Venlo, Bedrukte O.L. Vrouw / Zwarte Lieve Vrouw

Cultusobject: Bedrukte O.L. Vrouw / Zwarte Lieve Vrouw
Datum: Mei; geen specifieke datum
Periode: 1533 - 1797
Locatie: St. Nicolaaskerk van het kruisherenklooster; St. Martinuskerk
Adres: Grote Kerkstraat 28, 5911 CH Venlo
Gemeente: Venlo
Provincie: Limburg
Bisdom: Roermond
Samenvatting: In de door kruisheren bediende Venlose St. Nicolaaskerk werd in de eerste helft van de 16e eeuw een pietà geplaatst, in de volksmond spoedig aangeduid als 'Zwarte Lieve Vrouwe', later als 'Bedrukte O.L. Vrouw' (of 'Bedrukte Moeder Gods'). Er ontstond een lokale devotie, waarin het bidden van de rozenkrans bij het beeld centraal schijnt te hebben gestaan. Gaandeweg ontwikkelde zich ook een regionale bedevaart naar het beeld, die in de 18e eeuw een hoogtepunt bereikte. Toen de kruisheren aan het einde van de 18e eeuw in opdracht van de Franse bezetters Venlo moesten verlaten, kwam er een einde aan de cultus. Weliswaar kreeg het beeld in 1814 een plaats in de Venlose St. Martinuskerk, maar de verering die Maria daar genoot, was vooral lokaal van aard.
Auteur: M.J. van der Net
Illustraties:
Topografie - In 1399 verkregen de kruisheren, ten behoeve van hun kloostervestiging te Venlo, de in 1344 door het schippersgilde gestichte St. Nicolaaskapel (met enig belendend terrein), op de hoek van Vleesstraat en de Klaasstraat. Op 9 mei 1400 werd de eerste steen gelegd van het nieuwe klooster door pater Lubbertus van Bommel; de kapel werd verbouwd en vergroot om pas in 1433 gewijd te worden door de wijbisschop van Keulen. Van 1578 tot 1621 was de kerk in handen van de gereformeerden. Na 1797, toen de kruisheren uit de stad werden verjaagd door de Fransen, deed het gebouwencomplex enige tijd dienst als pakhuis; in 1830 werd het afgestaan aan de parochie van St. Martinus. In 1879 werd tot restauratie van de kerk overgegaan, op 10 november van dat jaar werd de kerk geconsacreerd door mgr. Paredis. In 1889 kreeg de kerk een nieuwe klokkentoren, naar een ontwerp van architect J. Kayser. In deze laatste gedaante, een 'sobere baksteenbouw' met een driebeukig schip van vijf traveeën, bleef de kerk bestaan tot 1944 toen ze geheel verloren ging ten gevolge van het oorlogsgeweld.
- Afgaand op een prentje van Reinders zou het cultusobject, een pietà, in de St. Nicolaaskerk op het kruisaltaar hebben gestaan, onder een boogvormige overhuiving van acanthusbladeren, waarin engeltjes een kroon boven de pietà hieven.
- Vanaf 1814 kwam het beeld in de 15e-eeuwse St. Martinuskerk te staan. Deze kerk werd gedurende de Tweede Wereldoorlog ernstig beschadigd, maar was in 1950 weer geheel gerestaureerd. Aanvankelijk stond het beeld in het O.L. Vrouwekoor, in 1958 verhuisde het naar het H. Geestkoor of zuiderkoor (tegenwoordig O.L Vrouwekoor), waar het een plaats kreeg in een koperen altaarretabel uit het Utrechtse atelier Brom. Dit retabel was een geschenk van de gelovigen van het dekenaat, bij gelegenheid van het 40-jarig priesterwijdingsfeest van pastoor-deken M. Strijkers.
Cultusobject - Het beeld, een pietà in kalksteen, ongeveer 154 cm breed en 74 cm hoog, stelt Maria voor, geknield gezeten op de grond, met het gestrekte lichaam van Christus op haar schoot. Het stamt uit het eerste kwart van de 15e eeuw, en is van de hand van een onbekende Duitse, vermoedelijk in Keulen werkzame, meester. Het beeld is wit van kleur, met enige sporen van waarschijnlijk na 1814 aangebrachte polychromie.
