HomeDatabankenBedevaarten

Bergharen, O.L. Vrouw ter Nood Gods / lindeboom

Mail voor aanvullingen en commentaar
Cultusobject: O.L. Vrouw ter Nood Gods / lindeboom
Datum: Meimaand; ca. 15 augustus; gehele jaar
Periode: 14e eeuw - heden
Locatie: Mariakapel, behorend tot de parochiekerk van St. Anna
Adres: Kapelberg aan de Molenweg, Bergharen; parochie St. Anna, Dorpsstraat 46, 6617 AE Bergharen
Gemeente: Wijchen
Provincie: Gelderland
Bisdom: 's-Hertogenbosch
Samenvatting: De verering van O.L. Vrouw ter Nood Gods op de Molenberg, die tegenwoordig Kapelberg wordt genoemd, dateert uit de 14e eeuw. Verering en bedevaart kennen een vrijwel ononderbroken traditie, hoewel de van oorsprong 14e-eeuwse devotiekapel in de 17e eeuw is gesloopt en de pietà lange tijd buiten Bergharen bewaard werd. In 1926 werd de officiële verering van O.L. Vrouw ter Nood Gods hersteld en herleefde de bedevaart. Er werd geijverd voor een nieuwe kapel, die in 1948 werd ingezegend. Het aantal belangstellenden voor de bedevaarten groeide tot het midden van de jaren vijftig, waarna een daling inzette. Sinds het midden van de jaren zeventig is er echter opnieuw sprake van een opleving.
Auteur: Marit Monteiro
Illustraties:
(Klik op afbeelding voor vergroting)
Topografie - De kapel ligt aan de rand van de bebouwde kom van Bergharen op een klein heuvelachtig bosterrein dat beheerd wordt door de Stichting Geldersch Landschap. Een korte oprijlaan leidt naar de kapel en de ernaast gelegen molen, die als woonhuis fungeert. De toegang tot het terrein waarop de kapel ligt wordt gevormd door een poort, waarboven staat: 'O.L. Vrouw ter Nood Gods'. In deze in 1945 opgetrokken poort zijn natuurstenen fragmenten verwerkt van het in 1941 opgegraven kasteel bij Balgoij. Op de linkerpilaar van de poort staat 'Openbare bidplaats'.
- De oorspronkelijke kapel op de Kapelberg, zoals de Molenberg tegenwoordig wordt genoemd, dateert uit het begin van de 14e eeuw. Zij werd in de tweede helft van de 17e eeuw gesloopt.
- Bij de watersnood in januari 1926, die Maas en Waal deed overstromen, konden de Bergharense katholieken de laaggelegen parochiekerk niet bereiken. Zij moesten uitwijken naar de Molenberg, waar met toestemming van de Bossche bisschop in de open lucht kerkdiensten werden gehouden. Daardoor ontstond de gedachte aan herbouw van een kapel op die plek. Op 14 augustus 1928 kocht de toenmalige Bergharense pastoor A. Huybers de Molenberg aan. In 1935 werd er een veldkapel ingezegend. In 1947 begon men met de bouw van de huidige in baksteen opgetrokken genadekapel, naar een ontwerp van de architecten H.A. Van Oerle en J.J. Schrama. Op 23 mei 1948 werd de kapel ingezegend door deken Janssen uit Druten.
- De kapel is zeshoekig, met zijden van ruim vier meter; drie zijden zijn gesloten, drie open. De hoogte van de kapel bedraagt 10 meter. Op de spits is een kroon in brons geplaatst. Op de voorzijde van de kapel staat de tekst 'Ave Maria'. Aan weerszijden van de kapel bevinden zich kaarsenkapelletjes. De pietà bevindt zich in een in de kapel, die door luiken van slavonisch eikenhout gesloten kan worden. Aan de voorzijde in de kapel staat een stenen altaar. Aan weerszijde daarvan staan communiebanken. Voor de kapel werden in 1971 acht rijen met elk vier zitbanken geplaatst, die plaats bieden aan meer dan 300 personen.
