Rhenen, H. Cunera

Cultusobject: H. Cunera
Datum: 12 juni (translatio); 28 oktober (dies natalis)
Periode: 14e eeuw (?) - ca. 1600
Locatie: Parochiekerk van St. Cunerakerk (thans N.H.)
Adres: Kerkplein, Rhenen
Gemeente: Rhenen
Provincie: Utrecht
Bisdom: Utrecht
Samenvatting: De oudste, zij het vage, aanwijzing voor een Cuneraverering te Rhenen stamt uit de 12e eeuw en verwijst naar een gebeurtenis die omstreeks 1016 zou hebben plaatsgevonden. In 1392 werd een Cunerabroederschap opgericht. Vooral sinds de tweede helft van de 15e eeuw is er sprake van een uitgebreide Cuneraverering te Rhenen die zich tot de reformatie heeft gehandhaafd. Na de reformatie raakten haar relieken verspreid over een aantal vereringsplaatsen in Noord-Holland, Noord-Brabant en Limburg.
Auteur: Jan van Herwaarden
Illustraties:
Topografie - De kerk van Rhenen was oorspronkelijk waarschijnlijk aan St. Pieter gewijd; in de afsluiting van de klokkentoren en op een bewaard gebleven stukje glas-in-lood is het oudst bekende wapen van Rhenen afgebeeld: de sleutel met drie torens. Pas na 1400 wordt in oorkonden van Cunera gewag gemaakt. Uit 1392 stamt de bewaard gebleven stichtingsakte van de kerkelijke St. Cunerabroederschap, op grond waarvan kan worden verondersteld dat de Cunerakerk op dat moment als zodanig al bestond. Een aflaat uit 1451 toont dat de kerk toentertijd ingrijpend werd verfraaid. De huidige kerk is gebouwd tussen 1400 en 1475 en draagt nog duidelijk het teken van Cunera, wier beeltenis het westportaal siert. De toren van de kerk werd volgens de datering aan het plafond van de torendoorgang - de hoofdingang van de kerk - tussen 11 mei 1492 en 28 mei 1531 gebouwd en volgens de overlevering voornamelijk uit de opbrengsten van de cultus gefinancierd.
- In de zuidwand van de kerk bevindt zich in een uitbouw de doopkapel. Verder is aan de noordwesthoek van de kerk een onderaardse gang die de kerk met het Rhenense Agnietenklooster verbond, zodat de agnieten ongezien de kerk konden betreden en vervolgens op een aparte tribune konden plaatsnemen. Vlakbij de doorgang van die gang naar de kerk is in de noordwand van de kerk een 'piscina' ('heilig putje') te zien, waarin onder meer restanten van geconsacreerde miswijn en hosties vermengd met wijwater werden weggespoeld naar de dodenakker van de kerk.
- De kerk werd herhaaldelijk door rampen getroffen. In 1897 werden kerk en toren zwaar door blikseminslag beschadigd. In de Tweede Wereldoorlog werd Rhenen herhaaldelijk door oorlogsgeweld getroffen, laatstelijk door een bombardement op 24 april 1945. Hierbij werd de kerk vrijwel totaal verwoest - de toren viel op het schip - zodat de restauratie letterlijk wederopbouw kan worden genoemd.
Toen de laatste luiklok in de toren was geplaatst, werd de klokkentoren afgesloten met een luik waarop van benedenaf (in het torenportaal, de ingang tot de kerk) de versregels te lezen zijn:

'Over de eeuwen heen reiken ze elkander als broeders de hand
Zo kwam ik, Cunera, in nieuwe luister tot stand'.

- Behalve de kerk zijn er, behoudens toponiemen, aan Cunera vrijwel geen concrete herinneringen meer overgebleven. Buiten de Bergpoort was er aan de oostkant van de stad een Cunerakapel op wat thans nog het Cunerabergje heet aan de zuidzijde van de Cuneralaan; deze kapel was in ieder geval in 1550 al verdwenen.
