Utrecht, H. Machutus (Machuut)

Cultusobject: H. Machutus (Machuut)
Datum: 15 november
Periode: Eerste helft 15e eeuw - ca. 1580
Locatie: St. Machutuskapel in de parochiekerk van St. Jacob (Jacobikerk; thans N.H.)
Adres: St. Jacobsstraat 171, 3511 BP Utrecht
Gemeente: Utrecht
Provincie: Utrecht
Bisdom: Utrecht
Samenvatting: St. Machutus werd mogelijk al voor de 15e eeuw in de Jacobikerk aangeroepen ter genezing van kinderen met groeistoornissen. Met de reformatie kwam een einde aan de verering in de Jacobikerk. De relieken zijn toen vermoedelijk naar elders overgebracht.
Auteur: Huib Leeuwenberg
Illustraties:
Topografie - De Machutusverering speelde zich af in een speciaal aan de heilige toegewijde kapel, die was gesitueerd aan de noordzijde van de Jacobikerk tegenover de ingebouwde kerktoren. De oudste vermelding van de parochiekerk van St. Jacob dateert uit 1173. De bouw van de kapel vond plaats circa 1460, waarschijnlijk in aansluiting op de omvangrijke bouwactiviteiten met het oog op de verhoging van de zijbeuken. Naar we mogen aannemen was de Machutusverering op dat moment al tot ontwikkeling gekomen, wat wordt bevestigd door de vermelding in 1433 van een Machutusbeeld. Dit beeld stond toen, waarschijnlijk met twee andere heiligenbeelden (Quirinus en Remigius), op een niet nader gespecificeerd altaar aan de noordzijde van de kerk. Omstreeks 1500 was boven het offerblok een 'cleyn tafelken' geplaatst met daarop geschilderd de tekst: 'Hierin salmen werpen die offerande van Synt Machuyt'. In 1521 werd het altaar - dat blijkens de rekeningen kort daarvoor was vernieuwd - gewijd. De kapel is vanaf 1524 korte tijd door de schuitevoerders op Amsterdam als gildekapel gebruikt, waarbij door de kerkmeesters werd bedongen dat Machutus patroon zou blijven en 'midden opten outair staen sal'.
- In 1576 werd de Jacobikerk door beschietingen vanuit de Vredenburg zwaar beschadigd. Hoewel de kapel zelf niet direct getroffen werd, zal de ontreddering die hiervan het gevolg was, in samenhang met de door de reformatie in diskrediet gebrachte bedevaartgedachte, het einde van de Machutusverering hebben bespoedigd.
- Na de reformatie werd de kapel ingericht als grafkapel. Het altaar dat daarbij zijn functie verloor werd weggebroken. Alleen de plaats waar het aan de muur bevestigd is geweest, is nog te zien, evenals een nis voor de kelk.

Cultusobject - Zie voor deze heilige ⟶ Monster, Machutus.
- Over het beeld van Machutus, dat een belangrijke rol in de verering moet hebben gespeeld, is bijna niets bekend. In een kerkmeestersrekening van 1433 wordt melding gemaakt van een zekere Aernt Claess., die behalve de beelden van Quirinus en Remigius ook dat van St. Machutus polychromeerde. Uit andere posten blijkt dat hij schilder was en dus niet als de maker van het beeld kan worden gezien. Twee andere archivalische verwijzingen tonen niet meer aan dan dat er een Machutusbeeld op het altaar stond met daarvoor een offerblok. Volgens de rekening van 1541 stond het Machutusbeeld in een kas, die door Evert Hermenss. voor zes gulden was gerepareerd. Volgens een memorie van omstreeks 1550 stond het beeld op het altaar in de kapel, waarop sommige pelgrims hun offergaven voor de heilige deponeerden.
We moeten aannemen dat in de tumultueuze tijden na de overname in 1579 van de Jacobikerk door de calvinisten (de 'Duifhuisianen') het beeld verloren is gegaan.
