Every first friday of the month (except for July and August), the institute sends out a digital newsletter. The newsletter is in Dutch.

Below you will find an overview of the 'question of the month', all are in Dutch. 

  • Op 5 juni vond op het Meertens Instituut de jaarlijkse Kiliaanlezing plaats, georganiseerd door de Kiliaanstichting. Deze stichting heeft tot doel het etymologisch onderzoek in België en Nederland te bevorderen. Jan Peter Verhave sprak over het Yankee Dutch in Michigan. Later dit jaar verschijnt zijn biografie over Paul de Kruif, Amerikaans auteur van Nederlandse afkomst.

    door Mathilde Jansen

    De stad Holland in Michigan werd in 1847 gesticht door Nederlandse calvinisten, onder leiding van dominee Albertus C. Van Raalte. Nog steeds heeft veertig procent van de ruim 35 duizend inwoners Nederlandse wortels. Maar het Nederlands wordt er niet meer gesproken volgens Jan Peter Verhave.

    Verhave is gepensioneerd parasitoloog en momenteel honorary research fellow aan het Van Raalte Institute in Michigan. Daar schrijft hij aan een biografie van Paul de Kruif (1890-1971), een van de meest gelezen volksvoorlichters in Amerika over ziekten, volksgezondheid en geneesmiddelen. De Kruif was kleinzoon van Nederlandse immigranten en daardoor bekend met het Yankee Dutch – de mengelmoes van Nederlands en Engels die de Nederlandse immigranten in Amerika spraken.

    Nederlandse dialecten

    De oorspronkelijke groep migranten vormde een afsplitsing van de Nederlandse Hervormde kerk. Aanvoerder van deze groep was dominee Albertus van Raalte, die zich aangesloten had bij de Afscheiding van 1834, een beweging die uiteindelijk zou leiden tot zelfstandige gereformeerde kerken naast de Nederlandse Hervormde kerk. Zij waren geïnspireerd door de theologie van Calvijn.

    Van Raalte stichtte diverse koloniën aan de oostkust van Lake Michigan. De Nederlandse kolonisten die zich er vestigden kwamen uit verschillende delen van Nederland. In het nieuwe land groepeerden ze zich aanvankelijk ook weer naar regio, waardoor de verschillende dialecten in het begin behouden bleven. Ook de Statenbijbel had een behoudende invloed, want die werd gelezen in het Nederlands.

    Derde generatie

    Toch werd de omgangstaal meer en meer Engels en bij de derde generatie was het Nederlands zo goed als verdwenen. Wel bleef men trots op de Nederlandse roots, vertelt Verhave. Op het Van Raalte Institute worden vandaag de dag nog steeds lessen gegeven over de Nederlandse geschiedenis, die druk worden bezocht, met name door gepensioneerden.

    Ook Paul de Kruif behoorde tot de derde generatie: zijn grootouders waren Zeeuwse emigranten. De Kruif zelf werd in 1890 geboren in Zeeland, Michigan. Hij groeide op in een belezen gezin, en op zijn zesentwintigste promoveerde hij in de bacteriologie aan de Universiteit van Michigan. Toch zette hij zijn carrière als wetenschapper niet voort. Hij werd wetenschapsjournalist, o.a. voor Readers Digest, en schreef veel kritische stukken over zijn medische collega’s die volgens hem niet altijd even wetenschappelijk te werk gingen. Zijn boek Microbe Hunters werd in twintig talen vertaald, waaronder het Nederlands.

    Yankee Dutch

    De Kruif raakte tijdens zijn loopbaan als journalist bevriend met journalist en schrijver Henry Mencken, die zelf kind was van Duits-Amerikaanse ouders. Ze hadden meer gemeen: een provocerende pen en een atheïstische levensvisie – De Kruif had gebroken met het calvinisme.  

    Mencken was onder meer geïnteresseerd in de Amerikaanse dialecten en De Kruif hielp hem met zijn kennis over het Nederlands in Amerika. In het uiteindelijke boek The American Language (1919) was een heel hoofdstuk gewijd aan het zogenaamde Yankee Dutch, de taal van Nederlandse Amerikanen. Waarschijnlijk is de naam Yankee afgeleid van Jan-Kees. De namen Jan en Kees kwamen veel voor onder de Nederlandse kolonisten. De Britten gebruikten het woord ‘Yankee’ aanvankelijk als scheldnaam voor inwoners van New England in Amerika, die het later zelf gingen gebruiken als geuzennaam, waarna het voor iedere Amerikaan werd gebruikt.

    Meer lezen?

    In 2006 verscheen het boekje ’n Fonnie Bisnis van Dirk Nieland, een heruitgave van de editie uit 1929. Het vertelt op gekscherende wijze het verhaal van een prototypische Nederlandse migrant. Serieuzer van aard zijn de (populair)wetenschappelijke boeken How Dutch Americans Stayed Dutch van Michael Douma en Yankees, cookies en dollars van Nicoline van der Sijs. Dit najaar verschijnt de biografie van Paul de Kruif van Jan Peter Verhave bij Van Raalte Press, getiteld ‘A constant state of emergency’.

    Lees ook dit artikel op NEMO Kennislink: 'Hoe Jan-Kees een Yankee werd'.

  • Sterven achternamen uit?

    De eerste aflevering van de Grote Vragen Podcast van de Volkskrant gaat over achternamen. Aanleiding was de lezersvraag: Sterven achternamen uit? Hoe erg is dat? Onze naamkundige Leendert Brouwer werkte eraan mee. Voor de nieuwsbrieflezers gaat hij nog eens uitvoerig in op deze vragen.

    door Leendert Brouwer

    Dat men zich zorgen maakt om de extinctie van diersoorten is begrijpelijk. Maar waarom men zich zorgen maakt om het uitsterven van achternamen begrijp ik niet zo goed. Het zal toch niet zo zijn dat men het uitsterven van families met specifieke namen vreest, want ook families of familietakken met veelvoorkomende namen kunnen door gebrek aan nazaten ‘uitsterven’.

    verspreidingskaart van de naam Jansen (bron: CBG)

    Versteende bijnamen

    Wat voor een naamkundige vooral moeilijk is in deze kwestie, is dat hij moet uitleggen wat achternamen eigenlijk zijn. In wezen zijn achternamen immers versteende bijnamen. Vóór de invoering van de burgerlijke stand in 1811 waren achternamen nog los vast: men heette zoals men genoemd werd. En dat kon gedurende een levensloop veranderen. Men kon bijvoorbeeld naar zijn of haar vader of moeder genoemd worden. Maar daarnaast kon men ook een andere naam aangemeten krijgen, of een alias die de goegemeente spontaan voor je bedacht had. Jan Bakker, die zo heette omdat zijn grootvader een broodbakker was, kan ook Jan de Rooie genoemd zijn omdat hij opvallend rood haar had. Zíjn zoon werd wellicht Cornelis Janszoon de Roode of De Rooij of Rood genoemd. Bij de invoering van de burgerlijke stand kreeg je zo van één grootvader mogelijk nakomelingen met de namen Bakker, Rood en De Rooij.

    Het kon vóór 1800 alle kanten opgaan met de naamgeving en omdat er nog geen uniforme spellingsregels waren, was er ook een grote variatie in schrijfwijze. Hoeveel spellingsvarianten zijn er wel niet van een naam als Van den Boogaard (Bongers, Boomgaards, Boogert, Uittenbogaard plus tientallen andere naamvormen), terwijl die mensen heden ten dage allemaal Van de Boomgaard zouden hebben geheten. Ware het niet dat men de namen bij de invoering van de burgerlijke stand in bevroren toestand heeft vereeuwigd.