- Achter de toegangspoort, aan de rechterzijde, begint het kruiswegpark. Dit is na de oorlog in het bos rond de kapel aangelegd. Hierin staan 14 kruiswegstaties opgesteld met voorstellingen in gebakken en geglazuurde klei op bakstenen voetstukken. Deze zijn ontworpen en gemaakt door de Heumense beeldhouwer en tekenaar Jac. Maris (1900-1996). In het kruiswegpark bevindt zich een zware granieten bank, die wordt beschouwd als een relict uit de tijd dat de Kapelberg behoorde tot de kloostergoederen van de cisterciënzerabdij van Altenkamp (ten oosten van Geldern, D).

Cultusobject - Het genadebeeld van O.L. Vrouw ter Nood Gods van Bergharen zou zijn gemaakt door broeder Assumptio. De prior van het cisterciënzerklooster te Bergharen achtte hem vanwege zijn lichamelijk handicaps - hij was geboren met twee manke benen en slechts een arm - ongeschikt voor het kloosterleven. Nadat de afgewezen aspirant-broeder uit een houtblok een prachtige moeder der smarten (pietà) had gesneden, herzag de prior echter zijn mening. Het is twijfelachtig of er in Bergharen inderdaad een priorij in de strikte zin gevestigd is geweest. Meer waarschijnlijk is dat hier een uithof was gesticht vanuit de cisterciënzerabdij Altenkamp en dat daarbij ook een bidkapel werd gebouwd, toegewijd aan de tweede stichter van de orde, Bernardus van Cîteaux. In deze kapel zou de pietà een plaats hebben gekregen.
- Het beeld (hoogte 87 cm, ca. 1500) stelt een pietà voor en is vervaardigd van eikenhout en opnieuw gepolychromeerd. Oorspronkelijk werd het hart van Maria, die de dode Jezus Christus na de kruisafname op haar schoot houdt, doorboord door een zwaard. Dit werd in 1930 bij een restauratie verwijderd. Het genadebeeld is in een nis achter in de kapel geplaatst. Aan weerszijden van de nis hangen houten luiken, die gesloten kunnen worden. Vóór het beeld zijn overdwars twee stangen aangebracht ter beveiliging.
- Vanaf de tweede helft van de 17e eeuw concentreerde de verering zich op een lindeboom die omstreeks 1664 was geplant op de plaats waar eens de kapel had gestaan.
Verering Bedevaart
- In 1514 stelde de bisschop van Utrecht, Frederik van Baden, het hoogfeest der droefenis van Maria in zijn bisdom in. Naar het schijnt gebeurde dit op instigatie van hertog Karel van Gelre, die een grote verering had voor O.L. Vrouw ter Nood Gods en dankzij wie deze devotie vooral in Gelderland ingang vond (⟶ Abbenbroek, O.L. Vrouw).
- Over de precieze ontwikkeling van deze devotie in Bergharen is weinig bekend. Van oudsher trok Bergharen als bedevaartplaats pelgrims uit de regio. Soms ook van nog verder weg. Zo bepaalde op 22 maart 1561 een vrouw uit Oss, Lijsbrecht van Dijck, in haar testament dat haar echtgenoot al haar bezittingen mocht erven op voorwaarde dat hij een bedevaart zou ondernemen naar onder meer O.L. Vrouw in Bergharen.
Aan het begin van de 17e eeuw bestond er nog steeds een intensieve bedevaartpraktijk in Bergharen. In 1606 werd op de provinciale synode te Nijmegen gemeld dat er op de maandag na Pinksteren
'weder nieuwe affgoderye ende bedevaert opgerecht ijs tot [Berg-] Haeren in Mas ende Wael, aldaer een L. Vrouwe gestelt ijs ende die op verleden Maendagh na Pynxsteren van een grooten aentael volcx ende eenighe notable (die dese afgooderije na landtsz recessen behooren te verhinderen) besocht ende gheehrt gewest ijs'.
Tevens beklaagden predikanten zich er bij deze synode over dat veel inwoners van Tiel en plattelanders ('landtlieden') dagelijks naar Bergharen trokken 'niet alleen tot naedeel van Godts heijlighe Kercke maer oock tot peryckel van de stadt Thijel ende des geheelen landschaps'. In 1607 beklaagden zij zich opnieuw bij de synode (ditmaal te Zaltbommel) over de bedevaart naar Bergharen.