Verering Ontstaanslegende
- De overlevering wil, dat in 1533 een schipper het pietà-beeld overdroeg aan de Venlose kruisheren, die het op het kruisaltaar in de door hen bediende St. Nicolaas(-schippers-)kerk plaatsten. De legende, die verhaalt hoe dit in zijn werk zou zijn gegaan, kent twee van elkaar afwijkende versies. In de eerste versie wordt verhaald dat de schipper het beeld naar elders moest vervoeren, doch wegens storm op de Maas bij Venlo niet verder kon, hetgeen hij beschouwde als een teken, dat O.L. Vrouw haar beeld in deze stad geplaatst wenste te zien. Vervolgens droeg hij het beeld aan de kruisheren over. Volgens de tweede versie - die vaker voorkomt en in verschillende varianten - zag de schipper zich gedwongen te Venlo te blijven, daar zijn schip niet meer voor- of achteruit wilde (in de ene variant vertraagt zijn schip bij de rede van Venlo, en komt er onbeweeglijk stil te liggen; in de andere wil de schipper, afgemeerd te Venlo, vertrekken, hetgeen niet lukt). Hij inspecteerde met zijn vrouw schip en lading tot hij in het met kolen afgeladen ruim de door het kolengruis gekleurde, dus 'Zwarte', Madonna aantrof. De schipper, overtuigd dat het in zijn ogen behekste beeld zijn schip op zijn plaats hield, wilde het, in woede ontstoken, overboord werpen. Zijn vrome vrouw weerhield hem echter en verzocht hem om het naar een kerk in de nabije stad te brengen. In een variant van deze tweede versie bracht de schipper het beeld naar de franciscanerkerk, om het later weer terug te vinden in zijn ruim. Naar welke kerk hij het ook bracht, steeds opnieuw vond hij het in zijn ruim terug. Uiteindelijk besloten de schipper en zijn vrouw dat zij het beeld zouden achterlaten in die kerk, waar 's-morgens het eerst de mis wordt gelezen. In de St. Nicolaaskerk (uiteraard, de schipperskerk) bleken de kruisheren reeds om vier uur te luiden; vandaar dat de schipper hen verwittigde dat hij hun na de vroegmis een geschenk zou bezorgen. De kruisheren, die de schippers als ruwe klanten kenden, werden door dit bericht zeer verontrust. Zij wachtten de schipper de volgende dag op, staande achter de kerkdeuren en met stokken gewapend. Zodra het in een witte doek gewikkelde voorwerp was onthuld en een pietà bleek te zijn, wierpen zij hun stokken echter weg. Zij aanvaardden het beeld onder dankzegging en met excuses. Het beeld werd op een altaar geplaatst, en, nadat er een mis bij was opgedragen, haastten beide echtelieden zich terug naar hun schip, om af te varen. Toen tot tweemaal toe het beeld toch weer in de boot bleek te zijn, begreep de prior dat de H. Maagd haar beeld met meer egards behandeld wenste te zien, en verordonneerde hij met het beeld een grootse processie te houden van het schip naar de kerk, waar het op het belangrijkste altaar zou worden geplaatst, het kruisaltaar. Deze opzet slaagde: het beeld bleef staan, en de schipper kon eindelijk wegvaren.
- Op wat voor wijze het beeld ook in de kruisherenkerk is gekomen, 1533 is goed mogelijk als jaar van plaatsing. Het is eveneens mogelijk dat dit beeld een ouder beeld, dat eveneens de droefheid van Maria uitdrukte, van haar plaats verdrong.

Geschiedenis van de devotie en de bedevaart
- Niet alleen de Venlose bevolking liet haar devotie in gebeden blijken, ook de schippers die Venlo aandeden of aan de stad voorbijvoeren, toonden hun respect en verering voor de Zwarte Madonna door op de rede, in het zicht van de St. Nicolaaskerk, luid te bellen. De kruisheren - de bedienaren van de 'Klaaskerk', zoals de St. Nicolaas in de volksmond heette - slaagden erin om, waarschijnlijk al in de 16e eeuw, de lokale devotie tot een verering van regionale betekenis te doen uitgroeien. Zo lieten zij in de 17e en 18e eeuw verschillende devotieprentjes van de Zwarte Madonna drukken.
