Bergen, Heilig Bloed

Cultusobject: Heilig Bloed
Datum: Zondag voor Pinksteren
Periode: 1422 - 18e eeuw / 1925 - 1966
Locatie: Parochiekerk van HH. Petrus & Paulus (Ruïnekerk; thans N.H.); H. Bloedkapel aan de Kapellaan in de buurtschap Zanegeest; parochiekerk HH. Petrus en Paulus
Adres: Ruïnekerk, Raadhuisstraat 1, Bergen; HH. Petrus en Pauluskerk, Dorpsstraat 20, 1861 KW Bergen
Gemeente: Bergen
Provincie: Noord-Holland
Bisdom: Haarlem
Samenvatting: In 1422 heeft zich in Bergen een sacramentswonder voorgedaan. Gewijde hosties uit de kerk van Petten waren door toedoen van de St. Elisabethsvloed van 1421 bij Bergen aangespoeld. In het volgend jaar, omstreeks Pinksteren, bleek zeewater, waarmee de hosties doorweekt waren geweest, te zijn veranderd in een stof met een kleur als van geronnen bloed. De faam van het mirakel zorgde ervoor dat Bergen spoedig een bekend bedevaartoord werd. Na de reformatie bleef de bedevaart tot in de 18e eeuw in stand via een stille devotie. In de 20e eeuw herleefde de verering op een voornamelijk lokaal niveau.
Auteur: Frits David Zeiler
Illustraties:
Topografie - Het mirakel van het Heilig Bloed vond in 1422 plaats in de oude dorpskerk van Bergen, nu Ruïnekerk, waar het betreffende cultusobject werd bewaard. De plaats waar in het voorafgaande jaar de kerkschat van Petten was teruggevonden en waar naderhand een kapel is gebouwd, ligt hemelsbreed ongeveer 1,6 km noordoostelijk van deze kerk onder de buurschap Zanegeest. Beide plekken zijn verbonden door de Heerweg (nu Breelaan), de [Zanegeester] Doodweg (nu Russenweg), de Zanegeester Kerkweg (nu Kerkedijk) en de Oosterweg (nu eveneens Kerkedijk). Over de route van de laatmiddeleeuwse bedevaarten is niets bekend, maar deze zal, evenals die van de moderne omgang, in ieder geval langs genoemde wegen hebben gelopen. De Ruïnekerk, gelegen in het centrum van het dorp, heeft daarbij nog altijd een centrale functie; de nieuwe parochiekerk is niet in de route opgenomen.
- De kapel van het Heilig Bloed werd in of kort na 1422 gesticht op de plaats, waar Jan van Prucen de kerkschat van Petten had aangetroffen. Of het bouwwerk in 1574 tegelijk met de toen nog r.k. kerk door de Geuzen is verwoest of pas na de alteratie omstreeks 1580 is afgebroken, is niet bekend. De kaart van J. Dou, uitgegeven door J. Blaeu omstreeks 1660, vermeldt naast de 'Capellaen' de 'Grondt vanden Cappel' met de contouren van een gebouwtje. Volgens de Tegenwoordige Staat (1750) was de kapel geheel afgebroken, 'doch de Grond en Overblyfsels worden door de Roomschgezinden in veel eerbied gehouden'. Andreas Kok schrijft in 1774 dat er 'voor verscheidene Jaren noch een brok Muurs te zien' was, terwijl hijzelf 'uit de steengrond, die noch zichtbaer is' (een funderingsrest) meende te moeten opmaken, dat het gebouw niet meer dan dertig voet lang is geweest.
- Een nieuwe r.k. kerk werd op 18 september 1924 door de bisschop van Haarlem ingewijd. De fresco (1948) van Jaap Min met enkele scènes uit de legende van het H. Bloed is rechts van het priesterkoor tegen de muur aangebracht
Cultusobject - De houten schaal waarin het mirakel van het H. Bloed in 1422 was geschied, werd in zilver gevat en in de kerk bewaard. Het object werd aan vreemdelingen en andere belangstellenden op hun verzoek getoond. Een deel van de wonderbaarlijke stof die in de schaal was achtergebleven, werd in een monstrans overgebracht die eveneens aan bezoekers werd getoond.
