HomeDatabankenBedevaarten

Breda, O.L. Vrouw van Foy, Moeder van Barmhartigheid

Mail voor aanvullingen en commentaar
Cultusobject: O.L. Vrouw van Foy, Moeder van Barmhartigheid
Datum: 21 november (Maria Presentatie); gehele jaar
Periode: 1632 - 1637
Locatie: Kapel in de jezuïtenkerk
Adres: -
Gemeente: Breda
Provincie: Noord-Brabant
Bisdom: Breda
Samenvatting: In 1632 schonk de provinciaal overste van de Vlaams-Belgische jezuïeten aan het nieuwe college van deze paters te Breda een Mariabeeldje, vervaardigd uit de eik waarin het oorspronkelijke, stenen wonderbeeld van Foy zou zijn gevonden. Het beeldje werd in Breda tot het vertrek van de jezuïeten in 1637 bijzonder vereerd. In de jaren vijftig van de 20e eeuw is door de directeur van de kunstacademie St. Joost een poging gedaan deze verering te doen herleven.

Auteur: J.M.F. IJsseling
Illustraties:
(Klik op afbeelding voor vergroting)
Topografie - Plattegrond ⟶ Breda, Sacrament van de Niervaart.
- Na een negen maanden durende belegering in 1624-1625 door de 'Spaanse' troepen van Ambrosio Spinola, kwam Breda voor de laatste keer in handen van de katholieken. In de twaalf jaren die daarop volgden, werd de katholieke reformatie stevig ter hand genomen. In 1625 trokken samen met de soldaten ook paters capucijnen en jezuïeten de stad binnen. Op hun eigen verzoek verkregen de jezuïeten van het nieuwe stadsbestuur de leiding van de oude Latijnse school in de Nieuwstraat. Het gebouw bood echter voor hun plannen te weinig ruimte. Reeds in 1626 kochten de paters de huizen Ocrum (het tegenwoordige St. Janstraat 16) en Hersbeek aan de St. Janstraat en vestigden daar een college met een klooster en een internaat. Het Bredase jezuïetencollege kwam maar moeizaam op gang. De eerste rector, pater Gerard van Vlierden, werd pas in maart 1632 benoemd. Een tiental paters en vijf broeders verzorgden het onderwijs dat - overeenkomstig de gebruikelijke opzet, namelijk de vorming van een degelijk katholieke elite - vooral bestemd was voor de kinderen van de burgerij. Naast het onderwijs besteedden de paters veel aandacht aan de verzorging van de zieken.
- De paters richtten in 1626 een Mariacongregatie op, met aparte afdelingen voor studenten en voor burgers. De laatste was weer gesplitst in een afdeling voor gehuwden en ongehuwden, overigens alleen mannen. De afdeling voor de burgers telde in 1629 tweehonderd leden. In hun gebouwencompex richtten de jezuïeten ook een kerk in, die reeds op 3 december 1626 in gebruik werd genomen. Ten behoeve van de Mariacongregatie werd daaraan korte tijd later nog een kapel toegevoegd. Het is niet duidelijk op welke plaats in het complex deze ruimten zich bevonden. De Mariacongregatie was niet in de eerste plaats gericht op de devotie tot de H. Maagd. Ook hier ging het er vooral om van de leden goede, trouwe katholieken te maken. De schenking van een beeldje van O.L. Vrouw van Foy in 1632 moest daaraan een extra impuls geven.
Cultusobject - In 1609 was te Foy, een plaatsje op de pelgrimsweg naar O.L. Vrouw van Dinant, een dikke eik gekapt. Toen men deze tot blokken wilde verhakken, vond men binnenin een hoeveelheid kleine steentjes en een pijpaarden Mariabeeldje, neergezet achter een tralie van drie staven. Eeuwen tevoren moest dit beeldje in een holte van de eik zijn gezet als een wegwijzer naar het pelgrimsoord te Dinant, waarna het door de boom was omgroeid. Van de dorpsbewoners kon niemand zich nog herinneren dat dit beeldje bestond. Aanvankelijk werd het beeldje op bevel van de heer van het bos, de heer van Celles, geplaatst in een eik naast de boom waarin het was gevonden. Maar weldra gebeurden er wonderen, waarna de toeloop van pelgrims groeide, zodat men een aparte kapel liet bouwen. De belangrijkste ijveraars voor de devotie tot O.L. Vrouw van Foy waren de jezuïeten, die in Dinant een college hadden. Zij lieten uit het hout van de eik waarin het beeldje oorspronkelijk was gevonden en van de eik waarin het daarna was geplaatst, getrouwe kopieën van het pijpaarden beeldje vervaardigen en zonden deze naar alle windstreken.
- Pater Willem de Wael van Vronesteyn, provinciaal overste van de Vlaams-Belgische jezuïeten, schonk in 1632 zo'n beeldje aan het Bredase college. In 1637, toen Frederik Hendrik Breda had veroverd, nam de rector van het college, pater Petrus van den Berghe, het beeldje mee naar Brussel. Vandaar werd het eind 1639 overgebracht naar de jezuïetenkerk in Innsbruck (Oostenrijk), waar het nog steeds als 'Mutter der Barmherzigkeit' wordt vereerd. Omstreeks 1952 zongen Tiroler pelgrims daar nog steeds over het beeldje: 'Aus Breda der bekannte Stadt - Das Bild der Krieg vertrieben hat - Allda es hoch in Ehre war - That wunderzeiche viele Jahr'.
