoek. Verschillende onderzoeksprojecten worden aangehaald om de veelzijdigheid van het materiaal te tonen.

    Strofeschema

    Om de betrouwbaarheid van de databank te waarborgen, is het digitaliseren van de liederen vooral handmatig verricht. Ook zijn de ingevoerde liederen steeds door twee medewerkers gecontroleerd. Verder zijn allerlei functionaliteiten toegevoegd om het doorzoeken van de databank te vergemakkelijken. Zo zijn liederen die gezongen kunnen worden op eenzelfde melodie aan elkaar gelinkt via een berekening van het strofeschema (of ‘stanza form’). Hiermee kan in een aantal gevallen de melodie achterhaald worden van liederen waarvan alleen de tekst is overgeleverd.

    Via diverse projecten is de databank steeds uitgebreid. Zo is het Nederlands Volksliedarchief, een kaartsysteem begonnen in de jaren 1950, volledig ingevoerd in de Nederlandse Liederenbank. Ook zijn nagenoeg alle liederen uit bronnen van vóór het jaar 1600 opgenomen in de liederenbank. De opnames van het populaire radioprogramma Onder de Groene Linde zijn allemaal gedigitaliseerd en met metadata toegevoegd. In recentere projecten zijn er nog eens 17 duizend melodieën bij gekomen.

    Muzikaal geheugen

    De Nederlandse Liederenbank is een unieke collectie. Volgens de auteurs bestaat er geen andere liederenbank die er zo goed in slaagt om verschillende facetten van de liedcultuur van een land te documenteren. Niet alleen zijn er bronnen te vinden uit verschillende periodes, ook zijn er veel diverse genres opgenomen, die op verschillende manieren doorzoekbaar zijn. Voor kwantitatief onderzoek zijn de data voor onderzoekers ook te downloaden in grote bestanden.

    Ook voor onderzoek naar de menselijke cognitie biedt de databank bruikbare data. De collectie Onder de groene linde bevat duizenden opnames van mensen die liederen zingen. Daarmee is dit een bijzonder interessante bron voor het bestuderen van collectief muzikaal geheugen. Omdat veel melodieën op elkaar lijken, maar toch niet precies hetzelfde zijn, biedt de liederenbank ook onderzoeksmateriaal voor het bestuderen en computationeel modelleren van muzikale gelijkenis.

    Buiten de grenzen

    Hoewel we te maken hebben met een Nederlandse Liederenbank, zijn niet alleen Nederlandstalige liederen beschreven. De databank bevat ook bijvoorbeeld Latijnse, Franse en Duitse liedteksten, die deel uitmaken van de Nederlandse liedcultuur. Bovendien ‘stoppen liederen niet bij de grens’, aldus de auteurs. Samenwerking met andere liedcollecties staat daarom hoog op de agenda van de onderzoekers.

    Ook wijzen de auteurs aan het eind van het artikel nog op een paar punten ter verbetering. De negentiende eeuw is ondervertegenwoordigd, evenals Vlaamse liederen, theatermuziek uit de zeventiende en achttiende eeuw, kinderliedjes uit de twintigste en eenentwintigste eeuw. Het aanvullen van de databank met deze leemtes is nog een uitdaging.

    Een volledige dataset van volksliederen bestaat niet, zo weten de onderzoekers. Immers, veel historisch liedmateriaal is simpelweg verloren gegaan. Toch zullen ze alle zeilen bijzetten om de Nederlandse Liederenbank de komende jaren in dit opzicht nog verder te verbeteren.

    Bron:

    Peter van Kranenburg, Martine de Bruin en Anja Volk: Documenting a song culture: the Dutch Song Database as a resource for musicological research. International Journal on Digital Libraries (13 september 2017)

    _______________________________________

    Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (oktober 2017) van het Meertens Instituut. Heeft u een vraag voor het instituut, stuur dan een This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.

  • Waarom hoor je steeds vaker: het boek wat op tafel ligt? Ik heb op school geleerd dat je moet zeggen: het boek dat op tafel ligt.

    Het antwoord wordt gegeven door Nicoline van der Sijs, senior-onderzoeker variatielinguïstiek aan het Meertens Instituut en hoogleraar historische taalkunde van het Nederlands aan de Radboud Universiteit.
     
    De variatie in het betrekkelijk voornaamwoord (dat en wat) is het gevolg van een taalverandering die al eeuwen aan de gang is. Eenzelfde variatie bestaat er tussen die en wie, denk maar aan Cruijffiaanse uitspraken als de man wie de bal heb of ik ben geen type wie achter de dingen aanloopt.
     
    Betrekkelijke bijzinnen zijn binnen de Germaanse talen ontstaan uit de koppeling van twee hoofdzinnen: (daar is) een boek en dat ligt op tafel. Hierin is dat een aanwijzend voornaamwoord. De koppeling werd verkort tot: (daar is) een boek dat op tafel ligt. Zo ontwikkelde het aanwijzende voornaamwoord zich tot een betrekkelijk voornaamwoord. 
     