    Eigenlijk is het naamgevingsproces daardoor verstard. In de eeuwen daarvoor werden namen genoteerd die kwamen en gingen en sommige namen van veelvoorkomende beroepen bijvoorbeeld zag men overal terugkeren. De voornaam Jan was een van de populairste roepnaamvormen van de doopnaam Johannes. Vandaar dat de ervan afgeleide achternamen Janse, Jansen en Janssen wijdverbreid zijn.

    Curieuze achternamen

    Ja, een curieuze achternaam had dus de kans om van korte duur te zijn. Zulke individuele namen kunnen heel fraai zijn, maar zonder nakomelingen waren ze geen lang leven beschoren. Neem bijvoorbeeld namen als Dwaaslicht, Fierenblaas, Guldentong, Hardevuist, Hutspot, Jongemooimeisje, Van de Korenmarkt, Kriekenboom, Lootsman, Macropedius, Negenvinger, Onweer, Plantijn, Plukkeroos, Smijtegeld, Spaarpot en Sterveling. Misschien zijn er enkele generaties van geweest, maar inmiddels bestaan ze niet meer. Dat is misschien spijtig voor een aantal namen, maar al die namen maakten in feite gewoon deel uit van de taalschat, en die was en is veranderlijk.

    Verspreidingskaart van de naam Poepjes (bron: CBG)

    Ook ongunstige namen zoals de toenamen ‘t Hoertje en De Lul zijn in het verleden genoteerd. Nog steeds zijn er namen die een ongunstige associatie hebben. De naam Poepjes is misschien wel de meest beruchte, al was men zich bij de naamgeving van geen kwaad bewust; Poepjes heeft niets met faecaliën te maken. Bron: CBG Familienamenbank.

    Zoals sommige woorden niet of nauwelijks meer in gebruik zijn, zo verdwenen ook sommige achternamen. Na de invoering van de burgerlijke stand is het echter louter een demografische kwestie geworden. Gedurende twee eeuwen nam de verspreiding van namen in grote gezinnen met veel jongens toe en hadden de bijzondere namen van kleine families kans uit te sterven. Kijken we naar de namenvoorraad van nu dan tellen we ongeveer 300.000 familienamen. Na de oorlog waren het er 125.000. Gemiddeld heeft een naam in de tussenperiode anderhalf keer zoveel naamdragers gekregen en er zijn veel nieuwe namen bijgekomen.

    Immigratieland

    Je zou het alarmerend kunnen vinden dat van de 300.000 familienamen de helft door minder dan vijf personen wordt gedragen en derhalve met uitsterven wordt bedreigd. Maar dan moet je wel bedenken dat er veel namen van buitenlandse origine bij zijn die waarschijnlijk nog veelvuldig in andere landen voorkomen. Ook zijn er veel Spaanse en Iraanse dubbele namen bij die weliswaar uit meer voorkomende enkelvoudige namen zijn samengesteld, maar als dubbele naamvorm vrij uniek zijn. En dan zijn er nog duizenden zeldzame spellingsvarianten van meer voorkomende namen waarvan het merendeel naoorlogse immigranten toebehoort.

    Na de oorlog was het bovendien niet anders. De helft van de toenmalige 125.000 namen werd evengoed door minder dan vijf personen gedragen. Ook toen betrof het grotendeels namen van buitenlanders. Nederland is van oudsher een immigratieland.

    Maar het is hoe dan ook spijtig dat sommige unieke namen nog slechts tragisch in het archief vergelen bij het overlijden van de laatste naamdrager. Gelukkig is er inmiddels een naamrechtelijke mogelijkheid om een zeldzame naam te behouden. Ouders kunnen immers sinds 1998 hun kinderen de naam van de moeder meegeven. Deze keuzemogelijkheid biedt tevens een goede oplossing om het aantal van de veelvoorkomende namen enigszins te beknotten. Zo zijn er nu ietsje minder Brouwers dan er zouden kunnen zijn, omdat mijn dochter de achternaam van haar moeder heeft meegekregen. Het spreekt voor zich dat deze keuzemogelijkheid ook een goed middel is om van minder gunstige namen af te komen. Die worden dan helaas weer met uitsterven bedreigd. Maar dat zal bij deze namen wellicht slechts de naamkundigen spijten.

    Beluister hier de podcast: https://www.volkskrant.nl/kijkverder/t/podcasts/serie/de-grote-vragen-podcast/sterven-achternamen-uit/

  • Wat betekent erkenning van het Limburgs?

    De Rijksoverheid erkent het Limburgs als volwaardige streektaal. Dat heeft minister van Binnenlandse Zaken Ollongren op 15 maart 2019 bekendgemaakt. Het is in feite een bevestiging van een eerdere erkenning. Wat betekent dit in de praktijk voor het Limburgs?

    De vraag wordt beantwoord door Leonie Cornips, onderzoeker Taalvariatie aan het Meertens Instituut en hoogleraar Taalcultuur in Limburg aan de Universiteit Maastricht.

    15 maart heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koningsrelaties Kajsa Ollongren aangegeven positief te staan tegenover een Convenant voor het Limburgs. Met dit Convenant bevestigt de Nederlandse overheid nogmaals dat het Limburgs in 1997 als officiële regionale taal onder het Europees Handvest voor Regionale Talen en Minderheidstalen erkend is. Het Europees Handvest is opgesteld door de Raad van Europa dat 47 lidstaten kent. De Belgische overheid heeft in tegenstelling tot de Nederlandse overheid het Europees Handvest niet ondertekend waardoor het Limburgs in Belgisch-Limburg geen regionale taal mag heten.

    Limburgs stimuleren

    De Nederlandse overheid wijst de uitvoering van het regionale taalbeleid toe aan de Provincie Limburg maar blijft zelf eindverantwoordelijk. De Nederlandse overheid stuurt om de drie jaar een rapport aan de Raad van Europa, bijvoorbeeld over de hoeveelheid uren die leerkrachten in het onderwijs aan het Limburgs besteden, en hoeveel Limburgs er in de media te beluisteren valt. Tot nu toe zijn er geen eenduidige regelingen hoe de nationale, regionale en lokale overheden het gebruik van het Limburgs zouden moeten ondersteunen en stimuleren. De Raod veur ’t Limburgs, het Huis voor de Kunsten in Limburg inclusief de streektaalfunctionaris en Veldeke, de oudste (sinds 1926) en grootste dialectvereniging in Limburg adviseren de Provincie. Zij organiseren activiteiten om het Limburgs in beweging te houden, waarbij de Provincie faciliteert.

    Nieuwe kansen

    Al met al zou een kniesoor zeggen dat er met het Convenant niets wezenlijks verandert aan de positie van het Limburgs. Een optimist ziet echter nieuwe kansen, afhankelijk van de manier waarop het Convenant na de zomer vorm en inhoud zal krijgen in de samenwerking tussen het Ministerie, Provincie Limburg en betrokken partners.

