HomeDatabankenBedevaarten

Renkum, O.L. Vrouw van Renkum (middeleeuwen: 'Capelle')

Mail voor aanvullingen en commentaar
Cultusobject: O.L. Vrouw van Renkum (middeleeuwen: 'Capelle')
Datum: Gehele jaar; na 1928 met name meimaand
Periode: Ca 1350 - 17e eeuw / 1928 - heden
Locatie: Kapel in de parochiekerk van O.L.Vrouw ten Hemelopneming
Adres: Dorpsstraat 1, 6871 AA Renkum
Gemeente: Renkum
Provincie: Gelderland
Bisdom: Utrecht
Samenvatting: De verering vindt haar oorsprong in het midden van de 14e eeuw. In 1405 werd de kapel van O.L. Vrouw van Renkum op instigatie van hertog Reinald IV van Gelre uitgebouwd tot een klooster van augustijner regularissen, dat tijdens de onrustige jaren rond de reformatie omstreeks 1585 werd verwoest. De bedevaarten hielden daarmee niet direct op. Rond het midden van de 17e eeuw bleek het beeld van O.L. Vrouw van Renkum naar Utrecht te zijn overgebracht, maar de heilige plaats werd nog enige tijd bezocht. Nadat het beeldje aan het einde van de 19e eeuw was aangekocht, keerde het op 6 mei 1928 weer 'triumphant' terug in Renkum, waar het een prominente plaats kreeg in de nieuwe r.k. parochiekerk. Vanaf dat jaar nam de herleefde bedevaart een hoge vlucht. Jaarlijks werden vele processies gehouden die omstreeks 1966 vrij abrupt ophielden.
Auteur: Jacques Tersteeg; Peter Jan Margry
Illustraties:
(Klik op afbeelding voor vergroting)
Topografie - In een oorkonde van 27 februari 1183 wordt al gesproken over een kapel te Renkum. Omstreeks het midden van de 12e eeuw moet tevens de eerste parochiekerk te Renkum zijn gebouwd. Dit gebouwtje, dat in april 1864 werd afgebroken, bevond zich aan de noordzijde van de Utrechtseweg, in de bocht van de weg Onder de Bomen.
- Onder hertog Reinald IV werd op 12 november 1405 een augustijner regularissenklooster te Renkum gesticht, gewijd aan O.L. Vrouw. De stichtingsoorkonde verhaalt dat:

[...] wi aengedacht hebben die groete innicheit ende begeerten onser voervaderen hertoghen van Gelre ende Greven van Zutphen zeliger gedacht, die sij gehadt hebn tot onser liever vrouwen Cappellen van Redinchem, geleghen in onsen lande van Veluwe, daer in wij oen geerne na volghen solden, ende sonderlinghe omme die begeerte die wij hebben totten heligen gloriosen heilichdom, dat in der selver Cappellen is, ende oick omme miracule ende teykene wille, die daer geschiet sijn [...] Soe hebben wi [...] die selve onser liever vrouwen Cappelle tot Redinchem mit tween vicaryen, die wi daer in te geven hebben gehadt, doen verwandelen ende oversetten tot enen Regulier Cloisters van Sunte Augustijns Regulen[...]

De plaats van het klooster is op een drietal kaarten terug te vinden. Duidelijke afbeeldingen van het kloostergebouw zijn niet bekend.
- Ten gevolge van de onrust na de komst van de reformatie bleken de zusters reeds in 1574 het gebouw te hebben verlaten en hielden zij zich op in het naburige Arnhem. Op 18 juni 1596 droeg Ada van Cortenbach, voor de schepenen van Wageningen, ten behoeve van de conventualinnen van Redinchem 'een huijs binnen de Stadt Wageningen [...] van der hoeger straete bis tot die nijwerstrate streckende' over, dat, zoals de akte vermeldt, reeds enige tijd door de nonnen bewoond werd. Het bevond zich tussen de Eerste en Tweede Kloostersteeg aan de huidige Herenstraat.
- Het ligt voor de hand dat de Renkumse nonnen bij hun gedwongen verhuizing naar Wageningen het 14e-eeuwse Mariabeeld van O.L. Vrouw Cappelle zullen hebben meegenomen en het een plaats hebben gegeven in een door hen ingerichte gemeenschappelijke gebedsruimte of huiskapel. In 1635 bleken de laatste twee bejaarde conventualinnen Wageningen te hebben verlaten en werd het beheer van het kloostergoed geheel aan het Veluwekwartier overgedragen. Anna Cruijss, voormalig procuratrix, stierf op 13 januari 1635 in het Brandesklooster te Utrecht. De zieke Catharina Vogelsanck stierf voor 1 december 1638 in het St. Agnesklooster te Arnhem. Het beeld van O.L. Vrouw Cappelle werd mogelijkerwijs door een van beiden uit Wageningen meegenomen.
