HomeDatabankenBedevaarten

Hertogenbosch, O.L. Vrouw; Zoete Lieve Moeder of Moeder van 's-Hertogenbosch

Mail voor aanvullingen en commentaar
Cultusobject: O.L. Vrouw; Zoete Lieve Moeder of Moeder van 's-Hertogenbosch
Datum: 7 juli; meimaand; gehele jaar
Periode: 1380 - 1629 / 1853 - heden
Locatie: Lieve Vrouwekapel van de kathedrale basiliek van St. Jan Evangelist
Adres: Torenstraat 16, 5211 KK 's-Hertogenbosch; Broederschap van O.L. Vrouw van Den Bosch: postbus 1841, 5200 BB 's-Hertogenbosch
Gemeente: 's-Hertogenbosch
Provincie: Noord-Brabant
Bisdom: 's-Hertogenbosch
Samenvatting: In de stads- en kapittelkerk van Sint Jan de Evangelist te 's-Hertogenbosch ontwikkelde zich omstreeks 1380 een verering voor een aanvankelijk als oud en lelijk beoordeeld Mariabeeld. Vanaf 1381 kwamen er pelgrims naar het beeld en vonden er wonderen plaats. Deze werden opgetekend in een mirakelboek. In de 15e en 16e eeuw was de St. Jan een van de belangrijkste bedevaartkerken in de Nederlanden. Na de verovering van 's-Hertogenbosch door Frederik Hendrik in 1629 werd het beeld verborgen en vervolgens naar Brussel overgebracht. Daar werd de verering voortgezet. In 1853 keerde het beeld door toedoen van bisschop Zwijsen terug naar 's-Hertogenbosch. Al snel ontwikkelde zich een intensieve verering, die tot op de dag van vandaag is blijven bestaan en die de laatste decennia haar hoogtepunt beleeft in de meimaand. De St. Jan is momenteel een van de drukst bezochte bedevaartkerken van Nederland.
Auteur: Peter Nissen
Illustraties:
(Klik op afbeelding voor vergroting)
Topografie De kathedrale basiliek van St. Jan Evangelist
- In 1185 stichtte hertog Hendrik I van Brabant op een deel van zijn domein Orthen een nieuwe stad: 's-Hertogenbosch. Omstreeks 1210 werd vanuit de moederkerk van St. Salvator te Orthen een onderhorige kerk gesticht die moest voorzien in de pastorale behoeften van de jonge en snel groeiende stad. De eerste vermelding van de kerk, of beter van het 'atrium ecclesiae' ('terrein van de kerk'), komt voor in een overeenkomst tussen hertog Hendrik I en de aartsbisschop van Keulen, Engelbert van Berg, uit 1222. In die overeenkomst stelde de hertog zijn allodiaal goed te Orthen en 's-Hertogenbosch onder aartsbisschoppelijke souvereiniteit, met uitzondering van 'curia sua et atrio ecclesiae' ('het raadhuis en het kerkterrein'). In kerkrechtelijke zin bleef de kerk van 's-Hertogenbosch nog tot 1413 onderhorig aan die van Orthen, zodat beide kerken formeel éénzelfde pastoor hadden. In dat jaar droeg de tegenpaus Johannes XXIII het patronaatsrecht over de kerken van Orthen en 's-Hertogenbosch over aan het in 1366 gestichte kapittel van de St. Jan. Eerder, in 1231, had de hertog dat patronaatsrecht verleend aan de abt van de norbertijnenabdij van Berne en in 1270 aan de priorin van het dominicanessenklooster Hertoginnedal te Oudergem bij Brussel.
- De zielzorg werd in de Bossche stadskerk namens de pastoor van Orthen verricht door een plebaan of investitus. In 1359 is voor het eerst sprake van een viceplebaan. In een oorkonde van de schepenbank van 's-Hertogenbosch van 30 maart 1274 wordt voor het eerst St. Jan de Evangelist als titelheilige van de stadskerk vermeld. In die oorkonde liet Wilhelmus de Gandavo bij testament 30 schellingen jaarlijks na voor de acht priesters die in de kerk van St. Jan celebreerden aan het hoogaltaar en aan de drie altaren van O.L. Vrouw, de H. Nicolaas en de H. Elisabeth. Hoe de kerk eruit zag waarin deze altaren zich bevonden, is niet bekend. Het gebouw dat omstreeks 1210 op een 'de Pepers' genaamd terrein verrees, moet nog romaans geweest zijn. Daarop wijst het als romaans te karakteriseren onderste gedeelte van de bewaard gebleven toren, dat opgetrokken is uit rode baksteenmoppen in Vlaams verband en dat op stilistische gronden tussen 1250 en 1260 gedateerd wordt. Volgens berichten uit 1632 en circa 1637 zou in 1268 aan de noordkant van de toren een kapel ter ere van de Moeder Gods zijn aangebouwd. Zekerheid over het vroege bestaan van een Mariakapel bij de St. Jan is er evenwel niet. Hetzelfde geldt omtrent berichten uit de 16e en 17e eeuw die zeggen dat tussen 1280 en 1312 een nieuwe kerk gebouwd werd. Wel waren er al in de eerste helft van de 14e eeuw onmiskenbaar bouwplannen. Tussen 1320 en 1342 kocht de kerkfabriek namelijk aan de oostkant van de kerk huizen op om deze te kunnen slopen 'ad amplificationem ecclesiae' ('om de kerk te kunnen vergroten'). Op grond van schriftelijke gegevens en stilistische kenmerken kan vastgesteld worden dat met de bouw van de huidige St. Jan in 1380 begonnen is. Bij die gelegenheid werd ook het Mariabeeld ontdekt dat voorwerp van de Bossche verering zou worden.
- De bouw, begonnen bij de straalkapellen en de buitenste zuidelijke zijbeuk en langzaam toewerkend naar de toren, nam ongeveer anderhalve eeuw, tot 1529, in beslag. In de eerste bouwperiode van 1380 tot circa 1425, waarin tussen 1382 en 1407 Willem van Kessel als bouwmeester wordt vermeld, werden de straalkapellen en de buitenste koorzijbeuken voltooid in de stijl van de Brabantse gotiek. In de tweede bouwperiode, tussen ongeveer 1425 en 1478, werden het koor, het transept en de eerste traveeën van het schip met zijbeuken voltooid. In 1427 werden de eerste nieuwe koorbanken aangeschaft. Als bouwmeesters worden in die periode vermeld Willem van Boelre (1436 en 1438/39), Gielis Coelman (1437/38 en 1447-1449), en Cornelis de Wael (voor 1478). Hun stijl vertoont meer verwantschap met die van de Keulse en andere Duitse gotiek. In de derde bouwperiode, vanaf 1478 tot 1529, werd onder leiding van de bouwmeesters Alart du Hamel (1478 tot 1495), Jan Heyns (1495 tot 1516), Jan Darkennes (vanaf 1516), en Jan van Poppel (vanaf 1516), de kerk voltooid. Tussen 1517 en 1522 kwam de overwelving van het schip gereed en in 1529 werd de middentoren voltooid door de plaatsing van een koperen beeld van St. Jan de Evangelist. Inmiddels was het oudste gedeelte van de kerk, de westtoren, grotendeels gesloopt en tussen 1505 en 1524 door een nieuwe toren vervangen. In 1584 werd de spits bij een kerkbrand verwoest. De herbouwde toren werd in 1830 opnieuw door brand getroffen.
- Behalve parochiekerk was de St. Jan sinds 1366 ook kapittelkerk. In dat jaar werd door de bisschop van Luik een collegiaal kapittel opgericht en aan de St. Jan verbonden, bestaande uit 30 kanunniken. Sinds 1413 benoemde het kapittel ook de clerici die voor de zielzorg verantwoordelijk waren, de plebaan en zijn assistenten. In 1560 werd de St. Jan bovendien bisschopskerk voor het in 1559 opgerichte bisdom 's-Hertogenbosch en werd het collegiaal kapittel omgezet in een kathedraal kapittel. Op 18 november 1562 werd de eerste bisschop van 's-Hertogenbosch, Franciscus Sonnius, in de St. Jan geïnstalleerd. De kerk verloor haar kathedrale status bij de inname van de stad in 1629. De laatste bisschop van het eerste bisdom 's-Hertogenbosch, Joseph Bergaigne, overleden in 1647, heeft zijn kathedraal waarschijnlijk zelfs nooit betreden.
- Als stadskerk werd de St. Jan in 1629, na de inname van de stad door Frederik Hendrik, aan de katholieke eredienst onttrokken. Op 19 september 1629 vond in tegenwoordigheid van Frederik Hendrik de eerste gereformeerde kerkdienst in de St. Jan plaats, met de theoloog Gisbertus Voetius, later hoogleraar te Utrecht, als predikant. Omdat de kerk in de Staatse periode te groot was voor de kleine gereformeerde gemeente, werd slechts een gedeelte van het gebouw voor de eredienst gebruikt. In andere gedeelten werd ondermeer een school ingericht en werd de stedelijke brandspuit opgesteld. In 1810 werd de kerk door Napoleon weer teruggegeven voor de katholieke eredienst en in 1816 werd zij als zodanig weer in gebruik genomen.
- In 1853 werd de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland hersteld en bij pauselijk decreet van 19 mei 1853 werd de St. Jan weer tot kathedraal verheven. In 1865 vond in de kerk een grote kerkvergadering, het Provinciaal Concilie van de Nederlandse kerkprovincie, plaats. Op 22 juni 1929 werd de St. Jan door paus Pius XI tot basiliek verheven. Sindsdien mag de kerk de eretekenen van tintinnabulum en conopeum voeren.
- De St. Jan onderging twee grootscheepse restauratiecampagnes. De eerste begon in 1859 onder leiding van de Bosschenaar Lambertus Christianus Hezenmans (1841-1909), die in 1908 zijn 50-jarig jubileum als restauratie-architect kon vieren. Deze restauratie gaf de St. Jan een sterk door Pierre Cuypers geïnspireerd neogotisch aanzien. Onder zijn opvolger, de Haagse architect Hendrik van Heeswijk (1872-1947), werd de restauratie voortgezet tot 1946, toen zij met het herstel van de Sacramentskapel, voorheen de kapel van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap, werd afgesloten. Een tweede grote restauratie onder leiding van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg vond plaats tussen 1961 en 1984, onder leiding van de architecten P.H. van Kessel (tot 1967) en H.E. Teering (1968-1984). De westtoren werd hersteld naar de toestand van voor 1830 (toen de toren door brand werd getroffen). Tijdens deze restauratie werd de kerk ook van een nieuw, eigentijds liturgisch centrum voorzien, naar ontwerp van P. Dijkema en met reliëfs van Niel Steenbergen. Het nieuwe altaar in dat centrum werd op 11 mei 1985 door paus Johannes Paulus II tijdens zijn bezoek aan Nederland gewijd. Op 14 juni 1985 vond in tegenwoordigheid van koningin Beatrix en prins Claus de feestelijke heropening van de gerestaureerde St. Jan plaats.