- Andere kopieën van het beeld van O.L. Vrouw van Foy werden vereerd te ⟶ Haastrecht (dl. 1), ⟶ Oudewater (dl. 1), ⟶ Roermond (dl. 3), ⟶ Rotterdam (dl. 1) en ⟶ Maastricht (dl. 3).
Verering - Het belangrijkste gegeven over de verering van het beeldje in Breda is het verhaal van de installatie in 1632. Op de vooravond van het feest van Maria Presentatie (21 november) had men het beeld in de Grote of Onze Lieve Vrouwekerk opgesteld. De vice-deken verrichtte de inzegening in een volle kerk. Daarna hield een van de paters van het college een lofrede op Maria. Vervolgens werd het beeld in een plechtige processie naar de kerk van de jezuïeten overgebracht. Een van de studenten van het college, te paard met een banier in de hand, opende de stoet. Daarna volgden de groepen jongens met kleinere vaantjes, en bruidjes; daarachter burgers met fakkels. In het midden van de stoet werd het Mariabeeld gedragen door vier paters, gekleed in superplie en stool en geflankeerd door de leden van het stadsbestuur en militaire autoriteiten, allen met grote flambouwen in de hand. Achter hen liepen geestelijken onder wie de vice-deken, die het processiekruis droeg. De stoet werd gesloten door de militaire gouverneur van de stad en zijn officieren. Er waren zoveel fakkels dat de hele Grote Markt verlicht werd. De kanonnen op de vestingwerken brachten tijdens de processie een eresaluut. Bij het college aangekomen werd O.L. Vrouw als een koningin verwelkomd door zes paters met flambouwen. De kerk was prachtig versierd. De wanden waren behangen met wit linnen doeken, waarop de naam van Maria stond, versierd met groene takken. Aan het plafond hingen slingers van sparrengroen, bezaaid met zilveren sterren. Het hoogaltaar schitterde met veel kaarslichten, die de naam van Maria vormden. Er was een zo grote toeloop van mensen, dat velen de versieringen pas na afloop van de plechtigheden konden bewonderen. De volgende dag, het feest van Maria Presentatie, werd om 11.00 uur een hoogmis opgedragen; dat gebeurde ook de twee volgende dagen en elke dag werd een preek gehouden over de 'Moeder van Barmhartigheid', onder welke titel men Maria in dit beeld wilde vereren.
- De kapel waarin het beeld zich bevond, moet een druk bezochte bedevaartplaats zijn geweest. Na twee jaar waren er al meer dan 400 ex-voto's aangebracht.
- Zoals vermeld werd het beeld door de rector in 1637 meegenomen naar Brussel en later naar Innsbruck overgebracht. In Breda kwam dus al na vijf jaar een abrupt einde aan deze devotie. Zeven jaar later, in 1644, zou Petrus van den Berghe bij de rector van het jezuïetencollege in Innsbruck informeren of en hoe het beeldje door de Tirolers werd vereerd. Daarbij wees hij erop dat dit genadebeeld zich in Breda had onderscheiden met vele wonderen en dat het voortdurend door zeer velen, met grote toeloop, was vereerd. Het antwoord uit Insbruck was geruststellend voor Van den Berghe: het beeld had ook in Tirol binnen korte tijd een miraculeuze status verworven en werd sindsdien bedacht met vele votiefgeschenken.
- Meer dan drie eeuwen later, in 1952, las G.J. Slee, de toenmalige directeur van de kunstacademie St. Joost in het tijdschrift Brabantia dat O.L. Vrouw van Foy destijds werd vereerd in huize Ocrum, dat de academie toen pas had verworven. Hij wist te bereiken dat de jezuïeten in Innsbruck een getrouwe replica lieten vervaardigen om deze aan de academie te schenken. En zo kwam in 1953 O.L. Vrouw van Foy na ruim driehonderd jaar weer terug in Breda. Tot de verhuizing van de kunstacademie naar het landgoed IJpelaar - het voormalige kleinseminarie - in 1994, bevond het beeld zich in een nis op de binnenplaats van huize Ocrum. Van een bijzondere verering is niets bekend, ofschoon bisschop J. Baeten van Breda nog in 1953 had toegestaan om deze replica te vereren als 'Onze Lieve Vrouw van Breda'. Thans staat het beeld in de kamer van de huidige directeur van de kunstacademie.
- De Grote of O.L. Vrouwekerk beschikte eveneens over een beeld van O.L. Vrouw van Foy dat in 1638, kort na de inname van Breda, naar ⟶ Roermond (dl. 3) werd overgebracht.