- Na de reformatie kerkten de katholieke Renkummers tot 1726 in kasteel Grunsfoort. Niet lang daarna moet er achter de brouwerij annex herberg De Bock, aan de zuidzijde van de Utrechtseweg, een schuurkerkje zijn ingericht, die door pastoors, die te Wageningen verblijf hielden, werd bediend. In 1839 kon op een gedeelte van het oude Kosterieland aan de noordzijde van de Utrechtseweg een nieuwe kerk in gebruik worden genomen, die werd toegewijd aan Maria ten Hemelopneming. Op 31 maart 1875 scheidde de parochie Renkum zich af van Wageningen en werd het onder een eigen pastoor, W.H. van Leeuwenberg, een zelfstandige parochie.
- De huidige parochiekerk van Renkum, een creatie van de Roermondse architect Jos Cuypers, werd op 11 september 1923 door de aartsbisschop van Utrecht, mgr. Van de Wetering, geconsacreerd. Met de voorbereidingen van de bouw was reeds omstreeks 1900 een begin gemaakt om het inmiddels te klein geworden kerkje uit 1839 te vervangen. In 1925 werd om en achter de kerk een processiepark aangelegd, dat in 1938 verrijkt werd met een kapel en in 1953 werd vernieuwd (vaste zitplaatsen, podium voor de kapel).
Op zondag 6 mei 1928 werd het beeld van O.L. Vrouw geplaatst op het altaar van de westelijke zijbeuk van de nieuwe parochiekerk, waar het nog staat.
- De marmeren altaartafel van het huidige Maria-altaar, dat waarschijnlijk vervaardigd werd door de Renkumse meubelmaker Staring, is aan de voorzijde voorzien van een koperen plaat, waarop in zwarte majuskels de laatste vier regels van het feestlied ter gelegenheid van de terugkeer van het Mariabeeld in Renkum (1928, tekst van Bernhard Verhoeven en muziek van Jac. J. Ruygrok) geschilderd zijn. Op de tafel rust een houten opbouw met tabernakel, waarop achter het beeld een rugschild met een rand van gestileerde gesneden bloemen met de tekst: 'O.L.V. van Renkum Bid voor ons'.
- In de buitenmuur (westzijde) bevinden zich drie gebrandschilderde ramen. In het middelste en grootste is bovenin het gemeentewapen van Renkum aanwezig en een gouden band met de tekst 'Moeder van Toevlucht Bid voor ons'. Hieronder staan van boven naar beneden een brevierende priester, een arbeider en een moeder met twee kinderen afgebeeld. Het linker venster toont een franciscanes en een knielende boer met pet en schop. Het rechter een soldaat met kaars en een heer. Rechtsonder leest men 'Octave 1949'. Onder het middelste venster hangt een in brons gegoten reliëfplaquette (ca. 20 x 35 cm) met op de voorgrond het gezicht van een man en op de achtergrond, vager, dat van een vrouw. Daaronder staat de tekst: 'Jan Bertram van Stolk en Sara Lydia van Stolk bewaarden met liefde en vereering O.L. Vrouw van Renkum van 1905 tot 1927-28'.
- In mei 2012 is rondom de kerk een Rosarium Mariae geopend, een Rozenkranspark waarvoor pastoor Henri ten Have inspiratie had opgedaan tijdens een Lourdesbedevaart. In plaats van langs kruiswegstaties loopt men in een rozenkranspark een route langs de twintig 'blijde, droeve, glorievolle en lichtvolle geheimen (of mysteries) van Maria'. Door verschillende personen zijn deze al dan niet in icoon-stijl uitgebeeld en in twintig 'vitirines' op palen in het park geplaatst. Het heeft tevens de functie van meditatiepark. Op 15 augustus trekt er een Mariaprocessie door het park, zoals in de eerste helft van de 20e eeuw.
- In augustus 2012 vestigde zich een vijfhoofdige Braziliaanse religieuze gemeenschap 'Sjalom' in de pastorie van de kerk
Cultusobject - Het betreft een gepolychromeerd houten beeld (hoogte 63 cm) van Maria, een tronende madonna met kind, van het type 'sedes sapientiae' uit de 14e eeuw. De frontaal gezeten madonna draagt een eenvoudige goudkleurige kroon met acht noppen en een witte hoofddoek, waarvan de rechterzijde over de schouder is gedrapeerd en midden voor de borst wordt vastgehouden door de rechterhand van het kind. Onder de hoofddoek rond het gezicht en aan beide zijden langs de blote hals is een strook gekruld bruinkleurig haar zichtbaar. De hand van de rechter onderarm houdt een groene scepter vast (hoogte ca. 18 cm). De madonna zit op een eenvoudige groene bank zonder rugleuning. Midden boven op het hoofd van de madonna is een gat aanwezig waar de spie bevestigd is geweest, waaraan het beeld is gesneden. Achter en onder het beeld zijn later houten plaatjes bevestigd.