De Lieve Vrouwekapel
- Het beeld van de Zoete Lieve Vrouw is het gehele jaar, behalve in de meimaand, opgesteld in de kapel ten noorden van de westtoren. De vroegste bouwgeschiedenis van deze als Lieve Vrouwekapel bekend staande aanbouw is nog niet opgehelderd. Onwaarschijnlijk is dat zij teruggaat op de kapel die volgens een 17e-eeuwse traditie al in 1268 tegen de westtoren was aangebracht, maar waarschijnlijk is zij wel ouder dan 1381, het jaar waarin de eerste tekenen van publieke verering van de Zoete Lieve Vrouw te vinden zijn. De kapel is een zelfstandig bouwwerk, dat in oriëntatie 3º afwijkt van de toren, lager is dan de zijbeuken van het schip en ook verder noordwaarts reikt. De laatste twee eigenaardigheden wijzen erop dat de kapel ouder is dan de zijbeuken van het schip. De Lieve Vrouwekapel is opgetrokken uit zware, 1 meter dikke muren, de dikste van de hele St. Jan. Deze hebben een zeldzaam ribprofiel van mergel, dat stilistisch in de 14e en 15e eeuw te dateren is. De kapel bestaat uit twee ongelijke rechthoekige traveeën en een kortere derde travee die aansluit bij de binnenste noordelijke zijbeuk van de kerk. Waarschijnlijk was de kapel alleen vanuit die zijbeuk toegankelijk. Sporen van een oudere ingang, waardoor de kapel ook van buitenaf te betreden zou zijn, zijn nooit gevonden. Wel werd, waarschijnlijk bij de restauratie in 1875, een poortje aangebracht in de meteen op de kapel aansluitende travee van de buitenste noordelijke zijbeuk. Door deze ingang is de kapel nu ook sneller van buitenaf te bereiken, zonder dat men eerst het schip van de kerk hoeft te betreden.
- Volgens de 15e-eeuwse rijmkroniek van Johannes Roermond van Boekhout (zie onder Verering) werd het beeld van de Zoete Lieve Vrouw in 1382 'gesedt in die capelle daert nog steet'. In die kapel moet ook de doopvont gestaan hebben. Volgens dezelfde bron gelastte Maria iemand te bidden 'voir mijnen beelde bijder vonten' en in een testamentaire beschikking uit dezelfde tijd is sprake van 'Capella nostrae dominae, sita in dicta ecclesia, apud fontem' ('een kapel van onze vrouwe, gelegen in de genoemde kerk, nabij de doopvont'). Volgens gegevens uit de 16e eeuw werd in de Lieve Vrouwekapel ook de 'stadscomme' bewaard, de kist waarin de privileges van de stad en het grootzegel en de contrazegels van het stadsbestuur bewaard werden. Deze 'stadscomme' werd al sinds 1399 in de St. Jan ondergebracht, mogelijk toen reeds in de Lieve Vrouwekapel. In de Lieve Vrouwekapel bevond zich verder een beeld van St. Jan de Doper. Het wordt in het mirakelboek vermeld bij het verhaal over een brand in de kapel (1382?). In 1495 werd het houten beeld van St. Jan de Doper vervangen door een zilveren. Het beeld wordt ook afgebeeld op 15e-eeuwse pelgrimsinsignes van de Bossche Lieve Vrouw, die derhalve een betrekkelijk betrouwbaar beeld geven van de inrichting van de kapel. In 1430 is sprake van een ongeconsacreerd Maria-altaar in de kapel. In 1466 staat Johannes VIII van Heinsberg, bisschop van Luik, toe om bij het Mariabeeld te celebreren op een draagbaar stenen altaar. Waarschijnlijk niet veel later is er een vast altaar geplaatst. In 1494 werd een contract gesloten met Arnt, geelgieter, voor het maken van een hek met koperen spijlen 'voor onse nye vrouwe of onze vrouwe van myrakel'. Na 1629 verdween het beeld uit de kerk en verloor het hek zijn functie. Daarom werd het in 1640 verwijderd en vervangen door een stenen muur, die in 1691 weer werd afgebroken en vervangen door een houten hek.
- Tussen 1731 en 1787 heeft de Lieve Vrouwekapel, als opvolger van de Begijnhofkerk en de Waalse kerk (voorheen St. Annakapel), dienst gedaan als auditorium voor de toen in 's-Hertogenbosch gevestigde Illustere Hogeschool. Op 18 juli 1731 werd zij als zodanig plechtig door de hoogleraar van Eybergen in gebruik genomen. Na 1787 deed de kapel nog dienst als aula van de Latijnse School en als lokaal voor het catechismusonderricht.
- Op 2 februari 1855 werd het teruggekeerde beeld van de Zoete Lieve Vrouw opnieuw in de Lieve Vrouwekapel geplaatst. De kapel werd in opdracht van bisschop Joannes Zwijsen door de architecten J.J.H. Bolsius en Louis Veneman opgeknapt en de zuidelijke of torenmuur werd van muurschilderingen voorzien door Anton Brouwer (1827-1908) uit Hilversum. Ook werden gebrandschilderde ramen geplaatst. Omdat de muurschilderingen van Anton Brouwer niet in de smaak vielen bij het kerkbestuur werd er in 1882 een spouwmuur voor gemetseld, waarop tussen 1882 en 1885 door dezelfde kunstenaar een nieuwe schildering op doek werd aangebracht. Deze is nog steeds zichtbaar. Verder werden de muren van tegels voorzien. Deze werden in 1955 verwijderd en door pleisterwerk vervangen. In 1979, tijdens de tweede grote restauratiecampagne van de St. Jan, werden de gewelfschilderingen en de daarbij horende decoratie van de ribben uit 1859 hersteld. Datzelfde geschiedde met de schildering van Anton Brouwer, die, ofschoon donker en door tussentijdse reinigingen in gebrekkige staat, vanwege de op het mirakelbeeld betrekking hebbende iconografie en de voor de laat-19e-eeuwse devotie kenmerkende sfeer behouden werd. In het voorjaar van 1981 werd de schildering door de firma Borzo b.v. (W. van Rosmalen) te 's-Hertogenbosch schoongemaakt en hersteld.
- In 1991 werden uitgangspunten geformuleerd voor een nieuwe inrichting van de Lieve Vrouwekapel. Deze werden uitgewerkt door een werkgroep, samengesteld uit het kerkbestuur van de St. Jan en de Broederschap van O.L. Vrouw, in samenwerking met architect Hubert-Jan Henket uit Boxtel. De plannen voor de herinrichting werden in april 1995 gepresenteerd. Op 15 december 1996 werd de heringerichte kapel in gebruik genomen. Het resultaat riep vrij veel reacties van afkeuring bij de vaste bezoekers van de kapel op, die haar als te sober ervaarden. Daarop werden enkele aanpassingen aangebracht (zie verder onder Cultusobject).
- De zuidmuur van de kapel wordt nog steeds gevuld door de schildering van Anton Brouwer. Deze geeft in een groots iconografisch programma een uitbeelding van de voorspraak van Maria bij haar Zoon en van de Bossche devotie voor de Zoete Lieve Vrouw. Bovenin, op een wolkendek, troont Christus in een grote zetel, aanbeden door engelen en met Maria knielend aan zijn voeten. In de spitsboog is tussen engelen God de Vader te zien alsmede twee vierpassen met de bijbelse vrouwen Abigael en Esther, die als voorafbeeldingen van Maria werden opgevat. Op een spreuklint staat 'Ave Regina Coelorum' ('Gegroet Koningin der Hemelen'). Onder de afbeelding van de voorspraak van Maria zijn bijzondere vereerders van de Bossche Lieve Vrouw uit de loop der eeuwen te zien. Van boven naar beneden zijn dat: keizer Maximiliaan I van Oostenrijk, die in 1481 in de St. Jan het kapittel van het Gulden Vlies voorzat, met tegenover hem zijn schoondochter Johanna van Castilië, die in 1495-1496 haar goudlakense bruidsgewaad aan het Bossche Mariabeeld schonk. Links van keizer Maximiliaan knielt hertog Arnold van Gelre, die de Zoete Lieve Vrouw van 's-Hertogenbosch kwam danken nadat hij uit gevangenschap was verlost. Naast hem is bisschop Ophovius afgebeeld, door wiens toedoen het beeld in 1629, bij de inname van de stad 's-Hertogenbosch door Frederik Hendrik, in veiligheid werd gebracht. Op de achtergrond is bisschop Zwijsen te zien, die het beeld in 1853 naar de stad terughaalde. Verder zijn nog te zien de Spaanse soldaat die in 1603 op voorspraak van de Zoete Lieve Vrouw van de dood door een kanonskogel van 23 pond gered werd, Hedvigis van Vught, huisvrouw van Johannes Timmerman, die in 1381 als eerste de wonderkracht van het beeld onderging, Anna van Hambroeck, die het in 1629 verborg, en andere biddende vrouwen. In een fries onderaan is de bruiloft van Kana afgebeeld, waar Christus op voorspraak van Maria zijn eerste wonder verrichtte, met als onderschrift een aanhaling uit de hymne Ave maris stella: 'Monstra te esse Matrem Sumat per te preces Qui pro nobis natus Tulit esse tuus' ('Toon dat gij moeder zijt, opdat hij die voor ons is geboren en het op zich heeft genomen de uwe te zijn, door U onze gebeden aanvaardt').
- De twee glas-in-loodramen in de westwand van de Mariakapel dateren uit 1953 en zijn van de hand van Pieter Wiegersma. Zij vervangen de ramen uit de 19e eeuw, ontworpen in 1866-1868 door Lambert Hezenmans en vervaardigd door het atelier van J.B. Capronnier, die in 1944 door oorlogshandelingen verloren gingen. Het meest noordelijke raam, geplaatst precies honderd jaar na de terugkeer van het Mariabeeld in 's-Hertogenbosch, heeft de geschiedenis van de Bossche devotie voor de Zoete Lieve Vrouw tot onderwerp. Het wonderbeeld zelf is in de venstertop afgebeeld. Daaronder zijn tien scènes uit de geschiedenis van de Bossche devotie te zien. Op een tekstlint is te lezen 'Deliciae meae esse cum filiis hominum' ('Het is mijn vreugde onder de mensenkinderen te zijn'). Het zuidelijke raam toont in de venstertop Maria als de verpersoonlijking van de Wijsheid, vereerd door twee engelen. Daaronder zetelt de H. Drievuldigheid (Vader, Zoon en Geest), aanbeden door engelen, en daaronder is het aards paradijs afgebeeld, met Adam, Eva en de dieren, staande onder de boom van de kennis van goed en kwaad. Bij een van de engelenkopjes in de venstertop, met in de nimbus de naam 'Tjerk' (de naam van de zoon van Pieter Wiegersma), is te lezen 'Anno Jubilaei hierarchiae restitutae et imaginis miraculosae redditae 1853-1953' ('In het jubileumjaar van het herstel van de hiërarchie en van de terugkeer van het wonderbeeld 1853-1953').
Cultusobject - In de kapel wordt een Mariabeeld vereerd, dat bekend staat als de Zoete Lieve Vrouw of de Zoete Lieve Moeder. Het beeld is vervaardigd uit gepolychromeerd eikenhout en is ongeveer 1,08 meter hoog. Het staat op een nagenoeg vierkante houten plank van 2,5 cm dik. Op stilistische gronden wordt het gedateerd tussen 1280 en 1320. Het is Maaslands van stijl. De staande Mariafiguur is gekleed in een sierlijk geplooide rode tunica met daarover een groen pallium met een gele zoom. Zij draagt een vergulde gordel. Het gelaat is eenvoudig en kinderlijk, de haarval is weinig gestileerd, de wangen zijn van een blos voorzien. De polychromie is minstens eenmaal vernieuwd. In de 16e eeuw of mogelijk al eerder zijn de voorste gewaadplooien weggekapt en de handen weggezaagd en op ijzeren staken gezet. Daardoor konden de staatsiemantels waarmee het beeld gekleed werd en wordt, gemakkelijker worden aangebracht en beter vallen. Op de rechterhand draagt het Mariabeeld een globe, op de linkerarm het Jezuskind. Het Kind heeft een zittende houding en is in een groene tunica met rode manchetten gekleed. Aanvankelijk was het door een houten pin met het Mariabeeld verbonden, momenteel door een schroef.
- Het beeld is waarschijnlijk (zie onder Topografie) sinds het bij de start van de nieuwbouw van de St. Jan in 1380 werd (her-)ontdekt, altijd geplaatst geweest in de Lieve Vrouwekapel. Daar was het omgeven met schilderijen en overhuifd door een tabernakel, waarin een voorstelling van de H. Geest was aangebracht. In de kapel werden in de loop der eeuwen vele ex-voto's achtergelaten, die grotendeels een plaats aan de wanden vonden (zie onder Verering). Bij gelegenheid van het gouden priester- en zilveren bisschopsfeest van bisschop Joannes Zwijsen in december 1867 werd uit de hem door de diocesanen aangeboden feestgaven de vervaardiging van een neogotische altaartroon met baldakijn bekostigd, ontworpen door restauratie-architect Lambert Hezenmans en waarschijnlijk vervaardigd in het atelier van Louis Veneman. Deze vormde bijna een eeuw de omlijsting van het Mariabeeld. In 1954 of 1958 werd het geheel vervangen door een eenvoudige houten overhuiving, ontworpen door architect Piet van Kessel. Deze werd tijdens de tweede restauratiecampagne van de St. Jan verwijderd. Door middel van een tekenwedstrijd was in 1977 gepeild welke entourage de bezoekers van de Mariakapel het meest passend vonden bij het beeld en de sfeer van de ruimte. Deze resulteerde in een voorkeur voor een inrichting die paste bij de gotische stijl van de kerk of een kleurrijke en decoratieve omlijsting die passend geacht werd bij de sfeer van de volksdevotie. Daarop kochten de Broederschap van O.L. Vrouw en het kerkbestuur in 1978 bij de antiquair Petrus Scheerlinck-Engels te Roosdaal-Pamel in België een neobarokke expositietroon met baldakijn uit ca. 1850-1860, die afkomstig was uit een klooster in Ninove. Achter het beeld, tegen de noordwand van de kapel, hing een bruin-beige gordijn neer. Aan weerszijden werd de troon geflankeerd door een zee van bloemen en planten. Voor het beeld was een rechte standaard met vijf etages voor devotielichtjes geplaatst.
- Bij de herinrichting van de kapel in 1996 werd het neobarokke baldakijn opnieuw verwijderd, evenals het gordijn achter het beeld. Het beeld is nu geplaatst op een eenvoudige, onversierde zwarte sokkel. Achter het beeld is een vrijwel het hele muurvlak bedekkend rood scherm in de vorm van een gotische spitsboog geplaatst. Door de belichting gaat alle aandacht uit naar het beeld. De bloemen zijn lager geplaatst, zodat zij niet de aandacht van het beeld afleiden. Vaste bezoekers van de kapel klaagden, ondermeer in ingezonden brieven in het plaatselijk dagblad (Brabants Dagblad), over de te sobere, 'museum-achtige' inrichting en betreurden vooral het terugdringen van de 'bloemenhulde', die juist gewaardeerd werd als een gebaar van devotie van de 'minderbedeelden'. Daarop werden in 1997 enkele aanpassingen aangebracht, die vooral resulteerden in een meer prominente plaats voor de bloemen. Rondom het beeld staat nu een groot aantal houders voor bloemboeketten, zodat het beeld toch weer in een zee van groen en bloemen geplaatst is. Tegen de zijmuren zijn grote ingelijste platen met voornamelijk metalen ex-voto's aangebracht, in de zuidelijke travee drie ter linker- en drie ter rechterzijde van het raam in de buitenmuur en in het noordelijke travee drie onder het raam in de beide zijmuren. Voor het beeld staat een nieuwe boogvormige standaard voor devotielichtjes, die er in vijf etages en in twee rijen in geplaatst kunnen worden. In de kapel zijn verder in drie rijen telkens vier zit- en knielbanken geplaatst, die tezamen plaats kunnen bieden aan 36 personen. Boven de middelste rij banken hangt een grote kroonluchter. Deze is een in 1887 vervaardigde kopie van de laatgotische kroonluchter die tot 1629 in de Lieve Vrouwekapel heeft gehangen, toen is gestolen, vervolgens lange tijd in de raadskamer van het raadhuis van Barneveld heeft gehangen en in de 19e eeuw in het Rijksmuseum te Amsterdam terecht is gekomen. Een duplicaat van deze kroonluchter bevindt zich in de St. Brigidakerk te Geldrop. In de korte travee naar de binnenste noordelijke zijbeuk van de kerk staan nog eens drie rechthoekige houders waarop in vijf etages devotielichtjes geplaatst kunnen worden. De devotielichtjes worden in dezelfde ruimte op twee tafels te koop aangeboden voor resp. ⨍1,00, ⨍2,00 en ⨍2,50. In dezelfde travee zijn twee zitbanken tegen de zuidelijke muur geplaatst. Ook staat er een wijwaterbak uit zwart en rose marmer, te dateren omstreeks 1840. Het rechthoekig hardstenen basement is versierd met ruiten, de zwart marmeren stam is elliptisch van doorsnede en de rose marmeren bak is veelvuldig geprofileerd. Tegen de scheidingsmuur tussen de Mariakapel en de buitenste noordelijke zijbeuk is een vierkant wit bord aangebracht met de tekst van een gebed:

'Heilige Maria, Moeder van de Heer en Zoete Lieve Vrouw van deze stad, in dit heiligdom dank ik God omwille van U, want velen hebben hier de kracht van uw gebed ondervonden. Alles wat mijn hart bezighoudt, vertrouw ik toe aan U. Bidt voor mij bij uw Zoon, Moeder van alle gelovigen. U bent niet alleen ons voorbeeld, maar ook onze bemoediging, zoals U reeds gedurende zovele eeuwen hulp en troost hebt gegeven. Zoete Lieve Vrouw, blijf bidden voor alle mensen en ook voor mij.'

