Hertogenbosch, Heilig Kruis

Cultusobject: Heilig Kruis
Datum: Vrijdagen
Periode: 15e/16e eeuw (?) - ca. 1843
Locatie: H. Kruiskapel bij het augustinessenklooster van St. Geertrui; schuilkerk in de Verwersstraat; schuilkerk Achter de Tolbrug
Adres: -
Gemeente: 's-Hertogenbosch
Provincie: Noord-Brabant
Bisdom: 's-Hertogenbosch
Samenvatting: In de Bossche H. Kruiskapel zouden dankzij een reliek van het H. Kruis verschillende wonderen zijn geschied. De kapel bleek als gevolg daarvan in het eerste kwart van de 17e eeuw bedevaartgangers te trekken. Na 1629 kwam daaraan een einde. De kruisrelieken werden in de 18e eeuw door bedevaartgangers vereerd in een Bossche schuilkerk. Daar bevond zich ook een groot kruisbeeld dat eveneens werd vereerd. Na sluiting van deze kerk werd de kruisverering verplaatst naar een andere schuilkerk, die in 1843 na de ingebruikneming van de nieuwe St. Pieterskerk werd afgebroken. Rond die tijd zal er een einde zijn gekomen aan de verering van de kruisrelieken en het kruisbeeld.