    Middeleeuwen
     
    In de middeleeuwen werden betrekkelijke bijzinnen ingeleid door de betrekkelijke woorden dat, die of daar. Men schreef bijvoorbeeld:
     
    Doet dat ic u rade
    Enen man, die ic u aldus bescrive
    Dese rike man heeft een rikelijc pallaes, daer hi woont
    Mijn volck, daer over ick u Koningh gemaeckt hebbe
     
    Tegenwoordig zeggen we nog steeds: een man die ik als volgt beschrijf. Maar in alle andere gevallen gebruiken we een betrekkelijk woord dat begint met een w-: doe wat ik u aanraad, deze rijke man heeft een prachtig paleis waar hij woont en mijn volk, waarover ik u koning heb gemaakt
     
    Daarnaast bestaan er van oudsher vragende bijzinnen, die in de middeleeuwen, net zoals tegenwoordig, werden ingeleid met wat, wie of waar: 
     
    Die meestre vrageden wat hem dert ‘de meester vroeg hem wat hem verdriet deed’
    Si vraegden onsen Here wie soude sijn haer leitsman ‘ze vroegen aan de Heer wie hun leidsman zou zijn’
    Hine wiste niet doe waer hi was? ‘hij wist toen niet waar hij was.’ 
     
    In de middeleeuwen kon een bijzin dus, afhankelijk van de betekenis, beginnen met dat of wat, die of wie en daar of waar. Maar voor de taalgebruiker was het niet altijd duidelijk of er sprake was van een betrekkelijke dan wel een vragende bijzin, omdat de zinsconstructies alleen van elkaar verschillen in de keuze van het betrekkelijke woord. De meeste bijzinnen begonnen in die tijd met een d-vorm.
     
    Standaardnederlands
     
    In de loop van de tijd werden de d-vormen steeds vaker vervangen door een w-vorm. Dat gebeurde geleidelijk en niet voor alle betrekkelijke woorden tegelijk. De verandering begon bij de betrekkelijke voornaamwoordelijke bijwoorden. In de middeleeuwen werden hiervoor vrijwel alleen d-vormen gebruikt: daar, daar in, daar van etc. In de zestiende en zeventiende eeuw komen vormen met w- en met d- naast elkaar te staan, in de achttiende en negentiende eeuw raken de w-vormen in de meerderheid en in de twintigste eeuw zijn de d-vormen in het Standaardnederlands verdwenen. 
     
    In de standaardtaal lees je daarom nooit meer: de bank daar ze op zaten of de bank daarop ze zaten. In de Nederlandse dialecten komt dit incidenteel nog wél voor, zo blijkt uit het onderstaande kaartje uit de Syntactische Atlas van de Nederlandse Dialecten (SAND), met name in Zeeland, Noord-Brabant en Friesland. Opvallend is echter dat er vrijwel geen dialecten zijn met alléén een d-vorm. Daaruit blijkt dat de verandering van daar naar waar als betrekkelijk bijwoord vrijwel voltooid is.
     
     
    Bijbelvertalingen
     
    Ook het betrekkelijke voornaamwoord dat werd in de loop van de tijd steeds vaker vervangen door wat. De verandering begon in de gevallen waar sprake was van een zogenaamd ingesloten antecedent, zoals in: je moet doen wat hij zegt. Hier betekent wat zoveel als ‘hetgene dat’. Aanvankelijk gebruikte men in dergelijke zinnen dat. Zo luidt Genesis 41: 55 in de Delftse bijbel uit 1477: gaet tot ioseph: ende so wat dat hi u seit dat duet. De Statenvertaling uit 1637 vertaalt dit als: Gaet tot Ioseph, doet wat hy u seyt
     
    De verandering van dat in wat als ingesloten antecedent is door Judith Schoonenboom in haar dissertatie uit 2010 mooi in kaart gebracht. Het blijkt dat in de loop van de tijd dat steeds vaker wordt vervangen door wat; daarnaast komt in deze context ook hetgeen (dat) op:
     
                dat       wat       hetgene dat       hetgeen
    1399    87       13       -                        -
    1538   61       29      10                       -
    1637   20       21        7                       52
    1884     3       38         6                      53
    1951     -        72        -                        8
    Percentages onzijdige relativa in bijbelvertalingen, uit Schoonenboom (2010), Analyse, norm en gebruik als factoren van taalverandering
     
    Officiële regels
     
    Inmiddels is dat in het Standaardnederlands als ingesloten antecedent overal vervangen door wat. Wat wordt ook gebruikt als er wordt verwezen naar een hele zin (hij veranderde het voorstel, wat we goedvonden), naar een woord van onbepaaldheid (alles/niets/veel wat), of naar een bijvoeglijk naamwoord, vaak de overtreffende trap (het eerste wat je moet doen). 
     