- In augustus 1566 werd de kerkschat in beslag genomen door de heer van Bergen, Henrick van Brederode, maar later weer terugbezorgd. Mogelijk zijn de relieken in 1574, toen de katholieken hun kerk werd ontnomen, vernietigd; mogelijk zijn ze pas in de loop van de 17e eeuw verloren gegaan. Nog in 1631 besloot het kapittel van Haarlem om een onderzoek in te stellen naar eventuele overblijfsels van het H. Bloed van Bergen. Dit onderzoek heeft echter niets opgeleverd.
Verering Oorsprong en overlevering
- De oudst bekende versie van het mirakel van Bergen staat opgetekend in de Chronicon comitum Hollandiae van Jan Gerbrandszoon van Leiden (ca. 1470). Dit is volgens Carasso-Kok de 'korte' versie. In 1469 maakte Frederik van Sevender hiervan een afschrift, waaraan enkele 'wonderbare reddingen' zijn toegevoegd. Een jongere ('lange') versie is te vinden in de Chronicon Hollandie van Willem Hermans (ca. 1514).
- Het gaat niet om een, maar om twee in elkaar gevlochten wonderverhalen. Het eerste betreft het terugvinden van een kist met een ciborie met heilige olie en andere voorwerpen, afkomstig van de kerk van Petten, die bij de St. Elisabethsvloed van 1421 in de golven was verdwenen. Deze kist werd ontdekt door Joannes de Prucen, schout van Bergen, die zich daags na de stormvloed inspande om aangespoelde goederen te bergen. Hij vond de kerkschat liggend tegen een slootkant, op de plaats waar later de kapel zou worden gebouwd. De kist moet dus met het vloedwater langs het zogenaamde Rekerwed landinwaarts zijn gedreven. De schout bracht zijn vondst in veiligheid in het dichtstbijzijnde huis en waarschuwde de pastoor, Amelius, en de koster, Gerardus. Met een schuit (blijkbaar was het tussengelegen land eveneens overstroomd) werden de voorwerpen naar de parochiekerk gebracht, waarbij de pastoor de ciborie droeg en de koster een ivoren pyxis, die op zijn verzoek op een houten schaal was geplaatst. Bij de kerk werd het gezelschap met gebed, gezang en klokgelui opgewacht. Joannes, pastoor van Petten, had de ramp overleefd en haastte zich op het bericht van deze vondst naar Bergen. In de ciborie bevonden zich gewijde hosties, die hij nuttigde; deze waren vrijwel ongeschonden. Ook in de pyxis hadden hosties gezeten, doch deze waren geheel verkleefd; ook deze werden door pastoor Joannes genuttigd. Het zeewater dat in het kistje was gedrongen en waarvan het drinken hem zeer tegenstond, werd door hem in de schotel gegoten die eerder had gediend om de ciborie op te vervoeren; deze schotel werd weggeborgen in een kast.
- Het tweede wonderverhaal speelde zich ongeveer een half jaar later af, omstreeks Pinksteren 1422. Amelius was op reis en Gerardus, inmiddels priester geworden, nam de dienst waar. Nadat hij in het dorp aan een meisje dat aan de pest leed de communie had gebracht, dacht hij weer aan de schotel. Toen hij deze uit de kast haalde, bleek het water verdwenen te zijn en was een stof achtergebleven die in kleur leek op die van geronnen bloed. Zijn vermoeden dat hier een wonder was geschied, werd door de schout bevestigd. Spoedig verbreidde zich het verhaal, dat in Bergen het 'hoogwaardig sacrament der eucharistie' in bloed veranderd was. Vanaf dat moment stroomden de gelovigen van heinde en verre toe, onder wie vele geleerde mannen (zoals de suffragaan van Utrecht, Henricus). Deze laatsten stelden, na hierover te hebben overlegd, vast dat de rode stof niet hetzelfde was als het sacrament en dus niet het bloed van Christus bevatte. Omdat de stof op miraculeuze wijze was ontstaan, was ze echter wel vererenswaardig en diende ze bewaard te worden bij de relieken. Velen, die verlichting van ziekte en andere tegenspoed zochten, vonden baat bij een bedevaart naar het H. Bloed van Bergen.

