HomeDatabankenBedevaarten

Berlicum, H. Cunera

Mail voor aanvullingen en commentaar
Cultusobject: H. Cunera
Datum: 24 juni (zondag voor; + octaaf)
Periode: Ca. 1840 - ca. 1960
Locatie: Parochiekerk van St. Petrus
Adres: Kerkwijk 44, 5258 KC Berlicum
Gemeente: Sint-Michielsgestel
Provincie: Noord-Brabant
Bisdom: 's-Hertogenbosch
Samenvatting: Een longziekte onder runderen had in de jaren veertig van de 19e eeuw een intensivering van de Cuneraverering in Berlicum tot gevolg. Sinds die jaren kwamen met name boeren uit de omgeving ter bedevaart om er brood en water te laten zegenen. De oprichting van een broederschap in 1898 verbreidde de verering over een groter gebied. In de 20e eeuw doofde de verering uit, mede door de concurrentie van de Cuneraverering te ⟶ Heeswijk.
Auteur: Peter Jan Margry
Illustraties:
(Klik op afbeelding voor vergroting)
Topografie - Voor een plattegrond, zie ⟶ Berlicum, O.L. Vrouw; zie ook de kaart bij ⟶ Kaathoven.
- De parochie Berlicum werd in de middeleeuwen bediend door norbertijnen van de abdij van Berne (vgl. ⟶ Hedikhuizen).
- De parochiekerk kwam in 1648 in handen van de protestanten. Na enige tijd gebruik van de kapel te ⟶ Kaathoven te hebben gemaakt, kreeg Berlicum een eigen schuurkerk (na 1672).
- In 1837 kreeg de parochie een nieuwe kerk in waterstaatsstijl die op 1 augustus van dat jaar werd ingewijd. Deze kerk werd op 30 juni 1879 door bisschop Godschalk van 's-Hertogenbosch geconsacreerd. De waterstaatskerk is in 1932 vergroot met een dwarsbeuk en een nieuw koor naar een ontwerp van architect H.C. Van de Leur uit Nijmegen. De consacratie vond plaats op 30 april 1934. Na de verwoesting van de kerktoren in 1944 is deze gesloopt en is hiervoor omstreeks 1950 een gevel in de plaats gekomen naar een ontwerp van architect J. Strik.
Cultusobject - Zie over St. Cunera ⟶ Bedaf.
- De reliek is een botpartikel met een diameter van circa 1,5 cm dat tot 1784 een geheel vormde met de in ⟶ Heeswijk bewaarde Cunerareliek. Het wordt bewaard in een ovale zilveren theca (ca. 7 x 13 cm; met handvat) uit circa 1784. De vorm van deze theca werd gekozen ter onderscheid van de Heeswijkse reliekhouder die rond is. De theca van Berlicum bevat geen tekst die verwijst naar de heilige. De authenticiteit van de reliek is opgemaakt in de akte van de splitsing op 17 juni 1784. Op dezelfde akte is de authenticiteit van de reliek nogmaals bevestigd door apostolisch vicaris Antonius van Alphen op 20 januari 1815.
- Volgens Van den Elsen beschikte Berlicum in 1882 nog over een draadje van de worgdoek (⟶ Rhenen, dl. 1).
- Vanaf circa 1837 stond er een houten beeld van Cunera in de kerk, dat in dat jaar was gemaakt door de beeldhouwers J.B. en P.J. De Cuyper uit Antwerpen. Dit beeld is tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan. De inventaris van goederen van de parochie vermeldt in 1954 een moderner stenen Cunerabeeld in de kerk; in 1998 was dit beeld echter niet meer aanwezig.
Verering - In het eerste kwart van de 17e eeuw ontving de pastoor van Berlicum relieken van Cunera om ze vervolgens door te geven aan de Cunerakapel van ⟶ Kaathoven binnen zijn parochie. Na de sluiting van de kapel te Kaathoven in 1648 werd de reliek naar ? Bedaf overgebracht. Omdat de pastoors van Berlicum daar regelmatig kwamen en er functies bekleedden, ontstond ook in Berlicum zelf interesse voor de Cuneraverering. Toen Berlicum aan het einde van de 17e eeuw een schuurkerk kreeg, werd de verering ook daar geïntroduceerd.
- Op 17 juni 1784 werd de reliek van Bedaf door de vicaris-generaal van 's-Hertogenbosch, A. Aerts, in tweeën gedeeld en kregen de door norbertijnen bediende kerken van Berlicum en Heeswijk ieder een deel; de kerk van Berlicum ontving het grootste pars.
- De verering van Cunera, die waarschijnlijk in aanvang vooral parochieel van aard was, groeide in de jaren veertig van de 19e eeuw uit tot een bedevaart. Van den Elsen schreef in 1882 dat het uitbreken van een longziekte onder runderen in 1844 de devotie sterk deed aanwakkeren. Over de bedevaarten zijn niet veel gegevens bekend. In 1850 schreef de protestantse krant De Fakkel over de vereringspraktijk: 'Onfeilbaar middel tegen de longziekte. Neem gewijd water en brood, zoo als het bij den prelaat van Berlicum te koop is, geef daarvan de beesten 's avonds en 's morgens eene snede. Zuiver uw stallen door besprenging met gewijd water'. Een jaar later schreef hetzelfde blad:

'Nog trekt de bijgeloovige landbouwer in ootmoedige houding vaak naar Berlicum, nabij 's Hertogenbosch gelegen, om gewijd water te halen, dat voor alle mogelijke kwalen en ziekten van het vee probatum is, bij den pastoor dier parochie, die daarvan een soort handel schijnt te drijven; dat is, hij geeft het om niet, doch men offert er iets voor in de kerk'.

Dat de (anonieme) auteur geen processiebedevaarten vermeldt, duidt er wellicht op dat de bedevaarten toentertijd voornamelijk op eigen gelegenheid werden ondernomen.
- Schutjes schreef dat men ook in zijn tijd (1872) bij veeziekten naar de kerk van Berlicum kwam voor Cunera. Bedevaartgangers zochten 'heil en bescherming met de voorspraak der H. Cunera in te roepen'.
- Op 8 december 1882 keurde de Bossche bisschop een Cuneralitanie voor Berlicum goed. Het lijkt het begin van een zekere institutionalisering of formalisering van de verering, want in 1887 wendde pastoor Judocus Lambertus Burmanje zich tot de bisschop voor de oprichting van een Cunerabroederschap. Bisschop Van de Ven stelde voor eerst een reglement op te stellen dat Burmanje van Heeswijk zou kunnen overnemen, maar met weglating van de aflaten. Het was er Burmanje veel aan gelegen om aflaatverleningen te verkrijgen, aangezien de gelovigen het 'zoo zeer verlangen'. Blijkbaar kostte een en ander tijd en moeite (vanwege de nabijheid van de verering in Heeswijk?). Burmanje schreef eind 1897 bijna de moed voor de verkrijging van een aflaatverlening te hebben opgegeven. Hij moest voldoende oude documenten kunnen overleggen die grotendeels uit het parochiearchief zouden zijn verdwenen of die Heeswijk niet zou willen uitlenen. Uiteindelijk werd op 14 december 1897 door Leo XIII een volle aflaat verleend. Door Pius X werd op 15 mei 1905 een nieuwe volle aflaat verleend voor het feest van 24 juni en de octaaf. Een broederschap ter ere van de H. Cunera werd door bisschop W. van de Ven van 's-Hertogenbosch op 5 juli 1898 goedgekeurd, elf jaar na het initiatief van Burmanje.
- Het doel van de broederschap was de verering van Cunera ter bescherming van mens en vee en de bevrijding van keel- en veeziekten. In het ledenboek dat werd aangelegd, staan zo'n 1200 leden opgetekend. Hiervan zijn er circa 530 uit Berlicum zelf afkomstig, de overigen uit plaatsen als Boxtel, Geffen, Hedel, Nuland, Oss, Rosmalen, Velddriel en Woerden. Het merendeel (meer dan 80%) was man (boeren); incidenteel werd een kind ingeschreven. De leden werd aanbevolen om dagelijks het schietgebedje 'H. Cunera, bid voor ons' te zeggen. Een uitvoeriger Cuneragebed was reeds op 16 juni 1897 goedgekeurd.
- Bijzondere feestdagen van Cunera waren 12 juni (de verheffing van de relieken van Cunera door St. Willibrord), de feestdag op de zondag voor St. Jan (24 juni) met octaaf en 28 oktober (de dag van de marteldood van Cunera). In Berlicum waren de zondagen voor en na 24 juni evenwel de belangrijkste feestdagen. Verder kon elke donderdag de reliek van Cunera worden vereerd en was er dagelijks gelegenheid om water en brood te laten wijden. Het gezegende brood en water dienden aan het vee te worden gegeven. Daarbij werd gedurende negen dagen elke dag een rozenhoedje gebeden (noveen).
- Over de verering in de 20e eeuw is weinig bekend. De bedevaarten zijn grotendeels voor de Tweede Wereldoorlog opgehouden. Onder kapelaan W.M. Pulles (1959-1967) kwam omstreeks 1964 de laatste groepsbedevaart van boeren uit Boxtel. Zij kwamen in de regel op een eigen datum (Witte Donderdag) naar de kerk voor de broodwijding en namen zelf het brood mee. De pastoor maakte met de Cunerareliek een kruis over het brood; onder het uitspreken van een gebed werd het brood ook met de reliek aangeraakt en met een kwast besprenkeld. Voor de Tweede Wereldoorlog kwamen er nog boeren uit de Maaskant en uit plaatsen uit de verdere omgeving.
Materiële cultuur - Ovale bedevaartmedaille (2,1 x 1,5 cm) van verzilverd koper met ophangoog; op de voorzijde een afbeelding van Cunera en de tekst 'H. Cunera bid voor ons' en op de achterzijde een afbeelding van Norbertus en de tekst 'H. Norbertus bid voor ons'. Coll. Noordbrabants Museum, inv.nrs. 10213 en 10214.