    Het Convenant krijgt nu al positieve aandacht in de nationale media en het genereert hernieuwde belangstelling voor de meertaligheid van Limburg, waar inwoners naast vele andere talen ook het Nederlands en Limburgs als afzonderlijke talen spreken. Natuurlijk heeft een brede groep van streektaal- en letterenorganisaties in Limburg al eerder wensen geformuleerd. Hopelijk zijn die nu samen met het Rijk en culturele en onderwijspartners te realiseren. Men wil graag verjongen en feminiseren, het Limburgs vernieuwen door digitale media, het imago versterken door Limburgs aan te bieden in het onderwijs, op radio en televisie en het te horen brengen op allerlei theater, muziek- en poppodia.

    Tweetaligheid

    Vanuit het wetenschappelijk onderzoek van de leerstoel Taalcultuur in Limburg aan de Universiteit van Maastricht leven er drie wensen. De eerste is het stimuleren van tweetalig opgroeien van peuters, dus ook in het Limburgs naast het Nederlands en kennisverspreiding van de cognitieve voordelen ervan. De tweede is dat iedereen in Limburg, werkend in bedrijfsleven of bij de overheid, voor de klas of in het ziekenhuis, oud- of nieuwkomer, jong of oud, man of vrouw, immigrant of van elders in Nederland, expat of niet het Limburgs als Tweede Taal (LT2) kan leren van professionals die weten hoe het leren van een tweede taal succesvol verloopt.Het zou een taak voor de provincie kunnen zijn deze LT2-taalverwerving te stimuleren en eventueel te institutionaliseren. Ten derde ligt er in navolging van het KNAW-rapport ‘Talen in Nederland – Talen voor Nederland’  (2018) een mogelijke taak voor de provincie en gemeenten. Zij zouden professionals in de zorg, het onderwijs, bij politie en justitie bewust kunnen maken van het belang om in de thuistaal van hun patiënten, leerlingen of cliënten te communiceren en kennis over te dragen.

    foto: https://www.dbnl.org/letterkunde/limburg/

  • Wat is culturele Artificiële Intelligentie?

    de vraag wordt beantwoord door Antal van den Bosch, taalkundige en directeur van het Meertens Instituut

    De wereld is veranderd door de digitale computer, en we staan nog maar aan het begin van de grote veranderingen die deze machine in gang zet. Het verschil met alle machines uit het verleden is dat de computer niet voor één doel is gebouwd, maar voor alle mogelijke doelen. Die doelen kunnen groots zijn en klein, wetenschappelijk, economisch, sociaal. Op al die vlakken zijn al schokkende vooruitgangen geboekt.

    Data-gedreven

    Deze vooruitgangen zijn gedreven door technologisch positivisme - het kan, dus we maken het. Dat heeft ons al veel progressie opgeleverd. Maar met deze progressie ontwikkelen zich ook nieuwe problemen. Onze worsteling om om te gaan met fake news, polarisatie op sociale media, en controle op privacy in een data-gedreven wereld laat zien hoe hard de geesteswetenschappen nodig zijn als integraal onderdeel van de ontwikkeling van nieuwe technologie, zoals kunstmatige intelligentie.

    Besef van ethische en culturele waarden, gevoel voor diversiteit en inclusiviteit, besef van alle betekenisvolle variatie in talen en taalgebruik dient een vaste plaats te krijgen in alle technische ontwikkelingen. Grote bedrijven als Facebook hebben een fundamentele achterstand opgelopen die ze niet lijken te willen of kunnen inhalen, ondanks dat de problematiek langzaam erkend wordt. Er is een rol voor de ongebonden wetenschap om deze kwesties aan de orde te stellen en om oplossingen aan te dragen.

    Nep of echt

    Kunstmatige intelligentie, AI, moet gevoelig worden voor cultuur; we hebben ‘culturele AI’ nodig. Het is nodig om te weten wanneer en te begrijpen waarom taalgebruik over kan komen als ongepast. We willen begrijpen waarom sommige verhalen, nep of echt, ‘viraal’ kunnen gaan in de internetecologie. We willen nep van echt kunnen onderscheiden. Wanneer de computer personen kan profileren aan de hand van wat ze schrijven, dan moet die informatie niet duistere handelswaar worden, maar dient er transparantie te zijn.

    Toepassingen en nieuwe ontwikkelingen dienen ethisch getoetst te worden. Basisprincipes zijn nodig die de autonomie van algoritmes en robots inkaderen. Sommige van deze principes zouden glasharde verboden moeten zijn, zoals een verbod op autonome kunstmatig intelligente wapens.

    Digital Humanities

    Binnen het KNAW Humanities Cluster werken we aan nieuwe kennis en methoden op het vlak van culturele AI, op het gebied van fake news en memes, profilering van auteurs via computationele stylometrie, en het analyseren van grote hoeveelheden teksten op verschillen in perceptie, waardering, genre, en gender. Veel van dit onderzoek is niet computationeel, maar dat is ook helemaal niet nodig; de uitkomsten ervan moeten geïntegreerd worden in de ontwikkeling van alle AI-systemen waarin talige communicatie en culturele aspecten een rol spelen.

    'Culturele AI' is in zekere zin een omdraaiing van ‘Digital Humanities’. De geesteswetenschappen is geavanceerde digitale methoden aan het omarmen, maar diezelfde digitale methoden hebben de geesteswetenschappelijke inzichten hard nodig om te evolueren.

    Foto:  Flickr, Archigeek via CC BY-NC-ND 2.0

    Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (maart 2019) van het Meertens Instituut. Heeft u een vraag voor het instituut, stuur dan een This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.

  • Vorige maand verscheen het laatste boek van de nu 8-delige Syntax of Dutch. In dit Engelstalige boek beschrijft Hans Broekhuis de grammatica van het Nederlands voor taalkundigen wereldwijd. Waarom hoort dit werk thuis op een instituut dat van oudsher vooral dialecten onderzoekt? Deze vraag wordt beantwoord door Hans Broekhuis.

    Het doel van de Syntax of Dutch (SoD) is een zo volledig mogelijke beschrijving te geven van wat we het Standaardnederlands kunnen noemen. Omdat de taalkundige afdeling van het Meertens Instituut juist taalvariatie (in bijvoorbeeld tijd en ruimte) onderzoekt, kan je je afvragen of het onderzoek naar het Standaardnederlands daar wel thuishoort. Het wordt immers vaak gezien als een bovenregionale variëteit van het Nederlands die aan strikte regels gehoorzaamt.

    Onbewuste regels

    Nu is het vrijwel onmogelijk om taalkundig vast te stellen wat wel of niet tot het Standaardnederlands behoort. Die afbakening is eerder sociaal van aard; je hebt daar een soort rechter voor nodig die bepaalt dat je groter dan in plaats van groter als moet zeggen, en Zij komen in plaats van Hun komen, etcetera. Voor de studie naar de formele eigenschappen van taal zijn dat soort extern opgelegde regels minder interessant. Daarvoor zijn de regels waaraan sprekers van een taal zich onbewust houden veel belangrijker. Zo weet elke spreker van het Nederlands onbewust dat bijvoeglijke bepalingen voorafgaan aan zelfstandige naamwoorden (mooie boeken) of dat het lijdend voorwerp voorafgaat aan de niet-verbogen werkwoorden in een zin (Jan heeft het boek gelezen). Dit zijn geen feiten die snel een rol zullen spelen in een discussie over de standaardtaal, maar wel feiten waar taalkundigen zich traditioneel mee bezighouden.