Onder het bord zijn emmers geplaatst waarin de bezoekers van de kapel bloemen kunnen achterlaten, die dan later rond het Mariabeeld geplaatst zullen worden. Ook is aan de muur een offerblok bevestigd. Bij de scheidingsmuur staat een standaard met kaarten van de Zoete Lieve Vrouw.
- Waarschijnlijk was het beeld al voor het vertrek uit 's-Hertogenbosch in 1629 bekleed met een mantel en voorzien van een scepter en kronen voor Maria en Jezus. In de rijmkroniek van Johannes Roermond is al sprake van het vervaardigen van een mantel voor Maria door broeder Woutken in 1381. In het mirakelboek zelf wordt een verschijning verhaald van de Zoete Lieve Vrouw aan Jan Pelegrijm te Brussel op 11 augustus 1383, 'also si staet ten Bossche in die capelle, sonder tsilver ende tgout - dan was haer niet bi - mer si hadde enen mantel omme, als si pleget te hebben' (mirakel 196). Volgens Otho Zylius schonk in 1482 de landsvrouwe (Maria Blanca, de dochter van de hertog van Milaan en echtgenote van Maximiliaan van Oostenrijk) een kostbare mantel voor het beeld, en in 1495-1496 deed Johanna van Castilië hetzelfde, om 'O.L. Vrouw van mirakelen met haren lieven Zoon Jezus daarvan te kleeden'. In 1564-1565 werd aan het beeld 'eenen choralen rosenhoet tot cieraet van Ons L. Vrouwe' geschonken. In 1663, toen het beeld in Brussel verbleef, werd een inventaris opgemaakt van de kostbaarheden die bij het beeld hoorden. Deze vermeldt ondermeer 21 kostbare rokken, 13 sluiers, 18 kleedjes voor het Kind en vele kronen, scepters, kettingen, kruisjes en andere sieraden. Ook uit afbeeldingen uit de 17e en 18e eeuw blijkt dat het beeld toen het in Brussel verbleef steeds van kleding en attributen voorzien was. Van de kleding en attributen uit die periode is evenwel in 's-Hertogenbosch niets bewaard gebleven. Sinds de terugkeer in de St. Jan in 1853 is het beeld echter ook altijd voorzien geweest van een mantel, kroon en scepter. Het beeld beschikt momenteel over verschillende mantels en attributen, die allemaal pas aan de Zoete Lieve Vrouw geschonken zijn na haar terugkeer in 1853. Meestal is het gekleed in de zogenaamde Spaanse mantel, vervaardigd van geschoren rood fluweel, bestikt met goud- en zilverdraad. Op de achterzijde is de mantel voorzien van een geborduurde cartouche met een medaillon, voorstellend Maria en Kind en met het opschrift 'Monstra te esse Matrem' ('Toon dat gij moeder zijt'). Waarschijnlijk is deze mantel vervaardigd bij gelegenheid van de kroning van het beeld in 1878 (zie onder Verering). Bij de mantel hoort een voorschoot voor Maria (zilverbrokaat met opgehoogd borduurwerk, voorstellend een vruchtenkorf en een hart) en een kleed voor het Kind (goudbrokaat met borduurwerk, voorstellend een hart met een doornenkroon). Deze worden momenteel echter niet meer gebruikt. Hetzelfde is het geval met de gouden oorbellen van Maria (19e eeuw), het met edelstenen bezette vergulde borstkruis van Maria (20,5 x 12,5 cm) en de broche van verguld zilver waarmee haar mantel werd bevestigd. Wel dragen Maria en Kind een opengewerkte kroon met ajour-bladmotief, vervaardigd van verguld zilver. Beide kronen dateren volgens de zilvermerken van vóór 1853 (kroon Maria: 1837; kroon Kind: 1796) en zijn dus waarschijnlijk oorspronkelijk voor een ander beeld vervaardigd geweest. Voorts draagt Maria een scepter van verguld zilver (34 cm, begin 20e eeuw) en het Jezuskind een zilveren wereldbol.
Verering Legende
Over het ontstaan van de Bossche verering voor de Zoete Lieve Vrouw worden we ingelicht door een ongedateerde rijmkroniek in 594 verzen, 'Dit is dat beghinsel van Onser Vrouwen hoe sij Tsertoghenbossche is verheven', waarschijnlijk uit de 15e eeuw, die volgens het acrostichon van de verzen 5-29 van de hand is van de verder onbekende 'Ioannez Ruermunt van Boekout' of Johannes Roermond van Boekhout. Volgens deze bron was het beeld al 42 jaar onopgemerkt gebleven. 'Het was oick niemant bekent dat inder kerken stont'. Het werd gevonden in de eerste bouwloods van de St. Jan en vandaar overgebracht 'in dander loedse, daer zij nu in pleghen te hauwen alle daghe steen tot Sunte-Janskerk ghemeijn'. Daar werd het in 1380 gevonden door een jonge knaap, die het in stukken wilde hakken om er een vuurtje van te stoken. Dit werd evenwel voorkomen door de bouwmeester, die hem erop wees dat het een beeld van Maria was. Op Witte Donderdag werd het beeld door de knaap overgebracht naar de kerk en daar geplaatst tussen de andere beelden bij het graf van Jezus. De mannen die de beeldengroep bij het graf plaatsten, bespotten het beeld als 'lelijck, audt en onghedaen'. Op Goede Vrijdag werden de andere beelden weer weggehaald. Alleen het Mariabeeld bleef staan. Een broeder, Woutken geheten, vond het daar en bracht het over naar het altaar van St. Michael, waar het een half jaar bleef staan. De koster Dierick van Loet wilde het beeld aan de broeder mee naar huis geven, maar deze liet het in de kerk staan. De 'pape' (de plebaan of wellicht een van de kanunniken van de St. Jan die aan het Michaelaltaar celebreerde) wilde het echter weg hebben. Toen broeder Woutken omstreeks het feest van Maria Lichtmis (1381) probeerde het beeld mee naar huis te dragen, bleek het veel te zwaar. Daarom werd het op het O.L. Vrouwekoor geplaatst, de huidige Sacramentskapel, aan de noordzijde van het hoogkoor. Toen men daar omstreeks Pinksteren 1381 aan het werk ging, vroeg broeder Woutken aan de meester om ook het beeld op te knappen. Maar deze was niet bereid daar geld aan te besteden. Vervolgens werd het beeld bespot; de zoon van de bouwmeester beschilderde de wangen met gele verf. Ook broeder Woutken vond het beeld nu lelijk. Toen hem gevraagd werd het alsnog mee naar huis te nemen, zei hij: 'Stont bij mijn bedde, ich duchte datter mij aff grouwelen mocht'. Toch liet het beeld hem niet los, en toen hij een oud stuk zijde kreeg, besloot hij er een mantel in twee stukken voor het beeld van te maken. 's Nachts kreeg hij bovendien de ingeving het bij het beeld horende Jezuskindje, dat verdwenen was, te gaan zoeken. De volgende dag zag hij een groep kinderen in de Orthenstraat met het beeldje spelen. Onder luid protest van de kinderen nam hij het af en plaatste het terug op de linkerarm van het Mariabeeld. Vervolgens plaatste hij het beeld op het Martinusaltaar. Men bleef het echter bespotten: een man tekende met houtskool twee ogen op het beeld, een vrouw uit de stad riep: 'Jesus, hoe lelijck is dit beelt, hoe ist dus lelijck ende vergheelt'. Daarop begon het beeld evenwel wonderen te bewerken. 's Nachts verscheen Maria aan de spottende vrouw en vermaande haar om haar toevlucht te nemen tot haar, want 'ick en sij nijet lelick, ich ben zeer schoon inden ewighen leven inden hooghen troon'. Daarom ging de vrouw de volgende morgen terug naar het beeld en vroeg een dame die daar zat om het aangezicht van het beeld te willen verven en de arm van het kindje te herstellen; zij zou daarvoor vijftien plakken (een plak is een zilveren munt) betalen. Een andere vrouw die het beeld bespotte, viel ter plekke neer en bleef veertien dagen ziek. Zij schonk drie plakken voor het beschilderen van het beeld. De eerste mirakelen deden zich vervolgens voor. Hadewich Heijnendochter van Vichten (van Vught?), de echtgenote van Jan Timmermans, was al drie jaar verlamd. Op de zondag voor St. Michiel verscheen Christus haar 's nachts en vroeg haar een wassen been naar 'die verworpen vrau' in de St. Jan te brengen. Hadewich liet een wassen been ter waarde van 18 penningen maken en met een nagel en draad aan de muur bij het beeld hangen - het eerste votiefgeschenk voor de Zoete Lieve Vrouw - en ofschoon de rijmkroniek het niet uitdrukkelijk vermeldt, mogen we aannemen dat zij genas. Dit maakte grote indruk in de stad. Een juffrouw Oden (Oda) gaf twee peters (gouden munten) voor het verfraaien van het beeld. Vervolgens werd het beeld geplaatst 'in die capelle daert noch steet'.
- De rijmkroniek verhaalt nog vijf wonderen: dezelfde Hadewich geneest van haar tandpijn, een knecht wordt met zijn paard gespaard van de verdrinkingsdood, een huisbrand in de stad wordt gedoofd als de vrouw des huizes een wassen huisje als votiefgeschenk brengt, een spottende vrouw valt ziek neer en sterft, een andere spottende vrouw komt tot inkeer en wordt in haar slaap door Maria voor inbrekers gewaarschuwd. Het eerste gedeelte van de rijmkroniek wordt vervolgens met twee verzen afgesloten. Het tweede gedeelte (verzen 418-594) vormt de aanhef voor het mirakelboek. Het heeft ook weer een acrostichon: 'Iohannez Rurmunt' (verzen 434-448). Het verhaalt over de redding van het Mariabeeld bij een brand in de kapel in de maand mei (van 1382?) en over twee gebedsverhoringen, die van de blinde Lijsbet van Boemel uit Zaltbommel, die genezen werd, en die van Jan van den Berghe uit Brussel, die in 1381 uit zijn gevangenschap te Dendermonde bevrijd werd.

Mirakelboek
- Het belangrijkste getuigenis over de verering voor de Zoete Lieve Vrouw in de late middeleeuwen en de vroegmoderne tijd vormt het nog steeds in de kathedrale basiliek van St. Jan bewaarde handschrift van het mirakelboek (voor een beschrijving van het handschrift en de band, zie onder Materiële cultuur). Het mirakelboek opent met de eerder besproken rijmkroniek van Johannes Roermond. Vervolgens bevat het protocollen van 481 wonderen, gedateerd tussen 8 november 1382 en 10 oktober 1603. De verering begint met een 'explosie' aan wonderen, negen in de laatste twee maanden van het jaar 1382, 286 in het jaar 1383, 83 in 1384, 34 in 1385, 25 in 1386 en 17 in 1387. Daarna volgen met onregelmatige tussenpozen nog jaren met een of twee wonderen (1388, 1408, 1442-1445, 1450, 1519-1521 en 1603). Tien wonderen zijn niet gedateerd. Ruim 40 procent van de verhoorden kwam uit het hertogdom Brabant, waaronder slechts 11 uit de stad 's-Hertogenbosch zelf. De rest kwam uit andere gewesten in de Nederlanden (Holland, Gelre, Sticht, Zeeland, Vlaanderen), uit de Hanzesteden en uit het Rijnland. De verhoorden kwamen uit alle lagen van de bevolking, van handwerkslieden en schippers tot rijke kooplieden en edelen. De verhoringen hadden op een uiteenlopend scala van noden en medische kwalen betrekking. De grootste groep wordt gevormd door degenen die van verdrinking gered werden (61 wonderen). Veertig gevallen hadden betrekking op verlamming, 31 op blindheid, 11 op stomheid en 10 op doofheid. Negentien wonderen betroffen bevalling en geboorte, zoals het ten-leven-wekken van doodgeboren kinderen en het voorkomen van miskramen. Een groot aantal wonderen heeft betrekking op redding uit noodsituaties: 38 verlossingen uit gevangenschap en reddingen bij dreigende executie, 21 reddingen bij scheepsrampen, zeven reddingen bij brand, drie reddingen uit financiële nood, twee verhoringen bij diefstal, een geval van ontvoering, een van terugkeer van een verloren zoon en een bekering. 68 procent van de geredden waren mannen (327) en 32 procent (154) waren vrouwen.

Strafbedevaarten
- Het mirakelboek maakt duidelijk dat 's-Hertogenbosch zich dankzij de Zoete Lieve Vrouw vanaf de late 14e eeuw ontwikkelde tot een van de belangrijkste bedevaartplaatsen in de Nederlanden. Gedurende de hele 15e eeuw bijvoorbeeld kwam 's-Hertogenbosch van alle thans in Nederland gelegen bedevaartplaatsen het meest frequent voor als doel voor een in de stedelijke rechtspleging opgelegde straf- of boetebedevaart. Tarieven voor de afkoop van een strafbedevaart naar 's-Hertogenbosch zijn bekend uit Antwerpen, Brussel, Dowaai (Douai), Leuven, Luik en Gent. In Antwerpen was 's-Hertogenbosch tussen 1430 en 1445 koploper als doel van opgelegde strafbedevaarten, ook ten opzichte van buiten Nederland gelegen bedevaartplaatsen, en in Leiden eveneens van alle tussen 1370 en 1500 in de zoenboeken geregistreerde strafbedevaarten. Behalve in de genoemde steden kwam 's-Hertogenbosch als reisdoel van opgelegde bedevaarten nog voor in de rechtspleging te Brielle, Brugse Vrije, Doornik, Dordrecht, Goes, Gouda, Kortrijk, Lier, Maastricht, Mechelen, Reimerswaal, Rijsel, Schiedam, Schoonhoven, Vilvoorde en aan het Hof van Holland.
- De pelgrims kwamen vaak gekleed in een wollen of linnen pelgrimsmantel en barrevoets. Soms droeg een pelgrim een boetekoord en had hij een bedelnap en een klepper bij zich, zoals de melaatsen (mirakel 208). Een pelgrim legde het laatste gedeelte van de bedevaart zelfs naakt af (mirakel 9). Pelgrims leefden tijdens de bedevaart vaak op water en brood, een enkeling ook 'te bier ende te brode' (mirakel 477). In 's-Hertogenbosch konden de pelgrims een schriftelijk bewijs ontvangen dat zij hun bedevaart volbracht hadden. In 1506 was er een conflict tussen de kerkfabriek en het kapittel over de vraag wie het recht had dergelijke bewijzen te verstrekken. Enkele exemplaren van Bossche bedevaartcertificaten zijn bewaard, ondermeer te Lier.

Ex-voto's
- De bedevaartgangers die naar 's-Hertogenbosch kwamen uit dankbaarheid voor een genezing of redding, brachten vaak geschenken mee, al dan niet in de vorm van geld, goud of zilver. In 1494 werd ten overstaan van schout en schepenen van 's-Hertogenbosch een geschil behandeld over het recht op de bijdragen die de pelgrims achterlieten in de offerkist in de Lieve Vrouwekapel. Veel pelgrims brachten ook votiefgeschenken mee met een welbepaalde vorm. Otho Zylius vermeldt in 1632 dat er zelfs iemand speciaal was aangesteld in de St. Jan om zorg te dragen voor de ex-voto's. Het mirakelboek maakt melding van een groot aantal ex-voto's: een beeld van was, een scrotum van was, een hoofd van 16 lood zilver, een mannenfiguur van was, een galg van was, boeien en ketenen van was, een arm van was, een kinderfiguur van was, blaasstenen, een gezwel van was, een breukband, een zilveren been, een zilveren hart, twee ogen van zilver, een schip van was, een kogschip van zilver, een scheepskorf van was, een mantel van scharlaken met bont gevoerd, een kleed, een kaars van de lengte van de pelgrim, een pijl die uit het lichaam was gekomen, een pelgrim van zilver (ook afgebeeld op 15e-eeuwse pelgrimsinsignes uit 's-Hertogenbosch), een zilveren zegelring of zegelcachet, een onderkleed van een rijke dame, vijf pond was als symbool van de vijf wonden van Christus, en zelfs een tafereel (in reliëf of geschilderd?) van de Nood Gods. Ook konden de pelgrims zich bij aankomst laten wegen en hun gewicht schenken in wijn, weit, rogge, vlas, tarwe, was, zilver en goud.

Pelgrimsinsignes
- In de jaren tachtig en negentig van de 20e eeuw zijn bij archeologisch onderzoek grote aantallen pelgrimsinsignes uit 's-Hertogenbosch teruggevonden. Deze insignes werden vervaardigd in verschillende varianten. Vaste beeldelementen zijn het groot afgebeelde mirakelbeeld, verder de kerkpatroon St. Jan de Evangelist, een groepje bomen als verwijzing naar de plaatsnaam 's-Hertogenbosch ('bos van de hertog'), verschillende ex-voto's en dikwijls, maar niet altijd, een of meer biddende pelgrims. De Bossche pelgrimstekens zijn in drie grote groepen te verdelen. De oudste zijn schildvormige hangers, niet vast te spelden of te naaien, maar aan een ketting of koordje om te hangen. De insignes zijn daartoe voorzien van twee oogjes. Het tweede type bestaat uit ronde, met een kerk bekroonde insignes, en het derde uit insignes die voorzien zijn van een klein spiegeltje. Kennelijk was er voor de insignes, die als devotioneel souvenir in 's-Hertogenbosch te koop werden aangeboden, een grote markt. De pelgrims konden de insignes tijdens hun thuisreis bevestigen aan mantel, pelgrimshoed of ransel. Thuisgekomen werden de insignes los bewaard of ook vastgespijkerd aan een balk in huis of stal.

Middeleeuwse Maria-ommegang
- Vanaf 1391 vond in 's-Hertogenbosch tegen het einde van de maand juni een ommegang met het beeld van Zoete Lieve Vrouw plaats. Onduidelijk is in het begin nog hoe deze ommegang zich verhield tot een andere, reeds oudere Mariaprocessie in de stad. Deze laatste wordt in 1367 voor het eerst vermeld en werd gehouden op initiatief van de Illustere Lieve Vrouwebroederschap. Deze broederschap bestond waarschijnlijk al voor 1318, maar werd in laatstgenoemd jaar door de bisschop van Luik officieel goedgekeurd als een broederschap voor clerici, de 'clercbroederschap onser Vrouwen'. Later, vanaf waarschijnlijk 1370, werden ook leken tot deze broederschap toegelaten. De kern ervan werd gevormd door de 'gezworen broeders', die een eed op de statuten aflegden en daarmee bepaalde, onder meer liturgische, verplichtingen op zich namen. Zij ontwikkelde zich al spoedig tot een exclusief gezelschap van clerici, edelen en rijke burgers. Vanaf 1384 hielden zij een jaarlijkse broederschapsmaaltijd, waarbij een zwaan gegeten werd. Naar die zwanenmaaltijd werden de leden van de broederschap ook wel 'zwanenbroeders' genoemd.
- Deze broederschap vereerde een ander Mariabeeld in de St. Jan, dat in onderscheid tot het wonderbeeld wel 'de oude Maria' wordt genoemd. Het was later geplaatst in het O.L. Vrouwekoor, de huidige Sacramentskapel in de St. Jan, en is sinds 1629 spoorloos verdwenen. Volgens een onzekere overlevering werd sinds 1381 ook het wonderbeeld, dus 'de nieuwe Maria', meegevoerd in de processie van de Illustere Lieve Vrouwebroederschap. Uit het mirakelboek blijkt in elk geval dat in 1384 'Onse Vrouwe' werd meegedragen in de processie (mirakel 369 en 370), maar of het beide beelden of alleen 'de oude Maria' betreft, is niet duidelijk. De concurrentiestrijd om de gunst in de volksdevotie werd in elk geval spoedig gewonnen door 'de nieuwe Maria'. Volgens de overlevering zou dit laatste beeld meegedragen zijn in een vanaf 1391 gehouden ommegang die bedoeld was om bescherming over de stad af te smeken ten tijde van een pestepidemie. Otho Zylius, tussen 1619 en 1625 rector van de jezuïeten in 's-Hertogenbosch, is de eerste getuige van deze overlevering. De ommegang zou aanvankelijk plaatsgevonden hebben op de zondag na het feest van de geboorte van St. Jan de Doper (24 juni). In 1511 werd hij verplaatst naar de zondag na het feest van Maria Visitatie (2 juli).
- De processie trok vanuit de St. Jan door de Peperstraat en een gedeelte van de Verwersstraat, vervolgens door de Beurdsestraat over de Weversplaats, verder door de St. Jorisstraat, dwars over de Vughterstraat, door de Postelstraat, de Kruisstraat en de Visstraat, vervolgens door de Hoge Steenweg naar de Markt en dan vandaar via de Hinthamerstraat terug naar de St. Jan. Van stadswege werden, aldus Zylius, boden gezonden naar de abten van de abdijen van Berne, Floreffe, Averbode, Tongerlo, Park te Leuven, St. Geertrui te Leuven en St. Michiel te Antwerpen, om ze uit te nodigen voor de 'beganckenisse van Onser Liever Vrouwen dracht'. Onder deze laatste benaming, of in het Latijn, 'Circuitus' of 'Depositio Imaginis beatae Mariae Virginis', stond de dag van de ommegang bekend. Ook las een bode op de Markt te Antwerpen een open brief voor, waarin alle burgers van 's-Hertogenbosch gemaand werden op de dag van de ommegang in hun stad te zijn, op straffe van een boete van twintig oude schilden. De stadsrekenboeken van 's-Hertogenbosch geven voor de periode tussen 1496 en 1512 inlichtingen over de vormgeving van de processie. 's Avonds te voren werden vuurpannen op de pui van het stadhuis gezet. Er werden onkosten gemaakt voor salpeter en buskruit 'omme den Draeck te stekenen', en ook waren er uitgaven voor gezelschappen die scènes uit het lijden van Jezus uitbeeldden, de Smarten van Maria, de apostelen, profeten, Johannes de Doper, de drie koningen, St. Christoffel en andere heiligen. Er kwamen speellieden uit Brugge, Antwerpen en Nijmegen. Een volksverhaal vertelt dat men in een onbekend jaar de ommegang wegens het slechte weer geen doorgang wilde laten vinden. Men liet het beeld, getooid in staatsiemantel, in de Lieve Vrouwekapel staan. De volgende morgen bemerkte men dat de mantel nat en beslijkt was: het beeld had zelf wel de ommegang gemaakt.