- De processie op de feestdag (12 juni) en op het octaaf daarvan voerde langs een route die ook thans nog traceerbaar is en voor een groot gedeelte nog steeds naar Cunera is genoemd. De stoet trok vanaf de Cunerakerk door de westpoort van de stad zo ongeveer langs het tracé van de huidige Utrechtsestraatweg en de Rijksstraatweg naar Elst, waar de eerste statie was. Vandaar ging het naar de Prattenburg, waar de heilige de marteldood zou hebben ondergaan, de tweede statie. Dan trok de stoet over wat thans nog de Cuneraweg heet door Achterberg langs de plek waar Cunera een tijdje gehuisvest zou zijn geweest en waarvandaan de koningin zich zou hebben neergestort, de derde statie: de plaats van de 'predicxstoel bij der Horst' waarvan de locatie thans niet meer is terug te vinden. Vervolgens toog men naar de Cunerakapel op het Cunerabergje, de plaats van de vierde statie aan de zuidzijde van de Cuneralaan, zoals de Cuneraweg vanaf de kruising met de Grebbeweg richting Rhenen heet en waar 'sunt Kuneren predicx stoel bijden Dijck' zou hebben gestaan, de plaats waar de heilige in eerste instantie begraven zou zijn geweest totdat Willibrord haar 'verhief'. Vandaar trok de processie door de Bergpoort terug naar de Cunerakerk. In 1579 werd deze processie voor het laatst gehouden.
Cultusobject - Zie voor Cunera ⟶ Amerongen.
- Het reliekschrijn van Cunera is in of rond 1600 door Joannes Ludolphi naar Den Bosch weggevoerd. Kort daarna raakten de relieken verspreid. Toen Ludolphi in 1615 overleed had hij nog een aantal relieken in bezit waaronder de wurgdoek. Een belangrijk deel van de relieken kwam in handen van de Oud Bischoppelijke Clerezie in Utrecht. Een deel daarvan is korte tijd voor 1890 verbrand. De worgdoek - een koptisch weefsel uit Egypte, dateerbaar in de 4e of 5e eeuw - bleef echter bewaard; deze wordt thans bewaard in het Museum Catharijneconvent te Utrecht, waar hij via de pastorie der oud-katholieken aan de Mariahoek te Utrecht is terechtgekomen.
- Andere relieken kwamen terecht bij onder anderen de jezuïeten te Emmerik (1602), in de St. Andrieskerk te Antwerpen (dit is een reliek van Margaretha van Parma dat via Portugal in 1633 bij de cisterciënzers van Antwerpen was terechtgekomen), in de norbertijnenabdij van ⟶ Heeswijk (waarvandaan weer enkele in 1784 in de parochiekerk aldaar terechtkwamen; dl. 2), in ⟶ Berlicum (dl. 2), in ⟶ Kaathoven (dl. 2), waar na 1623 rondom een Cunerakapel een druk bezocht vereringscentrum ontstond, en na 1648 in ⟶ Bedaf (dl. 2) bij Uden waar de Cunerakapel tot 1784 als vereringscentrum functioneerde. Voorts bevonden zich Cunera-relieken in ⟶ Amerongen en ⟶ Nibbixwoud. In de tweede helft van de 19e eeuw werden ook de parochiekerken van Engelen, ⟶ Beugen (dl. 2) en het klooster Koningslust te Helden (Limburg) vereringscentra ter ere van Cunera, nadat zij uit verschillende bron Cunerarelieken hadden ontvangen.
Verering - De oudste, zij het vage, aanwijzing voor een Cuneraverering te Rhenen stamt uit de 12e eeuw en verwijst naar een gebeurtenis die omstreeks 1016 zou hebben plaatsgevonden. In het bedoelde bericht is er sprake van Cunera-relieken die vanuit Rhenen moesten worden aangevoerd ter staving van een eed op een plek vlak buiten die plaats. De sporen van een wijdere verspreiding van de verering zijn van jonger datum. In 1392 werd in Rhenen een St. Cunerabroederschap opgericht (het ledental werd vastgelegd op 32 broeders en 16 zusters), wat wijst op een bijzondere status van de verering voor die heilige in de plaats zelf. Uit dit stuk blijkt betrokkenheid van de Commanderij van de Duitse Orde ter plaatse, getuige het noemen van de 'lantcommelduer'; bovendien wordt de voornaamste stichter van de broederschap 'onsen commelduer' genoemd. Voorts blijkt dat de broederschap met de dominicanen ('jacopinen') was gelieerd, want '[...] de meijster van der Jacopinen-oerde heeft alle den broederen en susteren van Sunte Kuneren-ghilde deilachtig ghemaect alder goeder werken die in horen cloesteren geschien of ghescien sullen [...]'. De goede verstandhouding met het dominicanenklooster te Utrecht wordt nog verder geaccentueerd door het noemen van de dominicaan Hubert Schenk, wijbisschop van Utrecht, als schenker van 40 dagen aflaat voor het bijwonen van bepaalde missen. Tevens wordt in het stuk van 1392 verwezen naar de 'kermis' van de kerk, de herdenkingsdag van de kerkwijding, die derhalve aan het patronaat van Cunera kan worden gekoppeld. Die wijding werd telkenjare gevierd op de zondag na St. Jacobus (25 juli).