    De bestaande literatuur over de onbewuste regels waaraan sprekers zich houden, is vooral gebaseerd op het Standaardnederlands. Het begrip Standaardnederlands wordt hier losjes gebruikt en omvat een groep nauw verwante taalvariëteiten die door de meeste sprekers van het Nederlands intuïtief als zodanig herkend wordt. Andere variëteiten (zoals dialecten) worden in de regel negatief gedefinieerd als variëteiten die niet behoren tot de standaardtaal. De literatuur over dergelijke variëteiten gaat dan ook vaak over verschijnselen die afwijken van het Standaardnederlands.

    Referentiepunt

    Een werk als SoD kan niet gemakkelijk geschreven worden over een van de vele dialecten of andere taalvariëteiten die Nederland rijk is. Het onderzoek naar die variëteiten gaat immers voorbij aan de feiten die hetzelfde zijn als in het Standaardnederlands. Willen we een overzichtswerk hebben van de syntaxis van het Nederlands dan is een beschrijving van het Standaardnederlands op dit moment om praktische redenen het hoogst haalbare; dit is dus niet omdat het Standaardnederlands op intrinsieke gronden te prefereren zou zijn, maar omdat het nu eenmaal beter onderzocht is.

    bron: Van der Sijs e.a., Dialectatlas van het Nederlands

    Het is echter ook voor het variatie-onderzoek belangrijk dat tenminste één variëteit (die we in dit geval Standaardnederlands noemen) zo uitputtend mogelijk beschreven wordt omdat het een referentiepunt kan vormen voor onderzoek naar de overige variëteiten: de SoD maakt het gemakkelijker om systematisch na te gaan in welke opzichten een specifieke variëteit zich “bijzonder” gedraagt. Zo vermeldt SoD voor het Standaardnederlands bijvoorbeeld ‘twee koffie, graag!’, terwijl elders ‘twee koffies, graag!’ gezegd wordt, met koffie in het meervoud.

    Er zijn natuurlijk ook taalverschijnselen die we uitsluitend vinden in bepaalde (niet-standaardtalige) variëteiten. Een goed voorbeeld is zogenaamde vervoeging van het voegwoord, zoals in de zin Ik denk niet datte ze komen, die we vinden langs de Hollandse kust. Het is daarom wenselijk als de beschrijvingen in SoD aangevuld zouden worden met deelbeschrijvingen van andere taalvariëteiten. Een voorbeeld van hoe een dergelijke aanvullende beschrijving eruit zou kunnen zien is te vinden op het Taalportaal, waar een beschrijving van het Fries te vinden is voor zover dat afwijkt van het Standaardnederlands. De SoD zou zo de kern kunnen vormen van een beschrijving van de Nederlandse syntaxis in de ruimste zin van het woord, waarin ook plaats is voor niet-standaardtalige taalvariëteiten van het Nederlands. De vraag of SoD thuishoort op het Meertens Instituut moet daarom met een volmondig “ja” beantwoord worden.

    Meer informatie?

    Alle zeven dikke delen van de imposante Engelstalige grammatica van het Nederlands, Syntax of Dutch, geschreven door Hans Broekhuis en anderen, zijn nu gratis als pdf-bestand te downloaden bij de open access-bibliotheek OAPEN.

    Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (januari 2019) van het Meertens Instituut. Heeft u een vraag voor het instituut, stuur dan een This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.

     
  • Waarom is een historisch-etnologisch onderzoek over de wederopbouw van boerderijen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog tegenwoordig zo relevant?

    Naar aanleiding van het verschijnen van het boek van etnoloog Sophie Elpers: ‘Wederopbouwboerderijen. Agrarisch erfgoed in de strijd over traditie en modernisering, 1940-1955. Rotterdam: nai010 uitgevers, 2019.

    door Sophie Elpers

    Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden meer dan negenduizend boerderijen verwoest. De wederopbouw ervan begon reeds na de verwoestingen van de eerste oorlogsdagen in 1940. Vanaf 1945 werden de getroffen boerderijen van het laatste oorlogsjaar aangepakt totdat het herstel in 1955 afgesloten kon worden. De wederopbouw werd georganiseerd en gecoördineerd door een overheidsinstelling, het Bureau Wederopbouw Boerderijen.

    Buiten dit institutionele kader waren er veel andere spelers die direct of indirect invloed uitoefenden op de boerderijbouw, zoals particuliere architecten, gemeentelijke schoonheidscommissies, de Bond Heemschut, de Rijkslandbouwarchitect, de Nederlandse Heidemaatschappij, de Rijkslandbouwvoorlichtingsdienst, de landbouworganisaties en de individuele boeren en boerinnen. Tussen hen ontstond een heftige strijd over traditie en modernisering die uiteindelijk de architectuur van de nieuwe boerderijen bepaalde.

    Symboliek versus gebruiksobject

    Aan deze strijd lagen twee verschillende functies van boerderijen ten grondslag. Het waren enerzijds objecten met een uitgesproken symbolische functie: zij stonden voor bepaalde tradities en waarden en moesten bijdragen aan de versterking en de vorming van een nationale identiteit. Anderzijds betrof het agrarische gebruiksobjecten die van cruciaal belang waren voor de modernisering van de Nederlandse landbouw.

    Aan de ene kant was er een groep die boerderijen terug wilde zien in een regionaal-traditionele vormentaal, zogenoemde streektypen. Zij dachten dat hiermee nationale eenheid (in verscheidenheid!) zou kunnen worden gesymboliseerd en een dreigend verlies van traditionele plattelandscultuur tegengewerkt zou kunnen worden.

    Een andere groep wilde vooral moderne wederopbouwboerderijen waarbij het streektype verlaten kon worden om plaats te maken voor totaal nieuwe boerderijvormen. Volgens deze groep was modernisering van de landbouw in Nederland dringend nodig. Zij zagen de wederopbouw als kans.

    Uiteindelijk zouden de moderniseerders een sterkere positie verwerven.Kwesties van traditie en modernisering werden ondergeschikt gemaakt aan de economische werkelijkheid die dringend een modernisering van de boerderijen vereiste.De meeste wederopbouwboerderijen kregen een streekeigen uiterlijke vorm met een modern interieur. Maar bij de boerderijen uit de late wederopbouwjaren werdende streektypen in de boerderijbouw steeds meer verlaten.

    Idylle of plek van crisis

    Veel plattelandsgebieden worden nog steeds bepaald door de wederopbouwboerderijen uit de jaren 1940 tot 1955. Voorbeelden zijn de Gelderse Vallei, Walcheren, de Betuwe, de omgeving van de gemeenten Groesbeek en Arnhem. Slechts tegen de achtergrond van het dynamische proces van de wederopbouw zijn deze duizenden nog existerende wederopbouwboerderijen te begrijpen en te waarderen. Hoe dynamisch en complex de wederopbouwperiode was, kunnen we opmaken uit de verschillende standpunten, tegenstrijdigheden en ambivalenties, de worstelingen, de conflicten en allianties, de toenaderingen en de compromissen tijdens het plannings- en bouwproces van de boerderijen.

    Bovendien krijgt het platteland krijgt tegenwoordig veel aandacht in de samenleving. Dit betreft zowel de concrete transformaties die plaatsvinden als ook voorstellingen die mensen hebben van het platteland. Het wordt gezien als een idyllische plek van rust en harmonie. Tegelijkertijd wordt het platteland als plaats van crisis geïnterpreteerd: landvlucht, vergrijzing, ontbrekende sociale en medische voorzieningen, schaalvergroting en intensivering van de landbouw die ecologische en ethische kwesties oproepen, maar ook boeren die hun bedrijf sluiten.