    Volgens de officiële regels moet daarentegen dat worden gebruikt als er wordt verwezen naar een bepaald of onbepaald onzijdig zelfstandig naamwoord: het boek dat op tafel - dit is de regel waarnaar de vragensteller verwijst. Volgens die regel is het boek wat op tafel ligt dus fout. Voor veel taalgebruikers is deze regel onnatuurlijk, en het gevolg is dat we momenteel veel variatie vinden. De vervanging van dat door wat is in deze context al eeuwen geleden begonnen. Een van de oudste voorbeelden vinden we in 1597: alle de vrintschap wadt men soude moeghen doen ‘alle vriendschap die men zou kunnen geven’. In 1657 is sprake van den sacrament watter geschreven wordt ‘het sacrament dat geschreven wordt’. 
     
    Die wordt wie
     
    Het minst ver gevorderd in het Nederlands is de vervanging van die door wie. Volgens de officiële regels mag wie alleen worden gebruikt bij een ingesloten antecedent: wie het weet, mag het zeggen. Vroeger zei men: die het weet, mag het zeggen. Ook deze verandering is al eeuwen aan de gang. In 1584 verbeterde de letterkundige Hendrik Laurensz. Spiegel de zin wie zyn acker boud [bebouwt] zal bróóds ghenoegh hebben, die hij in een bijbelvertaling had aangetroffen, in: die zyn acker boud. De opmars van wie was op dat moment kennelijk al begonnen. 
     
    In alle andere gevallen moet men volgens de schrijftaalregels het betrekkelijk voornaamwoord die gebruiken: de man die ik zag. In de spreektaal hoor je hier echter vaak wie: de man wie ik zag of dat is een man wie veel kan hebben. Toch staat die momenteel nog sterk, zelfs in de Nederlandse dialecten. Uit het kaartje uit de SAND blijkt dat in de zin Dat is de man die het verhaal heeft verteld veel vaker die wordt gezegd dan wie
     
    Algemene tendens
     
    Wat is nu de oorzaak van deze veranderingen? Er spelen verschillende factoren een rol. Een achterliggend mechanisme is in ieder geval dat taalgebruikers één vorm prefereren boven twee vormen waarvan de keuze onderworpen is aan ingewikkelde regels. De veranderingen blijken daarbij te verlopen van onbepaalde naar bepaalde antecedenten, zo heeft taalkundige Joop van der Horst laten zien: ze beginnen bij zinnen met ingesloten antecedent, gaan dan naar gevallen waarin het betrekkelijk voornaamwoord verwijst naar een hele zin of naar een onbepaald woord als alles, en treden als laatste op bij verwijzingen naar bepaalde, concrete zelfstandig naamwoorden (de man wie). Bij die uitbreiding zal frequentie een rol spelen: taalleerders (kinderen of immigranten) gaan de steeds vaker voorkomende w-vormen overgeneraliseren en in alle contexten gebruiken. 
     
    Intrigerend is dat er sprake lijkt te zijn van een algemene tendens, want in het Engels en Duits vinden vergelijkbare veranderingen plaats. In het Engels is that sinds de 16de eeuw geleidelijk aan steeds vaker vervangen door who en vooral what. In de Duitse spreektaal is was ook aan een opmars bezig ten opzichte van das: das Ding, was ich gekauft habe. 
     
    Voor wat betreft het Nederlands is één ding zeker: uiteindelijk blijven alleen wat en wie over als betrekkelijke voornaamwoorden. Wen er maar aan. Immers, de taalfout van nu is de norm van morgen. 
     
     
     
     
     
  • Femke Mulier stuurde ons een plaatje van een achttiende eeuws tegeltableau met een tafereel van een kat en een uil die een dialoog voeren. De kat zegt: “Had ik iou Uyl hierin mijn poot, ik kreeg myn aas en jy waar doot”. De uil reageert hierop: “Wel Kat het sy iou lief of leet, schoon ongegunt nogtans ik eet”. In haar zoektocht naar de herkomst van deze spreuk kwam Femke Mulier alleen een publicatie tegen van Jacob ter Gouw en Jacob van Lennep. Daarin worden varianten op deze spreuk behandeld, maar de herkomst blijft onbekend. Kan het Meertens Instituut verder helpen?

    De vraag wordt beantwoord door Arjan Prins, stagiair Nederlandse Volksverhalenbank.

     

    In antwoord op uw vraag over de tegeltableaus met de uil en de kat heb ik een aantal zaken kunnen vinden. Er is duidelijk een overeenkomst te zien tussen de spreuken beschreven in ter Gouw en van Lennep en de door u aangeleverde spreuken. Beide spreken over een kat en een uil die een geschil hebben, maar de kern van het geschil is wel degelijk anders. In ter Gouw en van Lennep is duidelijk te zien dat muizen de oorzaak zijn van het geschil.

    Uil! gij doet mij groot onrecht, De muizen zijn mij toegezegd.

    Ja Kat, dat moet gij weten, Ongegund brood wordt het meest gegeten.

    Dit is een logische gevolgtrekking, want zowel katten als uilen zijn fervente muizenjagers. Muizen zijn de connectie tussen beide dieren, zonder deze muizen is er geen directe relatie te leggen tussen uilen en katten. In de aangeleverde spreuken is echter geen sprake van de aanwezigheid van muizen.

