Uden, H. Odilia

Cultusobject: H. Odilia
Datum: 18 juli
Periode: Ca. 1840 - heden
Locatie: Kapel van O.L. Vrouw Onbevlekt Ontvangen (kruisherenkapel)
Adres: Lieve Vrouwenplein 2, 5401 AS Uden
Gemeente: Uden
Provincie: Noord-Brabant
Bisdom: 's-Hertogenbosch
Samenvatting: In 1840 werd in de Nederlandse kloosters te Uden en Sint Agatha begonnen aan het herstel van de kruisherenorde. Zij slaagden erin een gedeelte te verwerven van het gebeente van Odilia, de oude ordepatrones, waarmee zij haar verering in Noordoost-Brabant introduceerden. Vrijwel onmiddellijk kwam er een bescheiden bedevaart opgang naar Odilia's relieken te Uden, die tot op de dag van vandaag aanhoudt.
Auteur: Marc Wingens
Illustraties:
Topografie - Plattegrond ⟶ Uden, O.L. Vrouw
- De relieken en het beeld van Odilia bevinden zich in de kloosterkapel van de kruisheren aan de noordrand van het centrum van Uden. Zie voor deze kapel en haar voorgangster, waarin de Odiliaverering begon, Uden ⟶ O.L. Vrouw.
Cultusobject - Zie voor St. Odilia ⟶ Sint Agatha.
- De Udense relieken van Odilia bestaan uit botresten, afkomstig uit een bovenbeen en een onderarm. In het huidige gebouw zijn zij geplaatst in het bronzen voetstuk van een levensgroot beeld van Odilia in neogotische stijl, gemaakt in 1912 door een zekere Maas. De beenderen zijn zichtbaar door een glazen venstertje.
- Het gipsen, 19e-eeuwse beeld van Odilia (ca. 1,50 m) is gepolychromeerd en geeft haar op de gebruikelijke manier weer: als maagd en martelares die de palmtak in de linkerhand draagt en het vaandel met het ordekruis van de kruisheren (witte horizontale en rode verticale balk) in de rechter. Voor het cultusobject staat een standaard waarin waxinelichtjes kunnen worden geplaatst.
Beeld en relieken bevinden zich in een boogvormige nis aan de noordwand van deze kapel, vlak voor de overgang naar het priesterkoor. Het is onbekend op welke locatie de relieken zich bevonden in de middeleeuwse kapel.
Verering De kruisherenorde bedreigd en hersteld
- Omstreeks 1800 werden in een groot deel van katholiek Europa religieuze orden onderdrukt. De Nederlandse kloosters te Uden en Sint Agatha waren de enige van hun orde die deze periode overleefden. Maar ook zij bleven geruime tijd in hun bestaan bedreigd, aangezien Willem I in 1814 een verbod tot het aannemen van novicen instelde. In 1840 werd dit verbod echter opgeheven. Het aantal kruisheren in Sint Agatha en Uden groeide vanaf dat moment gestaag en al spoedig besloten zij om onder leiding van hun overste, Henricus van den Wijmelenberg, aan de wederopbouw van hun orde te beginnen. Op zoek naar een eigen identiteit en spiritualiteit kwamen de kruisheren al gauw terecht bij de oude beschermster van de orde: Odilia. Het gebeente van de heilige was echter niet langer in hun bezit. De herleefde orde trachtte het gebeente in handen te krijgen maar kwam niet verder dan enkele relieken, die over Uden en ? Sint Agatha werden verdeeld.