- Het lijkt erop dat de verering sedertdien langzamerhand wijd en zijd bekend werd. In 1404, bijvoorbeeld, werd drie lieden uit Montfoort onder meer opgedragen een bedevaart naar 'St. Kuynner te Renen' af te leggen. Een tweede voorbeeld van zo'n opgelegde bedevaart is van veel jonger datum: in 1471 werd een Utrechtenaar verplicht tot het doen van twee bedevaarten, de ene naar Amersfoort, de andere naar Rhenen.
- Voor het laatstgenoemde jaar had de verering al een sterke impuls gekregen dankzij de aflaatbrief die kardinaal Nicolaas van Cusa tijdens zijn rondreis als pauselijk legaat op 19 september 1451 in de St. Eusebiuskerk te Arnhem had uitgevaardigd. Ieder die bijdroeg aan de toen aan de gang zijnde verfraaiingswerkzaamheden aan de Cunerakerk zou 100 dagen aflaat verwerven. Van veel groter betekenis en waarde was de door niet minder dan achttien kardinalen bezegelde aflaat die Rhenen in 1475 in Rome wist te verwerven dankzij de inspanningen van de vooraanstaande Rhenense burger Lodewijk van Leefdael, die door de geestelijkheid van Rhenen naar Rome was gestuurd om daar als zaakgelastigde op te treden. Het omvangrijke document (81 cm breed en 44,5 cm hoog met achttien aanhangende zegels) bevindt zich thans in het Rijksarchief te Utrecht (in 1889 aangekocht uit de bibliotheek van Sir Thomas Phillips). Op grond van die brief kregen pelgrims die op 12 juni, het octaaf daarvan of de zondag binnen die periode de kerk bezochten en de plechtigheden bijwoonden een aflaat van honderd dagen. De toeloop was kennelijk zo groot, dat men uit de opbrengsten ervan (bezoeken gingen met offeranden gepaard) tussen 1492 en 1531 de bouw van de toren kon bekostigen.
Het is niet uitgesloten dat de aflaatverlening van Nicolaas van Cusa in 1451 of die van 1475 de aanleiding was voor de vervaardiging van Cunera-insignes als herinneringstekens voor de pelgrims en tot propaganda van de cultus.
- De Cuneraverering schijnt haar hoogtepunt in de eerste helft van de 16e eeuw te hebben gekend, met name in het Sticht, getuige de zinsnede 'Ende sunderlinge die menschen wten Sticht van Utrecht syn sculdich die heilige joncfrou te eren om des heiligen oversten conincs wil', aldus door Kronenburg geciteerd uit een niet nader door hem omschreven Gelders handschrift. Haar verworging en begraving in een paardenstal hadden Cunera gemaakt tot een heilige die met paarden werd geassocieerd en bij uitstek vanwege lijden aan keelaandoeningen werd aangeroepen (ogen werden echter evenzeer door aanraking met de worgdoek genezen), getuige de versregels die omstreeks 1500 werden geschreven:

Rhenen, beneden den hoogen herlycke toorn zeer cierlyck
Staet een S. Cunerkerk, die daer so men seyt is gemartiriseert.
Haer lichaem daer rust en die grafstede wert gevisiteert
Van menschen, peerden, koyen dur sieckten gequelt:
Quade kelen werden principalick hier gecureert'.