    Had ik iou Uyl hierin mijn poot, ik kreeg myn aas en jy waar doot.

    wel Kat het sy iou lief of leet, schoon ongegunt nogtans ik eet.

    In deze spreuken wordt de suggestie gewekt dat de kat de uil wil opeten. Deze gevolgtrekking is niet logisch of natuurlijk, want tussen katten en uilen bestaat geen relatie van prooi en roofdier. Beide dieren komen vaak genoeg voor in de spreekwoordenboeken, ze zijn echter nooit in combinatie te vinden. 

    Het antwoord dat de uil geeft naar aanleiding van de bedreiging of beschuldiging van de kat, in beide versies, is wel terug te vinden in verschillende spreekwoordenboeken. De kern van dit spreekwoord is het ‘ongegund eten’. Het betekent in feite dat er sprake is van grote afgunst. Hiernaast is dit spreekwoord ook gekoppeld aan een ander spreekwoord, namelijk: Geen ambt zonder nijd. De volgende uitleg wordt hieraan gegeven: Afgunst is algemeen. Welke plaats men ook bekleedt, steeds zal men door sommige personen benijd worden.

    Al met al is er weinig verdere informatie terug te vinden over deze tableaus en hun herkomst. Het lijkt er dus op dat de verschillende tableaus aan elkaar gerelateerd zijn, maar de precieze relatie is niet duidelijk. Waarschijnlijk komt de door u aangeleverde spreuk uit een latere periode en verklaart deze sprong in de tijd de verandering in de tekst.

    Bronnen:

    ·         Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal, P.J. Harrebomée. Utrecht 1990 (Herdruk)

    ·         Nederlandsch spreekwoordenboek, C. Werda. Zuthpen 1939

    ·         De uithangteekens. In verband met geschiedenis en volksleven beschouwd, J. ter Gouw & J. van Lennep. Amsterdam 1867-1869.

  • Waarom is knikkeren interessant voor wetenschappers?

    Van april tot en met juli 2017 vindt het Nederlands Kampioenschap Knikkeren plaats. Het Meertens Instituut bezit unieke gegevens over knikkeren in Nederland die vanaf nu ook digitaal beschikbaar zijn. Maar waarom is knikkeren interessant voor taalkundigen en etnologen? Het antwoord wordt gegeven door Douwe Zeldenrust, coördinator van de onderzoekscollecties van het Meertens Instituut.

    De meeste mensen hebben het in hun jeugd wel gedaan en sommige fanatieker dan anderen: knikkeren. Hoewel het spel de laatste jaren onder druk is komen te staan door computerspelletjes en de opmars van de smartphone op het schoolplein, is knikkeren niet verdwenen. Zo is er nog jaarlijks het Nederlands Kampioenschap knikkeren. 

    Knikkeren kent een lange traditie: het wordt al duizenden jaren en over de hele wereld gespeeld. In de oudheid speelden ook de Romeinse en Egyptische kinderen al met knikkers. Er zijn bovendien zeer veel manieren om het spel te spelen, elk met een speciaal doel en eigen regels. Ook in de naamgeving van knikkers bestaat veel variatie, afhankelijk van de kleur, materiaal en grootte. In Nederland kunnen de namen tevens per regio verschillen: ‘koegel’, ‘kersepit’, ‘glezene’, ‘stoiter’ en ‘schieter’ zijn er een paar.

    Jargon op het schoolplein

    Knikkeren is voor etnologen die het spel en rituelen rond spelen onderzoeken, van belang. Immers, bijna iedereen heeft in zijn jeugd wel geknikkerd en het spel is geografisch wijdverspreid. Maar ook voor taalkundigen is knikkeren interessant. Zo is in België onderzoek gedaan naar lexicaal woordverlies in het woordveld ‘kinderspelen’.

    Marc van Oostendorp, taalwetenschapper bij het Meertens Instituut, zegt er het volgende over: "Iedere generatie, ieder schoolplein heeft zijn eigen knikkernamen. Dat betekent dat je als knikkeraar die woorden niet van je ouders of andere volwassenen kunt leren. De juiste terminologie moet je snel leren van je medeknikkeraars, die tegelijk je concurrenten zijn. Knikkertermen zijn daarmee misschien wel het eerste specialistische jargon dat veel mensen in hun leven zijn tegengekomen. Hoe ontwikkelen zulke termen zich? Waarom verspreiden sommige zich over het hele land en blijven andere beperkt tot één schoolplein?"

    Commissie Kinderspel

    In 1975 heeft het Meertens Instituut een vragenlijst over knikkeren verzonden. Daarin stonden vragen als: ‘Hoe kwam de speler in het bezit van de voor het spel benodigde knikkers?’ En: ‘Kunt u zo nauwkeurig mogelijk beschrijven volgens welke regels dit spel gespeeld werd?’ In totaal gaat het om meer dan dertig vragen. De vragenlijst is ingevuld door 547 informanten. Die informanten waren over het algemeen geboren tussen 1890 en 1920 en woonden verspreid over heel Nederland. En zo biedt deze bron een unieke blik op het 'gamen' in Nederland in de periode rond de Eerste Wereldoorlog.