Verering tussen 1629 en 1853: de Brusselse periode
- Toen in 's-Hertogenbosch op 22 en 23 augustus 1566, naar Antwerps voorbeeld, een beeldenstorm plaatsvond, werd het beeld van de Zoete Lieve Vrouw met enkele andere kostbaarheden in het stadhuis ondergebracht. Ofschoon ook het stadhuis door de beeldenstormers werd ingenomen, bleef het beeld ongedeerd. Tijdens de belegering van de stad door het leger van Frederik Hendrik in 1629 werd het beeld midden in het schip van de St. Jan geplaatst, op een troon tegenover de preekstoel. Gedurende vier maanden kwamen dagelijks gelovigen om samen met bisschop Michael Ophovius bij het beeld te bidden. Op 14 september 1629 evenwel capituleerde de stad. Volgens artikel 2 van het capitulatieverdrag mochten de kerkschatten door de katholieke geestelijkheid uit de stad meegenomen worden. Omdat men bevreesd was voor vernieling van het Mariabeeld werd het door twee carmelieten, of volgens een andere overlevering door kanunnik Sweertius, uit de St. Jan gehaald en naar het woonhuis van bisschop Ophovius gebracht. Maar deze achtte zijn eigen huis niet veilig genoeg en gaf het beeld in bewaring bij de ongehuwde dame Anna van Hambroeck, die verwant was aan de nieuwe gouverneur van de stad en woonachtig was in een huis aan de Oude Dieze. Op aanraden van de bisschop smokkelde zij het beeld, ingepakt in een grote koffer, de stad uit en bracht het naar Antwerpen, waar zij op 28 januari 1630 aankwam. Zij bezocht bisschop Ophovius, die in Lier verbleef, om hem de veilige aankomst van het beeld te melden. Ook de landvoogdes, aartshertogin Isabella van Oostenrijk, vernam dat het Bossche beeld in de Zuidelijke Nederlanden was aangekomen en zij liet haar secretaris, Charles de la Faille, aan Ophovius verzoeken om het naar Brussel te laten overbrengen. Ophovius stemde daar op 15 maart 1630 vanuit de abdij van Tongerlo, waar hij toen verbleef, mee in, onder voorwaarde dat het beeld onder de jurisdictie zou blijven van de bisschop en het kathedraal kapittel van 's-Hertogenbosch. Enkele dagen heeft het beeld in de St. Jacobskerk op de Koudenberg te Brussel gestaan, vanwaar het op 25 maart 1630 werd overgebracht naar de proosdijkerk van St. Gaugericus te Brussel. Pastoor van die kerk was Johannes Beuckelius, die voorheen pastoor in 's-Hertogenbosch was geweest. Bij de overbrenging werd het gedragen door vier uit 's-Hertogenbosch gevluchte capucijnen.
- Elf jaar bleef het beeld in die kerk, tot het op 16 mei 1641 door prins-kardinaal Ferdinand van Oostenrijk in processie werd teruggebracht naar de St. Jacobskerk op de Koudenberg, die dichter gelegen was bij het vorstelijk hof in Brussel. Daar bleef het beeld ruim twee eeuwen. Op 29 oktober 1663 werd door de drie laatste kanunniken van de Bossche St. Jan, Ludovicus Smeijers, Nicolaus van Broeckhoven en Andreas Timmermans, in een notariële akte vastgelegd dat het beeld in handen was gesteld van de prelaat van de St. Jacobsabdij op de Koudenberg te Brussel onder voorwaarde dat het beeld weer naar 's-Hertogenbosch zou terugkeren 'alswanneer aldaer publijckelijcken ende openbaerlijcken geoeffent ende geëxerceert sal worden die Romijnsche catholijcke religie'.
- In Brussel bleef het Mariabeeld object van verering en bedevaarten. Die verering werd bevorderd door geschriften en prentjes. In 1632 was in Antwerpen de Latijnse vertaling verschenen van het mirakelboek van 's-Hertogenbosch, opgedragen aan aartshertogin Isabella. De vertaler was Otho Zylius ofwel Otto van Zijl (1588-1656), een in Utrecht geboren jezuïet, die zoals gezegd tussen 1619 en 1625 rector van de jezuïeten in 's-Hertogenbosch was geweest. In die tijd had hij het mirakelboek laten inbinden in de vorm waarin het nu nog steeds bestaat, en er tevens een Latijnse vertaling van gemaakt. In de editie van 1632 staat een approbatie van bisschop Michael Ophovius, verleend op 13 december 1630 te Geldrop. Eveneens in 1632 verscheen het werk Brabantia Mariana tripartita van de norbertijn Augustinus Wichmans, waarin een hoofdstuk over de Bossche Zoete Lieve Vrouw te vinden is. Daarin wordt vooral de oorsprong van de verering, zoals verhaald in de rijmkroniek, besproken. Over de verdere geschiedenis van de verering is Wichmans' informatie gebrekkig. In 1645 werd een achttal Franstalige preken over de wonderdadige Bossche Lieve Vrouw gedrukt van de hand van de minderbroeder Jean Jacques Courvoisier. In 1665 ten slotte verscheen te Brussel een werk onder de titel Doux tronc de vigne destillant les miracles de Notre Dame la Mere de Douçeur. Het is samengesteld door Thomas Bernarts, een norbertijn van de Koudenberg. Hij beschrijft kort de geschiedenis van het beeld te 's-Hertogenbosch, vertaalt 218 wonderverhalen uit het mirakelboek en vertelt ten slotte over de overbrenging van het beeld naar de Koudenberg.
- In de 18e eeuw werden in Antwerpen en Brussel de eerste devotieprenten van de Bossche Lieve Vrouw gedrukt. Deze waren afzonderlijk verkrijgbaar, maar ook in een uitgave voorzien van een gebed. Volgens een ongedocumenteerde mondelinge overlevering zou in de ruim twee eeuwen waarin het Bossche beeld zich in Brussel bevond, ook in 's-Hertogenbosch de verering van de Zoete Lieve Vrouw voortgang gevonden hebben. Zo zouden Bossche burgers op onopvallende wijze de Maria-ommegang hebben voortgezet. Deze overlevering berust wellicht meer op een 19e-eeuwse constructie, voortgekomen uit de behoefte aan continuïteit in de Bossche devotie, dan op de historische werkelijkheid.

Terugkeer uit Brussel
- In de eerste helft van de 19e eeuw werden voorzichtige pogingen ondernomen om het wonderbeeld weer naar 's-Hertogenbosch terug te halen. In 1837 werd door enkele Bossche burgers een Broederschap van O.L. Vrouw onder den titel van Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch opgericht; in 1836 had paus Gregorius XVI de oprichting reeds goedgekeurd en aan het lidmaatschap de mogelijkheid om aflaten te verdienen verbonden. Petrus Henricus van Liempt, tussen 1840 en 1856 plebaan van de St. Jan, deed de eerste pogingen om kerkelijk bezit uit de St. Jan terug te krijgen dat na 1629 naar de Zuidelijke Nederlanden was verdwenen. Ondanks de bemiddeling van de Bossche politicus Jan Baptist van Son, toen Minister van R.K. Eredienst, bleven zijn pogingen ten aanzien van het wonderbeeld vooralsnog zonder resultaat. Op 28 november 1847 zond de Bossche apostolisch vicaris Henricus den Dubbelden een brief aan de pastoor van de St. Jacobsparochie op de Koudenberg te Brussel, A. 't Sas, met het verzoek over de teruggave van het beeld te mogen overleggen. Op 4 augustus 1848 wees het kerkbestuur van de Brusselse parochie dit verzoek echter af. In mei 1850 bracht Den Dubbeldens coadjutor Joannes Zwijsen een bezoek aan de pastoor in Brussel, maar zonder resultaat. Schot kwam er pas in de zaak na het overlijden van 't Sas op 1 mei 1853. Waarschijnlijk heeft Zwijsen onmiddelijk daarna persoonlijk contact opgenomen met kardinaal Engelbertus Sterckx, de aartsbisschop van Mechelen. Deze liet weten dat het kerkbestuur van de Brusselse parochie in zijn vergadering van 3 juli 1853 tot het inzicht was gekomen dat het beeld slechts in de Brusselse kerk was ondergebracht, maar er geen eigendom van was. In oktober liet de nieuwe pastoor van de Brusselse parochie weten dat een vervangend beeld in de maak was en op 1 december berichtte hij dat het wonderbeeld kon worden afgehaald. Daarop reisden plebaan van Liempt en Zwijsens kapelaan, de uit 's-Hertogenbosch afkomstige Joannes van der Lee, af naar Brussel, waar zij op 16 december 1853 met het beeld vertrokken. Op de terugreis bezochten zij kardinaal Sterckx te Mechelen om hem voor zijn bemoeienis te bedanken. Bij die gelegenheid overhandigde de kardinaal hun het mirakelboek, dat in 1629 eveneens uit de St. Jan was verdwenen en terecht was gekomen op de Koudenberg, maar dat tijdelijk berustte in het aartsbisschoppelijk archief van Mechelen. De twee Bossche priesters reisden terug naar Nederland en brachten het beeld op de avond van 16 december eerst naar de pastorie van Zwijsen in 't Heike te Tilburg. Daarna stond het beeld tien dagen, van 17 tot 26 december, in het moederhuis van de door Zwijsen gestichte Congregatie van de Zusters van Liefde te Tilburg. Ter herinnering aan dit verblijf is het beeld op 17 december 1953 door bisschop Wilhelmus Mutsaerts nog eens voor een dag overgebracht naar het moederhuis van de zusters aan de Oude Dijk te Tilburg.
- Ter voorbereiding op de terugkeer van het Mariabeeld in 's-Hertogenbosch vond in de stad van 22 tot 31 december 1853 een door de paters redemptoristen verzorgde volksmissie plaats, met de beroemde pater Bernard Hafkenscheid als hoofdpredikant. Op 27 december 1853, de feestdag van de kerkpatroon St. Jan de Evangelist, werd het mirakelbeeld in plechtige processie de St. Jan binnengeleid, gedragen door drie dekens (Wilhelmus Coppens van Geertruidenberg, Bernardinus van Miert van Helmond en Gerardus van Someren van Eindhoven) en door Jacobus Heeren, de stichter van de congregatie van de Dochters van Joseph en Maria in de Choorstraat te 's-Hertogenbosch. Het beeld werd gevolgd door bisschop Zwijsen, zijn pas benoemde hulpbisschop Joannes Deppen en Gerardus Neefs, de abt van de abdij van Berne, en door bijna honderd priesters.

Verering vanaf 1853
- De terugkeer van het beeld van de Zoete Lieve Vrouw in de St. Jan gaf aanleiding tot een ongekende opleving van de verering. De atmosfeer van de katholieke herleving en emancipatie, de ultramontaanse vroomheid van de 19e eeuw en het Rijke Roomse Leven van de eerste helft van de 20e eeuw zorgden er samen voor dat 's-Hertogenbosch het toneel was van waarschijnlijk de meest uitbundige bedevaartcultuur die Nederland in die periode gekend heeft. Het is eveneens in deze periode dat de betiteling van de Bossche Maria als Zoete Lieve Vrouw algemeen verbreid raakt. Zij werd voor het eerst gebruikt door de bisdomhistoricus Schutjes in 1873 en op een devotieprentje uit 1878, gedrukt bij gelegenheid van het 25-jarig jubileum van de terugkeer van het beeld naar de stad. In het mirakelboek is de meest gangbare titel voor Maria 'onse vrouwe' of 'onse suete (zoete, soete, zuete) vrouwe'. In de 17e en 18e eeuw werd zij ook aangeduid als 'Moeder van Soetichijt' of als 'Mere de Douceur'. De combinatie van 'zoet' en 'lief' dateert derhalve pas van het laatste kwart van de 19e eeuw. De betiteling 'Zoete Lieve Moeder van Den Bosch' dateert eerst uit het begin van de 20e eeuw.
- Het beeld van de Zoete Lieve Vrouw werd meteen na de terugkeer in de St. Jan veel bezocht, vooral door Bosschenaren en inwoners van de Meierij. De kroniek van het sinds 1862 in de Torenstraat tegenover de St. Jan gelegen fraterhuis (van de door Zwijsen gestichte congregatie van de fraters van Tilburg) verhaalt dat Zwijsen zelf vrijwel dagelijks het beeld bezocht en vervolgens bij de fraters koffie kwam drinken: 'zo zwart als de duivel, zo heet als de hel, zo zoet als een engeltje'. Zwijsen voerde ook de traditie in om na afloop van de wijdingsplechtigheid met de nieuwe priesters van zijn bisdom bij het beeld te gaan bidden, bij welke gelegenheid de wijdelingen hun priesterleven onder bescherming van de Zoete Lieve Vrouw plaatsten. Deze traditie heeft tot vandaag standgehouden.
- Op 27 december 1878, bij gelegenheid van het 25-jarig jubileum van de terugkeer van het beeld in de stad, werd het beeld door Zwijsens opvolger, bisschop Adrianus Godschalk, met goedvinden van paus Leo XIII, gekroond. Deze plechtigheid werd door meer dan 9000 gelovigen bijgewoond. De 50e verjaardag van de terugkeer, op 27 december 1903 groots gevierd, was voor paus Pius X aanleiding om een eigen officie en een eigen misformulier voor de feestdag van de Zoete Moeder in het bisdom 's-Hertogenbosch toe te staan. De teksten voor officie en mis 'in honorem Beatae Mariae Virginis sub titulo Dulcis Matris' ('ter ere van de H. Maagd Maria onder de titel van Zoete Moeder') werden door de Congregatie voor de Riten in 1903 gepubliceerd en opgenomen in het feesteigen voor de Nederlandse bisdommen, dat aan de uitgaven van de Romeinse liturgische boeken werd toegevoegd. De 75e feestdag werd op 22 juni 1929 aanleiding tot een (verlate) verheffing van de St. Jan tot basiliek.
- Intussen werden ook enkele nieuwe wonderen aan het beeld toegeschreven. Op 27 augustus 1900 genas zuster Materna, als verpleegster werkzaam in het zwakzinnigengesticht Reinier van Arckel te 's-Hertogenbosch, van de pijn aan haar been, waaraan zij leed sinds zij in 1892 door een patiënt was geschopt. Zij bad, op twee stoelen gezeten, drie kwartier bij het beeld en stond toen genezen op. In 1908 genas een persoon uit Tilburg, die door de artsen was opgegeven, van zijn kwalen, nadat een groep gelovigen negen zondagen na elkaar vanuit Tilburg naar 's-Hertogenbosch op bedevaart was gegaan. In 1921 genas Florence de Pauw, dochter van de huishoudster van Ch. Frenken, pastoor te Kewanee in Illinois (USA), nadat zij, haar man, haar moeder en de pastoor een noveen gehouden hadden tot de Zoete Lieve Vrouw. De vrouw was in verwachting, maar maakte het niet goed. Door de huisarts werd zij reeds opgegeven. Op 6 november 1921 beviel zij van een flinke zoon; moeder en kind overleefden de bevalling. Volgens pastoor Frenken, die het voorval in Nederland bekend maakte door middel van een ingezonden bericht in de krant Het Huisgezin van 28 januari 1922, was de redding van moeder en kind te danken aan de voorspraak van de Bossche Zoete Lieve Vrouw.