- Uit de bloeiperiode van de verering in de eerste helft van de 16e eeuw stammen voorts twee vonnissen met een opgelegde bedevaart. Het ene is afkomstig uit Schiedam, waar op 29 oktober 1510 een aantal mannen werd veroordeeld omdat zij tot twee- of driemaal toe een bevel van de Schiedamse burgemeesters hadden genegeerd, het tweede werd binnen het kader van een zoen in 1520 te Turnhout geveld. In dezelfde periode werd ook een pelgrimsboekje uitgegeven (ca. 1530), waarin een versie van de legende en 44 wonderverhalen zijn opgenomen.
- Ter ere van Cunera werden in tal van plaatsen altaren opgericht waaraan ook broederschappen waren verbonden zoals in Amsterdam, Antwerpen, Haarlem, Kampen (opgericht in 1456 en in 1598 ontbonden; een in 1472 aangelegd Memorieboek geeft nu nog steeds een goede indruk van zo'n rijk geschakeerde broederschap) en Zutphen.
- Uit de bewaard gebleven kerkmeestersrekening van 1519-1520 blijkt dat de hoogtijdagen van Cunera niet alleen in het teken van devotie stonden. Dat jaar traden namelijk ook zwaarddansers op. Strikte devotie was soms ver te zoeken: in een van de wonderverhalen gaat het om het uitschelden van Cunera voor koppelaarster, wat uiteraard moest worden uitgeboet, maar wat ook het vermoeden onderstreept dat bedevaarten in trek waren voor 'amoureuse aangelegenheden en galante avonturen', zoals Van Iterson het formuleerde.
- Na de beeldenstorm van juli 1580 en de wegvoering van de relieken rond 1600 verdween de publieke verering in Rhenen. Dit zal niet zonder slag of stoot zijn gegaan: zo schrijft de Leuvenaar Johannes Molanus nog in zijn in 1595 uitgekomen boek over Belgische heiligen dat de kerk in Rhenen jaarlijks op 12 juni door een zeer grote menigte wordt bezocht.
- Tijdens de Hollandse Zending, tot het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 werd Cunera door de katholieken in Nederland meer in het algemeen vereerd als H. Maagd en martelares. Door apostolisch-vicaris Ph. Rovenius werd zij opgenomen in zijn Officia Sanctorum (met als feestdag 12 juni, samen met Odulphus) dat in 1623 voor het eerst werd uitgegeven en gold voor het voormalige aartsbisdom Utrecht met suffragaan-bisdommen. De schuurkerk van de in 1712 gestichte statie van Renswoude bij Rhenen kreeg Cunera als patrones. In de 19e eeuw bleek de Cuneraverering in het nieuwe aartsbisdom en waarschijnlijk ook te Renswoude/Rhenen te zijn geluwd: in 1860 werd de liturgische 'commemoratio' van Cunera voor het gehele bisdom gestaakt. In 1878 werden echter door de kerkelijke overheid weer pogingen ondernomen om binnen datzelfde aartsbisdom de publieke verering van Cunera opnieuw in te voeren. Ook elders werd de verering van Cunera voortgezet, met name in het Noord-Brabantse ⟶ Heeswijk (dl. 2).
- In 1954 werd in Rhenen en in Heeswijk herdacht dat Cunera 1500 jaar eerder de marteldood zou zijn gestorven. In Rhenen gebeurde dit met een tentoonstelling.
- De vooralsnog laatste poging om de gedachtenis aan Cunera in Rhenen te laten herleven, was de opvoering omstreeks 1990 van het openluchtspel 'Sint Cunera van Rhenen', geschreven door Anton Coolen voor de herdenking te Heeswijk in 1954. Op de achtergrond speelde de bedoeling mee er een traditie van te maken, waarvan echter tot nu (1996) toe niets is terechtgekomen.

Wonderverhalen
- In het pelgrimsboekje van omstreeks 1530 zijn 44 wonderverhalen opgenomen, waarvan de zes laatste betrekking hebben op paarden, een duidelijke verwijzing naar de paarden die weigerden de stal te betreden waarin Cunera heimelijk was begraven. Van de 44 wonderen zijn er zestien gedateerd: tussen 1318 en 1515. Dat eerste jaartal zou kunnen doen vermoeden dat er al in de eerste helft van de 14e eeuw van een specifieke Cuneraverering in Rhenen sprake zou zijn geweest; maar de datering is niet zeker. Alle andere bronnen wijzen op een verering die zich pas in de 15e eeuw heeft ontplooid. Bij de propaganda voor bedevaartoorden probeerde men onder andere door verwijzingen naar een min of meer ver verleden van de betreffende cultus de aantrekkingskracht te vergroten, wat ook hier waarschijnlijk het geval is geweest.