    De belangstelling vanuit het Meertens Instituut voor spelen kwam in 1975 niet uit de lucht vallen. Al in 1939 werd binnen het Volkskundebureau (een van de voorlopers van het Meertens Instituut) de commissie ‘Kinderspel’ opgericht. Het doel van die commissie was om het bureau ‘in voorkomende gevallen van raad en voorlichting’ te voorzien.

    Wolf en schaap

    In 1940 werd de eerste vragenlijst over het kinderspel uitgezet. Het was een proeflijst want het kinderspel bleek nog onontgonnen terrein. De vragen gaan onder andere over het spel ‘Wolf en schaap’, ook wel genaamd: ‘Herder laat je schaapjes gaan’. Bij dat spel is één van de kinderen de schaapherder, een ander de wolf. De overige kinderen zijn dan de schapen en zij moeten de straat zien over te steken zonder dat de wolf hen pakt.

    De papieren vragenlijsten uit zowel 1940 als uit 1975 zijn inmiddels gescand. Van de vragenlijst over knikkeren is tevens 15 procent van de antwoorden als testset ingevoerd in een database. Zowel de originele vragenlijsten, als de scans en de database zijn bij het Meertens Instituut beschikbaar voor onderzoek. 

    Voor meer informatie kunt u terecht bij This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it., coördinator onderzoekscollecties.

    Foto's: 1. Flickr.com, Marble Madness (CC BY-NC-ND 2.0); 2. Scan van een vragenlijst over knikkers, Meertens Instituut

     

    Bronnen:
     
    • Dekker, A.J. (1989). De Volkskundevragenlijsten 1-58 (1934-1988) van het P.J. Meertens-Instituut. Ingeleid door A.J. Dekker, voorzien van een register door J.J. Schell. Amsterdam.
    • Lefebvre, Matthias en Peter Dejonckheere (2014). Knikkeren we nog met bolleketten en marbles? Stop de tijd! Een sociolinguïstisch dialect onderzoek. Nederlands van Nu. 2014, 1.
    • Verslag van de Dialectcommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1978.
    • Verslag van de Dialectcommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1975.
    • Verslag van de Volkskundecommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1940.
    • Verslag van de Volkskundecommissie der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam over 1939.
     
     
     
     
     
  • Hoe oud is carnaval in Nederland?

    Het antwoord wordt gegeven door Leonie Cornips. Zij is onderzoeker variatielinguïstiek aan het Meertens Instituut en bijzonder hoogleraar Taalcultuur in Limburg aan de Universiteit Maastricht.

    Het vieren van Carnaval in georganiseerd verband in Nederland zoals we het nu kennen, is nog niet oud. Limburg bijvoorbeeld, de provincie die zich bij uitstek met carnaval associeert of door anderen (samen met Brabant en Zeeland) als de unieke carnavalsprovincie gezien wordt, vierde georganiseerd carnaval nauwelijks voor de Tweede Wereldoorlog. Wel richtte de gegoede burgerij in de negentiende eeuw al de Sociëteit Momus in Maastricht (1839) op en een paar jaar later de Sociëteit Jocus in Venlo. Dat zijn momenteel de oudste carnavalsverenigingen in het huidige Limburg. Het ongeorganiseerde carnaval werd wel al in de middeleeuwen gevierd maar onderdrukt tijdens de reformatie en kent een langzame opleving in de 19e eeuw. Maar pas in de jaren vijftig van de vorige eeuw ging het georganiseerde carnaval écht leven, getuige de in rap tempo opgerichte 115 nieuwe carnavalsverenigingen door heel Limburg. In Tilburg was het vieren van carnaval zelfs verboden tot 1965.
     
    Gemeenschapsfeest
     
    Carnaval is overigens een nieuwe benaming uit de zeventiende eeuw; de naam Vastenavond (Fastnacht) is veel ouder. In Limburg wordt carnaval vastelaovend genoemd en het wordt beleefd als een gemeenschapsfeest. De Venloose schrijver Jan van Mersbergen omschrijft carnaval als ‘samen feestvieren, de nacht aanvallen, drinken, zingen, dansen’. Een feest van ‘gevoelde saamhorigheid, relativering, verbroedering en loutering’. Maar het is vooral ook een feest waarin het verschil met anderen zich toont, verdiept en verscherpt.

    Zelfs veel Limburgers weten niet dat Maastricht twee universiteiten kent waarvan er een een heuse carnavalsuniversiteit is. De Universiteit van Maastricht (UM) heeft net haar 41e verjaardag gevierd maar er is nog een oudere universiteit, de NUL genaamd! De NUL is een acroniem voor de Narren Universiteit Limburg die al 52 jaar oud is. De NUL kent een heuse Magnifieke en Vieze Rector en een stoet aan professoren en studenten als publiek. Aan deze universiteit leer je overigens niet hoe je moet sjunkele (gearmd op en neer bewegen op walsmuziek) en buutrednen (praten vanuit een ton), en ook niet hoe je je moet verkleden of haring moet happen.
     
