Veur, H. Agatha

Cultusobject: H. Agatha
Datum: Onbekend
Periode: 16e/17e eeuw (?) - ca. 1810
Locatie: St. Rumolduskapel op het Agathabergje, thans r.k. begraafplaats St. Agatha in de wijk 't Lien
Adres: Veurse Achterweg 29, 2264 SE Leidschendam
Gemeente: Leidschendam
Provincie: Zuid-Holland
Bisdom: Rotterdam
Samenvatting: In 1686 werd voor het eerst het Agathabergje ten noorden van het gehucht Veur genoemd als katholiek bedevaartoord. Latere bronnen bevestigen de pelgrimages naar deze heuvel. Tot in het begin van de 19e eeuw kwamen bedevaartgangers uit de wijde omgeving. Soms reisden en verrichtten zij hun gebeden in de duisternis, om onenigheid met protestantse ordebewakers te voorkomen
Auteur: Jeroen de Jong
Illustraties:
Topografie - Het gebied tussen de dorpen Voorschoten en Leidschendam werd gedurende de late middeleeuwen gekenmerkt door het binnenduin-landschap. In dit gebied, direct ten noorden van het buurtschap Veur, bevond zich het Schakenbos. Sinds de 14e eeuw stond op een van de heuvels een kapel. Tijdens het beleg van Leiden werd het gebedshuis beschadigd en in 1591 gesloopt. In 1686 wordt dit bergje voor het eerst genoemd als bedevaartoord ter ere van de heilige Agatha.
Tegenwoordig ligt het 'Sint-Aagtebergje' midden in de wijk 't Lien, in het noordelijk deel van Leidschendam. Sinds 1795 is de heuvel in gebruik als begraafplaats voor de katholieken van Leidschendam. Vanaf 1845 is het terrein eigendom van de r.k. kerk te Leidschendam en staat het bekend onder de naam r.k. begraafplaats St. Agatha. Aangezien er op het Agathabergje in de loop der jaren uitsluitend katholieken begraven werden, wilde de gemeente Veur het terrein overdoen aan de parochie van Veur en Leidschendam. In 1845 kreeg de kerk het eigendomsrecht over de begraafplaats. Sinds 1970 valt het beheer ervan onder een stichting, waarin de verschillende Leidschendamse parochies zijn vertegenwoordigd.
- Toen de kapel in de 14e eeuw gebouwd werd, hoorde het gebied bij de parochie van Voorschoten. In 1646 werd Veur, inclusief het bergje, afgesplitst van Voorschoten en gemaakt tot een afzonderlijk leen van Willem van Wassenaar, heer van Duivenvoorde. Dit gaf aanleiding tot eindeloze geschillen over de kerkelijke status van het gehucht; het bleef lang onduidelijk of Veur ook in dit opzicht was afgescheiden van Voorschoten. Het Agathabergje raakte ondertussen in particuliere handen, tot het in 1845 eigendom werd van de r.k. kerk van Leidschendam.
- De kerkhistorici die de afgelopen drie eeuwen over Voorschoten en Leidschendam hebben geschreven, gingen er vrijwel allen van uit dat Veur twee kapellen gekend heeft, een in het dorp en een bij het Schakenbos. Over de exacte locatie en het patronaat van de dorpskapel spreekt men elkaar tegen. Maar in navolging van Van Heussen wordt de tweede kapel in het duin bij het Schakenbos gesitueerd en toegeschreven aan Agatha.
Op basis van archiefonderzoek komt de streekhistoricus Kalmeijer echter in twee artikelen (uit 1978 en 1986) tot de conclusie dat er slechts een kapel is geweest, in het Schakenbos. De vicarie hiervan was gesticht ter ere van de heilige Rumoldus, ofwel Romboud.
De kapel was in de loop van de 14e eeuw gebouwd aan een weggetje in het binnenduin. Veel van deze woeste gronden werden in de loop der eeuwen ontgonnen. Zo verkreeg Philips, graaf van Ligne, in 1569 van koning Philips II octrooi om het Schakenbos te rooien en de grond af te graven, teneinde deze als teelland te gebruiken. De heuvel met de Rumolduskapel bleef behouden, als een verhoging in het landschap. Tijdens het beleg van Leiden (1573-1574) werd het bouwwerk beschadigd. Uiteindelijk werden de restanten in 1591 verkocht aan drie inwoners van Leiden. Dit gebeurde onder voorwaarde dat zij de kapel, met bijbehorend kerkhof en geruïneerde huizen, tot de grond toe zouden afbreken.
Cultusobject - De maagd en Martelares Agatha vond op een onbekend tijdstip in de eerste eeuwen na Christus de marteldood te Catania op Sicilië. Volgens haar vita zouden als onderdeel van Agatha's marteling haar borsten zijn afgesneden, maar later op wonderbaarlijke wijze weer zijn aangegroeid. Zij wordt meestal afgebeeld met in haar handen een bord waarop de borsten liggen. Agatha wordt aangeroepen tegen borstkwalen en brand.
- Een beeld of reliek is niet bekend.
Verering - Over het bestaan van de Agathaverering in de middeleeuwen (voor de 17e eeuw) zijn geen gegevens overgeleverd. Verondersteld mag worden dat deze in de 16e eeuw al heeft bestaan. Immers, toen de Agathakapel in 1591 werd afgebroken, bleef de verering voor haar op deze plek bestaan. In 1686 schrijft de kerkeraad van de Hervormde gemeente van Leidschendam daarover in het notulenboek: 'dat de plaats waar vroeger een kapel in Veur heeft gestaan nu nog is een plaats van openbare afgoderij voor die van 't pausdom'. Verder in deze notitie wordt duidelijk dat de verering plaatsvond op de 'Berg van de heilige Agatha'. De notulist beschrijft een nachtelijke gebedsbijeenkomst, waarbij de twee voorgangers in cirkels liepen om een offerbus, omgeven door enige honderden mensen. Kort daarna, rond 1700, schrijft Kornelis van Alkemade in een streekbeschrijving over de Agathakapel in het Schakenbos, dat dit een plek is waar regelmatig bedevaartgangers naar toegaan. Zijn manuscript bevat ook tekeningen van de kunstenaar Cornelis Pronk. Een daarvan betreft de cultusplaats van Agatha. Het is een afbeelding van een open plek op een heuveltop, omringd door bomen. Op de top zijn vier concentrische paden aangegeven, met in het midden een onduidelijk klein bouwsel, wellicht een offerblok. Verschillende schrijvers maken later ook melding van deze bijzondere devotie. Zo schrijft de Leidschendamse pastoor Stolk dat hij in zijn jeugd mensen gekend heeft die onder meer vanuit Delft en Schiedam 's nachts in kleine groepjes biddend naar het St. Aagtebergje waren getrokken.
- In 1795 kreeg de heuvel een nieuwe bestemming. De Bataafse Republiek had op 6 juni besloten dat het begraven in steden en daarmee in kerken verboden was. Dus moest ook in Veur een nieuwe begraafplaats komen en daartoe werd de heuvel van Agatha uitverkoren. In september van dat jaar werd de dodenakker in gebruik genomen.
Om onduidelijke redenen liep de Agathaverering rond 1810 op haar eind. Wellicht hing dit samen met de toegenomen godsdienstvrijheid voor katholieken. Zij hoefden hun geloof niet meer op afgelegen plaatsen te belijden, maar konden er openlijk in hun - deels nieuwe - kerken voor uitkomen.