Auteur: Adriaan Monna
Illustraties:
Topografie - Volgens Wichmans (1632) was naast het St. Geertruiklooster, dat gelegen was aan de huidige Pastoor de Kroonstraat in het centrum van 's-Hertogenbosch, een Heilig Kruiskapel gelegen. De precieze ligging van deze kapel, die vermoedelijk reeds bestond in 1362, is niet bekend. Na de inname van 's-Hertogenbosch door Frederik Hendrik in 1629 is de kapel buiten gebruik geweest tot zij in 1645 werd toegewezen aan de gereformeerden. De inventaris is geheel of gedeeltelijk in het St. Geertruiklooster terechtgekomen.
- Achter een huis in de Verwersstraat bevond zich een schuilkerk van de jezuïeten, het zogenaamde 'houte kerkske'. Dit kerkje, waarvan de precieze ligging niet bekend is, had een uitgang in de Lange Putstraat. Reeds in 1655 blijkt hier een bedehuis te bestaan. In 1720 moesten de jezuïeten de stad verlaten. Het kerkje bleef echter ook na die tijd in gebruik, vermoedelijk tot 1755/56. Nog in 1769 is er sprake van het 'Kerkhuis in de Putstraat'.
- Ook de schuilkerk Achter de Tolbrug, die eveneens werd bediend door jezuïeten, bestond reeds in 1655. Dit bedehuis werd in 1732 gesloten na de verbanning van de laatste jezuïet. In 1745 werd het door de plebaan van de St. Jan, die tevens functioneerde als pastoor van de St. Pietersparochie, als parochiekerk in gebruik genomen. Deze situatie duurde voort tot 1843, toen de nieuwe St. Pieterskerk gereed kwam. Deze was vrijwel op dezelfde plek gelegen als de schuilkerk, die vervolgens werd afgebroken.
Cultusobject - In de H. Kruiskapel werd een kruisreliek vereerd. Ook in de twee 18e-eeuwse schuilkerken vormden kruisrelieken het object van verering. In de Bouwloods van de St. Jan bevinden zich twee reliekhouders waarvan de herkomst uit de St. Pieterskerk vaststaat. De grootste reliekhouder, in de vorm van een kruis en vervaardigd van zilver en koper, is 97 cm hoog en 56 cm breed. Het kruis steunt op een voet met koper- en zilverbeslag, die een hoogte heeft van 27 cm. Er zijn twee inscripties: achter het corpus staat 'R[eliquiae] S. Crucis'; op de voet van het kruis 'May 1774'. Er zijn enkele merken aangebracht, onder meer twee wapens en naast elkaar, als een soort meesterteken, de letters P A B. Het gaat hierbij om losse slagletters. De A staat op zijn kop. De maker is echter onbekend. Dit reliekkruis, waaruit de relieken zijn verwijderd, is gezien het jaartal 1774 vermoedelijk vervaardigd voor de kerk Achter de Tolbrug. Later werd het overgebracht naar de St. Pieterskerk, waar het heeft gestaan op het tabernakel van het zijal-taar.
- De andere reliekhouder, met een hoogte van 52 cm en een breedte van 25 cm, is vervaardigd van hout met daarop zilveren platen en heeft eveneens een kruisvorm. Blijkens het meesterteken IVG is de voet vervaardigd door J. van Gemert, die van 1833 tot 1847 werkzaam was in 's-Hertogenbosch. Deze voet dateert gezien de jaarletter G uit 1841 en zal dus wel zijn vervaardigd ten behoeve van de twee jaar later voltooide St. Pieterskerk. Het kruis zelf, waarop geen zilvermerken zijn aangebracht, is 23 cm hoog en 25 cm breed. Waarschijnlijk dateert het uit de 18e eeuw. Mogelijk is het identiek met het 'silver cruysken' dat wordt vermeld in de hieronder genoemde inventarislijst van de schuilkerk in de Verwersstraat uit het tweede kwart van de 18e eeuw. Ook uit dit kruis is de reliek verwijderd.
- In deze kerken werd ook een kruisbeeld vereerd met daaraan een 'levensgroot' beeld van Christus. Daaronder was een 'levensgroot' beeld van de gestorven Christus gelegen. Deze beelden moeten in 1843 zijn overgebracht naar de St. Pieterskerk. Het kruisbeeld is vermoedelijk verloren gegaan bij de oprichting van een H. Kruisweg in deze kerk. Het beeld van de gestorven Christus moet identiek zijn met een beeld van een liggende Christusfiguur dat zich daar bevond tot aan de buitengebruikstelling van de kerk in 1972. Het wordt thans bewaard in de Bouwloods van de St. Janskerk. Het houten beeld, dat ca. 1925 door J. Lelyveld bronskleurig is geschilderd, is 1,18 meter lang en 30 centimeter breed. Het dateert uit de 17e of misschien nog uit de 16e eeuw. Het is dus mogelijk dat het beeld ook reeds in de H. Kruiskapel werd vereerd. In dat geval bevond zich daar dan wellicht ook het verloren gegane kruisbeeld.
Verering - Volgens Wichmans (1632) zouden dankzij een reliek van het H. Kruis verschillende wonderen zijn geschied in de H. Kruiskapel. De kapel werd, in het bijzonder op alle vrijdagen, met grote devotie door het volk bezocht. Over de aard van deze wonderen en het tijdstip waarop deze zouden hebben plaatsgevonden, is niets naders bekend. Evenmin zijn er aanwijzingen gevonden dat deze cultus uit ⟶ Sprundel is overgenomen, zoals in de 17e eeuw werd vermoed in West-Brabant. Verdere gegevens over bedevaarten naar de H. Kruiskapel ontbreken. Na 1629 zal daaraan in ieder geval wel een eind zijn gekomen.
Na dat jaar moet de kruisreliek zijn terechtgekomen in het St. Geertruiklooster. Dit klooster werd nog tot ver in de 17e eeuw door de zusters bewoond. Mogelijk overleed de laatste zuster pas in 1703. Van een verering van de reliek in deze periode is niets bekend. De laatste rector, Jacobus de Cotereau, die afkomstig was uit de priorij Groenendael bij Brussel en in 1723 overleed, heeft bij de verkoop van het klooster de inventaris geërfd. De Cotereau heeft de kruisreliek en ook enkele beelden ten geschenke gegeven aan Cornelius Pieters, een jezuïet die meer bekend staat onder zijn schuilnaam Cornelius Boucquet.
- Boucquet bediende een schuilkerk in de Verwersstraat, het zogenaamde 'houte kerkske'. Evenals de andere Bossche jezuïeten moest hij de stad in 1720 verlaten. De kerk werd daarna bediend door een kapelaan. Soms vertoefde Boucquet zelf nog heimelijk in 's-Hertogenbosch. Pas in 1736 vestigde hij zich definitief in het nabijgelegen Bokhoven, waar hij in 1748 overleed.
Van zijn schuilkerk bestaat een inventarislijst, die nog tijdens zijn leven is opgesteld, vermoedelijk na zijn vertrek uit de stad in 1736. Behalve een Mariabeeld (⟶ 's-Hertogenbosch, O.L. Vrouw van Sint Geertrui) worden de volgende beelden genoemd die door De Cotereau aan Boucquet zijn geschonken:

'Een groot cruys met een groot beelt van Christus daaraen levensgroote. Dit beelt is van alle tyden seer vermaert, en veel duysende menschen komen alle de Vrydagen van het jaer bidden voor dit cruys en daerom moet de kercke den heelen Vrijdag open blijven tot 's avonts negen uren. Onder dit cruys light het beelt van den ghestorven Christus levensgroote'.
Voorts was er nog een beeld dat Christus voorstelt, zittend op een steen. Ook is in de inventarislijst sprake van 'reliquien van het H. Cruys, die op de Vrijdagen worden uitgestelt ter publycke veneratie', die eveneens waren geschonken door De Cotereau. Bij de opsomming van het zilverwerk wordt genoemd 'een silver cruysken waerin tot publycke eerbiedigheyt ten thoon ghestelt worden alle Vrydaghen de reliquien van het H. Cruys'.