- In het laatste kwart van de 18e eeuw nam de devotie een hoge vlucht, met als hoogtepunt de winter van 1783 op 1784, toen zeker 400 burgers aan de zogenoemde 'rodeloop' of buikloop stierven. Van in en van buiten de stad stroomden de mensen toe, om dag en nacht bij het beeld de rozenkrans te bidden. Vooral 's avonds, als de kruisheren de completen hadden gezongen en het volk een volledige rozenkrans met de litanie van de droefheid der allerheiligste maagd bad, stonden de vereerders tot buiten de kerk. De bisschop verbond aan de devotie een aflaat van veertig dagen, te bekomen door eenieder, die de rozenkrans (na de completen) meebad, mis hoorde, kaarsen brandde, aalmoezen gaf, of met enig ander werk van devotie de Bedrukte Moeder Gods op het kruisaltaar vereerde. In het licht van de bijzondere devotie in die bewuste winter gaven de kruisheren een boekje met gebeden tot de Zwarte O.L. Vrouw uit. In 1789 werden bovendien tegen het altaar de volgende verzen aangebracht:

'Om d'eer van Godt den Heer zijn Moeder te verbreyen / Laet ieder Christen mensch tot deze tafel leyden,
Waerdoor verkondicht wordt en komt in 't openbaer / Het beelt miraculeus van dezen cruysaltaar;
Doet hier u caritaet, bedenckt het bitter leyden, / Al wie de Moeder eert, sal Godt gebenedeyden.
Komt die beladen syt met alderley gebreken, / Wilt u gebedt alhier uyt grond des Herten spreken,
Hier worden jonck en aut van alle quaat verloost, / De droeve Moeder Godts laet niemand ongetroost.
Sy is de Medicyn en troost in alle pyn, / Die in der eeuwigheyt gebenedeyt moet zyn.
eCCe aDIVtrIX Vna In / MiserIIs et trIbVLatIonIbVs'

De twee laatste, Latijnse regels ('Ecce adiutrix una in miseriis en tribulationibus': 'Ziet, een helpster bij verdriet en tegenslag') bevatten een chronogram dat het jaartal 1789 oplevert.
- Mogelijk is naar aanleiding van de angstige en indrukwekkende gebeurtenissen in de jaren tachtig van de 18e eeuw een speciale broederschap opgericht. Uit 1796 dateert althans een zilveren schild dat eens een processiestaf van de Venlose rozenkransbroederschap bekroonde. Deze broederschap propageerde de verering van de Bedrukte Moeder Gods.
- Na de vordering van de kerk in 1795 en de opheffing van het kruisherenklooster in 1797 hield de verering abrupt op te bestaan. De procurator van het klooster, Gerard Hermans (later apostolisch vicaris), liet het beeld bij zijn zus, mevrouw Schreurs-Hermans, in een hakselkist verstoppen. In 1814 werd het in de parochiekerk van St. Martinus geplaatst. De verering herleefde weliswaar, maar ontsteeg het plaatselijk niveau niet meer. Zij bleef voortaan beperkt tot het in de Mariamaand bidden van de rozenkrans bij het beeld door ingezetenen der stad, een praktijk die ook thans nog bestaat.

Een tweede Mariabeeld
- Omdat de kruisheren de inbeslagname van hun bezittingen hadden voorzien, konden zij veel van hun kostbaarheden tijdig in veiligheid brengen. Vermeldenswaard is dat de laatste prior van het kruisherenklooster, Martinus Janssens, een ander Mariabeeld uit de kerk in 1796 of 1797 in veiligheid liet brengen bij de familie Jacobs in het Ven, buiten de stad. Na de Tweede Wereldoorlog werd dit beeld door de familie Stikkelbroek, uit dankbaarheid gespaard te zijn gebleven van het krijgsgeweld, geplaatst in een nieuw opgericht veldkapelletje naast hun boerderij 'Veen en Steen', aan de Straelse weg nabij de Duitse grens. Het betreft een klein houten beeld van een staande Maria met haar kind, dat dateert uit ca. 1600. Mogelijk heeft dit beeldje in de 17e eeuw een ander beeld vervangen dat reeds in 1455 aan de zuidzijde van de Klaaskerk stond en door het volk de 'Blijde Marie' werd genoemd, als tegenhangster van de droevige Zwarte Lieve Vrouw en haar voorgangster.