Omgang
- Van grote invloed op de Bossche verering was de herleving van de omgang. Deze zou ook in de voorafgaande twee eeuwen, volgens de overlevering, zijn voortgezet, maar dan in de vorm van een stille en particuliere rondgang door de stad. In 1866, toen een cholera-epidemie in de stad heerste, zouden zo ook enkele vrouwen biddend door de stad zijn getrokken. Op de avond van 7 juli kwamen zij langs het woonhuis van Jan Dirks aan de Hoge Steenweg. Dirks stond met zijn vriend M. Jansen in de deuropening te praten en zei: 'Kom, laat ons de eerste mannen zijn die de omgang houden'. Dirks was prefect van de zangafdeling van de Aartsbroederschap van de H. Familie in 's-Hertogenbosch, en die repeteerde de volgende dag. Bij die gelegenheid stelde hij de zangers voor om die avond gezamenlijk de omgang te houden. Alle 30 mannen deden mee. De volgende dag waren er 80 deelnemers, en aan het eind van de noveen, waartoe de omgang was uitgegroeid, liepen er meer dan 100 mannen mee. Hetzelfde jaar nog werd de Vereeniging 'Mannen Omgang' opgericht. Bisschop Zwijsen juichte dit initiatief toe en liet in 1867 ook groepen priesters en kloosterlingen meelopen. De Bossche officier van justitie probeerde de omgang met een beroep op het processieverbod tegen te gaan. Hij liet muzikanten op de Parade spelen om de biddende groep te hinderen. Maar omdat de omgang in stilte en zonder uiterlijk vertoon plaatsvond, kon het processieverbod niet van toepassing verklaard worden. In 1874 liet bisschop Zwijsen het beeld van de Zoete Lieve Vrouw tijdens de negen dagen van de omgang, van 7 tot 15 juli, in het midden van de St. Jan plaatsen en de kerkdeuren 's avonds openen. Zijn opvolger bisschop Godschalk was toch bevreesd voor ingrijpen van de overheid tegen de omgang, die steeds meer het karakter van een openbare processie kreeg. Daarom gelastte hij om voortaan niet meer in een grote stoet de omgang te maken, maar in kleine groepjes. De belangstelling voor deelname bleef evenwel groot. Een bericht in het dagblad De Tijd van 15 juli 1889 maakte melding van naar schatting 15.000 tot 20.000 deelnemers. Winkeliers en bewoners van woonhuizen langs de route van de omgang begonnen na 1900 hun etalages en vensters te versieren met bloemen, beeldjes en kaarsen.
- Er gingen stemmen op om bij het 50-jarig bestaan van de Vereeniging 'Mannen Omgang' van de stille omgang een plechtige omgang te maken. Vertegenwoordigers van meer dan 80 katholieke verenigingen werden uitgenodigd om dit voorstel te bespreken. In 1916 werd de plechtige omgang een feit. Op de zondag onder het octaaf van de feestdag van de Zoete Moeder - in 1916 was dat 9 juli - zou voortaan een grote stoet met beelden, groepen die historische taferelen uitbeeldden, muziekgezelschappen, katholieke verenigingen, vertegenwoordigers van de kloosters in de stad, bruidjes enzovoorts door de straten van 's-Hertogenbosch trekken, volgens de oude route uit de late middeleeuwen, waaraan in 1866 reeds de Korenbrugstraat en de Lepelstraat waren toegevoegd. De inwoners van de huizen langs de route plaatsten Mariabeeldjes voor de vensters en hingen soms ook devotionalia aan de gevel, die door de bisschop tijdens het passeren gezegend werden. Op enkele plaatsen langs de route werden ook Mariabeeldjes aan de gevel bevestigd. In 1916 werd aan de Beurdsestraat in de gevel van een woonhuis een haute-reliëf geplaatst van O.L. Vrouw van de Rozenkrans. Tot 1956 trok de Plechtige Omgang jaarlijks door 's-Hertogenbosch, met uitzondering van de oorlogsjaren. De stoet werd vooral gekenmerkt door de vele bloemen die werden meegevoerd, in boeketten en manden. Ook werd een vergulde maquette van de St. Jan meegevoerd, aangeboden door de R.K. Middenstand. Sinds 1932 mocht ook het beeld van de Zoete Lieve Vrouw zelf meegevoerd worden. Op de Markt werd bij het passeren van de stoet gespeeld door het Bossche Stedelijk Orkest.
- In de Lepelstraat gaf het Koninklijk 's-Hertogenbosch' Mannenkoor een zanghulde tegenover de Mariakapel aldaar. Deze kapel was sinds 1866 een belangrijke rol gaan spelen in de omgang. Toen in 1825 de heren Frijhoff en Pompe een pand in de Lepelstraat, bekend als 'In den Beer' of 'In den grooten Beer', overnamen om daar een branderij te vestigen, vonden zij onder vuil bedolven een groot Mariabeeld, waaraan het hoofd van het Kind ontbrak. Zij plaatsten het beeld op de binnenplaats van de branderij 'De Valk'. Toen in 1866 de omgang ook door de Lepelstraat kwam, liet Henricus Heymans, die in 1864 de branderij had overgenomen, het Mariabeeld restaureren en onder een houten baldakijn plaatsen. Het houten baldakijn werd in 1880 door een stenen vervangen. Toen na de Tweede Wereldoorlog het grotendeels verwoeste pand van de branderij hersteld moest worden, besloot het gemeentebestuur van 's-Hertogenbosch in het herbouwplan een kapel voor het Mariabeeld op te nemen. Deze kapel kwam in 1950 gereed en bleef in die vorm bestaan tot 1986. Inmiddels was de branderij opgehouden te bestaan en werd het pand opgenomen in een grote nieuwbouw voor de ABN-AMRO-bank. In die nieuwbouw werd wederom een kapel opgenomen. Deze werd ontworpen door Frans van Dillen en op 30 april 1989 door de Bossche bisschop J. ter Schure ingezegend. De kapel wordt instandgehouden door de Vereniging Stille Omgang en verzorgd door studenten van de priesteropleiding St. Janscentrum.
- In 1953, bij het 100e eeuwfeest van de terugkeer van het beeld in 's-Hertogenbosch, werd de Plechtige Omgang op zondag 12 juli het hoogtepunt van het Diocesaan Mariacongres, dat van 5 tot 12 juli in de stad werd gehouden. In het kader van het Mariacongres vonden gedurende de hele week bedevaarten plaats van maatschappelijke groepen en standsorganisaties. In het Museum van het Provinciaal Genootschap, het latere Noordbrabants Museum, was een tentoonstelling over Maria in de kunst te zien. De omgang zelf kreeg bij die gelegenheid een volledig vernieuwde vormgeving, ontworpen door kapelaan Jan Hoes, de rector cantus van de St. Jan, en rector Harrie Beex. Twee Bossche regisseurs, Kees Spierings en Jo van Erp, zouden de meer dan 1000 deelnemers in goede banen leiden. Kunstenaar Marius de Leeuw kreeg opdracht kostuums te ontwerpen voor het eerste deel, dat de plaats van Maria in de heilsgeschiedenis moest uitbeelden. Luc van Hoek ontwierp het tweede deel, dat de geschiedenis van het Bossche wonderbeeld verhaalde. Het derde deel van de stoet werd gevormd door de eigenlijke liturgische processie met het beeld zelf. De vernieuwde Plechtige Omgang trok in 1953 tienduizenden belangstellenden, die echter meer toeschouwer dan deelnemer waren. In onder meer de dagbladen ontspon zich een discussie over de vraag of de omgang nog wel van deze tijd was. Tegelijk bleek ook de belangstelling terug te lopen. Daarom werd in 1956 besloten de Plechtige Omgang voortaan nog slechts om de drie jaar te laten plaatsvinden. Dat gebeurde in 1959 en 1962 en voor het laatst in 1967. Een jaar eerder, in 1966, werd de Plechtige Omgang tijdens een nachtelijke vergadering een week van te voren afgelast omdat er onvoldoende deelnemers waren aangemeld. Op 14 juli 1968 vond de omgang in een sterk vereenvoudigde vorm plaats, als een bidprocessie. In deze vorm is hij tot op heden blijven bestaan.
- In 1978 werd de Vereniging Stille Omgang opgericht, die het doen van de omgang van 7 tot 15 juli, individueel of in groepsverband, wil stimuleren en begeleiden. De omgang heeft nu weer de vorm van vóór 1916, die van een bidtocht, individueel of in kleine groepen, en zonder de plechtige stoet op zondag. Op 7 juli, de feestdag van de Zoete Moeder, is er om 19 uur een eucharistieviering in de St. Jan, op de andere dagen (behalve op de zondag) is er op hetzelfde tijdstip een Mariagebed in de Lieve Vrouwekapel. Aansluitend kunnen gelovigen individueel of in groepjes de omgang maken. De kapel blijft op de avonden van 7 tot en met 15 juli geopend tot 20.15 uur. Terwijl de plechtige omgang in 1967 voor het laatst plaatsvond, werd in datzelfde jaar een tweede stille omgang ingevoerd, en wel op de tweede zondag van de maand mei, de dag waarop ook moederdag gevierd wordt. Op die dag wordt om 19 uur een eenvoudige bidtocht door de stad gehouden, waarbij de route van de omgang gevolgd wordt. Ook deze tweede stille omgang heeft tot op heden standgehouden en trekt zelfs meer deelnemers dan die in juli. Aan de omgang in mei nemen altijd enkele schuttersgilden deel. Langs de route staan op verschillende plaatsen vendelzwaaiers, die eer betonen aan het Mariabeeld dat in de stoet wordt meegevoerd; hetzelfde doet de Schola Cantorum van de St. Jan. De omgang in mei telde in 1998 ongeveer 600 deelnemers.
- Bij het model van de St. Jan (schaal 1:25)) in de miniatuurstad Madurodam te Den Haag is de Plechtige Omgang - ter plekke slechts in algemene termen als 'processie' aangeduid - nagebootst in miniatuurfiguurtjes, die door inworp van een dubbeltje in beweging gebracht kunnen worden.

Broederschap en Meimaand
- In de vormgeving van de Bossche verering voor de Zoete Lieve Vrouw wordt een belangrijke rol gespeeld door de in 1837 opgerichte 'Broederschap van O.L. Vrouw onder den titel van Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch'. Deze broederschap kreeg in 1883 een nieuw reglement, ontworpen door de latere bisschop Wilhelmus van de Ven, toen plebaan van de St. Jan, en goedgekeurd door bisschop Godschalk. De broederschap, die in 1987 haar 150-jarig bestaan vierde, bestaat tot op heden en telt momenteel nog ongeveer 4000 ingeschreven leden. In plaats van de term lid wordt ook wel die van 'begunstiger' gebruikt. De activiteiten worden verzorgd door een bestuur, dat uit twaalf leden bestaat. De plebaan van de St. Jan draagt de titel van directeur van de broederschap, de voorzitter, in 1998 mevrouw Jos Vaessen-Lambermont, draagt de titel van proost. Het bestuur van de broederschap verzorgt beheer en onderhoud van de kapel en het mirakelbeeld en organiseert de omgang en de bidtochten.
- Vanaf de jaren zestig van de 20e eeuw is daarnaast grote nadruk komen te liggen op de invulling van de vieringen in de St. Jan gedurende de meimaand. Het Mariabeeld wordt dan uit de kapel gehaald en krijgt een plaats in de noordelijke zijbeuk van de St. Jan. Voor het beeld worden rijen banken geplaatst, zodat een groter aantal gelovigen bij het beeld kan bidden dan in de kapel. Voor de eucharistievieringen op zaterdag en zondag worden gastpredikanten uitgenodigd. In iedere viering is ook een gilde - soms ook twee - aanwezig, dat met vliegend vaandel en roerende trom intocht houdt in de St. Jan. De zang wordt, behalve in de hoogmis op zondag, verzorgd door gastkoren, vaak uit dezelfde parochie als de gilden. Op zaterdag zijn er in de meimaand twee eucharistievieringen in de St. Jan (om 12.00 uur en om 19.00 uur) en op zondag vier (om 7.00 uur, om 8.30 uur, om 10.15 uur en om 12.00 uur). De vieringen op zondag om 10.15 en 12.00 uur worden door gemiddeld zo'n 2500 tot 3000 mensen bijgewoond. In 1998 werden tijdens de vieringen op zondag in de meimaand in totaal ongeveer 6000 hosties uitgedeeld. Sinds 1977 wordt jaarlijks, aanvankelijk samen met de in 1976 opgerichte Stichting 'Den Bosch in mei' en later alleen door de broederschap, een programmaboekje uitgegeven met informatie over en teksten voor de vieringen in de St. Jan op de zon- en feestdagen in mei. Ook ging de broederschap er toe over aan de vieringen in de meimaand een jaarlijks wisselend thema mee te geven (in 1998 bijvoorbeeld 'Op vleugels van de Geest'). De nieuwe vormgeving van de meimaand in de St. Jan werd in hoge mate geïnspireerd door Gerrit van de Camp (1927-1995), die sinds 1975 tot zijn overlijden plebaan van de St. Jan was.

Marialied en mysteriespel
- In 1882 werd een lied ter ere van de Zoete Lieve Vrouw gemaakt, dat bekend staat als het 'Volkslied ter ere van de Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch'. De melodie zou ontleend zijn aan een Heidelbergs studentenlied, de tekst is geschreven door frater Calasanctius. Het lied heeft ruim een eeuw, tot op heden, een grote populariteit behouden. Het werd en wordt gezongen bij de afsluiting van kerkelijke vieringen in de St. Jan, bijvoorbeeld in de meimaand, maar ook op Mariafeesten en bij andere plechtigheden, zoals diaken- en priesterwijdingen. Vele - vooral oudere - Bosschenaren kennen het lied, dat vier coupletten telt, uit hun hoofd. Het eerste couplet luidt:

'Lieve Vrouwe, hoor gunstig
Onze smekingen aan.
O, gij kunt op dit feesttij
Toch de bede niet versmaân
Van de honderden kind'ren
Uit de stad, u zo waard,
Die gij, Moeder, vol eerbied
Om uw troon ziet geschaard.'

Verschillende andere liederen ter ere van de Zoete Lieve Vrouw hebben nooit de populariteit gekregen van het 'Volkslied' en raakten al na enkele jaren weer in onbruik. Voorbeelden daarvan zijn het 'Kroningslied van O.L. Vrouw van Den Bosch' uit 1878, alsmede de liederen 'Maria, Moeder, zegen ons' (tekst Coen Free, muziek Floris van der Putt) en 'Tot Maria' (tekst Jos Pirenne, muziek Maurice Pirenne), die in het voorjaar van 1989 werden gecomponeerd in opdracht van de Stichting 'Den Bosch in mei'.
- In 1954 werd, ter herdenking van de 100e verjaardag van het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria, een Mariajaar gevierd. Het hoogtepunt van deze viering was een nationale Mariahulde in het voetbalstadion van 's-Hertogenbosch, met 22.000 aanwezigen, onder wie het voltallige Nederlandse episcopaat. Er werd een bijbels mysteriespel 'Herwonnen Paradijs' van de hand van Jan Naaijkens opgevoerd en vervolgens werd het beeld van de Zoete Lieve Vrouw het stadion binnengedragen.

Pax Christi-voettochten
- Tussen 1958 en 1983 was de St. Jan het eindpunt van de zogeheten Pax Christi-voettochten. Deze werden ieder jaar in oktober georganiseerd door de rooms-katholieke vredesbeweging Pax Christi en waren bedoeld voor de eindexaminandi van middelbare scholen. Aan de eerste tocht in 1958 namen 1100 jongeren deel. In de bloeitijd van deze voettochten trokken duizenden (in 1964 bijvoorbeeld 3100) jongeren van donderdag tot zaterdag in kleine groepjes langs verschillende routes te voet naar 's-Hertogenbosch. Ondertussen werd over een jaarlijks wisselend thema gesproken. In de St. Jan werden zij op zaterdag door de bisschop van 's-Hertogenbosch ontvangen. De populariteit van de Pax Christi-voettochten taande in de jaren zeventig ten gevolge van de ontkerkelijking. In 1982 waren er al minder dan duizend deelnemers; de voettocht van 1983 was de laatste. Overigens was de St. Jan in 1951 al een keer eindpunt van een internationale bedevaart van Pax Christi geweest, waaraan door 500 Fransen, Duitsers en Nederlanders werd deelgenomen. Zij trokken op 31 augustus 1951 vanuit Utrecht, Tilburg, Eindhoven en Nijmegen naar 's-Hertogenbosch, om daar vervolgens aan een tweedaags congres deel te nemen.
Vanuit verschillende parochies in Noord-Brabant trokken in de meimaand ook groepen bedevaartgangers 's morgens vroeg te voet naar 's-Hertogenbosch. Deze voetbedevaarten waren vooral onder jongeren populair, die er een dagje uit van maakten. Er werd in de jaren zestig geklaagd over baldadigheid van de jeugdige bedevaartgangers.