De cisterciënzers moesten na het officiële verbod op de openbare uitoefening van de katholieke eredienst hun uithof in 1621 ontruimen. De uithof en de bijbehorende roerende en onroerende goederen werden verkocht. De kapel werd korte tijd later gesloopt. De pietà werd ondergebracht in het nabij gelegen kasteel van Hernen. Desondanks duurde de verering van Maria als moeder van smarten en troosteres der bedrukten op de Kapelberg onverminderd voort. Bezoekers en bedevaartgangers beschouwden de plaats waar de kapel eens had gestaan als een heilige plaats waar zij hemelse genade konden ondervinden. Om de stroom bedevaartgangers in te dammen liet de schout de Kapelberg zelfs bewaken, maar ook hij bleek niet opgewassen tegen de devotie, want zelfs bij nacht en ontij kwamen 'Maas- en Walers' op de Kapelberg bidden. Dat de reformatie nauwelijks vat kreeg op Bergharen moge blijken uit feit dat er aan het einde van de 18e eeuw ter plaatse 538 zielen werden geregistreerd, van wie 501 'Roomschgesinden'.
- Vanaf de tweede helft van de 17e eeuw richtte de verering zich op een lindeboom die omstreeks 1664 was geplant op de plaats van de kapel. Vanwege de koortswerende krachten die aan deze boom werden toegeschreven, onderging de verering vermoedelijk een verandering. De boom werd beschouwd als een 'koortsboom' waaraan reepjes van de (onder-)kleding van een koortslijder werden gebonden (⟶ Overasselt, H. Walrick). Daarin zou de koorts 'opgesloten' zijn. Door dit 'afbinden' nam de boom de koorts over, waardoor de zieke genas. Behalve lapjes van zieken werden er ook ex-voto's in gehangen. In 1938 zijn deze allemaal verwijderd. In 1964 werd het 'heilig boomke' of 'bumke' door een lentestorm geveld. De achtergebleven boomresten zijn echter weer uitgelopen.
- De pietà werd eind 18e eeuw overgebracht naar de parochiekerk van Hernen. Na de watersnood in 1926 werd de officiële verering van O.L. Vrouw ter Nood Gods hersteld en herleefde de bedevaart naar de Kapelberg. In 1927 stond de parochie Hernen de pietà af op last van de toenmalige bisschop van 's-Hertogenbosch, mgr. A.F. Diepen, en werd het beeld overgebracht naar Bergharen, alwaar het beeld begin 1928 in de kerk werd geplaatst. Na de voltooiing van de kapel op de Molenberg in het voorjaar van 1948 werd de pietà daar geplaatst.
- Aan O.L. Vrouw ter Nood Gods worden allerlei intenties toevertrouwd. De verering van Maria als moeder van smarten wortelt in de overtuiging dat zij als moeder deel heeft aan het verlossingswerk van haar zoon en in die hoedanigheid ook deelt in zijn macht. Daardoor wordt zij beschouwd als middelares en voorspreekster bij uitstek voor alle noden. Er bestaat een rijmpje dat Bergharen schaart onder grotere en bekendere bedevaartplaatsen, waarin ook een verschil in intenties tot uitdrukking komt:
Naar de Briel
ga je voor je ziel,
Maar als het even kan
ga je naar Lourdes voor een man,
maar kom je daar niet klaar
dan ga je naar Kevelaer,
maar hij die schatten wil vergaren
hij kome naar Bergharen.

Verdere ontwikkeling bedevaartpraktijk
- Uit de hierboven vermelde gegevens is op te maken dat aan het begin van de 17e eeuw bedevaartgangers in elk geval rond Pinksteren een bezoek brachten aan de Bergharense kapel. In de 18e eeuw en tot het midden van de 19e eeuw werd de Kapelberg vooral gefrequenteerd in de Goede Week en met Allerzielen. In het midden van de 19e eeuw baden Bergharense vrouwen in de nacht van Goede Vrijdag tot zonsopgang op Paaszaterdag en 's ochtends op Paaszondag de rozenkrans bij het 'heilig boomke'. Individuele en groepsgewijze bedevaarten waren in beginsel niet aan specifieke tijdstippen gebonden. Over de bedevaart aan het begin van de 20e eeuw vertelt J. Kronenburg: ' [...] nog heden ten dage wordt de plaats door de geloovigen godsdienstig bezocht, en koortszieken doen derwaarts eene bedevaart om door de voorspraak der H. Maagd geholpen te worden'. Vanaf 1948, het jaar waarin de nieuwe kapel werd ingezegend, werden er tot het midden van de jaren vijftig eenmaal per jaar ziekenbedevaarten georganiseerd, waaraan ongeveer 200 zieken te bed of in invalidenwagens deelnamen. De belangstelling voor de jaarlijkse Maas en Waalse bedevaart rond Maria Tenhemelopneming slonk vanaf het midden van de jaren vijftig, maar leefde in de jaren zeventig weer op.