- Onder de in de wonderverhalen genoemde geografische namen komt uiteraard Rhenen het meest voor; voorts worden, in alfabetische volgorde, genoemd Amerongen, Amsterdam ('tot Weshaven'), Apeldoorn, 'Betuwe', Doorn, Ginkel (bij Leersum), Gorinchem (waarbij het wonder zich feitelijk voordeed in Bacharach langs de Rijn), Huissen, Jutfaas, Lienden, Montfoort, Oosterbeek, Putten (verbijzondering van 'op de Veluwe'), Schoonhoven, Tiel, Utrecht (zeven maal, twee maal met expliciet de vermelding van de parochie van de Buurkerk en eenmaal met de nadere aanduiding 'int Oostveen bij Sinte Martijnsbrugge', de brug over de Sint Maartenswetering), Vleuten, Vollenhove, Wijk (bij Duurstede), Wilsveen, IJzendoorn (in de Betuwe), Zierikzee; verder worden behalve Bacharach de Duitse plaatsen Kranenburg (zelf een bedevaartoord ter ere van het H. Kruis) en Keulen genoemd. Een paar plaatsnamen konden niet zonder meer worden thuisgebracht, namelijk 'Wilsem bij Haerlen' en 'Perthegael'.
- In de wonderverhalen gaat het meestal om beloften tot het doen van een bedevaart naar Rhenen als wederdienst voor de verhoopte bijstand van de heilige. Af en toe blijkt dat men zich bewust was van het feit dat niet een heilige, maar God zelf het gehoopte wonder bewerkte (God werd een paar maal direct aangeroepen); bovendien werd een enkele keer ook Maria aangeroepen. In verreweg de meeste gevallen was er tevens sprake van een offerande die aan de heilige werd of zou worden gebracht. In vier verhalen wordt dat element nader gepreciseerd door de omschrijving dat een lichaam 'mit weyt ende wijn' zou worden gewogen: een duidelijke toespeling op het H. Sacrament des Altaars; eenmaal kwam daar nog 'goudt ende silver' bij.
Materiële cultuur - 1 Op het schilderij van de inname van Rhenen in 1499 door de hertog van Kleef, dat omstreeks 1500 werd gemaakt door de Meester van de H. Elisabeth, is de reliektombe van Cunera te zien in de opengewerkte Cunerakerk. Bovendien toont het schilderij twee wonderen, waaronder een strafwonder dat plaatsvond toen de soldaten van de hertog van Kleef de kerk in 1499 plunderden. Twee soldaten werden toen bedolven onder een grafzerk. In 1898 is het schilderij door de gemeente Rhenen verkocht aan het Rijksmuseum in Amsterdam. De ⨍20.000,- opbrengst was bestemd voor het herstel van de kerk, die het voorgaande jaar zwaar beschadigd geraakt was door de bliksem. In 1899 is een kopie van dit schilderij gemaakt, dat nog altijd hangt in de raadszaal van het Rhenense stadhuis; 2 hierboven is het bestaan van Cunera-insignes al even ter sprake gebracht. Tot en met 1578 zijn vanaf 1505 gegevens bewaard gebleven over de verkoop van pelgrimsinsignes, waarvan de meeste in 1519 (9300) werden vervaardigd. Er ontstond zo'n wildgroei in de handel in pelgrimstekens, dat zij in 1546 in een stedelijke ordonnantie aan banden werd gelegd: 'Nyemant en sal enige teyckenen van Sinte Kunera binnen Rheenen vercopen dan by oerloff ende consent van den kerckmeyster derselver kercke, op een boete telcker reyse van een Carolusgulden'. Van het geïnde boetegeld zou de helft aan de kerk ten goede komen. Het ligt voor de hand deze gegevens te koppelen aan archeologische vondsten in Nederlandse bodem. Volgens de stand van zaken op dit moment gaat het daarbij om vijf verschillende typen Cunera-insignes, waarvan vier van lood zijn vervaardigd; de vijfde van zilver; 3 in 1920 is een algemeen vouwprentje uitgegeven met op de voorzijde een kleurentekening van Cunera met de toren van Rhenen op de achtergrond en aan de binnen- en achterzijde een korte levensbeschrijving van Cunera en gebeden voor de bekering van Nederland (evulg. Den Bosch, J. Pompen, 20 maart 1920; uitgave van Sobriëtas Den Bosch/Ars Catholica Leiden, nr. 964; 9,8 x 6,5 cm).