Slot - 1998
- In 1998 is de St. Jan nog steeds een van de meest (zo niet de meest) bezochte bedevaartkerken in Nederland. Aantallen van bedevaartgangers die de Mariakapel bezoeken zijn moeilijk te geven, omdat velen de St. Jan alleen als kerk of als kunsthistorisch monument bezoeken. Schattingen lopen uiteen van 100.000 tot 250.000 bezoekers per jaar, waarbij het aantal bezoekers van de bedevaartkapel eerder het lage aantal betreft. In de meimaand zit de St. Jan tijdens de vieringen afgeladen vol. En constant zijn er bezoekers in de Mariakapel. Vele Bosschenaren en inwoners uit de omringende dorpen lopen tijdens het winkelen in de Bossche binnenstad even de St. Jan binnen om een kaarsje bij de Zoete Lieve Vrouw op te steken.
Materiële cultuur - Mirakelboek: handschrift, papier, 176 bladen van 38,5 bij 25 cm; het boekblok is tussen 1622 en 1632 samengesteld doordat de losse bladen in passe-partouts zijn gemonteerd en zijn gebonden; de 11 bladen met de tekst van de rijmkroniek dateren van omstreeks 1600, de 120 bladen met de protocollen van de mirakelen dateren grotendeels van kort na de mirakelen zelf, dus uit de periode tussen 1382 en 1603; ongeveer 30 verschillende handen. Band: begin 17e eeuw (tussen 1622 en 1632), 41 x 27 x 6,8 cm; blauw fluwelen band over twee eiken platten, goud op snee. Op het voorplat in zilveren kapitelen 'MIRAKELEN VAN ONSE LIEVE VROUWE TOT SHERTOGHENBOSCH'. Daaromheen een smal geprofileerd zilveren lijstje. Links en rechts hiervan zijn viermaal drie zilveren sterretjes bevestigd. In de randen zijn vier relieken van onbekende heiligen aangebracht in zilveren monturen van ajour-gietwerk, afgedekt met geslepen glas. Op de hoeken zijn hoekstukken van gegoten zilverbeslag aangebracht met barokke engelenkopjes in hoogreliëf. Op het achterplat is in het midden een zilveren beeltenis van Maria met Kind aangebracht van 13,5 bij 7 cm. Maria draagt een driepuntige kroon en in haar rechterhand draagt zij een gesteelde granaatappel. Zij staat op de maansikkel. Het Kind is in het lang gekleed en draagt de wereldbol. De figuur wordt omgeven door een zilveren krans van zonnestralen met daaromheen een ovale rand van 32 sterretjes. Verder zijn nog 30 zilveren sterretjes over het achterplat verspreid. Ook op het achterplat zijn zilveren hoekstukken aangebracht. De band draagt twee gegoten zilveren sloten met respectievelijk de letters IHS (Jesus) en MAR (Maria). De band is verschillende malen in de 19e en de 20e eeuw gerestaureerd, voor het laatst in 1981. Bij die gelegenheid werd het fluweel vernieuwd en werden enkele ontbrekende zilveren sterretjes aangevuld.
- Kleding en attributen van het mirakelbeeld: zie boven bij Cultusobject.
- Ex-voto's: zie ook boven bij Cultusobject en Verering tot 1629. In 1978-1979 is een inventarislijst opgemaakt van de ex-voto's in het bezit van de St. Janskerk. Hieronder bevinden zich onder meer: 1 een verguld zilveren borstkruis van het beeld van de Zoete Lieve Vrouw (h. 20,5 cm, b. 12,5 cm); 2 een verguld zilveren broche van het beeld (h. 11,5 cm, b. 5,5 cm); 3 42 zilveren (enkele van goud) schilden en medaillons, de meeste uit de 19e eeuw (ook van voor 1853), maar ook enkele uit de 20e eeuw, zoals een schild uit 1946 met de inscriptie: 'Maria dank voor behouden terugkeer uit Japanse internering op Sumatra', en vermelding van de familienaam; 4 89 zilveren mensenfiguren, meestal van een kind, uit de 19e en meer nog uit de 20e eeuw (betrekkelijk veel uit de jaren zestig en enkele uit de jaren zeventig); 5 65 zilveren hoofden (mannen, vrouwen, jongens, meisjes), 19e en 20e eeuw; 6 139 zilveren benen uit de 19e en 20e eeuw; 7 21 zilveren voeten, 19e en 20e eeuw; 7 39 zilveren armen uit de 19e en 20e eeuw; 8 27 zilveren handen, 19e en 20 eeuw; 9 50 zilveren (enkele goudlegering) ogen uit de 19e en 20 eeuw; 10 21 zilveren oren, 19e en 20e eeuw; 11 482 zilveren (enkele goudlegering) harten, 19e en 20e eeuw; 12 'varia', waaronder een zestigtal rozenkransen. Een groot aantal van de onder 2 t/m 12 genoemde ex-voto's draagt een zilvermerk; afgaande op de meestertekens zijn de meeste voorwerpen in 's-Hertogenbosch vervaardigd, enkele in Amsterdam, Breda, Eindhoven en Utrecht; 13 in 1985 schonk paus Johannes Paulus II een zilveren rozenkrans die in de nabijheid van het beeld werd opgehangen maar enkele jaren later werd gestolen.
- Pelgrimsinsignes: zie ook boven bij Verering, Pelgrimsinsignes. Deze insignes bestonden in de 15e eeuw in verschillende varianten volgens drie typen: als schildvormige hanger, als rond insigne en als spiegelinsigne. Medio 1998 waren al 20 varianten in zeker 45 exemplaren teruggevonden (zie de publicaties van Koldeweij uit 1987, 1993 en 1998). Ze zijn vervaardigd in een lood-tin legering. De formaten variëren: de hoogte tussen 4,9 en 9,4 cm, de breedte tussen 3,5 en 6,1 cm. Bewaarplaatsen: Museum Catharijneconvent te Utrecht, Museum voor Religieuze Kunst te Uden (bruikleen Bisschoppelijk Museum 's-Hertogenbosch), Noordbrabants Museum te 's-Hertogenbosch en de Collectie H.J.E. van Beuningen te Cothen.
- Schilderijen: al sinds het eind van de 14e eeuw is het beeld van de Bossche Zoete Lieve Vrouw op schilderijen vastgelegd. Op 19 november 1382 betaalde de tresorier van hertog Albrecht van Beieren, graaf van Holland, in opdracht van diens vrouw Margaretha, een oud schild aan een man uit 's-Hertogenbosch voor het brengen van 'een bort daerop ghemalen stont de miracle van Onser Vrouwen beelde die daer is'. In de 19e en 20e eeuw werden door verschillende Bossche kunstenaars schilderijen gemaakt van de Zoete Lieve Vrouw, bijvoorbeeld door Lambert van Geffen (1876-1957) en Hendrik de Laat (1900-1980).
- Processie-attributen: 1 processiestaf van gegoten messing, 187 cm, midden 19e eeuw; wordt gebruikt door de ceremoniarius tijdens de omgang; 2 processieschild van hout met glas, ca 200 cm, met een voorstelling van het mirakelbeeld en de tekst 'Filia Patris Sponsa S. Spir.' en 'Ave Maria Mater Dei'; aan de achterzijde het randschrift 'Vereeniging Mannen Ommegang Opgericht 1866'; 3 processievaandel van blauwe zijde, bestikt met goud- en zilverdraad; in het midden het mirakelbeeld in een gotische omlijsting, ter weerszijde een engel, 189 x 111 cm.

Devotionalia
- Vanaf de terugkeer van het beeld in 's-Hertogenbosch ontstond in de stad ook een handel in devotionalia die op de Zoete Lieve Vrouw betrekking hadden. Deze waren in verschillende winkels te koop. Momenteel is nog steeds een groot assortiment aan devotionalia verkrijgbaar in 'Kunsthandel "De St. Jansbasiliek"', tot voor kort gevestigd aan de Torenstraat 13 tegenover de hoofdingang van de St. Jan en sinds enkele jaren in de Kerkstraat. Hieronder volgt slechts een selectie uit de talrijke Bossche devotionalia.
- Kopieën van het beeld: in grote aantallen zijn verkleinde kopieën van het mirakelbeeld in gepolychromeerd gips, hout en steen vervaardigd en verspreid. Deze productie begint al vrij spoedig na de terugkeer van het beeld in 's-Hertogenbosch en heeft standgehouden tot op vandaag. In de eerste helft van de 20e eeuw beleeft de fabricage van gipsen beeldjes haar hoogtepunt. De meeste beeldjes uit deze periode zijn terug te voeren op vier typen: 1 met het merk: 'Eigendom 1341 M. v. Bokhoven & Jonkers'; hoogte 44 cm; Maria met Kind staande, met dezelfde polychromie als het wonderbeeld zelf; 2 met het merk: 'Eigendom M. v. Bokhoven & Jonkers 1342'; hoogte 45,5 cm, breedte 36,5 cm; borstbeeld van Maria en Kind in reliëf op een gotische spitsboog; 3 met het merk: 'Eigendom 1341 H. Jonkers'; hoogte 43 cm; zelfde als 1; 4 met de merken: 'Namaak verboden S S S', 'S S S NOVITA' en 'NOVITA 199'; hoogte 31 cm.; gekroonde Maria met Kind met wijde blauwe mantel en geel kleed; op het kleed een verguld hart en een vruchtenkorf. Michiel van Bokhoven vestigde omstreeks 1885 een beeldhouwersatelier in de Kerkstraat te 's-Hertogenbosch. In 1896 nam hij het atelier van Antoon Goossens op het St. Janskerkhof over. Vanaf 1904 werkte Henri Jonkers in zijn atelier en vanaf 1918 stond het atelier onder beider naam. In 1934 begon Jonkers een eigen atelier. De beeldjes met beider naam moeten dus dateren uit de periode tussen 1918 en 1934, die met alleen de naam van Jonkers uit de periode na 1934. In de tweede helft van de 20e eeuw zijn op grote schaal 5 kopieën verspreid met als merk '519 FIGIV', hoogte 21 cm; afbeelding identiek als het bovengenoemde type 4 (dus met hart en vruchtenkorf); 6 er bestaan varianten met blauwe en met rode mantel; opschrift op tekstrol onderaan 'OLV v.d. BOSCH BVO'.
- Medailles: medailles met de beeltenis van de Zoete Lieve Vrouw bestaan in verschillende grootten en verschillende metalen en worden nog steeds aangemaakt; 1 de oudste bekende medailles zijn vervaardigd bij gelegenheid van de terugkeer van het beeld in 's-Hertogenbosch in 1853 (voorbeelden 1a in zilver, 2,5 x 1,9 cm met opschrift 'Dit miraculeuze beeld is ontvoerd in 1629, en terug gekomen in 1853, 27-12', met zwaardje als zilvermerk; 1b in brons, 2,5 x 1,9 cm, met opschrift 'Dit wonderbeeld van 1629 te Brussel bewaard en hersteld 27.12.1853'; 1c in koper (⊘ 4 cm, 4 mm dik), opschrift beeldzijde: 'Ab Ao 1629 Bruxellis exul.Silvamducis redux. Ao 1853'; op keerzijde buste van bisschop Zwijsen en opschrift 'Cura r.r. & ill. d.d. Jois. A. restit. eccl. hier. 1mi archip. ultraj.'; onder aan de buste de naam van de graveur, C. van Gemert (Coll. Museum voor Religieuze Kunst);
2 er zijn medailles vervaardigd bij gelegenheid van de kroning van het beeld in 1878 (opschrift 'Ter herinnering der plechtige kroning 27 december 1853-1878'); 3 er zijn medailles vervaardigd bij de 50e verjaardag van de terugkeer van het beeld in 1903 (zilver, 2,5 x 1,9 cm, met opschrift '27.12.1853 50 jarig jubm van den terugkeer van het miraculeuze beeld der Z.L.V. van Den Bosch 27.12.1903'); 4 in 1998 zijn nog medailles (3,4 x 2,1 cm) te koop die als sleutelhanger dienst kunnen doen, aan de ene zijde dragen zij een beeltenis van het mirakelbeeld met onderschrift 'O.L.Vr.v.Den Bosch', aan de andere zijde een beeltenis van de H. Christoffel met kind.
- Zakheiligdom: in het derde kwart van de 20e eeuw werden zakheiligdommen van de Zoete Lieve Vrouw vervaardigd: zilverkleurige blikken doosjes (3,9 x 1,6 x 0,8 cm; variant: 3,4 x 1,6 x 0,6 cm) met een scharnierend raampje, dat voorzien is van een rood doorschijnend plastic ruitje. In het doosje bevindt zich een klein aluminium beeldje van de Zoete Lieve Vrouw.
- Theelepeltjes: in de tweede helft van de 20e eeuw werden theelepeltjes vervaardigd (verzilverd koper, 12 en 12,5 cm; merken 'J.S. Zn.' en 'Brandaris') met een afbeelding van het beeld (opschrift: 'O.L.Vr.v.d.Bosch' en 'O.L.Vr.v.d.Bosch ST.JANS.BASILIEK').