Materiële cultuur - Ex-voto's: in de 18e eeuw waren in de Klaaskerk nabij het Mariabeeld een aantal in zilver uitgevoerde ex-voto's aangebracht. Wat hiermee gebeurd is, is niet bekend.
- Broederschapsschild: dit eind 18e-eeuwse zilveren schild (door G. Graven uit Venlo (1741-1795), stadskeur Venlo, meesterteken GG; hoogte 19 cm) heeft gefungeerd als bekroning van een processiestaf van de Venlose rozenkransbroederschap. In een ovaal, omgeven door stralen, zijn in reliëf afbeeldingen van Maria van smarten met de tekst 'Mater dolorosa, 1796' en de vijf wonden van Christus aangebracht (coll. parochie H. Martinus, Venlo; bruileen Goltziusmuseum, Venlo).

Devotioneel drukwerk
- Devotieprentjes: 1 Heere (1958-1959) beschrijft een prentje dat volgens hem uit ca. 1650 dateert en 'waarop de Venlose Zwarte Lieve Vrouw staat afgebeeld, terwijl een geknielde kruisheer Christus' linkerhand kust. Achter de pietà een kruis met ladder, boven twee engeltjes die een banderol uitstrekken, waarop de tekst: 'Angeli Pacis amare flebunt', de vredesengelen wenen smartelijk, Isaias, 33,7. Op de linker achtergrond staan enkele gebouwen getekend, die kerk en klooster (of Jeruzalem?) moeten voorstellen'. Dit prentje, dat door pater Heere nog op de pastorie van de St. Martinuskerk werd gevonden, is in 1995 (nog) niet teruggevonden in het parochiearchief, dat thans berust in de bewaarplaats van het Venlose gemeentearchief; 2 een ander prentje dat uit ca. 1740 dateert, betreft een door de edelsmid P.F. Reijnders in opdracht van prior Petersen vervaardigde gravure, voorstellende het altaar met de pietà onder de met engelen gesierde overkapping; voor het antependium knielt een viertal pelgrims (twee vrouwen en twee mannen). Onder de afbeelding de tekst: 'Waere Afbeeldinge Van het Miraculus livrouwen beelt in de cruysheere Kerck tot Venlo' en het merk 'P.P. Reinders'. Ook dit prentje - dat eveneens door Heere wordt beschreven - kon niet meer worden teruggevonden in het genoemde parochiearchief, maar is opgenomen in Pottier(1899) en afgebeeld in Verzijl (1928).
- Devotieboekje: Gebeden, litanien, Lofsangen ende Liedekens, welcke tot devotie naer den H. Roosen-Crans gebeden worden in de Kercke der Cruys-Heeren tot Venlo (Venlo: Henricus Korsten, Letter-gieter ende Boeck-drucker, [omstreeks 1784]). In dit boekje is onder meer de aflaat van 40 dagen vermeld.
Bronnen en literatuur Archivalia: Maastricht, Rijksarchief in Limburg: Archief kruisheren: vijf dozen charters (1334-1772) en een cartularium (1402- 1538); Collectie Goossens 247; archief van het oude bisdom Roermond: port. nr. 68, stukken 1703-1795. Venlo, gemeentearchief: ongeordend archief no. 12, St. Martinusparochie I, diverse bescheiden.