Bronnen en literatuur Archivalia: Rhenen, gemeentearchief: oud archief, kerkmeesterrekeningen 1505-1579. Schiedam, gemeentearchief: oudrechterlijke archieven, inv.nr. 35, sententieboek 101v nr. 532.
Tekstedities: Dat leven ende die passie ende verheffinghe vander heyligher maget Sinte Kunera die in die stadt van Renen rustende is mer [met] haer tekenen ende mirakelen die gheschiet sijn ende noh [nog] dagelicx geschieden die God gedaen heeft doer die heylighe Maghet Sinte Kunera. Dit boecxken vercoopt men in die stadt van Renen ([Rhenen?] [ca. 1530]; herdr. Martinus Nijhoff, 's-Gravenhage 1902; herdr. Dat leven van Kunera, getranscribeerd, van annotaties en een inleiding voorzien door J. Combrink (Rhenen: Historische Vereniging Oudheidkamer Rhenen en Omstreken, [1988]); Joannes Molanus, Natales sanctorum Belgii etc. (Leuven: I. Masius & Ph. Zangrium, 1595) p. 117; [Ph. Rovenius], Officia sanctorum Archiepiscopatus Ultraiectensis, digesta iuxta normam Breviarii Romani (Leuven: B. Masius, 1623) p. 26-32; 'De S. Cunera Virg. Mart. Rhenis apud Belgas in dioec. Ultrajectina', in: G. Henschenius e.a. ed., Acta Sanctorum Junii III (Parijs-Rome: V. Palmé, 1867) p. 55-69; A.v. L[ommel], 'Berigten aangaande reliquiën van heijligen of h. zaken uit Noord-Nederland ontvoerd, Ais 1582-1630', in: Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht 7 (1879) p. 100, 110-116; J. de la Torre, 'Relatio seu descriptio', in: Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht 10 (1882) p. 192-193; 193; J. de la Torre e.a., 'Descriptio status', in: Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht 12 (1884) p. 197-198; M. Carasso-Kok, Repertorium van verhalende historische bronnen uit de middeleeuwen ('s-Gravenhage: Nijhoff, 1981) p. 26-28: nrs. 22 en 23; vgl. p. 223-224: nr. 203.
Literatuur: Petrus Ribadineira en Heribertus Rosweydus, Generale legende der Heylighen etc., 2 dln. (Antwerpen: Hieronymus Verdussen, 1686; 6e dr.) dl. 1, p. 613-614; H.F. van Heussen, Historie ofte beschryving van 't Utrechtsche bisdom etc., dl. 3 (Leiden: Christiaan Vermey, 1719) p. 102-126, Rhenen en vicarie St. Cunera/broederschap, echter geen bijzonderheden over de Cuneraverering; N.C. Kist, 'De Reenensche Kunera-legende, in betrekking tot die van Sinte Ursula en de Elfduizend Maagden', in: Kerkhistorisch archief 2 (1859) p. 3-48; W. Moll, 'Bijlage voor de verhandeling van den hoogl. N.C. Kist over de Reenensche Kuneralegende', in: Kerkhistorisch archief 3 (1862) p. 317-320; K. Stallaert, 'De legende der heilige Kunera van Rheenen', in: De Dietsche warande 4 (1891) p. 28-36; Gerlacus [van der Elsen], De H. Kunera. Haar leven, hare relikwieën, hare vereering en mirakelen ('s-Hertogenbosch: G. Mosmans sr., 1891); J.A.F. Kronenburg, Neerlands heiligen in vroeger eeuwen, dl. 2 (Amsterdam: F.J.H. Bekker, 1898) p. 8-24; Eigen haard 38 (1912) p. 154, afbeelding worgdoek, p. 155: afbeelding aflaatbrief van 1475; A. Hulshoff, 'De legende van Sinte Kunera', in: Nederlandsch archief voor kerkgeschiedenis Nieuwe reeks 10 (1913) p. 7-17; Edmond Maria Theodoor Emonds, De legende van Sinte Kunera in de Middeleeuwen ([diss. Utrecht] 1922); A.Gr. van