- Naast deze traditionele bedevaart, ontstonden er ook nieuwe vormen. Tussen 1955 en 1976 trok de Motor Automobiel Club Maas en Waal onder begeleiding van de Bergharense pastoor naar de kapel om er een grote kaars aan O.L. Vrouw te offeren. De kaars werd aangestoken in de kapel, waarbij de pastoor voorging in gebed. Zo werd de zegen afgesmeekt, opdat ongelukken zich niet zouden voordoen. Daarnaast zijn er vanaf de tachtiger jaren oogstdankfeesten georganiseerd op de Kapelberg op instigatie van de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond (kring Rijk van Nijmegen of kring Land van Maas en Waal). Deze vinden eind augustus of begin september plaats. Ook andere bedevaartgangers dan agrariërs zijn hierbij welkom. Een eucharistieviering maakt onderdeel uit van deze oogstdankvieringen.
- Tot halverwege de tachtiger jaren werd onder leiding van de pastoor de kruisweg gebeden op zondag aan het einde van de middag of het begin van de avond. Hieraan namen groepjes van 30 à 40 mensen deel.

Anno 1996
- In de periode van mei tot augustus worden, bij goed weer, op zaterdagavond eucharistievieringen gehouden op de Kapelberg. In de meimaand houden de kringen Maas en Waal en Rijk van Nijmegen van de Katholieke Vrouwen Organisatie hun jaarlijkse bedevaart naar de Kapelberg. Aan de Maas en Waalsebedevaart, die op zondagmiddag na Maria Tenhemelopneming (15 augustus) wordt gehouden, nemen hoofdzakelijk inwoners uit Bergharen en de omliggende gemeenten deel. Van georganiseerde, groepsgewijze deelname is nauwelijks sprake, hoewel er incidenteel grotere groepen van elders - meestal uit andere bedevaartplaatsen zoals Handel of Postel - komen. Verreweg de meeste pelgrims komen individueel of samen met één of meer familieleden, buren of vrienden naar de Kapelberg. Er nemen, net als in het verleden, in doorsnee meer vrouwen dan mannen deel aan de bedevaarten. De gemiddelde leeftijd van de aanwezigen ligt tegenwoordig boven de 55. Hierin is ten opzichte van de situatie van direct na de Tweede Wereldoorlog verandering opgetreden, want toen namen ook veel jongeren, bijvoorbeeld georganiseerd in de Katholieke Arbeidersjeugd, deel aan de bedevaart. Sinds de jaren zestig is de deelname van jongeren gestaag gedaald.
- Bedevaartgangers komen naar de Kapelberg om er een eucharistieviering bij te wonen. Bij de eerste statie in het kruiswegpark is een provisorische sacristie ingericht. Vanaf de voet van het heuveltje lopen celebrant, co-celebrant, pastoor, lectores en lectrices, misdienaren en misdinettes naar de kapel door een speciaal voor deze gelegenheid opgestelde haag van geelwitte vlaggetjes. Na de mis kan men op eigen gelegenheid de kruisweg bidden. Tot ongeveer 1982 werd de kruisweg nog door een groep van de bedevaartgangers onder aanvoering van de toenmalige pastoor Loverbosch gebeden. Bij diens vertrek is geprobeerd dit gebruik in ere te houden, maar ongeveer tien jaar geleden is er wegens gebrek aan belangstelling een einde aan gekomen.
Materiële cultuur - Kaarsen met afbeelding van de kapel die tijdens de jaarlijkse bedevaart worden verkocht vanuit een kraampje aan de voet van de heuvel.