Bedevaartplaats
- Behalve de plechtige omgang op de zondag voor Pinksteren, waaraan volgens de overlevering vele honderden gelovigen deelnamen, vonden ook individuele tochten plaats. Dat het H. Bloed van Bergen al snel bekendheid verwierf, blijkt uit het feit dat gravin Jacoba van Beieren in het najaar van 1432 er naar toe reisde en dat paus Eugenius IV in 1436, na een verzoek hiertoe, een aflaat verleende aan de parochiekerk. Met verwijzing naar de waternoodsramp, de terugvondst van de de ciborie en de heilige oliën, de hierna gebeurde wonderen, de dagelijkse toeloop van een grote menigte vereerders, en het feit dat de Utrechtse bisschop al aflaten aan de cultus had verbonden, besluit paus Eugenius om alle vrome bezoekers en weldoeners van deze kerk een aflaat te verlenen van 20 jaar en 20 quadragenen (20 x 40 dagen). Merkwaardig is de vermelding hierbij dat deze aflaat vooral verdiend kan worden op het feest en in het octaaf van Maria Hemelvaart, dus niet in de tijd vóór Pinksteren.
- Van Sevender vermeldt drie wonderbare reddingen die nog in de 15e eeuw plaatsvonden dankzij een belofte om een pelgrimage naar Bergen te volbrengen. Van Herwaarden geeft negen voorbeelden van als straf opgelegde bedevaarten naar het H. Bloed tussen 1436 en 1545. In een kohier van de tiende penning van 1543 wordt grondbezit genoemd van `dat lievrouwen gild', 'dat karsgilt' en `dat heylighe bloets ghilt'. Meer gegevens hieromtrent ontbreken. In de 'kerkmeestersbrief' die in 1545 in druk werd verspreid om de cultus van het H. Bloed te ⟶ Alkmaar meer bekendheid te geven, wordt Bergen, naast Alkmaar zelf, genoemd als plaats waar God een sacramentswonder heeft laten gebeuren 'totter ongeloviger beschaminge ende tot vertroestinge der goeder Christen menschen ende tot bestraffinge der quader twifelachtige Christen menschen, die dat heilige Sacrament soe weynich achten [...]'.
- Blijkens de verbodsplakkaten van prins Maurits en de Staten van Holland van 1587, 1588, 1590 en 1591 waren de bedevaarten naar onder meer ⟶ Wilsveen, ⟶ 's-Gravenzande en Bergen nog zeer in trek. Op 17 januari 1647 werd het verbod op bedevaarten naar onder meer Bergen herhaald in een nieuw plakkaat. Nog in de eerste helft van de 18e eeuw wordt de gedachtenis van het miraculeuze bloed van Bergen geëerd bij de ruïne van de kapel. Andreas Kok spreekt in zijn tweede eeuw-getij van Bergens kerk-verwoesting (1774), onder verwijzing naar de vermelde plakkaten, over de 'hogen Troon' waarop het geloof in Bergen en omstreken destijds stoelde en schrijft dan: 'immers bewijst zulks ons Kermisfeest, dat, met den naem Berger Omgang bekend, die naem ontwijffelbaer van een plechtige Omgang of Processie alhier wel eer in gebruik, bekomen en behouden heeft [...]'. In een noot licht hij vervolgens toe, dat de Berger kermis altijd omstreeks mei valt, 'en dat zij thans naar het Pinxterfeest, dat zij ééne week voorgaet, geregeld word [...]'. Deze datum komt overeen met die van de 20e-eeuwse stille omgangen. Hierbij kan nog worden aangetekend, dat het gevoel voor deze en andere geloofstradities des te sterker in de plaatselijke gemeenschap zal zijn blijven leven, omdat ook na de alteratie de bevolking van Bergen nog in meerderheid (ongeveer 60%) rooms-katholiek is gebleven. Toch doofde de herinnering aan het mirakel in het laatste kwart van de 18e eeuw langzaam uit: in het begin van de 19e eeuw - zo verzekert de pastoor van Bergen, F. Koevoets - kunnen ook de ouden van dagen zich uit hun vroegste jeugd niets van enige verering herinneren. In de loop van de 19e eeuw zou deze herinnering weer levend worden gemaakt, dankzij vooral artikelen in katholieke tijdschriften.