- Wat er met de relieken, die er gezien het bedevaartkarakter van de devotie zeker moeten zijn geweest, is gebeurd, is niet meer te achterhalen.
Verering - Hoewel pas uit de eerste helft van de 15e eeuw gegevens bekend zijn van de verering van Machutus in de Jacobikerk, sluit Monna niet uit dat de verering in Utrecht oudere wortels heeft. Er zijn aanwijzingen dat Machutus - toch geen algemeen gangbare heilige in Nederland - ook op andere locaties in Utrecht een bijzondere aandacht genoot: zijn biografie is te vinden in een 15e eeuws 'passionale' van de kartuizers, in de kalender van een 'hymnarium' van het predikherenklooster is het feest van Machutus opgenomen, en de kerk van ⟶ Monster, gewijd aan St. Machutus, is in bezit geweest van de Paulusabdij in Utrecht.
Er zijn slechts weinig wonderdadige genezingen op Machutus' voorspraak geboekstaafd, alle daterend uit de 16e eeuw. Evenals in andere plaatsen waar hij werd vereerd, werd zijn hulp vooral ingeroepen ter genezing van kinderen met groeistoornissen. Volgens Van Heussen (1719) werden in de tijd dat de bedevaarten nog in zwang waren 'ziekelijke kinderen dewelke verdraaide ledemaaten hadden en door de wandeling 'Machutge' of 'Machuts' kinderen genoemt wierden naar [Machutus] toe gebragt'. Dat komt overeen met het verhaal van de latere bisschop van Roermond, Wilhelmus Lindanus (1525-1576). In diens tractaat De fugiendis nostri seculi idolis (Keulen 1580) ter verdediging van de heiligenverering, verhaalt deze hoe zijn broer Hadrianus, de latere schout van Den Haag, bij zijn geboorte een voetafwijking bleek te hebben. Zijn moeder, bevreesd dat hij zijn hele leven kreupel zou blijven, reisde van haar woonplaats Dordrecht naar Utrecht, waar zij voor St. Machuut in de Jacobikerk om zijn genezing bad en de gebruikelijke offergaven achterliet. Bij haar terugkeer trof zij de kleine Hadrianus volledig genezen aan. Gelet op Lindanus' geboortejaar moet dit omstreeks het jaar 1530 zijn voorgevallen.
- Uit iets later tijd dateert een memorie, overgeleverd door kerkmeesters van de Jacobusparochie aan het bisschoppelijk hof inzake een conflict met de parochiegeestelijkheid over de bestemming van de offeranden, die door de pelgrims aan St. Machutus werden aangeboden. In het geding waren alle offeranden 'die bijden goede luyden int visiteren van sinte Machuyt [...] gegeven souden werden tzij voor tsegenen vanden kynderen ofte voor enyge missen ter oersacke vandien te doen', en die niet in het offerblok werden gedeponeerd, maar op het altaar 'daer tbeelt van sinte Machuyt [op] staet' of 'int bouck' gelegd of direct aan de pastoors of kapelaans voor hun diensten werden uitbetaald. Volgens een eerder circa 1540 gesloten accoord tussen kerkmeesters en de pastoors - genoemd worden Nicolaes Mathijsz. (1501/1502 tot 1541) en Evert van Vlowijck (vicecureit 1533/1534 tot 1540/1541) - dienden alle offergaven in het offerblok te worden gedaan, waarvan de opbrengst bij het lichten van het blok zou worden verdeeld tussen beide partijen. Volgens de kerkmeesters zouden de pastoors of kapelaans die afspraak hebben geschonden en zich de offergaven buiten het offerblok om hebben toegeëigend. Over de afloop van het proces zijn geen verdere gegevens bekend.