    Examen in dialect
     
    Deze universiteit opent en sluit het academisch jaar tijdens haar dies natalis-viering gedurende één avond. Op die avond behalen kandidaten in dialect hun examens zoals het doctoraal examen. Het bijbehorend diploma heet doctorandus humoris causa. Behalve het diploma ontvangt de kersverse drs. een (appel)bol op een stokje: de ból. Daarna kan een kandidaat promoveren tot doctor humoris causa en ontvangt hij twee bollen op een stokje (de böl) en een gekalligrafeerd diploma en een kappa (manteltje) met het wapen van de provincie Limburg en het beeldmerk van de NUL.
     
    Een aanstaande professor aanvaardt zijn ambt bij de NUL met een lezing in dialect, waarna hij wordt ingehuldigd met de toga en de baret van de Narrenuniversiteit. Er is geen gender- of leeftijdsbalans aan deze universiteit: de weegschaal slaat beduidend door voor oudere, mannelijke en witte doctorandi, doctoren en professoren. Het woord nul is tijdens de diesviering erg geliefd en kolderieke humor oftewel sjele ze(i)ver in het dialect voert de boventoon.
     
    Gebruikte literatuur: Carla Wijers. 1995. Prinsen & clowns in het Limburgse narrenrijk. Amsterdam: P.J. Meertens-Instituut.
    Website Narren Universiteit Limburg

    Foto: Kerkrade, ca. 1957, twee meisjes in een zogenoemde buut - eigendom Simone Wolff
     
  • Waarom is identificatie met de buurt zo belangrijk voor hiphop?

    Het antwoord wordt gegeven door Aafje de Roest. Zij doet als stagiair bij het Meertens Instituut onderzoek naar de verbeelding van plaatsen en ruimtes in Nederlandse hiphop.

    In Amsterdam zie je momenteel overal jonge mensen in Smib-shirts paraderen. Smib is een creatief collectief dat bestaat uit jongens die kunst maken, in samenwerking of alleen. Smib is omgedraaid de Bims: de Bijlmer. De referentie van Smib aan de buurt waar zij vandaan komen is niet vreemd binnen hiphop. Sinds het ontstaan van dit genre identificeren hiphopartiesten zich met hun buurt, wijk of stad. Het kan daarbij zowel gaan om een geografische plaats, een punt op de kaart (in dit geval de Bijlmer in Amsterdam) als om een ruimte (in het geval van Smib: de buurt, de hood). Door zich te identificeren met een bepaalde omgeving, geven hiphopartiesten veel prijs over de manier waarop zij zichzelf, anderen, Nederland en de rest van de wereld bezien. Dit komt terecht bij hun luisteraar, en zo kan ook diens manier van kijken naar een bepaalde omgeving veranderen.

    Osdorp Posse

    De identificatie van hiphopartiesten met specifieke plaatsen en ruimtes komt in de Verenigde Staten al langer voor. Maar sinds de jaren 90 is deze trend ook in Nederland doorgedrongen, met als beginpunt de alom bekende Osdorp Posse: Osdorp is een wijk in de Westelijke Tuinsteden in Amsterdam. Daarna volgden diverse lokaal- en regionaalgeoriënteerde hiphopformaties als Opgezwolle, THC (Tuindorp Hustler Click) en DAC (De Amersfoortse Coöperatie). Diverse formaties rappen over de stad waar zij vandaan komen, bijvoorbeeld Opgezwolle in ‘Verre Oosten’ en ‘Zwolsche boys’ (2003, 2004), U-niq en Winne in ‘Rotterdam’ (2006), en Yung Internet in ‘De binnenstad’ (2015).Van een rapper als Lil Kleine weten veel mensen dat hij uit Amsterdam komt, en van Ronnie Flex is bekend dat hij in Capelle aan de IJssel opgroeide.

    Eerder onderzocht ik hoe rappers als Akwasi, Bokoesam of Kraantje Pappie via hun muziek over hun hybride identiteit vertellen en via hun artiestenrol jongeren willen motiveren om meer over hun afkomst te weten te komen. In een ander onderzoek betoogde ik dat in raps over Nederland via ogenschijnlijke trots en bij uitstek nationalistische retoriek diverse maatschappelijke problemen worden aangekaart: racisme, sociale en economische ongelijkheid, onwetendheid en hypocrisie van de Nederlander en de onbetrouwbaarheid van de overheid en politici.

    Keepin’ it real

    We gaan nog even terug naar de kunstenaars van Smib. Zij benoemen continu de Bijlmer (Bims), met als belangrijkste voorbeeld hun naam. Ze refereren in lyrics, beelden en interviews aan postcodes uit de Bijlmer, brengen metrostations en de Bijlmerflats in beeld, en zijn te zien als ze door de buurt ‘cruisen’ op een zeer lokaal vervoersmiddel: de fiets. In interviews en lyrics geeft Smib shout-outs (uitroepen, red.) naar de leden van de posse, de sociale kring om hen heen die haast als een familie aanvoelt, en die actief bijdraagt aan het succes van de formatie. De kunstenaars van Smib focussen ook op hun eigen taal (lingo), Smibanese, waarbij woorden worden omgedraaid, zoals Smib voor Bims.