Literatuur: L.J.E. Keuller, Geschiedenis en beschrijving van Venlo (Venlo 1843) p. 355; P. Doppler, 'Bijdrage tot de geschiedenis van het Kruisheerenklooster te Venlo', in: De Maasgouw (1879) p. 29, (1881) p. 469, (1888) p. 21; Jos. Habets, Geschiedenis van het tegenwoordig bisdom Roermond, dl. 3 (Roermond: J.J. Romen, 1892) p. 253-258, 669-670; H. Welters, 'De Bedrukte Lieve Vrouw te Venlo', in: Maria's heiligdommen in Nederland en België ('s- Hertogenbosch: Maatschappij De Katholieke Illustratie, [1881]) p. 252-253, onnauwkeurig; F. Pottier, Les cuivres du Graveur hollandais Reinders au musée de Montauban (Montauban: Ed. Forrestié,©1899), gravure door P.F. Reijnders van het Mariabeeld; Jan Kalf, De katholieke kerken in Nederland (Amsterdam: Van Holkema & Warendorf, 1906) p. 579-580; J.A.F. Kronenburg, Maria's-Heerlijkheid in Nederland, dl. 6 (Amsterdam: Bekker, 1909) p. 498-499, onnauwkeurig, steunt op Welters; 'De Bedrukte Lieve Vrouw', in: Limburger Koerier, 31 juli 1912; Pierre Kemp, Limburgsch Sagenboek (Lutterade: Fonds voor Heemkunde, 1925) p. 38-39; Jan Verzijl, 'Het bedrukte O.L. Vrouwe beeld in de St. Martinuskerk te Venlo', in: De Nedermaas 6 (1928) p. 48; P.L. [J.M.A. Mueller], 'Limburgse Sagen en Legenden. Oude Maria-beelden te Venlo, en hun legenden', in: De Nedermaas 8 (1931) p. 67-70; H.K., 'De bedrukte Lieve Vrouw te Venlo', in: De Nieuwe Koerier, 27 mei 1933; Chronista, 'De Zwarte Lieve Vrouw van Venlo', in: Kruistriomf 17 (1937-1938) p. 129- 133, 193-196; J.R.W. Sinninghe, Limburgsch Sagenboek (Zutphen: Thieme, 1938) p. 114; Michael Schoengen, Monasticon Batavum, dl. 2 (Amsterdam: Noord-Hollandsche Uitgevers Maatschappij, 1941) p. 195; 'Een oude herinnering', in: Kruistriomf 27 (1947) p. 164-166; 'De Kruisheren van Venlo tijdens de Franse Revolutie', in: Clair-Lieu 13 (1955) p. 57-58; Gerard Lemmens, Maria in Limburg. De Legendenkrans voor Maria (Maastricht: "Veldeke", 1947) p. 161-164; Jan Verzijl, 'Het altaar van O.L. Vrouw der Zeven Smarten in de St. Martinuskerk te Venlo', in: De Maasgouw (1949) p. 24-25; M. Colson, De kruisheren van Venlo tijdens de Franse Revolutie (Venlo: Gemeentearchief & Diest: Lichtland, 1956) p. 21-22; L. Heere, 'Het Kruisherenklooster te Venlo [I: 1399-1642]', in: Publications S.H.A. Limbourg 92-93 (1956-1957) p. 275-276, 281; L. Heere, 'Het Kruisherenklooster te Venlo [II: 1643-1836]', in: Publications S.H.A. Limbourg 94-95 (1958-1959) p. 216 (beschrijving prentje van ca. 1650), 247-248; E. Tielemans, Volksgeneeskunde in Limburg. Een bibliografie (Limbricht: Limburgs Volkskundig Instituut, 1986) nr. 117; J.M.A. van Cauteren, Maria in Limburg. Vroomheid rond miraculeuze beeltenissen. Tentoonstellingscatalogus Museum voor Religieuze Kunst Jacob van Horne, Weert juni-augustus 1989 (Weert: Museum Jacob van Horne, 1989) p. 21; Herman Andriessen e.a., Kapellen onderweg. Hedendaagse spiritualiteit in Limburgse Maria-legenden (Baarn: Gooi & Sticht, 1996) p. 85-87; Duizend jaar Sint-Martinusparochie. Facetten van de geschiedenis van Venlo (Maastricht: LGOG, 2000).
Overige bronnen: Meertens Instituut Venlo BiN-dossier Venlo-Bedrukte O.L. Vrouw.
  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<