Devotioneel drukwerk
- 1 Statuten, Gebeden en Novene van het Broederschap der H. Cunera, in de Parochiale kerk te Berlicum (9 x 13,5 cm; 's-Hertogenbosch: Lutkie & Cranenburg, 1898; impr. Den Bosch. J.J. Versterren, 8 juli 1898; 16 p.), bevat tevens de litanie uit 1882; 2 idem maar dan met op het omslag een prent van Cunera door C.W.C. Muller en de tekst 'H. Cunera patrones tegen keel en veeziekten b.v.o.'. Coll. D. Gooren; 3 (algemeen) chromolithografisch Cuneraprentje, gedrukt door H. van de Vijvere te Brugge, circa 1900.
Bronnen en literatuur Archivalia: Berlicum, parochiearchief St. Petrus: splitsingsakte reliek en stukken van de Cunerabroederschap; 's-Hertogenbosch, bisdomarchief: parochiedossier St. Petrusparochie.
Tekstedities: J. Ghesquierus & C. Smetius ed., Acta sanctorum Belgii selecta etc., dl. 5 (Brussel: wed. F. Pion, 1789) p. 297-298.
Literatuur: J.A. Coppens, Nieuwe beschrijving van het bisdom van 's Hertogenbosch etc., dl. 3.2 ('s-Hertogenbosch: J.F. Demelinne, 1843) p. 210-211; 'Verscheidenheden', in: De Fakkel 3 (1850) nr. 15; 'Bedevaarts-plaatsen in Noord-Brabant', in: De Fakkel 4 (12 september 1851), nr. 37, p. 1-2; L.H.C. Schutjes, Geschiedenis van het bisdom 's Hertogenbosch, dl. 3 (Sint-Michielsgestel: Instituut voor Doofstommen, 1872) p. 246-257, 828-830; A. V[an] L[ommel], 'Berigten aangaande reliquiën van heijligen of h. zaken uit Noord-Nederland ontvoerd', in: Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht 7 (1879) p. 112-115; Gerlacus van den Elsen, De H. Kunera. Haar leven, hare relikwieën, hare vereering en mirakelen in het kort beschreven (4e dr; [Heeswijk: Berne], z.j.; 1e dr. 1882) p. 39-40, 45- 46; J.A.F. Kronenburg, Neerlands Heiligen in vroeger eeuwen, dl. 2 (2e dr.; Amsterdam: Bekker, 1903) p. 23-25; E. Dilis, 'De gebroeders De Cuyper, beeldhouwers te Antwerpen', in: Bijdragen tot de geschiedenis 16 (1924-1925) p. 327, 387, over het Cunerabeeld; Berneboek (Gedenkboek bij het 800-jarig bestaan) ('s-Hertogenbosch 1934); W.H.Th. Knippenberg, Kultuurhistorische verkenningen in de Kempen, III. Oude pelgrimages vanuit Noord-Brabant (Oisterwijk: Stichting Brabants Heem, 1968) p. 45; W.J.C.C. van den Hurk, Het verborgen leven van de Abdij van Berne in haar parochies 1797-1857 (Tilburg: Stichting Zuidelijk Historisch Contact, 1977) p. 52; W.J.M. Van der Heijden, Berlicum. Zwerftocht door het verleden, dl. 2 (Berlicum: Heemkundekring "De Plaets", 1984) passim; W.H.Th. Knippenberg, Devotionalia. Religieuze voorwerpen uit het katholieke leven, dl. 1 (Eindhoven: Bura Boeken, 1985; 2e dr.) p. 129-132; A.W. van den Hurk & W. van der Heyden, Berne en Berlicum: gedenkboek uitgegeven bij gelegenheid van de viering van het 750-jarig pastorale zorg van Berne over Berlicum (Berlicum: Kerkbestuur St. Petrus' Stoel, 1990); G. Rooijakkers, Rituele repertoires. Volkscultuur in oostelijk Noord-Brabant 1559-1853 (Nijmegen: Sun, 1994) p. 599; Casper Staal, 'Johan Ludolph van Rhenen, vicaris te Vleuten, paap op Den Ham en redder van de Cunera-relieken', in: Jaarboek Oud-Utrecht (1996) p. 80; Casper Staal & Marc Wingens, Bedevaarten in Nederland (Zutphen: Walburg Pers, 1997) p. 22.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Berlicum-Cunera; Meertens Instituut volkskundige vragenlijst 23 (1959), 64a (1993); mondelinge informatie van pastoor W.M. Pulles en van D. van de Veerdonk te Berlicum in 1998.

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<