Willenswaard, Korte beschrijving van de Kunera-kerk te Rhenen, alsmede een beknopte weergave van de legende van 'Sinte Kunera' (Rhenen 1934); A.J. Maris, 'Van Sincte Kuneren Vaert', in: Jaarboek Oud-Utrecht (Utrecht 1947) p. 214-219; Programma van de feestelijkheden bij het Vijftiende Eeuwfeest van de marteldood van de Heilige Cunera, maagd en martelares te Heeswijk, waar sinds eeuwen de relikwieën van de H. Cunera bewaard en vereerd worden (Heeswijk [1954]) feestelijkheden 17-27 juni 1954; C.W., 'Vijftiende eeuwfeest van de H. Cunera van Rhenen', in: Omhoog, 11 juni 1954, ongepagineerd; Erwin Richter, 'Geloftevormen en heilsgebruiken in de Cuneraverering te Rhenen', in: Volkskunde 55 (1954) p. 124-137; W. van Iterson, De stad Rhenen. De resultaten van een rechtshistorisch onderzoek (Assen: Van Gorcum, 1960) p. 226-234, 252-256, 277-281; Willibrord Lampen, 'Cunera', in: Bibliotheca Sanctorum, dl. 4 (Rome: Città nuova, 1964) k. 401-403; W.H.Th. Knippenberg, Kultuurhistorische verkenningen in de Kempen III. Oude pelgrimages vanuit Noord-Brabant (Oisterwijk: Brabants Heem, 1968) p. 15-16, 44: in Turnhout opgelegde bedevaart naar Rhenen (1520), p. 44-45, samenvatting Cuneratraditie en verbreiding van de verering; J. van Herwaarden, Opgelegde bedevaarten (Assen-Amsterdam: Van Gorcum, 1978) p. 699, vgl. p. 730 (29 okt. 1502); H.P. Deys, 'Het Cunerafeest in Rhenen in 1571', in: Oud-Rhenen 6 (1987) ongepagineerd, tegelijk ook verschenen in: Maandblad Oud-Utrecht 60 (1987) p. 75-79; Dat leven van Kunera, getranscribeerd, van annotaties en een inleiding voorzien door J. Combrink (Rhenen: Historische Vereniging Oudheidkamer Rhenen en Omstreken, [1988]) p. 9, worgdoek Egyptische herkomst; 4e of 5e eeuws; H.J.E. van Beuningen en A.M. Koldeweij, Heilig en Profaan. 1000 laat-middeleeuwse insignes uit de collectie H.J.E. van Beuningen (Cothen: Stichting Middeleeuwse Religieuze en Profane Insignes, 1993) p. 64-68, p. 154, nrs. 162-165; H.P. Deys, 'De pelgrimsinsignes van Sinte Cunera', in: Oud Rhenen 13 (1994) p. 59-73; H.P. Deys, 'De pelgrimsinsignes van Sinte Cunera te Rhenen', in: Jaarboek Oud-Utrecht (1994) p. 33-54; Judith Schuyf, Heidens Nederland. Zichtbare overblijfselen van een niet-christelijk verleden (Utrecht: Matrijs, 1995) p. 78-79; Informatiebulletin Cunerakerk Rhenen (Rhenen: Hervormde Gemeente, z.j.) voor bezoekers aan de kerk beschikbaar; Casper Staal, 'Johan Ludolph van Rhenen, vicaris te Vleuten, paap op Den Ham en redder van de Cunera-relieken', in: Jaarboek Oud-Utrecht 1996, p. 70-86; Henk Müller, 'Heidense plekken. Heuveltje gemaakt voor heidense goden', in: de Volkskrant 5 augustus 1977; Fons van Buuren, 'Sint Cunera van Rhenen, een legende', in: Anneke B. Mulder-Bakker, Marijke Carasso-Kok ed., Gouden Legenden. Heiligenlevens en heiligenverering in de Nederlanden (Hilversum: Verloren, 1997) p. 109-125; Els Kloek (red), 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis (Nijmegen: Vantilt, 2013) p. 12-13.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Rhenen; Meertens Instituut volkskundige vragenlijst 64a+b (1993).
  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<