- De herleving van de jaarlijkse herdenking volgde op de wijding van de nieuwe r.k. kerk in 1924 - overigens het derde kerkgebouw op die locatie. Tussen 1925 en 1966 werd op de zondag voor Pinksteren om 5.00 uur een stille omgang gehouden, een traditie die in 1993 herleefde. Deelnemers zijn uitsluitend eigen parochianen; vroeger honderden, tegenwoordig enkele tientallen (1996: 16 personen). Men vertrekt vanaf de Ruïnekerk en volgt de route Dorpsstraat - Van Borsselenlaan - Natteweg - Baakmeerdijk - landpad naar Schapenlaan - Kapellaan - Kerkedijk - Russenweg - Breelaan; daarna trekt de stoet driemaal om de Ruïnekerk en ontbindt zich.
- In een toponiem leeft het H. Bloed ook nog in het landschap door: Zakedijkje, een in oorsprong 12e-eeuws dijkje bij de buurschap Oostdorp, waarvan de naam wellicht een verbastering is van 'Sacramentsdijkje'. Hier zou de in 1421 gevonden kerkschat van Petten aan land zijn gebracht. In het mirakelverhaal wordt inderdaad vermeld, dat men van 'Oesdorp' met de schuit heen en terug voer om de vondst op te halen. De naam Zanegeest is ouder dan het mirakel en kan dus niet zijn afgeleid van 'sanctus', 'sanguis' of 'sanus'.
Materiële cultuur - 1 In het testament van Jacoba van Beieren uit 1444 (Cod. dipl. Neerl, p. 223) wordt een 'glasporcij' genoemd, die zij schuldig is 'ten Heyligen Bloede te Bergen', en waarvoor de glazenmaker 20 Philipsschilden moet worden betaald. Het gaat hier ongetwijfeld om een gebrandschilderd raam in de kerk of eventueel in de kapel; 2 J.P. Horstock, 'Processie van het H. Bloed te Bergen', olieverf/doek, ca. 1814; verloren gegaan; afgebeeld in het boek van Van Reenen-Völter; 3 Jaap Min (1914-1987), muurschilderingen in de Petrus en Pauluskerk te Bergen, ca. 1948; afgebeeld op het omslag van de Korte beschrijving; 4 Bergen, Museum Het Sterkenhuis: inv.nr. 489 a-h, twee bakstenen en zes fragmenten van leien dakbedekking, bodemvondsten van de plaats van de Heilig Bloedkapel; 5 het museum bezit verder een bundel muziek afkomstig van een toneelstuk gewijd aan het Heilig Bloed (ca. 1950).

Bronnen en literatuur Archivalia: Leiden, Universiteitsbibliotheek: BPL 127d, Chronicon comitum Hollandiae et episcoporum Ultrajectensium, afschrift (met aanvullingen) van de kroniek van Jan Gerbrandzoon van Leiden, aanwezig in de British Library te Londen, volgens Rijkenberg (1898) door Frederik van Sevender, gedateerd 1469, foliëring onbekend, onder de titel 'De vento valido irruptione aggeris Pettemiensis et miraculoso sanguine villae Berghensis' (= Carasso-Kok, nr. 302 [zie onder A2]). Alkmaar, regionaal archief: collectie aanwinsten, nr. 1: Chronicon Hollandie, Zeelandie, Frisie et terre Traiectensis, bewerking en aanvulling van de kroniek van Joannes Gerbrandi a Leydis, volgens Tilmans (1990) van de hand van Willem Hermans, ca. 1514, fol. 336-339 onder de titel 'de vento valido et miraculoso sanguine ville Bergensis' (= Carasso-Kok nr. 41); nr. 38: Memorieboek inhoudende veel aenmerckenswaerdigen saecken seedert den jaere [...] [niet ingevuld] tot deese jeegenwoordige jaeren van 't gepasseerde soo binne als buijten de stadt Alckmaer door Joachim Bontius de Wael, oorspronkelijk uit 1717, door hem gecopieerd in 1739, fol. 81v-82v onder de titel 'Historie van 't Hijlig bloedt tot Bergen'; het betreft een korte versie. Den Haag, Algemeen Rijksarchief: archief Staten van Holland inv.nr. 167, fol. 12V, H. Bloedgilde.
Tekstedities: Gisbert Brom, Archivalia in Italië belangrijk voor de geschiedenis van Nederland, dl. 1 ('s-Gravenhage, 1909) p. 493, nr. 1370, de aflaat van paus Eugenius IV; M. Carasso-Kok, Repertorium van verhalende historische bronnen uit de middeleeuwen ('s-Gravenhage: Nijhoff, 1981) nrs. 41, 203-10 en 302.