Bronnen en literatuur Archivalia: Nijmegen, archief van de Nederlandse provincie der jezuïeten. Innsbruck, archief van het jezuïetencollege.
Tekstedities:L. van Miert, Verhaal van hetgeen er onlangs bij de belegering en inneming van Breda is voorgevallen, 1637 ('s-Hertogenbosch: Provinciaal Genootschap, 1917) p. 17-18 over O.L. Vrouw van Foy te Breda; L. v[an] M[iert], 'Twee kerkelijke plechtigheden bij de jezuïeten te Breda, 1629 en 1632', in: Taxandria 25 (1918) p 133-135 met het uitvoerige verslag van de plechtige installatie van het beeldje van O.L. Vrouw van Foy.
Literatuur: Marie, die in der Foyensischen Abbildung nunmehr durch hundert jahr Gnädige Mutter der Barmherzigkeit zu allgemein Vertrauen vorgestellt und mit einer 9. tätigen Andacht beehret etc. (Innsbruck: M.A. Wagner, 1739); J.B. Krüger, Kerkelijke geschiedenis van het bisdom van Breda etc., dl. 3 (Roosendaal: Van Leeuwen, 1875) p. 271-273; Josef Hättenschwiller, Die Mutter der Barmherzigkeit (U.L.F. von Foya) (Innsbruck: Fel. Rauch, 1924; 1e dr. 1910); J.A.F. Kronenburg, Maria's Heerlijkheid in Nederland, dl. 7 (Amsterdam: Bekker, 1911) p. 361-362; M.A. Nauwelaerts, De oude Latijnse School te Breda ('s-Hertogenbosch: Provinciaal Genootschap, 1945) p. 56-62 over het college van de jezuïeten en de Mariacongregatie, maar er staat niets in over O.L. Vrouw van Foy; B.A., 'De Lieve Vrouwe in het gesloten koffertje', in: V. Schrijvers, Mariahulde, dl. 2 (Grave: Le Sage bibliotheek, 1946) p. 79; F. van Hoeck, 'De jezuïeten te Breda. Het jezuïetencollege van 1625-1637', in: Brabantia 1 (1952) p. 247; 'O.L. Vrouw van Breda verbleef 3 eeuwen in Innsbruck. Tirools beeldhouwer maakt getrouwe copie. Geschenk van Oostenrijkse jezuïeten komt dezer dagen bij de St. Joost in Breda', in: De Stem, 2 mei 1953; D. Gooren, 'Onze Lieve Vrouw van Foy en Noord-Brabant', in: Brabants Heem 11 (1959) p. 134-137; D. Gooren, 'De afbeelding van de Bredase Lieve Vrouw van 1520', in: Brabants Heem 20 (1968) p. 78-81; J.L.M. de Lepper, 'De katholieke kerk', in: Geschiedenis van Breda, 2 dln. (Schiedam: Interbook, 1977) dl. 2, p. 178; Die Jesuitenkirche zu Innsbruck (Innsbruck: Verlagsanstalt Tyrolia, 1989) p. 14 en 23; P.M. Toebak, Kerkelijk-godsdienstig leven in Westelijk Noord-Brabant, 1580-1652. Dekenale visitatieverslagen als bron, dl. 1 (Breda: Gemeentearchief Breda, 1995) p. 91; G. van den Eynde, A. Carmiggelt & J. Kamphuis, Het huis Ocrum. De geschiedenis van een monumentaal pand (Breda: gemeente Breda, 1996) p. 26, met een korte aantekening over de jezuïeten en hun kerk.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Breda-O.L. Vrouw van Foy.

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<