- Het kind staat met de linker zijde naar voren. Een appel/globe, zoals gebruikelijk bij dit type, ontbreekt op deze hand.
- Het beeld draagt (sedert 1928?) een aantal sieraden. Maria draagt twee recente (G. Brom, 1928?) zilveren diademen met diamantjes, een op haar hoofd en een op de scepter; tevens een antiek halssnoer van verguld zilver met halfedelstenen. Het kind draagt een (zilveren?) kroontje en appel (met kruisje). Onder het beeld hangt een zilveren rozenkrans.
- Andere benamingen voor O.L. Vrouw van Renkum zijn ook wel 'Onze Lieve Vrouwe van Gelderland' en 'Zoete Lieve Vrouw van het Noorden'.
Verering Middeleeuwen
- Zoals de stichtingsoorkonde van het O.L. Vrouweklooster verhaalt was de kapel van O.L. Vrouw Cappelle in 1405 in het bezit van een 'heligen gloriosen heilichdom' en zouden daar tevens vele 'miracule ende teykene' zijn geschied. In de Historie ofte Beschryving van 't Utrechtsche Bisdom van Van Heussen, die in zijn beschrijving van Renkum gebruik maakte van een oud handschrift, wordt gesproken over 'een stuck van het heylich Kruys ende van de doorne Crone Christi Jesu [...] het welcke aldaer gesonden was van Carolus Conijnck van Vranckrijck [...] Ao 1401, 18 julii'. Tot nu toe zijn geen andere bewijzen van deze schenking van Koning Karel VI gevonden. Vele wonderen en tekens zouden volgens dezelfde informatiebron 'geschiet sijn door die gebenedijde Moeder Godts Maria, wiens beeldt aldaer miraculeuselick gekomen was in het jaar 1380'. Uit hertogelijke rekeningen vanaf circa 1330 blijkt dat de kapel reeds toen aan 'domina nostra sancta Maria' was toegewijd.
- De herkomst van het beeld van O.L. Vrouw Cappelle is tot op heden niet achterhaald. Met uitzondering van een door Van Hasselt in zijn Cronyk van Arnhem vermelde strafbedevaart naar Renkum, die op 11 april 1440 met een tweetal andere bedevaarten als boete voor een misdaad werd opgelegd aan Hendrick Cock en Johan van Heelsum, zijn er geen directe bewijzen dat de kapel of het latere klooster veelvuldig door bedevaartgangers werden bezocht. De genoemde bronnen, alsmede de vestiging door Willem van Gulik van vicariën in de kapel en de oprichting van een O.L. Vrouwegilde omstreeks 1400 wijzen echter toch in de richting van een speciale devotie. Of deze zich ook na de verwoesting van het klooster in Wageningen heeft voortgezet is onbekend. Het is aannemelijk dat het beeld meegenomen werd naar de behuizing in de Herenstraat.

Het beeld te Utrecht teruggevonden
- Het beeld blijkt volgens een mededeling van Jacobus de la Torre uit 1656, dus zo'n twintig jaar na de laatste mededelingen uit Wageningen, naar Utrecht te zijn overgebracht. Tevens verhaalt De la Torre dat er naar het vroegere klooster van Renkum nog steeds, zoals vroeger, vele pelgrims komen. De overbrenging naar Utrecht wordt in 1719 door Van Heussen bevestigd.
- In de tweede helft van de 19e eeuw moet de devotie van O.L. Vrouw van Renkum te Utrecht zijn uitgestorven, want in 1881 verklaarde Hoogland dat 'noch van het beeld, noch van de echte bewijzen iets meer [wordt] gevonden'.