Literatuur: Claas Bruin en Gerrit Schoemaker, Noordhollandsche Arkadia (Amsterdam: Evert Visscher, 1732) p. 358, vermeldt dat de herinnering aan het H. Bloed nog steeds in ere wordt gehouden; Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden, dl. 8 (Amsterdam: Tirion, 1750) p. 364; Andreas Kok, Het tweede eeuw-getij van Bergens kerk-verwoesting (Alkmaar: Wed. Jacob Maagh en zoon, 1774) p. 38-42 en 82-85; W. Moll, 'Noordholland in 't geuzen-jaar. (Naar de verhooren in 't Belgische Rijks-Archief)', in: Studiën en bijdragen op 't gebied der historische theologie 1 (1872) p. 303-346, op p. 333-335 over de inbeslagname van de Bergense kerkschat; F.J. Poelhekke, 'Het wonder van het H. Bloed te Bergen bij Alkmaar', in: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem 4 (1876), 131-151, met tekst van het verhaal in korte en lange versie, ontleend aan een afschrift van het Alkmaarse handschrift, en vertaling van de lange versie, gedeeltelijk herdrukt in: Korte beschrijving, p. 5-14; 'Mirakel van het H. Bloed te Bergen in Noord-Holland', in: Volksmissionaris 5 (1884) p. 567-569; E.H. Rijkenberg, 'Het H. Bloed te Bergen', in: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem 23 (1898) p. 146-152, met tekst over wonderbare reddingen; J.L.A. Nabbeveld, 'Over het Miraculeuze Bloed van het dorp Bergen', in: Bijdragen voor de geschiedenis van het Bisdom Haarlem 24 (1899) p. 161-177; C. Schreiberling, 'Het mirakel van Bergen', in: St. Bavo 2 (1899) p. 9-11, 130-132, 145-148, 161-163; A.C. Bertens, Het H. Hart en zijn Genade-Oorden of de Liefde, het Voorbeeld en de Wonderen van Jezus in zijn H. Sacrament (Cuyk aan de Maas: Jos. J. van Lindert, 1900) p. 230-231; M.A.D. van Reenen-Völter, De Heerlijkheid Bergen in woord en beeld (2e dr.; Alkmaar: N.V. Boek- en Handelsdrukkerij v/h Herms. Coster & zoon, 1925) p. 132-135; (2e verm. dr.; 1948) p. 154-157; Willibrord Lampen, Alcmaria Eucharistica. Ter gelegenheid van het vijfde eeuwfeest van het eucharistisch wonder van Alkmaar (Alkmaar: Ons Blad, 1929) p. 43-51, de 'kerkmeestersbrief', 121-123, het verhaal; Peter Browe, Die eucharistischen Wunder des Mittelalters (Breslau: Müller & Seiffert, 1938) p. 199; Willem Frijhoff, Les pèlerinages dans les Provinces-Unies. Ébauche d'inventaire et de problématique de recherches (ongepubl. licentiaatsverhandeling univ. de Paris-Sorbonne, 1969) inv. 7, B 4; Jan van Herwaarden, Opgelegde bedevaarten (Assen-Amsterdam: Van Gorcum, 1978) p. 287, 293, 314, 324, 337, 346, 350, 380, 413-415; Frits David Zeiler, Hoog en Vrij. Schetsen uit de geschiedenis van de heerlijkheid Bergen tot 1798 (Schoorl: Pirola, 1986) p. 37-39; C.P.H.M. Tilmans, 'De Hollandse kroniek van Willem Hermans ontdekt. Een Egmondse codex uit ca. 1514', in: G.N.M. Vis e.a. ed., Heiligenlevens, Annalen en Kronieken. Geschiedschrijving in middeleeuws Egmond (Hilversum: Verloren, 1990) p. 169-191; Charles M.A. Caspers, De eucharistische vroomheid en het feest van Sacramentsdag in de Nederlanden tijdens de Late Middeleeuwen (Leuven: Peeters, 1992) p. 233-234, 253-254; J.G. Smit, Vorst en onderdaan. Studies over Holland en Zeeland in de late Middeleeuwen (Leuven: Peeters, 1995) p. 56, bedevaart in 1432.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Bergen-H. Bloed

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<