    Hierin lijkt Smib heel origineel, maar eigenlijk kenmerken hiphopartiesten zich altijd door een bepaalde vocale flow of specifieke (straat-)taal, en ook door verwijzingen naar plekken in de wijk, buurt of stad die enkel leden van de posse kunnen begrijpen. Deze referenties zijn direct verbonden aan de praktijk van keepin’ it real, waarbij je je niet distantieert van de plek waar hiphop ontstaan is en waar jij zelf ontstaan bent. Het betekent dat je weet waar je het als artiest over hebt, omdat je het zelf hebt meegemaakt (lived experience). Het draagt bij aan je realness: geloofwaardigheid en eigenheid. Al dit soort verwijzingen functioneren als insluitingsmechanisme, want wie ze snapt, hoort erbij. Tegelijkertijd functioneren ze als uitsluitingsmechanisme; wie niet weet dat 1103/1104 postcodes in de Bijlmer zijn, hoort duidelijk niet bij de posse.

    Smib presenteert zichzelf dus nadrukkelijk als een lokale, gesloten en authentieke formatie, maar wil tegelijkertijd ook meer. Hun ondertitel is veelzeggend: Smib Worldwide. Het liefst zou Smib ook nationaal of globaal bekendheid genereren. In dit proces van going global is er echter het risico om de realness van de hood te verliezen. De toekomst moet uitwijzen of Smib in staat is dit met elkaar te combineren. Smib beweegt binnen een steeds verschuivende dynamiek: door zich lokaal te profileren wil Smib globaal bekend worden, om de vergaarde globale roem vervolgens in te zetten om lokaal kansen te kunnen creëren.
              

    Verder lezen:

    Forman, M. 2002.The 'hood comes first; race, space, and place in rap and hip-hop. (Music/Culture). Middletown: University Press.

    Forman, M. and Mark Anthony Neal. 2004 (2011). That’s the Joint! The Hip Hop Studies Reader. London: Routledge.

    Stapele, S. Van. 2002. Van Brooklyn naar Breukelen. Nationaal Pop Instituut.

    Luisteren:

    Ray Fuego & GRGY - Bummy Boys (prod. GRGY) (2015).

    Ray Fuego - Dimmelicht (prod. GRGY) (2016).

    Ray Fuego & GRGY - Yung Bum (prod. GRGY) (2014).


    Foto: SMIB webshop 

    _______________________________________

    Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (februari 2017) van het Meertens Instituut. Heeft u een vraag voor het instituut, stuur dan een This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.

     

  • Waarom is het Wilhelmus nog steeds het volkslied terwijl de tekst niet meer van deze tijd is en onbegrijpelijk?

    Het antwoord wordt gegeven door Martine de Bruin

    Inderdaad wordt er regelmatig geklaagd over het Wilhelmus – en dat al decennialang. Mensen begrijpen meerdere tekstpassages niet (‘Van Duitsen bloed’? ‘Den koning van Hispanje heb ik altijd geëerd’? ‘Vrij, onverveerd’?) en vinden de melodie moeilijk of ouderwets. Mede daardoor zou de kennis van het Wilhelmus flink te wensen overlaten. Soms worden er dan ook pogingen gedaan om een nieuw volkslied (in de betekenis van nationale hymne) te introduceren.

    Recentelijk stelde Anne Vegter, de dichter des vaderlands dat nog voor. In het BNN Radio1-programma De Overnachting van zondag 3 april 2016 zegt zij: “Wij zijn al lang niet meer overheerst door Spanje. We zijn een ander volk geworden en onze maatschappij is erg veranderd”. Zij concentreert zich dus op de tekst, die volgens haar de huidige maatschappij niet meer goed representeert. Dat betekent dat ze die tekst vrij letterlijk wil kunnen nemen. Sommigen gaan nog veel verder: op internet zijn nogal wat berichtjes over het Wilhelmus te vinden van mensen die vinden dat het Wilhelmus ongeschikt is als volkslied omdat ze helemaal geen Duits bloed hebben en de koning van Spanje nog nooit hebben geëerd. (Raar genoeg noemt vrijwel nooit iemand dat hij of zij geen Wilhelmus heet). De impliciete boodschap is kennelijk dat deze mensen verwachten dat de inhoud van de nationale hymne op hen, inwoners van een land in de 21e eeuw, betrekking heeft.

    Nationale hymne avant la lettre

    Met dat oogmerk is het Wilhelmus in ieder geval niet gemaakt. Het 16e-eeuwse lied is pas in 1932 gekozen als nationale hymne en toen was het dus al enkele eeuwen oud. In de 16e eeuw bestonden nationale hymnen nog helemaal niet. Aan het begin van de Opstand, de 80-jarige oorlog, werd het Wilhelmus geschreven als lijflied van Willem van Oranje. Het representeert dus de ‘Vader des Vaderlands’, de man die volgens Jan Romein aan de wieg van de Nederlandse natievorming stond. Het was al snel een lied met een bijzondere status; je zou zelfs kunnen zeggen dat het functioneerde als nationale hymne avant la lettre (zie de literatuuropgave hieronder). Maar het was het dus heel lang niet.