Devotioneel drukwerk
- Handboekjes: 1 G.A.M. van de Kant, pr., Handboekje voor de vereerders der Zoete Lieve Vrouw van 's-Hertogenbosch ('s-Hertogenbosch: Stoomdrukkerij C.N. Teulings, 1903; tweede druk 1904, derde druk 1923); 2 Plechtige Omgang ter eere van de Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch. Programma voor het Jubeljaar 1928, Zondag 15 Juli ('s-Hertogenbosch: C.N. Teulings' Koninklijke Drukkerijen, 1928; 32 p.); 3 Plechtige Omgang ter ere van de Zoete Moeder van Den Bosch, 11 juli 1954, 3 uur ('s-Hertogenbosch: Teulings' Grafisch Bedrijf, 1954; 32 p.); 4 Plechtige Omgang ter ere van de Zoete Moeder van Den Bosch, 15 juli 1962, 3 uur ('s-Hertogenbosch: z.n., 1962; 32 p.); 5 sinds 1977 wordt jaarlijks een programmaboekje van de vieringen in de meimaand uitgegeven door de Broederschap van O.L. Vrouw van Den Bosch, aanvankelijk samen met de Stichting 'Den Bosch in mei' (gemiddeld 36 p).
- Gravures, bid- en devotieprentjes: Het beeld van de Zoete Lieve Vrouw is talloze malen afgebeeld op prentjes, tekeningen en foto's. Vele bidprentjes van overleden Bosschenaren droegen in de afgelopen eeuw de beeltenis van de Zoete Lieve Vrouw, evenals prentjes bij gelegenheid van priesterwijding of -jubileum en kloosterprofessie of -jubileum; 1 de oudste gravure van het beeld is die op het titelblad van het boek uit 1632 van Otho Zylius over de mirakelen. Zij toont het gekroonde en aangeklede beeld. Op het rijk bewerkte kleed van Maria is een boom geborduurd, als verwijzing naar de naam en het stadswapen van 's-Hertogenbosch. De grote kanten sluier waaiert uit in de breedte. In haar rechterhand draagt Maria een rozenkrans en de appel, waarop een rozentak met drie rozen is bevestigd. Op het kleed van het gekroonde Kind is eveneens een boom geborduurd. Het kind draagt in zijn rechterhand een roos en in zijn linkerhand een druiventros. Boven Maria zweeft de H. Geest in de gedaante van een duif. Het Mariabeeld is opgesteld tussen twee brandende kaarsen en eromheen zijn gordijnen gedrapeerd; 2 in de Atlas Marianus van Gumppenberg uit 1657 is een andere gravure opgenomen. Zij toont het gekroonde en aangeklede beeld, maar zonder Bossche stadsbomen, zonder rozenkrans en zonder appel. Het Kind draagt in zijn linkerhand de wereldbol. Maria draagt op haar kleed vier halssnoeren met hangers, waarvan de onderste een kruis is en de andere edelstenen voorstellen; 3 de eerste devotieprenten uit de 18e eeuw blijken vooral op de gravure bij Zylius gebaseerd te zijn. Zij tonen Maria en Kind met kronen op hun hoofd en in de met de boom versierde kleden. Tegen de piedestal waarop het beeld geplaatst is, staat een opengeslagen boek met het opschrift 'Othonis Zylii S.I. Historia Mira(cu)l(orum) B. Maria(e) S(ilva)ducensis'; 3a er is een prent bekend met een vier bladzijden tellend gebed, gedrukt bij de weduwe Thieullier te Antwerpen en van een approbatie voorzien uit 1735; 3b een andere prent is zowel los verspreid (14,6 x 10,3 cm; ingekleurd met waterverf) als samen met een acht bladzijden tellend gebed, gedrukt te Brussel bij P. Cuelens, met een approbatie van 1750 ('Oraison a la bienheurse Vierge Marie, mere de Dieu et de doucheur'). De prent heeft een tweetalig onderschrift: 'Image de N.D. de Bois-Le-Duc Célèbre Par Une Infinité De Miracles, Honorée Dans L'Eglise De Caudenberg. O.L. Vrou van S'Hertoghebosch, op Caudenberg te Brussel, Vermaert Door Meer Als 600 Mirakele Seer Veel doode Verweckt etc.'
Vanaf 1853 werden er in 's-Hertogenbosch en soms ook elders talrijke devotieprentjes vervaardigd met de afbeelding van de Zoete Lieve Vrouw; een aantal hiervan wordt nog bewaard in collecties zoals die van het Museum Catharijneconvent te Utrecht en van het Breda's Museum. Enkele typen (verre van volledig): 4 'Afbeeldsel van het mirakuleuze beeld van O.L. Vrouw van s'Bosch', met op keerzijde een gebed (10,1 x 7,4 cm, vanaf 1853); 5 'Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch, Bid voor ons', Zoete Lieve Vrouw met Kind, op wolk zwevend boven de St. Jan, aan weerszijden van Moeder en Kind een engel; keerzijde 'Gebed bij het Mirakuleuse Beeld van de Zoete Lieve Vrouw van den Bosch Ter verkrijging van eene bijzondere genade' (9,7 x 6 cm, exclusief kanten randje; 's-Hertogenbosch: J. Mulder-Herzet, impr. 1892); 6 foto van het aangeklede mirakelbeeld, onder de foto 'Ware afbeelding der Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch'; keerzijde 'Gebed tot de Zoete Lieve Vrouw (Volgens den H. Alphonsus)' (10,5 x 6,7 cm; impr. 1903); 7 foto van het aangeklede Mariabeeld met hetzelfde onderschrift als bij nr. 6; keerzijde 'Gebed tot de Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch' (10,6 x 6,3 cm; impr. 1925); 8 dezelfde voorzijde als nr. 7; keerzijde 'Volkslied ter eere van de Zoete Moeder' (10 x 6,3 cm; 's-Hertogenbosch: 'G. Mosmans Zoon); 9 tekening van mirakelbeeld met mantel, met achter Maria een stralende zon en onder haar de St. Jan, onderschrift 'Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch, bid voor ons'; keerzijde 'Gebed tot de Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch' (10,7 x 6,3 cm; impr. 1925; 'Alleenverkoop: Fa. J. Veneman, 's-Hertogenbosch'); 10 foto van het aangeklede mirakelbeeld; keerzijde 'Gebed tot de Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch' (9,5 x 6 cm; 's-Hertogenbosch: Fa. J. Veneman; impr. 1925); 11 als nr. 10, maar zonder vermelding van drukker; op beeldzijde onderschrift 'Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch Bid voor ons'; 12 als nr. 10, met op keerzijde 'Gebed tot de Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch' ('s-Hertogenbosch: G. Mosmans & Zoon; impr. gebed 1948); 13 foto van het beeld zonder mantel; keerzijde 'Gebed tot de Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch' en informatie over de Broederschap (9,1 x 5,8 cm); 14 tekening van Maria en Kind met mantel, onderschrift 'Zoete Lieve Vrouw van den Bosch, bid voor ons'; keerzijde hetzelfde als nr. 13 (9,1 x 5,8 cm); 15 silhouetprentje van de Zoete Lieve Vrouw, in tekstrol boven het beeld 'Heilige Maria Bid voor Ons' (12 x 9,2 cm; 's-Hertogenbosch: 'P. Scheefhals); 16 ingekleurde tekening van Maria met Kind zonder mantel, in een gotische spitsboog, met aan weerszijden een kandelaar met kaars, onderschrift 'Zoete Moeder v.d. Bosch. B.V.O.'; keerzijde herinneringstekst aan priesterwijding van Ant. Corvers te 's-Hertogenbosch in 1942 (10,6 x 7,6 cm); 17 foto van het beeld zonder mantel, onderschrift 'Ware afbeelding der Zoete L. Vrouw van 's Hertogenbosch'; keerzijde beschrijving van het beeld (11,7 x 5,8 cm; 'Drukkerij St. Augustinus, Brugge' en 'Desclée, De Brouwer et Soc.'); 18 tekening van Maria en Kind met mantel op een wolk boven de stad 's-Hertogenbosch, achter de wolk links de midden- en rechts de westtoren van de St. Jan (12 x 7,5 cm; 'E.v.A. 94'); 19 foto van het mirakelbeeld ten halve, met onderschrift 'O.L. Vrouw van Den Bosch, Bid voor ons'; keerzijde 'Openingsgebed voor de bijeenkomsten van de Boerinnenbond van de N.C.B.' (10,5 x 7,3 cm; impr. 1950); 20 foto van het mirakelbeeld ten halve, met onderschrift 'Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch, b.v.o.'; keerzijde 'Congresgebed' bij gelegenheid van het Diocesaan Maria Congres van 1953 (9,5 x 5,9 cm).
- Bedevaartvaantjes: Deze zijn voor 's-Hertogenbosch pas bekend vanaf het begin van de 20e eeuw. Van der Linden (1988) onderscheidt zes verschillende vaantjes, maar er zijn er meer geweest: 1 ontwerp van Dorus Hermsen (1871-1931); 2 vaantje, roodkleurig (h. 22,5 cm, b. 45 cm) met links langs de hoogtelijn de tekst 'De ware afbeelding der Zoete Lieve Vrouwe van Den Bosch', daarnaast het beeld van Maria (met kroon) en haar Kind (zonder kroon), in haar rechterhand houdt zij een appel; langs de schuine zijde een rozensnoer, het middengedeelte wordt gevuld met een afbeelding van de St, Jan, daarboven nogmaals Maria in een cirkel en het rondschrift 'Hetzelfde beeld dat van 1630 tot heden omkleed is', in de scherpe hoek (rechts) het stadswapen, rechts aan de basis: 'Eigendom van Dr. C.F.Xav. Smits, - Namaak en nadruk verboden' (Tilburg, KUB, Brabant-Collectie); 3 gelijkend vaantje, maar nu draagt ook het Kind een kroon en houdt Maria een scepter in haar rechterhand, een hart straalt op de mantel van moeder en Kind (h. 23 cm, b. 43 cm; 's-Hertogenbosch-Amsterdam-'s Gravenhage: C.N. Teulings); op de keerzijde 'Geschiedkundige tekst over het wonderbeeld van 1300 tot 1918' en 'Volkslied ter ere van de Zoete Lieve Vrouw van den Bosch'; 4 vaantje, veelkleurige steendruk (Frans van Valderen 1930) met op de achterzijde gegevens over het wonderbeeld en de broederschap en op de voorzijde behalve de afbeelding van het wonderbeeld en de St. Jan nog de wapenschilden van de St. Jan en de stad 's-Hertogenbosch (afb. Van der Linden, p. 14); 5 vaantje, veelkleurige steendruk (h. 20,2 cm, b. 39,5 cm; 's-Hertogenbosch: Druk. Teulings) met afbeelding van het wonderbeeld en de St. Jan, over de hele basis in een banderol 'Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch bid voor ons', blauw gestreepte randen, op de rugzijde het lied (afb. Van der Linden, p. 136); 6 vaantje, veelkleurendruk met het wonderbeeld en op de achtergrond een aantal daken van huizen en de St. Jan, voorts enkele wapenschilden en bloemmotieven, op de gele rand: 'Ad Jesum per Mariam', 'Sub tutela Matris', 'Gedachtenis a.d. Z.L. Vrouw van Den Bosch' (Tilburg, KUB, Brabant-Collectie); 7 hetzelfde vaantje, maar zonder kleur (Tilburg, KUB, Brabant-Collectie); 8 vaantje, veelkleurendruk van afwijkend type: gelijkbenige driehoek (zijde 33,2 cm), rode rand met onderbroken blokjes, afbeelding van het wonderbeeld en de St. Jan, met onderschriften: `O.L.Vrouwe v.d. Bosch / Basiliek St.Jan'; 9 idem, met onderschrift 'Zoete Lieve Vrouw - Baseliek [sic] - St. Jan Station'.
- Ansichtkaarten: in de loop van de tijd zijn ook tal van ansichtkaarten met het wonderbeeld vervaardigd.
Bronnen en literatuur Archivalia: 's-Hertogenbosch, archief van de kathedrale kerk van St. Jan de Evangelist, inventaris in voorbereiding, ms. Mirakelboek (afschriften: Archief van het Bisdom van 's-Hertogenbosch, ongeïnventariseerd, afschrift 17e eeuw. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, ms. 3856 en 20598, gedeeltelijke afschriften 17e eeuw; ibidem, ms. 14126, gedeeltelijk afschrift 18e eeuw; Bibliotheek Katholieke Universiteit Brabant te Tilburg, KHS C26, afschrift 1842; Franse vertaling uit de 17e eeuw: Bibliothèque Nationale Parijs, Nouv. Acq. Franç. 4203). 's-Hertogenbosch, bisdomarchief: dossier 'Varia betreffende het Wonderbeeld der Zoete Moeder' en kapittelarchief St. Jan te 's-Hertogenbosch (geen inventaris). 's-Hertogenbosch, archief van de Illustere Lieve Vrouwebroederschap (gedeeltelijke toegang via catalogus van P.K. van der Does de Beij uit 1874). 's-Hertogenbosch, gemeentearchief: collectie Mosmans. Tilburg, KUB: Brabant-collectie, bedevaartvaantjes.
Tekstedities: H. Hens, H. van Bavel, G.C.M. van Dijck & J.H.M. Frantzen ed., Mirakelen van Onze Lieve Vrouw te 's-Hertogenbosch 1381-1603. Transcriptie, annotatie en inleiding (Tilburg: Zuidelijk Historisch Contact, 1978). Een Latijnse vertaling van het mirakelboek werd uitgegeven door de Bossche jezuïet Otho Zylius, Historia miraculorum B. Mariae Silvaducensis iam ad D. Gaugerici Bruxellam translatae (Antwerpen: Plantijn-Moretus, 1632). Zie voor een Franse vertaling van een aantal mirakelen: Doux tronc de vigne distillant les miracles de Notre Dame la Mere de Douçeur premierement exposée à Bois-le ducq, dans l'Eglise Cathedrale de Saint-Jean, et maintenant refugée à Bruxelles en l'Eglise des Chanoines Reguliers de Coberges (Brussel: Hubert Anthoine Velpius, 1665). Een Nederlandse ver-taling: Otho Zylius, Verhaal van eenige hemelsche gunsten, bekomen door de vereering van het beeld van O.L.V., Moeder van Zoetigheid in de hoofdkerk van St. Jan Evangelist te 's-Hertogenbosch ('s-Hertogenbosch: Mosmans, 1878); een Nederlandstalige bloemlezing: H. Beex, Vertellingen uit het Mirakelboek. De wonderverhalen van de Zoete Lieve Vrouw van 's-Hertogenbosch ('s-Hertogenbosch: Bisdomblad, 1978). Voorts: G.M. van der Velden, 'Kroniek werpt nieuw licht op het beeld van "Onse-Lieve-Vrouwe-der-soetichijt"', in: Bisdomblad (15 mei 1998) p. 10, uitvoerige vermelding van de vondst van het beeld in de 'Sint-Geertruikroniek', bewaard in het archief van de Abdij van Berne. P. Meurkens ed., De dagboeken van P.N. Panken 1819-1904. Memorieboek van een Brabantse schoolmeester, 6 dln. (Eindhoven: Kempen, 1993-1998) dl. 2, p. 74 (1865), dl. 5, p. 97 (1891).