    En steeds gaat het ook over architectuur: Hoe moet de neo-traditionalistische architectuur op het platteland, woonhuizen in de vorm van historische boerderijen en landhuizen die in alle delen van Nederland herrijzen, geïnterpreteerd worden? Wat doet deze architectuur met de mensen? Moeten nieuwe hoogtechnische agrarische bedrijfsgebouwen ingepast worden in het landschap en aangepast aan reeds aanwezige (historische) architectuur? En zo ja, hoe? Hoe kunnen op locaties van voormalige agrarische bedrijven nieuwe activiteiten ontwikkeld worden? En hoe kunnen leegstaande boerderijen, ook wederopbouwboerderijen, het beste herbestemd worden?

    De analyse van de strijd over traditie en modernisering in de wederopbouwperiode maakt duidelijk waarover het ook tegenwoordig gaat: de nauwe relatie tussen enerzijds vragen en debatten over plattelandsarchitectuur en anderzijds diagnosen van wat het platteland is en voorstellingen hoe het zou moeten zijn in de toekomst. Er is sprake van een complex netwerk van verschillende stakeholders met verschillende ideologieën, belangen en argumenten. Alleen als deze goed ontrafeld en gereflecteerd worden, kunnen oplossingen voor de toekomst gevonden worden.

    Afbeeldingen: 1. Streektypische wederopbouwboerderij in Elst, Gelderland.2. Neotraditionalistische architectuur op het platteland, 21e eeuw.

     

    Bron:

    Sophie Elpers: Wederopbouwboerderijen. Agrarisch erfgoed in de strijd over traditie en modernisering, 1940-1955

    Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (januari 2019) van het Meertens Instituut. Heeft u een vraag voor het instituut, stuur dan een This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.

  • Waarom informanten uit het buitenland werven op een Nederlands festival?

    Het klinkt een beetje paradoxaal: informanten in het buitenland werven voor wetenschappelijk onderzoek op een Nederlands talenfestival. Toch is dit precies wat onderzoekers van het Meertens Instituut hebben geprobeerd tijdens het DRONGO talenfestival op 9 en 10 november 2018.

    door Kristel Doreleijers

    Op zaterdag 10 november presenteerden zij daar het onderzoeksproject ‘Vertrokken Nederlands’ dat sinds juli dit jaar wordt uitgevoerd in samenwerking met de Nederlandse Taalunie. Het doel van dit project is om in kaart te brengen hoe geëmigreerde Nederlanders en Vlamingen met de Nederlandse taal en cultuur omgaan in den vreemde (zie ook dit artikel over het onderzoek). Verandert hun taalgebruik en hun cultuurbeleving in het buitenland of houden ze vast aan de talige en culturele gewoonten van hun vaderland? Bezoekers konden op DRONGO meer te weten komen over de opzet van het project en inzicht krijgen in de doelstellingen en enkele (voorlopige) resultaten. Dat een onderzoek als dit relevant is (óók voor een niet-wetenschappelijk publiek) staat buiten kijf, aangezien jaarlijks tienduizenden Nederlanders en Vlamingen emigreren om in een ander land een nieuw leven op te bouwen. Een groot aantal mensen dat Nederland verlaat, remigreert naar het land van herkomst of heeft al een andere buitenlandse identiteit, maar er zijn ook heel veel Nederlanders en Vlamingen die hun vertrouwde geboorteland én moedertaal achterlaten. In 2017 waren dat om precies te zijn 10.817 Vlamingen (Statbel) en 43.378 Nederlanders (CBS).

    Burgerwetenschappers

    In het project ‘Vertrokken Nederlands’ onderzoeken taalkundigen van het Meertens Instituut via verschillende enquêtes de attitude van emigranten ten opzichte van de Nederlandse taal en de Nederlandse/Vlaamse cultuur. De eerste twee enquêtes over taalgebruik (juli 2018) en cultuur en behoeftes aan talige ondersteuning vanuit de Lage Landen (oktober 2018) worden inmiddels volop ingevuld. Wereldwijd hebben al meer dan 5000 informanten hun bijdrage aan dit onderzoek geleverd. Die informanten worden vooral bereikt via sociale media (Facebook), maar ook via burgerwetenschappers. Deze innovatieve maar sterk opkomende manier van wetenschapsbeoefening gaat uit van een intensieve samenwerking tussen professionele wetenschappers en burgers zonder wetenschappelijke (in dit geval: taalkundige) expertise. De burgerwetenschappers van ‘Vertrokken Nederlands’ (in totaal meer dan zestig) treden wereldwijd, in verschillende landen, op als ambassadeurs van het onderzoek. Zo helpen ze met het aanleggen van informantennetwerken in den vreemde, via de eigen familie-/kennissenkring tot (inter)nationale nieuwsbrieven, koffieclubs, lokale emigrantengemeenschappen, Nederlandse kerken in het buitenland, onderwijsinstellingen (bv. Nederlandstalige scholen) of lokale krantjes. Maar hoe komen professionele onderzoekers met geschikte burgerwetenschappers in contact? De aard van dit type onderzoek doet vermoeden dat professionals en leken elkaar logischerwijs zouden ontmoeten tijdens momenten waarop gedeelde onderzoeks- of taalinteresses bij elkaar komen. Bijvoorbeeld op een talenfestival als DRONGO, dus! Onderzoekers van het Meertens Instituut vroegen zich in deze context het volgende af: zijn DRONGO-bezoekers wellicht ook potentiële burgerwetenschappers?

    Vragenlijst op DRONGO

    Emigratie heeft natuurlijk nooit een eenzijdige impact: mensen die emigreren en hun geboorteland en moedertaal achterlaten zijn een interessant onderzoeksobject, maar óók de achterblijvers (familie en vrienden van de emigranten) zijn onderdeel van het emigratieproces. Zelden hoor je dat emigranten alle contacten met het thuisfront verbreken. Dit gegeven maakt het interessant om ook deze laatste groep eens onder de loep te nemen, en dat is precies wat onderzoekers van het Meertens Instituut hebben gedaan op DRONGO 2018. Uit het grote aantal flyers dat bezoekers meenamen, bleek dat een aanzienlijk deel van de DRONGO-gasten interesse had in het onderzoeksproject. Van sommige bezoekers bleek die interesse des te duidelijker toen zij een uitgebreid gesprek aanknoopten met de aanwezige onderzoekers van ‘Vertrokken Nederlands’. Dit bood de onderzoekers een uitstekende gelegenheid om meer te weten te komen over het potentiële netwerk van deze bezoekers. Hebben zij Nederlandse of Vlaamse familieleden/vrienden die in het buitenland wonen? Zo ja, in hoeverre hebben zij contact met deze emigranten en via welke kanalen? En in welke taal of talen vindt communicatie plaats, en hangt dit bijvoorbeeld nog samen met de periode van emigratie (bv. langer of korter dan vijf jaar geleden)?