Dat een dergelijke afspraak over een deling van de offerandes aan Machuut tussen kerkmeesters en pastoors al eerder was gemaakt blijkt uit de kerkmeestersrekening van 1492. Tweemaal werd het offerblok in dat jaar gelicht en de opbrengst 'mitten heren gedeelt'. Dat is tevens de oudste overgeleverde verwijzing naar een offerblok voor Machutus. In de boven aangehaalde memorie verwijzen de kerkmeesters evenwel naar de 'ouden tijden ende langer dan enige menschen memorie gedencken mach', toen de opbrengsten uit het blok van St. Machuut geheel en al ten goede kwamen 'tot der kercke ende fabrycke behouff'. Pas daarna, toen hierover onenigheid was gerezen met de parochiegeestelijkheid, werd een compromis gesloten. Hieruit mogen we dus opmaken dat al voor 1492 bij het Machutusbeeld door de pelgrims offergaven voor de heilige werden achtergelaten.
- In de tweede helft van de 16e eeuw liep de Machutusverering in de Jacobikerk geleidelijk terug, tot zij met de invoering van het calvinisme in Utrecht geheel verdween. Voor het laatst worden inkomsten uit het Machutusblok vermeld in de kerkmeestersrekening van 1574; in die van 1576, 1580 en latere jaren worden zij niet meer opgevoerd.
- In de 17e eeuw werd de Machutusverering vooral door de jezuïeten voortgezet, waarbij naast kinderziekten ook klierziekten bij volwassenen aan zijn genezende kracht werden onderworpen. Veel genezingen werden gemeld uit onder meer Culemborg, Oudewater en Amersfoort. Niet uit te sluiten is dat de Machutusrelieken, die blijkens een missieverslag van 1677 door de jezuïeten te Culemborg werden bewaard, oorspronkelijk uit Utrecht afkomstig waren.

Bronnen en literatuur Literatuur: J. Molanus, Usuardi Martyrologium (Leuven: Hier. Wellaeus, 1573); H.F. van Heussen, Historie ofte beschryving van 't Utrechtsche bisdom etc, dl. 1 (Leiden: Christiaan Vermey, 1719); H.F. van Heussen en H. van Rijn, Kerkelijke Historie en Outheden der Zeven Vereenigde Provincien (Leiden: Dirk Haak e.a., 1726); Th.H.F. van Riemsdijk, Geschiedenis van de kerspelkerk van St. Jacob te Utrecht (Leiden 1882); Th.H.F. van Riemsdijk, Bijdragen tot de geschiedenis van de kerspelkerk van St. Jacob te Utrecht (Leiden 1888); Dagobert Gooren, 'Sint Markoen en Sint Machuut', in: Brabants heem 16 (1964) p. 81-85; W.H.Th. Knippenberg, 'Sint Machutus', in: Brabants heem 17 (1965) p. 119-120; P.Th. van Beuningen, Wilhelmus Lindanus als inquisiteur en bisschop. Bijdrage tot zijn biografie (1525-1576) (Assen: Van Gorcum, 1966) p. 11-12; Th. Haakma Wagenaar, 'Geschiedenis van de bouw en restauratie van de Jacobikerk', in: Restauratie vijf hervormde kerken in de binnenstad van Utrecht. Jaarverslag 1975 7 (1976) p. 44-64; A.D.A. Monna, Zwerftocht met middeleeuwse heiligen (Amsterdam: Rodopi, 1988); F.X. Spiertz, De katholieke liturgie in de Noordelijke Nederlanden in de zeventiende en achttiende eeuw (Nijmegen: Katholieke Universiteit, 1992) p. 125-126; Hans de Waardt, 'Van exorcisten tot doctores medicinae, Geestelijken als gidsen naar genezing in de Republiek, met name in Holland, in de zestiende en de zeventiende eeuw', in: W. de Blécourt e.a. ed., Grenzen van genezing. Gezondheid, ziekte en genezen in Nederland, zestiende tot begin twintigste eeuw (Hilversum: Verloren, 1993) p. 88-114.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Utrecht-Machutus

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<