De verering te Uden
- De verering te Uden is te danken aan de verplaatsing van het kerngebied van de kruisherenorde naar Noordoost-Brabant na de teloorgang van de orde in zuidelijker streken. Het nieuwe élan dat de orde vanaf 1840 ten toon spreidde, kon het niet stellen zonder de traditie. Daarom werd een beroep gedaan op het oude symbool van de orde, Odilia, wier gebeente niet in zijn geheel, maar wel gedeeltelijk naar het noorden kon worden gehaald. Dat het Udense klooster, hoewel niet het oudste van de twee, niet alleen over het grootste deel van deze relieken mocht beschikken, maar ook als eerste (in 1842) een eigen Odilia-aflaat ter beschikking kreeg, was te danken aan het feit dat de heroprichter van de orde, Van den Wijmelenberg, gedurende de eerste jaren na 1840 vanuit deze plaats opereerde.
- Van den Wijmelenberg werkte hard aan de verbreiding van de verering, zowel binnen als buiten de ordegemeenschap. In het oudste bedevaartboekje, uitgegeven in 1845 en waarschijnlijk niet alleen bestemd voor Uden, maar ook voor Sint Agatha, is al sprake van een Odiliaprocessie, die plaats vond op de zondag na 18 juli. Bij die gelegenheid werd tot en met 1961 een preek gehouden door een capucijn van Handel die eveneens tot de jaren veertig van de 19e eeuw zal zijn terug te voeren. In 1880 schreef de Udense kruisheer Mutsaers een levensbeschrijving van Odilia ten behoeve van de capucijnen zodat zij hieruit zouden kunnen putten voor de jaarlijkse preken. Het bedevaartboekje spreekt ook van de wijding van Odiliawater op de processiedag, te gebruiken tegen oogkwalen. Hoewel de Udense processie in 1961 is afgeschaft, wordt dit water nog ieder jaar op de feestdag gezegend en verstrekt aan mensen die erom vragen. Volgens zegsman A. van den Elsen o.s.c. valt er buiten de kruisherenorde niet veel meer van devotie voor Odilia te merken. Toch brandden er medio 1995 nog vrijwel dagelijks waxinelichtjes voor haar beeld.
- In het archief van de kruisheren bevindt zich een tweetal stukken betreffende genezingswonderen die dankzij Odilia zouden hebben plaatsgevonden: de een uit 1911, de ander uit 1940. In het laatste jaar vond de genezing plaats dankzij het drinken van Odiliawater.

Aflaten
- Aan Odilia als ordeheilige waren enkele algemene aflaten verbonden die in alle kerken van de orde konden worden verdiend. In 1516 werd de orde een aflaat toegekend van 500 dagen die kon worden verworven na het bidden van (een deel van de) rozenkrans en die in 1842 en 1884 is bekrachtigd, waarbij hij werd bestemd voor de zielen in het vagevuur. Vervolgens verwierf de orde in 1856 een volle aflaat die op 18 juli en tijdens het octaaf kon worden verdiend.
- Daarnaast werd de Udense kruisheren in 1842 een eigen volle Odilia-aflaat toegekend die kon worden verworven op 18 juli en tijdens het octaaf en tevens was bestemd voor de zielen in het vagevuur. De kruisheren van Sint Agatha kregen een jaar later de beschikking over zo'n zelfde aflaat.
Materiële cultuur Devotioneel drukwerk
- Zie ⟶ Sint Agatha, H. Odilia.

Bronnen en literatuur Archivalia: Uden, archief van de kruisheren. 's-Hertogenbosch, archivum capucinorum hollandensis.
Tekstedities: C.R. Hermans ed., Annales canonicorum regularium S. Augustini ordinis S. Crucis. Ex monumentis authenticis, collegit, disposuit, illustravit, dl. 2 ('s-Hertogenbosch: P. Stokvis, 1858) p. 86-94, akten waarin de echtheid van de relieken wordt erkend, sept. 1287 en 10-11-1443.
Literatuur: J. Banelius, Gloriosi corporis S. Odiliae virginis et martyris ex sancta Ubiorum Colonia in celeberrimum totius sacri ordinis fratrum S. Crucis apud Huyenses Clari Loci monasterium translatio, editione Gallica auctior et castigatior (Keulen: Greuenbruch, 1621); H. Russelius, Chronicon cruciferorum sive synopsis memorabilium sacri et canonici ordinis sanctae crucis (Keulen: Kraft, 1635; fotogr. herdr. Diest: Lichtland, 1964) p. 67-68, 92 en 151; X, 'De vinding en overbrenging van de reliquieën van de H. Odilia', in: Katholieke Illustratie 21 (1887-1888) p. 69-71; An., 'De relikwiekast der h. Odilia', in: Kruistriomf (1925-26) p. 353-365; R., 'Een kostbaar bezit', in: Kruistriomf (1949) p. 1-6; H. van Rooijen, Sinte Odilia: legende of historie? (2e dr., Diest 1946); J. Scheerder, Henricus van den Wijmelenberg. Een religieus emancipator in Oost-Brabant 1800-1881 (Tilburg: Stichting Zuidelijk Historische Contact, 1976) p. 59, 60, 231 en 242; A. van den Elsen, Achtergrondgedachten rond de verering van de h. Odilia, patrones van de kruisherenorde (getypte tekst; Uden 1994).
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Uden-Odilia; Meertens Instituut volkskundige vragenlijst 64a (1993).

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<