Bronnen en literatuur Archivalia: Leidschendam, gemeentearchief: oudarchief en archief N.H. gemeente. Den Haag, Algemeen Rijksarchief: archief huis Duivenvoorde. Leiden gemeentearchief: bib.nr. 3204, hs. K. van Alkemade, Beschrijving der stad Leijden, dl. 1 (ca. 1700). Utrecht, Rijksarchief in Utrecht: Domarchief. Den Haag, Koninklijke bibliotheek: afbeeldingen van Zuid-Holland door Cornelis Pronk, verzameld in 1728 door Andries Schoemaker, hs. 78C51. Leiden, Universiteitsbibliotheek: collectie Bodel Nijenhuis, kaart Schakenbos.
Literatuur: H.F. van Heussen, Kerkelijke historie en outheden der Zeven Verenigde Provincieën, dl. 3, vertaald uit het Latijn in het Nederduits en van aantekeningen voorzien door Hendrik van Rijn (Leiden 1726) p. 896, dit is een vertaling van het hierna volgende werk; H.F. van Heussen, Historia Episcopatuum Foederati Belgii, dl. 1 (1e dr. 1719, Antwerpen 1733) p. 490; D. van Alphen, Beschrijving der stad Leyden door Frans van Mieris (Leiden 1770) p. 836; C. Stolk, 'Het Sinte Aagte-bergje onder Veur', in: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem 2 (1874) p. 66-73; A.H.J. Vos, 'Geschiedenis der parochie van de heilige apostelen Petrus en Paulus te Leidschendam', in: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem 3 (1875) p. 371 e.v.; Taupe-Etoile et Le Blanc, Voorschoten voorheen en thans (Leiden 1899) p. 19-20; S. Muller, Bronnen voor de geschiedenis der kerkelijke rechtspraak in het bisdom Utrecht in de Middeleeuwen, dl. 2 ('s-Gravenhage 1915) p. 278-279; J.C. van der Loos, 'De ondergang van de Veurse kapel', in: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem 46 (1929) p. 258 e.v.; K. Heeringa, Rekeningen van het bisdom Utrecht 1378-1573, dl. 2 (Utrecht 1932) p. 95; C.P.M. Holtkamp, Register op de parochiën, altaren, vicarieën en de bedieners, zooals die voorkomen in de middeleeuwse rekeningen van den officiaal des aartsdekens van den Utrechtschen dom, dl. 4-5 (Haarlem 1932/1934); A.J. Duynisveld, 'Voorschoten', in: Haarlemse Bijdragen 59 (1941) p. 362-440; J. Barten, 'Enige gegevens over de middeleeuwse geschiedenis van de kerk te Voorschoten', in: Haarlemse Bijdragen 62 (1953) p. 103-112; Kroniek van de parochie Sint Petrus en Paulus, samengesteld bij gelegenheid van het driehonderdjarig bestaan der parochie (Leidschendam 1955); A.N. Duynisveld, 'De R.K. parochie te Voorschoten', in: J.L. van der Gouw ed., Voorschoten. Historische studieën ('s-Gravenhage 1971) p. 47-63; J.L. van der Gouw, 'Het ambacht Voorschoten', in: J.L. van der Gouw ed., Voorschoten. Historische studieën ('s-Gravenhage 1971) p. 23; C.A. Kalmeijer, 'De kapellen van Veur', in: Jaarboek Die Haghe 1978, p. 154-182; C.A. Kalmeijer, 'De Veurkapel', in: Jaarboek Die Haghe 1986, p. 33-34; J.D. de Kort sr., 'De kerk in het midden', in: F.H.Chr.M. Daams en J.D. de Kort sr. ed., Over, door en om de Leytsche Dam. Geschiedenis van een gouden gemeente (Leidschendam 1988) p. 271-278; Jeroen de Jong, 'Sint Agatha in de duinen', in: AMC-Magazine 5 (februari 1997) p. 28-29.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Veur.

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<