    Onderzoekers van het Meertens Instituut lieten 25 duidelijk geïnteresseerde DRONGO-bezoekers een korte vragenlijst invullen om deze informatie te achterhalen, waarvan 21 bezoekers aangaven contact te hebben met familieleden of vrienden in het buitenland. De frequentie van dit contact bleek te variëren van zelden (een keer per jaar), tot regelmatig (maandelijks) of vaak (wekelijks of zelfs dagelijks). DRONGO-bezoekers vulden in niet alleen af en toe op bezoek te gaan in het buitenland, maar het contact vooral ook telefonisch of via e-mail, videobellen, korte chatberichten (Messenger of Whatsapp) en sociale media te onderhouden. Daarbij bleek het Nederlands in alle gevallen de voertaal te zijn, ongeacht de periode van emigratie (langer of korter dan vijf jaar). Afgaande op dit resultaat is het Nederlands als communicatiemiddel met het thuisfront dus ook in den vreemde nog springlevend, zij het dat een aantal bezoekers aangaf zo nu en dan het Nederlands ook af te wisselen met Engels, Spaans of Duits. Een enkeling vertelde bovendien nog geregeld in dialect te communiceren met Nederlandse contacten in het buitenland, zoals het Limburgs of het Bildts.

    Wat levert deze kennis nu op? Behalve dat het belang van het Nederlands in den vreemde (als communicatiemiddel met het thuisfront) op basis van deze kleine steekproef bevestigd lijkt, is het natuurlijk bijzonder relevant om te weten of de DRONGO-bezoekers ook een schakel kunnen vormen tussen onderzoekers en de betreffende contacten in het buitenland. Om die reden werd de bezoekers ook gevraagd of ze bereid zouden zijn hun contacten te activeren om deel te nemen aan dit onderzoek, bijvoorbeeld door de links naar de enquêtes onder hen te verspreiden. Zestien bezoekers gaven aan dit zeker te willen doen en de overige bezoekers zagen hier liever van af of gaven aan nog te twijfelen. In alle gevallen konden ze een flyer meenemen met onze contactkanalen (website, Facebook, e-mail) om de informatie over het project thuis nog eens rustig na te lezen, én hopelijk door te zetten naar relevante buitenlandse contacten. Een ding kunnen we in elk geval concluderen: animo en potentie blijkt er onder het DRONGO-publiek zeker te zijn!

    Woordenschattest

    DRONGO-bezoekers met een interesse in ‘Vertrokken Nederlands’ konden tijdens het festival ook een Woordenschattest van het Nederlands invullen. Deze test is ontwikkeld door Heleen Vander Beken, Evy Woumans en Marc Brysbaert van de Universiteit Gent en zal binnenkort ook worden afgenomen onder geëmigreerde Nederlanders en Vlamingen. We zijn benieuwd of de woordenschat van Nederlandse en Vlaamse niet-emigranten afwijkt van die van emigranten. Wie de test op DRONGO heeft gemist, kan hem ook nu nog invullen via de website van het Meertens Instituut.

    Dit artikel verscheen eerder op Neerlandistiek

  • Een lezeres van de nieuwsbrief hoorde onlangs in de trein iemand vertellen dat zijn tante ‘Hooghaarlemmerdijks’ spreekt. Zij vroeg ons wat dat voor dialect is. Het antwoord op deze vraag wordt gegeven door Nicoline van der Sijs.

    Met Hooghaarlemmerdijks wordt een deftig, onnatuurlijk, ‘bekakt’ Nederlands bedoeld. Hooghaarlemmerdijks wordt vooral gebruikt in Friesland en Groningen, maar niet in Amsterdam, hoewel het daar vandaan komt. Het woord verwijst namelijk naar de Amsterdamse Haarlemmerdijk en de taal die daar werd gesproken.

    In het verleden werden er volgens taalkundigen verschillende dialecten of ‘tongvallen’ gesproken in de Amsterdamse wijken. Een daarvan was het zogenaamde Haarlemmerdijks, dat te horen was in de omgeving van de Haarlemmerdijk en de Haarlemmerpoort (officieel de Willemspoort). Omstreeks 1775 gold de uitspraak/ee/ voor de lange a als kenmerkend voor het Haarlemmerdijks: de Haarlemmerdijkers zeiden street in plaats van straat, wat leidde tot spotzinnetjes voor het Haarlemmerdijks als: ien neelde met ien bleeuwen dreed, en slee de heek in de peel en heel nee je.In het Kattenburgs - een ander Amsterdams dialect – zou dit zijn uitgesproken als: een naald met een blauwe draad en sla een haak in de paal en haal naaje [naar je]. Een andere typerende uitspraak voor het Haarlemmerdijks was Men moet de Maiden meiden ‘men moet de meiden mijden’.

    Typisch Amsterdams

    De taalkundige Johan Winkler onderscheidde in 1874 maar liefst negentien verschillende Amsterdamse dialecten. Onder die dialecten noemde hij ook het Haarlemmerdijks. Als kenmerkend voor dit dialect vermeldde hij de uitspraak van de lange a, die lang werd aangehouden en neigde naar oa: zo klonk maan volgens Winkler als moa-an.“Deze uitspraak wint, zonderling genoeg, hoe langer hoe meer veld in dit gedeelte van Amsterdam”, aldus Winkler. Daarin heeft hij gelijk gekregen, want de uitspraak oa geldt momenteel als typisch voor het Amsterdams. Opvallend is dat deze klank kennelijk jong was, want in de 18e eeuw kwam hij in het Haarlemmerdijks nog niet voor.

    Een ander kenmerk van het Haarlemmerdijks was volgens Winkler “de sterk rochelende (haarlemsche) uitspraak der g”. Andere taalkundigen wezen nog op de uitspraak oi in plaats van ui: loizig, doizend, sloier, oit voor luizig, duizend, sluier, uit. Kattenburgers zeiden daarentegen leuizig of deuizend. Echte Kattenburgers lieten er zich in die tijd op voorstaan dat ze nooit aan het Aêr-end, het ‘andere eind’ ofwel de Haarlemmerpoort, waren geweest...

    Het Haarlemmerdijks was dus, zo blijkt uit de voorbeelden, volkstaal of plat-Amsterdams. Mensen die sociaal hogerop wilden, zwoeren de Haarlemmerdijkse tongval af, en stapten over op wat door mensen buiten Amsterdam spottend Hooghaarlemmerdijks werd genoemd. Zo schreef Het volk: dagblad voor de arbeiderspartij over het eerste optreden in de Kamer van minister van Marine J. Wentholt (geboren in Overijssel) op 11-12-1907:

    “Tot elks verbazing heeft bovendien deze Excellentie een accent in zijn stem, dat Nolting met sympathie deed vragen: Waar, voor den drommel, heeft die vent zijn Hoog-Haarlemmerdijksch vandaan?”

    Met Nolting wordt Piet Nolting bedoeld, een Amsterdamse biljartmakersgezel die in 1897 als een van de eerste arbeiders voor de Radicale Bond toetrad tot de Tweede Kamer en die zijn redevoeringen met een onvervalst Amsterdams accent uitsprak - en dus niet in Hooghaarlemmerdijks.

    Bierkaais

    Een ander berucht Amsterdams dialect was het zogenaamde Bierkaais, gesproken rond de Bierkaai, een deel van de Oudezijds Voorburgwal, gelegen bij de Oude Kerk in Amsterdam. Johan Winkler schreef hierover: “De Bierkaai heeft nog een zeer oorspronkelijke bevolking; nog kan men er op de Bierkaai vinden, die roemen dat ze van ouder tot ouder Bierkaaiers zijn, en dat hun voorouders nooit ergens anders gewoond hebben. [...] Hun tongval is zeer klankrijk, maar ik zie geen kans hem met letters af te beelden; men moet hem uit den mond der Bierkaaiers hooren.” Een andere taalkundige durft het wel aan enkele speciale klanken te vermelden: hij noemt als typisch Bierkaais boiten voor ‘buiten’, ik bin voor ‘ik ben’, en een o-achtige a in haor ‘haar’.