Al lijkt een aantal van duizenden bedevaartgangers misschien overdreven, dat de schuilkerk door bedevaartgangers werd bezocht, staat wel vast.
- Na de opheffing van de schuilkerk in de Verwersstraat zijn de relieken overgebracht naar de kerk van de plebaan Achter de Tolbrug. Uit J.H. van Heurns Beschryving der geestelyke en wereldlyke gebouwen der stad, een handschrift van omstreeks 1780, blijkt dat de relieken ook daar werden vereerd. In 1801 verzocht plebaan Joannes Hoogaerts aan Antonius van Alphen, apostolisch vicaris van het oud-bisdom 's-Hertogenbosch, toestemming tot openbare verering van de kruisrelieken. Hij verwees daarbij naar de vroegere verering in de H. Kruiskapel en het kerkje van Boucquet. Op 13 juli 1801 werd zijn verzoek ingewilligd. Al beschikken wij niet over concrete gegevens over bedevaartgangers naar de kerk Achter de Tolbrug, de verering van het H. Kruis duurde voort tot aan de afbraak van de kerk. Coppens (1841) meldt dat in zijn tijd het grote kruisbeeld in het bijzonder op vrijdag werd vereerd. De relieken noemt hij niet, maar juist in 1841 werd een nieuwe voet vervaardigd voor het 18e-eeuwse zilveren reliekkruis. Twee jaar later werd de nieuwe St. Pieterskerk in gebruik genomen. Vermoedelijk is er rond die tijd een einde gekomen aan de verering van de kruisrelieken en het kruisbeeld.

Bronnen en literatuur Literatuur: Augustinus Wichmans, Brabantia Mariana tripartita (Antwerpen: I. Cnobbaert, 1632) p. 387; Oudheden, en gestichten van de bisschoppelyke stadt en meyerye van 's Hertogenbosch (Leiden: Joh. Arnold. Langerak, 1742) p. 641; J.A. Coppens, Nieuwe beschrijving van het bisdom van 's Hertogenbosch etc., dl. 2 ('s-Hertogenbosch: J.F. Demelinne, 1841) p. 197-198; L.H.C. Schutjes, Geschiedenis van het bisdom 's Hertogenbosch, dl. 4 (Sint-Michielsgestel: Instituut voor Doofstommen, 1873) p. 291-293, 338-339, 343, 387, 476-477; A.F.O. van Sasse van Ysselt, De voorname huizen en gebouwen van 's-Hertogenbosch, 3 dln. ('s-Hertogenbosch: Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-brabant, 1910-1914) dl. 1, p. 104, 113-114; dl. 2, p. 297-300; dl. 3, p. 560-568; F. van Hoeck ed., 'Eenige bijzonderheden betreffende de laatste Jezuïetenstatie te 's-Hertogenbosch', in: Bossche Bijdragen, bouwstoffen voor de geschiedenis van het bisdom 's-Hertogenbosch 8 (1926-1927) p. 144, 146-147; Voorloopige lijst der Nederlandsche monumenten van geschiedenis en kunst, dl. 10. De provincie Noordbrabant ('s-Gravenhage: Algemeene Landsdrukkerij, 1931) p. 182; M. Dykmans ed., Obituaire du monastère de Groenendael dans la Forêt de Soignes (Brussel: Paleis der Academieën, 1940) p. 162-163, 314; F. van Hoeck S.J., Schets van de geschiedenis der Jezuïeten in Nederland (Nijmegen: Dekker & Van de Vegt, 1940) p. 108-109; F. van Hoeck ed., 'Jansenistische woelingen te 's-Hertogenbosch, na de dood van de Plebaan Joannes van Kessel', in: Bossche bijdragen 20 (1950-1951) p. 84-85; P. Polman, Katholiek Nederland in de achttiende eeuw, dl. 3 (Hilversum: Paul Brand, 1968) p. 50-51; W. Koonings ed., Meestertekens van Nederlandse goud- en zilversmeden (1814-1963) (Den Haag: SDU, 1963) p. 283; J.J. Luijts, 'Onbekende tekens op een reliekkruis', te verschijnen in: De Stavelij (1998).
Overige bronnen:Meertens Instituut BiN-dossier 's-Hertogenbosch-H. Kruis; Utrecht, Stichting Kerkelijk Kunstbezit in Nederland: dossier St. Pieterskerk te 's-Hertogenbosch.

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<