    Dat een bestaand lied werd gekozen als nationale hymne is niet ongebruikelijk. De oudste nationale hymne, het God save (toen nog) the King (c. 1740) was bijvoorbeeld eerder bekend als een theaterliedje en ook de Marseillaise (1792) bestond al drie jaar voordat het werd verkozen tot nationaal volkslied. Ook over deze en veel andere nationale hymnen wordt trouwens nogal eens geklaagd, maar veel verandert er niet. Toch is dat niet onmogelijk, ook niet in de 21e eeuw. Zo kozen de Zwitsers in 2015 een nieuw volkslied, en is de Canadese hymne in 2016 vrouwvriendelijker gemaakt. De laatste wijziging in Nederland vond aanmerkelijk langer geleden plaats, namelijk in 1932, toen de bestaande hymne Wien Neêrlandsch bloed door d'aderen vloeit (met de beruchte tweede regel ‘Van vreemde smetten vrij’) van Hendrik Tollens uit 1816 werd verruild voor het Wilhelmus. Wel zijn er sindsdien diverse min of meer serieuze pogingen tot wijziging gewaagd, maar tot op heden zijn ze alle gestrand.

    Het 'Wilhelmusgevoel'

    En van de redenen dat er niets verandert, is de vraag wat er dan wel in een nationale hymne zou moeten staan. De commotie rondom het Koningslied in 2013 heeft op zijn minst laten zien dat zoiets niet eenvoudig is. Want waar kan je over schrijven waar ‘iedereen’ zich in kan vinden? Voor Nederland zouden we dan kunnen kijken naar andere officiële liederen, zoals de provinciale hymnes. Veel van deze liederen gaan over het regionale landschapsschoon: van ‘Van Lauwerszee tot Dollard tou’ (Groningen), via ‘Aan de rand van Hollands gouwen’ (Overijssel) en ‘Gelders dreven zijn de mooiste’ (Gelderland), tot ‘Waar in 't bronsgroen eikenhout’ (Limburg). Hoe tijdloos dergelijke onbeladen omschrijvingen ook lijken, ze raken snel gedateerd, al is het maar door de woordkeuze. Ook over de provinciale hymnes wordt geklaagd.

    Dit enkele voorbeeld is waarschijnlijk afdoende om duidelijk te maken dat een alom en duurzaam gewaardeerde tekst schrijven niet zomaar mogelijk is. En zelfs als dat wel zou lukken, dan zou het waarschijnlijk nog lang duren voordat een nieuw lied ook de functie van nationale hymne zou kunnen vervullen zoals het Wilhelmus dat doet: liedonderzoeker Louis Grijp gaf in 1998 een paar mooi voorbeelden van de emotionele betekenis van het volkslied, het ‘Wilhelmusgevoel’ dat optreedt in stadions en bij andere gelegenheden. Dat de tekst niet door iedereen begrepen wordt, doet daaraan volgens hem niets af, misschien zelfs integendeel. 'Het zijn rituele klanken geworden die samen met de muziek en de voordracht een sterke emotionele beleving van de nationale identiteit teweeg kunnen brengen' (Grijp 1998 deel 2: p. 90).

    Foto: oudste publicatie van het Wilhelmus uit de jaren 1570 (Wikimedia Commons via CC0)

    Bronnen:

    Enkele Meertens-bronnen uit de overvloed van publicaties over het Wilhelmus:

    Louis Peter Grijp, 'Nationale hymnen in het Koninkrijk der Nederlanden', in: Louis Peter Grijp (red.), Nationale hymnen: het Wilhelmus en zijn buren. Themanr. vanVolkskundig Bulletin 24 (1998), 44-73 (eerste deel, 1813-1939) en 74-95 (tweede deel, 1940-1998).

    Voor de dynamiek van het Wilhelmus in de 16 tot de 19e eeuw:

    Martine de Bruin, 'Het Wilhelmus tijdens de Republiek', in: Louis Peter Grijp (red.), Nationale hymnen: het Wilhelmus en zijn buren. Themanr. van Volkskundig Bulletin 24 (1998), p. 16-42, 199-200. digitale versie (DBNL)

    Verder lezen:

    Een bibliografie met in totaal 757 titels van publicaties over het Wilhelmus tot 1993:

    A. Maljaars en S.J. Lenselink, Het Wilhelmus, een bibliografie, Den Haag, 1993.

    Op de site van RTL Nieuws staat een quiz voor wie wil testen hoe het met zijn of haar Wilhelmuskennis is gesteld

     

    _______________________________________

    Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (januari 2017) van het Meertens Instituut. Heeft u een vraag voor het instituut, stuur dan een This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.