    Het Bierkaais behoort inmiddels tot het verleden, maar de Bierkaai is bewaard gebleven in het spreekwoord tegen de bierkaai vechten. Aan de Bierkaai werden vaten met bier aangevoerd en door sjouwers geladen en gelost. Die sjouwers waren sterk en hadden een kort lontje; ze golden dan ook als beruchte vechtersbazen. Vandaar dat de uitdrukking tegen de bierkaai vechten voor ‘een bij voorbaat verloren strijd strijden’ begin 19e eeuw zijn intrede deed.

    Hoe goed is jouw Amsterdams?

    Tussen de Amsterdamse wijken bestaan tegenwoordig geen uitspraakverschillen meer. Wel wordt het Amsterdamse dialect gekenmerkt door typisch Amsterdamse woorden. Althans: dat wordt beweerd. Klopt dat wel, of zijn Amsterdamse woorden tegenwoordig ook ver buiten Amsterdam bekend? Om dat na te gaan hebben we in samenwerking met het tijdschrift Quest de test ‘Hoe goed is jouw Amsterdams?’ ontwikkeld. In een van de vragen komt ook de Haarlemmerdijk aan de orde: weet u wat de uitdrukking Haarlemmerdijkies maken betekent? Als u het antwoord wilt weten, doe dan even mee aan de test. Die is hier te vinden: https://www.quest.nl/test/hoeveel-amsterdams-ken-jij

    Meer informatie

    Quiz: hoe goed is jouw Amsterdams?

    Dit artikel is verschenen in de nieuwsbrief (november 2018) van het Meertens Instituut. Heeft u een vraag voor het instituut, stuur dan een This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.. Ook interesse in de nieuwsbrief? Klik hier voor meer informatie.

  • Welke dooddoeners gebruikt men in Nederland?

    Bert Staal uit Eindhoven benaderde het Meertens Instituut met een Gronings woord dat hij zich van zijn ouders herinnerde: “Wipketeern”. Of dat woord bij ons bekend was. Het begrip werd door de ouders gebruikt als een dooddoener. Als de kinderen vroegen “Waar gaan jullie naar toe?” en de ouders hadden even geen zin in een serieus antwoord, dan zeiden ze "Wie goan noar Wipketeern" – een gefingeerde plaatsnaam die eigenlijk ‘nergens’ (of: ‘dat gaat je niks aan’) betekende. In het Fries kon er wel met “Koetsjefinne” geantwoord worden. Als het kind vroeg "Wèr gjinne heit en mem hinne?” dan kon het antwoord zijn: "nei Koetsjefinne".

    Door Theo Meder

    Belangstelling naar de ‘dooddoeners’ was hiermee weer gewekt. Ze lijken in het verleden vooral gebruikt te zijn als cliché-antwoorden om (als irritant ervaren) vragen van kinderen af te wimpelen. Zouden mensen zich die dooddoeners nog kunnen herinneren? Zouden ze ze zelf ook nog gebruiken? Herkennen jongeren de dooddoeners en zijn er wellicht nieuwe bijgekomen? Of stammen dooddoeners vooral uit de tijd dat kinderen nog weinig hadden in te brengen? De verhoudingen tussen ouders en kinderen zijn immers aan verandering onderhevig geweest. Er is in het verleden ook al onderzoek gedaan naar dooddoeners door Inez van Eijk en Ewoud Sanders. Meer recent deed Jaap Toorenaar onderzoek naar clichétaal (‘ouderwijsheden’) en stuitte wederom op dooddoeners.

    We stelden op Facebook de vraag wie de dooddoeners nog kenden en hoe ze luiden. Als heel bekende voorbeelden gaven we “Wat eten we vanavond?” met als dooddoener “Hussen met je neus ertussen” , en “Hoe laat is het?” “Kwart over de rand van de pispot”. De oproep op Facebook leverde aardig wat reacties op. De meeste volwassenen leken ze te herinneren uit hun jeugd, maar sommige respondenten waren nog zo jong, dat ze de dooddoeners toch vrij recent nog gehoord moeten hebben.

    Hussen met je neus ertussen

    De dooddoeners zijn in enkele categorieën onder te brengen (en enkele vondsten van Inez van Eijk, Ewoud Sanders en Jaap Toorenaar zijn hier in de beschouwing meegenomen). Het begint vrijwel steeds met vragen of opmerkingen van kinderen, en de meeste reacties kwamen binnen op de vraag “Wat eten we?” Bedenk dat bij het eerlijke antwoord (“bloemkool”) er vaak gemekkerd zou worden: “Dat lust ik niet” of “Getver!”
    Het vaakst werd “Husse(n) met je neus ertussen” ingezonden, gevolgd door “mondsteeksels” en “Erpels met erpels en erpels toe” (aardappels).

    Ook varianten op “Wat de pot schaft” bleken populair. In het Limburgs kon het antwoord “Kruddelevutjes” luiden. In de categorie viezigheid en griezelvoer werden onder andere ingezonden: “Sla met slakken en gedversnebbersaus”, “Stront met striempies”, “Gestampt glas met dooie vingers”, “Gemalen spijkertjes met poppenstront” en “Zand, zeep en soda”. Dooddoeners werden ook gebruikt bij lamlendigheid of een gebrek aan concentratie aan tafel, en tevens werd gememoreerd dat er in de gevangenis wel heel akelig voedsel op het menu stond: “Zeep met spelden” en “Boterhammen met spinnenkoppen”. Als kinderen aangaven dat ze dorst of honger hadden, dan stonden de volgende cliché-antwoorden ter beschikking: “Dan ga je naar Hansje Worst, die heeft een hondje, die piest zo in je mondje” en “Je hebt trek: de kindertjes in Afrika hebben honger”.

    Wat? Of je worst lust!

    Na dooddoeners rond de maaltijd komt de categorie met corrigerende clichés als kinderen respectloos reageren met “He?”, “Wat?” en “Watte?” in plaats van “Wat zegt u?” De Rotterdamse reacties spanden de kroon: “Kejjenietzegge wat mot je?” en “Wat zeggie? Azzie val dan leggie!” In Limburg kunnen de reacties luiden: “Watte? Koeieflatte met handvatte (en nog watte)” en “Watte? Eendegatte die in't water spatte”. Soms komt er een heel rijmpje als antwoord:

    Wat?
    Steek je vinger in je gat.
    Moet je naar Deuteren
    Om 'm eruit te laten peuteren,
    Moet je naar Vlijmen
    Om 'm eraan te laten lijmen
    En dan moet je naar Den Bosch
    En daar laten ze je weer los.

    Wat dat betreft kunnen de Friezen er ook wat van:

    Wotte?
    De kot skyt op de motte.
    De hûn skyt er by,
    Lekkere brei foar dy!

    Niet ongebruikelijke standaardreacties waren ook: “Wat? Klap voor je gat, dan hebbie wat!” en "Hè? Bokkiebèh!" De dooddoener die het vaakst werd ingezonden, blijkt van recente makelij: “Wat? Of je worst lust”. Deze reactie moet populair zijn geworden dankzij een televisiereclame voor hoortoestellen.