Literatuur: Augustinus Wichmans, Brabantia Mariana tripartita (Antwerpen: Cnobbaert, 1632); J.J. Courvoisier, Le sacré bocage de Nostre Dame de Boisleduc , où par huict arbres & plantes singulieres sont representées en huict divines paralleles, les grandeurs & les merveuilles de la tres-saincte Vierge Marie, mere de Dieu (Brussel: Godefroy Schoevarts, 1645); W. Gumppenberg, Atlas Marianus sive de imaginibus deiparae per orbem christianum miraculosis, dl. 1 (Ingolstadt: G. Haenlin, 1657) p. 163-167; W. Gumppenberg, Marianischer Atlass, von Anfang und Ursprung zwölffhundert Wunderthätiger Maria-Bilder, dl. 4 (München: Sebastian Rauch, 1673) p. 4-6, nr. 904; J.F. Foppens, Historia Episcopatus Silvaducensis (Brussel: F. Foppens, 1721) p. 107, 136; J.G. Swaving, Galerij van Roomsche beelden, of Beeldendienst der XIXe eeuw (Dordrecht: Bluss� & Van Braam, 1824) p. 170-172; C.R. Hermans, Geschiedkundig mengelwerk over de provincie Noord-Braband, dl. 2 ('s-Hertogenbosch: Demelinne, 1841) p. 50-76 en 122-139, over het Illustre Vrouwe Broederschap; Een woord bij gelegenheid der herstelling van het miraculeuse beeld van O.L. Vrouw te 's-Hertogenbosch (St. Michelsgestel: Instituut voor Doofstommen, 1854); reactie daarop in: De Protestant 12 (1854) p. 321-341 en 13 (1855) p. 33-43 en p. 336-351; 'Het Maria-beeld te 's Hertogenbosch en dat te Antwerpen', in: De Fakkel. Protestantsch volksblad 8, nr. 19 (11 mei 1855); 'Waarom ontlast het "miraculeuse beeld" van O.L.V. van den Bosch de omstreken dier stad niet van het overvloedige water', in: De Fakkel. Protestants volksblad 8, nr. 34 (24 augustus 1855); J.C.A. Hezenmans, De St-Jans-kerk te 's-Hertogenbosch en hare geschiedenis ('s-Hertogenbosch: Mosmans, 1866); 'Het monument des Aartsbisschops Joannes Zwijsen in de hoofdkerk te 's Hertogenbosch', in: Katholieke Illustratie 1 (1868) p. 341-343; L.H.C. Schutjes, Geschiedenis van het bisdom 's Hertogenbosch, dl. 4 (St. Michielsgestel: Instituut voor Doofstommen, 1873) p. 213-216 en 789-804, 'Wonderdadige genezingen en gunsten door de voorspraak der Zoete Lieve Vrouw van den Bosch verkregen', alfabetisch overzicht op plaatsnamen, op basis van het werk van Zylius; J.C.A. Hezenmans, 'O.L. Vrouw van den Bosch', in: Maria's Heiligdommen. Nederland en België ('s-Hertogenbosch: De Katholieke Illustratie, ca. 1880) p. 4-34; Neerlandica Catholica of Het Katholieke Nederland. Ter herinnering aan het Gouden Priesterfeest van Z.D. Paus Leo XIII (Utrecht: P.W. van de Weijer, 1888) p. 458; F.M.A. Arnolds, Bossche Legenden en Verhalen, dl. 1 ('s-Hertogenbosch: Stokvis en zoon, 1890) p. 90-117; A.B. & L.O, Meimaand der Genade-Oorden, of Maria's Grootheden, Leven en Bevoorrechte Heiligdommen etc. (Cuyk: Jos.J. van Lindert, 1896) p. 28-31, 36-38, 43-45, 49-52; Gouden jubelfeest 1853-1903. Terugkeer van het wonderbeeld der Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch ('s-Hertogenbosch, 1903); E.J., 'De Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch. Op Haar Gouden Jubilé, in: Katholieke Illustratie 37 (1903) p. 410-411 en 414-415; J. Kalf, De katholieke kerken in Nederland (Amsterdam: Van Holkema & Warendorf, 1906) p. 359-373; C.-F.X. Smits, De Kathedraal van 's Hertogenbosch (Brussel/Amsterdam: Vromant & C / E. van der Vecht, 1907) p. 20-27; J.A.F. Kronenburg, Maria's Heerlijkheid in Nederland dl. 6 (Amsterdam: Bekker, 1909) p. 236-283; P. Goulmy, 'De Illustre Lieve Vrouwe Broederschap', in: Katholieke Illustratie 45 (1911) p. 538-542; J.P.W.A. Smit, 'De overdracht van het beeld der Zoete Lieve Vrouwe van 's-Hertogenbosch aan Prelaat en Kanunniken regulier der Abdij van St. Jacobs opt Caudenberg te Brussel', in: Taxandria 20 (1913) p. 186-193; Wilhelmina Brouns-Van Besouw, 'De Zoete Lieve Vrouwe van Den Bosch', in: Katholieke Illustratie 50 (1916) p. 514-515; 'Het katholieke 's-Hertogenbosch huldigt de Zoete Lieve Vrouwe van Den Bosch', in: Katholieke Illustratie 50 (1916) nr. 41, fotorapportages b.g.v. 50 jaar 'Mannenomgang'; V. Cleerdin, 'Het gouden feest der herleving van den Bosschen Omgang', in: Katholieke Illustratie 50 (1916) p. 597-599, met schetsen van Herman Moerkerk; P. van de Ven, 'De Stille Omgang ter eere der Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch', in: Carmelrozen 5 (1916) p. 66-70 en 113-119; 'Omgang te 's-Hertogenbosch', in: De Amsterdammer, 22 juli 1916, met tekening van Is. van Mens; Th. Goossens, 'Het beeld der Zoete Moeder te 's-Hertogenbosch', in: Bossche Bijdragen 2 (1918-1919) p. 237-284; M.L. Bertrand, Onze Lieve Vrouw van Den Bosch. Geschiedenis van het miraculeuze beeld en zijne vereering ('s-Hertogenbosch: Mosmans, 1921); L. van Miert, 'Wat Marina van Escobar over O.L. Vrouw van Den Bosch schreef', in: Sint-Jansklokken 3 (1925) p. 221; 'De plechtige Omgang ter eere van de Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch', in: Katholieke Illustratie 62 (1928) p. 968-969, fotorapportage b.g.v. de 75e verjaardag van de terugkeer van het beeld in 's-Hertogenbosch; F.J. van Lanschot e.a., De St. Janskerk te 's Hertogenbosch door vrienden van het bouwwerk, met teekeningen van Huib Luns (Maastricht: Gebroeders van Aelst, 1929); J. Mosmans, De St. Janskerk te 's-Hertogenbosch ('s-Hertogenbosch: Mosmans, 1931); H.J.M. Ebeling, 'Pelgrimstochten op Nederlandschen bodem VIII. De Lieve Vrouwe Ommegang te 's-Hertogenbosch', in: Katholieke Illustratie 67, nr. 41 (12 juli 1933) p. 886-887; J.R.W. Sinninghe, Noord-Brabantsch sagenboek (Scheveningen: 'Eigen Volk', [1933]) p. 185-187; Rie Sinninghe-Steenbergen, 'Van oude steden, torens en verhalen 8. Den Bosch', in: Katholieke Illustratie 68 (21 oktober 1934) p. 354-355; V. van Wijk, De naam Maria. Over zijn betekenis en velerlei vormen, zijn verspreiding en vereering (Leiden: E.J. Bril, 1936) p. 114-115; F. van Hoeck, 'Uit de geschiedenis van het Bossche Jezuïetencollege', in: Bossche Bijdragen 14 (1936-1937) p. 202; J. Kuypers, Lieve Vrouwkes van Brabant of eenen krans van Maria-Legenden (Maastricht-Vroenhoven: Ernest van Aelst, 1940) p. 71-79; 'De Zoete Lieve Vrouw van 's-Hertogenbosch', in: Franciscaans leven 36 (1953) p. 126; P. Adrianus o.f.m.cap., Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch ('s-Hertogenbosch: G. Mosmans Zoon, 1953); H. Beex, 'De geschiedenis van de Bossche Maria-Omgang', in: De Maasbode, 2 juli 1953; Het Huisgezin. Extra nummer Diocesaan Maria Congres (3 juli 1953); 'Honderd jaar geleden keerde de Zoete Lieve Vrouw terug', in: Katholieke Illustratie 87 (1953) p. 1156-1157; 'De plechtige omgang schoner dan ooit tevoren', in: Katholieke Illustratie 87 (1953) p. 1200-1201; 'Mariahulde in het Bossche stadion. Een hoogtepunt in de viering van het Mariajaar', in: Katholieke Illustratie 88 (4 september 1954) p. 1694-1695; E. van Autenboer, 'Ommegangen in het Noorden van het oude Hertogdom Brabant (vóór 1600)', in: Taxandria, nieuwe reeks 35 (1963) p. 119-121; W.H.Th. Knippenberg, Kultuurhistorische verkenningen in de Kempen III. Oude pelgrimages vanuit Noord-Brabant (Oisterwijk: Stichting Brabants Heem, 1968) p. 32; G.C.M. van Dijck, De Bossche Optimaten. Geschiedenis van de Illustere Lieve Vrouwebroederschap te 's-Hertogenbosch (Tilburg: Zuidelijk Historisch Contact, 1973); M. van der Plas & J. Roes, De kerk gaat uit. Familiealbum van een halve eeuw katholiek leven in Nederland (Bilthoven: Ambo, 1973) p. 18; H. Brabers e.a., Onze Lieve Vrouwkes van Brabant ('s-Hertogenbosch: Bibliotheek van het Provinciaal Genootschap, 1977) p. 27-31; P.-J. van der Heijden, De beeweg ('s-Hertogenbosch: Kring Vrienden van 's-Hertogenbosch, 1977); J. van Herwaarden, Opgelegde bedevaarten. Een studie over de praktijk van het opleggen van bedevaarten (met name in de stedelijke rechtspraak) in de Nederlanden gedurende de late middeleeuwen (ca 1300 - ca 1550) (Assen/Amsterdam: Van Gorcum, 1978) passim, zie register, p. 772; H. Hezemans, De gebroeders Hezenmans (Zundert: Vorsselmans, 1978) p. 43 en 47; L.J.A. van de Laar, 'De opkomst van de Reformatie in 's-Hertogenbosch c. 1525-1565', in: Archief voor de geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland 20 (1978) p. 114-141; Beeld van genade. Feestgave voor de Zoete Lieve Vrouwe van Den Bosch bij gelegenheid van het 125e herdenkingsjaar van de terugkeer van het genadebeeld (Hilversum: Gooi en Sticht, 1979), hierin met name H. Beex, 'De "Lieve, Ghebenedide, Ghenedige, Suete Moeder Mariën"', p. 203-210, J. Peijnenburg, 'De terugkeer van het Lieve Vrouwebeeld in de Kathedrale Basiliek van St. Jan', p. 211-218, W. Knippenberg, 'De Zoete Moeder in de volksverering', p. 219-226, en J. Lescrauwaet, 'Volksvroomheid rond de Zoete Lieve Vrouw', p. 227-233; J.-J. Antier, De pelgrimage weer ontdekt. In het Nederlands vertaald, ingeleid en wat de Benelux betreft aangevuld door Th.G.A. Hendriksen, bisschop (Utrecht: Zaken die God raken, [1980]) p. 358-360; R. van de Laar, 'De stadscomme in de St. Janskerk', in: Vriendenboek stadsarchivaris Kuyer. Aangeboden aan drs. P.Th.J. Kuyer, archivaris van 's-Hertogenbosch, bij zijn pensionering ('s-Hertogenbosch: z.n., 1980) p. 137-154; J. Schellekens & J. van de Knaap-van den Eerenbeemt, Wees Gegroet. Verhaal en meditatie bij O.L. Vrouw van Den Bosch ('s-Hertogenbosch: Broederschap van O.L. Vrouw van Den Bosch, 1980); P. Terpstra, Maria de Heilige Maagd. Leven, verschijningen, legenden, mirakelen (Leeuwarden: M.A. van Seijen, [ca. 1980]) p. 402-413; M. Carasso-Kok, Repertorium van verhalende historische bronnen uit de middeleeuwen. Heiligenlevens, annalen, kronieken en andere in Nederland geschreven verhalende bronnen ('s-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1981) p. 72-73; P.J. Margry, Bedevaartplaatsen in Noord-Brabant (Eindhoven: Bura Boeken, 1982) p. 154-161; Voorwerpenlijst tentoonstelling 'Vroomheid per dozijn' (Utrecht: Rijksmuseum Het Catharijneconvent, 1982) p. 3 en 11; P.J. van der Heijden e.a. ed., Ach Lieve Tijd, dl. 7. 800 jaar Den Bosch, de Bosschenaren en hun Sint-Jan (Zwolle: Waanders, 1983); D. Pesch, Wallfahrtsfähnchen. Religiöse Druckgrafik (Keulen: Rheinland-Verlag, 1983) p. 396-397; C.J.M. Free, De bedevaart naar de Zoete Lieve Vrouw ('s-Hertogenbosch: z.n., 1984); C.J.M. Free, De bedevaart naar de Zoete Lieve Vrouw van 's-Hertogenbosch (Den Bosch: doctoraalscriptie Godsdienstwetenschappen Utrecht, 1984; 31 pp.); C. Peeters, De Sint Janskathedraal te 's-Hertogenbosch ('s-Gravenhage: Staatsuitgeverij, 1985) passim; Brabants Goud. Sieraden, goud, zilver en kunstwerken geschonken aan de Lieve Vrouwen van Brabant (Valkenswaard: Museum van Gerwen-Lemmens, 1986) p. 12-15; W. Adriaanse e.a., De ramen van de St. Janskathedraal te 's-Hertogenbosch ('s-Hertogenbosch: Commissie Zomertentoonstelling Sint Jan, 1987) p. 122-125; R.M. van Heeringen, A.M. Koldeweij & A.A.G. Gaalman, Heiligen uit de modder. In Zeeland gevonden pelgrimstekens (Utrecht: Clavis / Zutphen: De Walburg Pers, 1987) p. 76-80; A. Baur e.a., Leven met de Moeder van de Heer. Geloofsboek over Maria (Oegstgeest: Stichting R.K. Voorlichting, 1987; tweede druk 1989) p. 108; G. Prinsen & H.P.M. Heruer, Mariajaar 1987-1988 (Oegstgeest: Stichting R.K. Voorlichting, 1987) p. 21 en 25; J. Peijnenburg, 'Mirakelboek van St Jan niet het enige origineel dat in Den Bosch ligt', in: Bisdomblad (25 september 1987) p. 12; I. Platel & P. van Zoest, Steek dan voor mij ook een kaarsje op. Onze Lieve Vrouw in het bisdom Den Bosch ('s-Hertogenbosch: Afdeling Pers & Publiciteit van het bisdom 's-Hertogenbosch, 1987) p. 10-17; 'Bossche Zoete Lieve Vrouw in een eigentijdse mantel', in: Bisdomblad (16 september 1988) p. 4; R. van der Linden, Maria-bedevaartvaantjes. Verering van Onze-Lieve-Vrouw op 1175 vaantjes (Brugge: Tabor, 1988) p. 14, 135-136; J. ter Schure, 'De Mariaverering in onze stad', in: Bisdomblad (5 mei 1989) p. 3; 'Maria uit de Lepelstraat heeft weer 'n eigen kapel', in: Bisdomblad (5 mei 1989) p. 4; C. Free & P.-J. van der Heijden, De Maria-omgang en het beeld in de Lepelstraat ('s-Hertogenbosch: Stichting Den Bosch in mei, 1989); A.M. Koldeweij, In Buscoducis, 1450-1629. Kunst uit de Bourgondische tijd te 's-Hertogenbosch. De cultuur van late middeleeuwen en renaissance (Maarssen etc.: Gary Schwartz/SDU, 1990); L.C.B.M. van Liebergen e.a., Volksdevotie. Beelden van religieuze volkscultuur in Noord-Brabant (Uden: Museum voor Religieuze Kunst, 1990) p. 143-144 en 147; B. Borchert, 'Herzogenbusch', in: R. Bäumer & L. Scheffczyk ed., Marienlexikon, dl. 3 (St. Ottilien: Eos Verlag, 1991) p. 171; J. Schellekens & J. van de Knaap-van den Eerenbeemt, Ruimte voor ontmoeting. Verhaal en meditatie bij O.L. Vrouw van Den Bosch 2 ('s-Hertogenbosch: Broederschap van Onze Lieve Vrouw van Den Bosch, 1992); A. Toelen, Geloof in gips. Massaproducten van religieuze voorstellingen, 3 dln. (Nijmegen: doctoraalscriptie KUN, 1992); P. Nadorp, 'Een nalopende geschiedenis. Over de religieuze betekenis van pelgrimstochten, in casu de Pax Christi-voettochten Den Bosch', in: Jaarboek Katholiek Documentatiecentrum 22 (1992) 131-147; A.M. Koldeweij, 'Onder een Sint-Jan met drie torens. Pelgrimstekens uit 's-Hertogenbosch', in: Wim Denslagen ed., Bouwkunst. Studies in vriendschap voor Kees Peeters (Amsterdam: Architectura & Natura Pers, 1993) p. 305-315; H.J.E. van Beuningen & A.M. Koldeweij, Heilig en profaan. 1000 laatmiddeleeuwse insignes uit de collectie H.J.E. van Beuningen (Cothen: Stichting middeleeuwse religieuze en profane insignes, 1993) p. 58-63 en 221-224; G. Verhoeven, 'Dat beghinsel van onser Vrouwen. Het ontstaan van de cultus van Onze Lieve Vrouwe van 's-Hertogenbosch', in: J.A.F.M. van Oudheusden e.a. ed., Ziel en zaligheid in Noord-Brabant. Vijfde verzameling bijdragen van de Vereniging voor de Nederlandse Kerkgeschiedenis (Delft: Eburon, 1993) p. 40-60; J.M.M. van de Ven, Over Brabant geschreven. Handschriften en archivalische bronnen in de Tilburgse Universiteitsbibliotheek, dl. 2. Jonge handschriften en archivalische bronnen (Leuven: Peeters, 1994) p. 148-149; Leonie Docter, '"Een moment van bezinning". Meer dan duizend processiegangers door centrum Den Bosch', in: Brabants Dagblad [editie voor 's-Hertogenbosch, Rosmalen, Vught en Berlicum] (maandag 15 mei 1995); M. van Rossem, 'Samen onderweg naar de Zoete Moeder. Groep Paulus-parochianen uit Oss te voet naar Onze Lieve Vrouw', in: Brabants Dagblad [editie voor 's-Hertogenbosch, Rosmalen, Vught en Berlicum] (maandag 15 mei 1995); J.W.M. Peijnenburg, Joannes Zwijsen, bisschop, 1794-1877 (Tilburg: Stichting Zuidelijk Historisch Contact, 1996) p. 251-254; P.J.A. Nissen, 'Het Rijke Roomse Leven', in: H.F.J.M. van den Eerenbeemt ed., Geschiedenis van Noord-Brabant, dl. 2. Emancipatie en industrialisering 1890-1945 (Amsterdam/Meppel: Boom, 1996) p. 322, 324; G. Elias & B. Stienaers, Bedevaarten. Voor pelgrim en toerist (Roeselare: Globe / Baarn: De Fontein, 1997) p. 144-145; Ch. de Mooij, 'Aanwinst. Pelgrimsinsignes. Relicten van religie en reislust', in: Noordbrabants Museumnieuws nr. 50 (juni 1997) p. 8-9; R. Peeters, '"Ter eeren Gods ende der sielen te laeffenis een bedevaert gaen". Tilburgse bedevaarten in en vanuit Tilburg', in: H. van Doremalen, R. Peeters & T. Thelen ed., Godsvrucht en deugdzaamheid. Godsdienst en kerk in Tilburg door de eeuwen heen (Tilburg: Gianotten, 1997) p. 132-133; C. Staal & M. Wingens, Bedevaarten in Nederland (Zutphen: Walburg Pers, 1997) p. 19-22, 34-36 en 83-102; A. Vos e.a. ed., 's-Hertogenbosch. De geschiedenis van een Brabantse stad 1629-1990 (Zwollle: Waanders /'s-Hertogenbosch: Stadsarchief 's-Hertogenbosch en Boekhandel Adr. Heinen, 1997) p. 241-242, 250, 382 en 411-412; A.M. Koldeweij, 'Pelgrimstekens in en uit 's-Hertogenbosch', in: Signum 10 (1998) p. 13-17; A.M. Koldeweij, 'Vroomheid in tin en lood. Bossche pelgrimsinsignes als historische bron', in: Brabants heem 50 (1998) p. 52-61; E.A., 'Meimaand Mariamaand', in: Katholiek Nieuwsblad (15 mei 1998); Marjolijn Kuip, 'Het Bossche mirakelboek in kaart gebracht', in: Inbrabant 3 (juni 2010) p. 20-35; Maarten van Boven, Het Brabant Boek (Zwolle: WBooks, 2011) p. 68.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier 's-Hertogenbosch-Zoete Lieve Vrouw; Meertens Instituut knipselarchief, rubriek bedevaarten en processies (K 150); Meertens Instituut volkskundige vragenlijst 23 (1959) en 64a (1993); Stadsarchief 's-Hertogenbosch, knipsel- en documentatiearchief, dossier 381.5, 7.071, 92; Utrecht, Stichting Kerkelijk Kunstbezit in Nederland: inventarislijst 1978-1979, beschrijving ex-voto's; Nijmegen, Katholiek Documentatie Centrum-KliB bedevaartfoto's Margry (1981); Filmarchief Rijksvoorlichtingsdienst, Polygoonjournaal 11 februari 1940 (Pelgrims maken een boetetocht voor de vrede), Polygoonjournaal 14 juli 1940 (De stille bedetocht van Den Bosch); Filmarchief NOB, NTS-journaal 11 maart 1958 met Wielerbedevaart naar St. Janskathedraal in Den Bosch; Collectie 'Zoete Lieve Vrouw' van A.J. Bomans, opgenomen in BiN-dossier (acquisitie 2012).
  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<