Devotioneel drukwerk
- 1 Langwerpige (ca. 30x10 cm) gestencilde misboekjes voor bij de bedevaart: Kapelberg - bergharen bedevaartsplaats O.L. Vrouw ter Nood Gods (ca. 1985?); 2 vouwprentje in kleur met op de voorzijde een afbeelding van het beeld en aan de binnenzijde een gebed en enkele historische notities (Maastricht: gebr. Van Aelst, z.d.; 12,5 x 7 cm); 3 gekleurd bedevaartvaantje met de afbeelding van een pietà, een boom en drie pelgrims en de tekst 'O.L. Vrouw ter Nood Gods Bergharen'; getekend door Th. Elfrink in 1947 en uitgegeven door H. Herkeuleijns te Oosterbeek; 17,5 x 25,5 cm).

Bronnen en literatuur Archivalia: Bergharen, parochiearchief. 's-Hertogenbosch, bisdomarchief: parochiedossier Bergharen. Oss, streekarchief Brabant-Noordoost, rayon Oss: oudrechterlijk archief Oss, inv.nr. 50, bedevaart van 1561.
Tekstedities: H.L.D[riessen], ''Paapsche stouticheden' in het Land van tusschen Maas en Waal in 1608', in: Bijdragen en mededelingen Gelre 41 (1938) p. 212, bedevaarten in 1608 en 1614; J. Reitsma en S.D. van Veen, Acta der provinciale en particuliere synoden, gehouden in de Noordelijke Nederlanden gedurende de jaren 1572-1620, dl. 4 (Groningen: Wolters, 1895) p. 147.
Literatuur: Geldersche Volksalmanak van 1839, p. 93-94; J.A.F. Kronenburg, Maria's Heerlijkheid in Nederland, 8 dln. (Amsterdam: Bekker, 1904-1914) dl. 2, p. 222; dl. 6, p. 499; Z., 'Eenige oude, misschien vergeten, Bedevaartplaatsen in het Bisdom van Den Bosch', in: Sint-Jansklokken 1 (1923) p. 434-435; J. Cunen, 'Bedevaarten opgelegd in een testament te Oss, van 1561', in: Sint-Jansklokken 8 (1929) p. 667; L. van den Heuvel, Onze Lieve Vrouw ter Nood Gods te Bergharen (Maastricht: gebr. Van Aelst, 1938); Jehan Kuyper, Lieve Vrouwkes van Brabant (Maastricht: Van Aelst, 1938) p. 19-26; V. Schrijvers, Mariahulde, dl. 3 (Nijmegen: Gebr. Janssen, 1946) p. 88-89; Nic. Molenaar, 'Kapel van O.L. Vrouw Gods ter Nood Gods te Bergharen (Gld.)', in: Katholiek Bouwblad XVI, 22 (augustus 1949) p. 253-255; A.M. Janssen, 'Bergharen vereert Onze Lieve Vrouw ter Nood', in: Bisdomblad, 19 augustus 1983, p. 8; A.G. Schulte e.a., De Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst. [...] De provincie Gelderland - Het Kwartier van Nijmegen, onderdeel V: Het Land van Maas en Waal ('s-Gravenhage-Zeist 1986) p. 410, 413-414; Ineke Platel en Peter van Zoest, Steek dan voor mij ook een kaarsje op. Onze Lieve Vrouw in het bisdom 's-Hertogenbosch (Den Bosch: Bisdom, 1988) p. 108-115, eerder verschenen in Bisdomblad van 22 mei 1987, p. 12; Renaat van der Linden, Maria bedevaartvaantjes. Verering van Onze-Lieve-Vrouw op 1175 vaantjes (Brugge: Tabor, 1988) p. 25, 72; Jan van Gelder, Sint Annaparochie Bergharen vanaf 1795. Uitgegeven ter gelegenheid van het eeuwfeest van de huidige St. Annakerk in september 1993 (Bergharen: Annaparochie, 1993); Guido Elias en Bert Stienaers, Bedevaarten. Voor pelgrim en toerist (Roeselaere-Baarn: Globe-De Fontein, 1997) p. 137; Annemarie Gooiker-Loeffen, Het zwaard van opa Tio (Bergharen: z.n., 2012 (kindergeschiedenisboek over de kapel)
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Bergharen; Meertens Instituut volkskundige vragenlijst 64a (1993); gesprek in 1996 met dhr. J. van Gelder.

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<