    Waarom? Daarom!

    De vaak gestelde kindervraag “Hoe laat is het?” werkte ouders kennelijk ook regelmatig op de zenuwen, gezien de volgende dooddoeners: “Net zo laat als gisteren om deze tijd” en “Kwart over dunne schijt. Als je vlug bent kun je nog meeflodderen”. In Limburg refereert men wel aan het polshorloge met de opmerking “Vel over knook” en in Kerkrade is het zelfs “Viedel op naksje erm” (kwart over naakte arm). In Brabant kan geanwoord worden met een versje:

    't Is kwart over een bult,
    't Is pas gespeuld,
    Bij Pietje de Laat
    In de Achterstraat.

    Zojuist bleek al dat op de vraag “Waar gaan we naar toe?” door de Groningers “Wipketeern” kon worden geantwoord, en door de Friezen “Kûtsjefinne” of een heel rijmpje:

    WÄ—r gjin we hinne?
    Nei Fûtsjefinne.
    Pak de baarch by syn sturt
    En lit him rinne!

    Maar de reis kon ook naar “Bobbels Konte” gaan, of zelfs naar “Bobbeltjeskonten, drie uur boven de hel”.

    Ouders proberen hun autoriteit te laten gelden als ze de “Waarom?”-vragen van kinderen beu worden, of als ze zelf ook geen goed antwoord weten. Dan wordt het: “Waarom? Daarom!” eventueel aangevuld met “Omdat ik het zeg”. Het is echter goed mogelijk dat de kinderen dan weer antwoorden: “Daarom is geen reden. Als je van de trap af valt, ben je gauw beneden.”

    Kan niet ligt op het kerkhof

    Dan is er de categorie waarin kinderen iets (liever) willen, of juist ergens geen zin in hebben of beweren iets niet te kunnen. Ouders laten dan hun gezag gelden met antwoorden als: “Jij hebt niks te willen”, “Je wil staat achter de deur”, “Lieverkoekjes worden niet gebakken” en “Kan ik niet ligt op het kerkhof. En wil ik niet ligt ernaast”. Maar de meeste inzendingen kreeg toch de overbekende dooddoener: “Heb je geen zin? Dan máák je maar zin!”

    Kinderreacties die beginnen met “Als...” of “as...” en die als tegenstribbelend of irrelevant worden ervaren, kunnen rekenen op soms ietwat belegen antwoorden als “As is verbrande turf”, “Als morgen de hemel naar beneden valt, hebben we allemaal een blauwe hoed” en het meer scabreuze “Als mijn tante klootjes had gehad, dan was het mijn oom geweest”.
    Maar soms hoeven kinderen niet eens iets te zeggen of te vragen om een dooddoener in ontvangst te kunnen nemen. Bijvoorbeeld als ze de deur lieten open staan: “Ben je in de kerk geboren soms?”, “We stoken hier niet voor de KLM” en “We doen hier niet aan heelalverwarming”.

    Hotel Mama

    Veel van de dooddoeners doen inmiddels tamelijk ouderwets aan. Welk kind zou nu nog weten wat turf is? Afgezien van de buitendeur, is in centraal verwarmde huizen het laten openstaan van een deur geen ramp meer. Veel ouders lusten vandaag de dag ook liever macaroni of pizza dan bloemkool of spruitjes. In menig opzicht lijken de verhoudingen tussen ouders en (hun gewenste) kinderen veel meer ontspannen te zijn geworden. Onderhandelen heeft het in de opvoeding in veel gevallen gewonnen van gebieden. Naast “Of je worst lust” is er juist om die reden misschien nog maar één echte moderne dooddoener aangetroffen: “Het is hier geen hotel!” En dat wordt waarschijnlijk het vaakst gezegd tegen pubers die zich de huidige voordelen van Hotel Mama vol overgave laten welgevallen.

     

    Meer lezen?

    Inez van Eijk, Dooddoeners, afhouders, dijenkletsers en andere uitdrukkingen.

    Jaap Toorenaar, Wijsheden van ouders en grootouders. Onze Taal 2014.

    Ewoud Sanders, Husse met je neus ertussen. NRC 1999.

    Zie ook dit blog met meer resultaten van deze kleine enquête.

     

  • Hoe moet de bijnaam Neukwaterwaard begrepen worden?

    Erik Werps schrijft het Meertens Instituut een brief over een schikking uit 1614 tussen Cornelis Gerrits Schoemaecker en Cornelis Corstiaenstz. De eerste Cornelis heeft een stevige schuld uitstaan bij de tweede Cornelis, en de schout van Wijk aan Zee en Duin, Maerten Eevertsz, komt met een soort schuldsanering waarbij de eerste Cornelis jaarlijks een bedrag moet terugbetalen (Oud-Rechterlijk Archief van Wijk aan Zee en Duin, inventarisnummer 1323, p. 51). Van de schuldeiser wordt ook zijn bijnaam genoemd: “Cornelis Corstiaenstz alias Nueck water waert”. Hoe moet die bijnaam nu begrepen worden?

    door Theo Meder

    Volgens de akte was Cornelis Corstiaenstz eigenaar van een herberg in Beverwijk. Stond die herberg in de buurt van het water? Sloeg daar die bijnaam op? Nee, de oplossing van de bijnaam is veel platter en vulgairder: Cornelis wordt wel de “neukwaterwaard” genoemd. Als herbergier stond Cornelis bekend als de kastelein of de waard van het neukwater - de schenker van alcohol met andere woorden. Alhoewel de woordenboeken erover zwijgen in alle toonaarden, zijn er enkele 17e-eeuwse teksten te vinden die duidelijk maken dat neukwater hoogstwaarschijnlijk een uiterst platte, volkse benaming is voor jenever. Zo vinden we in de klucht De bedroge girigheyd of Boertige comoedie van Hopman Ulrich van J. van Paffenrode uit 1661 het “neukwater” terug in een opsomming van alcoholica die genuttigd wordt tijdens een slemppartij.

    Tot de andere alcoholica behoorde onder andere het “hembdeken raap op” – waar de kleertjes kennelijk van uitgaan. Het zijn deels incrowd-woorden zoals wij die nu nog kennen van bijvoorbeeld de “kopstoot” (bier met jenever). Het “neukwater” komt ook voor in De Hoogduytsche quacksalver van G.A. Bredero uit 1619. De oude heer Drooge Lammert (nomen est omen) trouwt met een jonge bruid en zou haar graag seksueel van dienst zijn, maar het lukt niet meer. De Duitse kwakzalver geeft hem een briefje met een recept hiervoor en één van de ingrediënten is “neuck-wasser”.

    Het mag inmiddels duidelijk zijn waarom sterke drank wel neukwater werd genoemd: de drank maakt de zeden losser en jaagt de lust aan. Er werd in een recenter verleden ook wel gedacht dat eieren libidoverhogend zouden werken en ze heetten daarom in de volksmond (onder soldaten) wel “neukpatronen”. Onder de Britten is het woord “beergoggles” gangbaar: hoe meer bier er gedronken wordt, hoe rooskleuriger men de wereld door de bierbril ziet, en hoe aantrekkelijker de vrouwen worden. In internet-memen wordt bier nog altijd aangeprezen als manier om de schroom te overwinnen en de liefde te bedrijven.