Tijdens de avondvergadering van het St. Bernulphusgilde te Utrecht op 11 mei 1898 toonde G. Brom voor het eerst weer het beeld. Een week later liet Brom voor de Utrechtse notaris jhr. W.E. Bosch van Oud Amelisweerd, een akte (d.d. 19 mei 1898) opmaken, waarin de 81-jarige Christoffel Verheem, bewoner van het Utrechtse tehuis Johannnes de Deo, verklaarde dat hij in 1850, toen de oude Walsteegkerk werd afgebroken, van de toenmalige pastoor Petrus van Ewijk een antiek eikenhouten Mariabeeld 'met het Kindje Jezus op den arm, hoog 63 c.M. en met verschillende ouderwetsche kleuren geverfd', dat op de zolder van de pastorie bewaard werd, ten geschenke had gekregen. Verheem verhaalt verder dat het beeld ten tijde van zijn jeugd en die van zijn moeder in de oude kerk aan de Evangeliezijde van het altaar geplaatst was, omkleed met een sluier, die telkens werd aangepast aan de kleur van het altaar. Nadat Verheem het had laten witverven, bewaarde hij het, totdat hij in januari 1897 zijn intrek nam in het tehuis. Hij schonk het toen aan een nicht, Maria Koot, gehuwd Van Blarkom, te Utrecht, die het aan Brom verkocht voor ⨍25,-.
- In 1905, na een expositie te Utrecht ('Kunst aan het Volk'), werd het beeldje via een tussenpersoon door de heer J.B. van Stolk te Huis ter Heide van Brom gekocht. Bij de protestant Van Stolk, een kenner en verzamelaar van middeleeuwse kunst, kreeg het beeld een ereplaats in de huiskamer.
- In de jaren twintig begon de Arnhemmer H. Herkuleijns, benedictijner oblaat, zich te interesseren voor de geschiedenis van O.L. Vrouw van Renkum en bracht hij verschillende bezoeken aan de familie Van Stolk. Aanvankelijk gelukte het Herkuleijns niet pastoor Wolters, die ervan overtuigd was dat het om een lelijk en waardeloos beeldje ging, te winnen voor het plan om het beeld naar Renkum terug te halen. In maart 1928 hoorde hij dat mevrouw Van Stolk bereid was het beeld aan Renkum te verkopen voor de prijs waarvoor haar in 1927 overleden man het indertijd van G. Brom had gekocht, nl. ⨍1600,-. Hiervan waren ⨍600,- bestemd voor de Haagse antiquair Hagezaete, die de oude polychromie weer had hersteld. Zondag 25 maart 1928 deelde pastoor Wolters het heugelijke nieuws aan de parochie mee. Op zondag 6 mei 1928 vond de 'glorieuze intocht' plaats, gadegeslagen door zeer velen. Renkum was na meer dan drieëneenhalve eeuw weer een bedevaartplaats.

De processies sinds 1928: herkomst
- In het parochiearchief bevindt zich het 'Gulden Boek van O.L. Vrouw van Renkum', dat indertijd door Cornelia Elisabeth Bosman aan de kerk werd geschonken. Dit register vermeldt vele gebeurtenissen en processies die sinds de terugkeer van O.L. Vrouw in Renkum plaatsvonden. Tot de belangrijkste en in omvang grootste processies behoorden na 1928 die van de eigen parochie, op de eerste zondag van mei (tot 1966), en de zogenaamde Betuwse Bloesemprocessies, op de tweede zondag van die maand (tot 1968). Zeer bekend ook was de jaarlijkse bedevaart van de Amsterdamse Rijwielclub 'Sub tutela Matris', die tot 1963 omstreeks het midden van juni Renkum bezocht. Behalve op de fiets kwam men zelfs op de motor (2 juni 1939, R.K. Motorrijders Noord-Holland) en met de boot (9 juli 1950, Geitenkamp Arnhem) naar O.L. Vrouw. Mannen- en vrouwencongregaties, jeugdorganisaties, plaatselijke afdelingen van de H. Familie, werkliedenbonden (KAB, St. Joseph etc.), scholen, priesterstudenten, parochies, drankbestrijders- en werklozenverenigingen bezochten voor de oorlog met vaste regelmaat het dorp.
- Tijdens de oorlog is de toeloop sterk verminderd, doch na de bevrijding trokken de vaak kleurrijke groepen pelgrims weer door het processiepark rondom de kerk. Bij de evacuatie van Renkum in 1944 werd het beeld op 1 oktober door pastoor Wolters en kapelaan Stockmann in veiligheid gebracht bij de familie Wolf aan de Stationsstraat in Ede. Kort daarna werd het veilig opgeborgen in het Kröller-Müllermuseum te Otterlo. Op zondag 19 mei 1946 werd O.L. Vrouw wederom plechtig ingehaald.
- Hoogtepunten na de oorlog waren de jaren 1950 (heilig jaar), 1953 (zilveren jubileum terugkeer) en 1954 (Mariajaar) geweest. Tijdens de zomermaanden van dit laatste jaar bezochten circa 10.000 mensen O.L. Vrouw, onder wie de kweekschool Insula Dei uit Arnhem, het dekenaat Wageningen, de Betuwse bloesemprocessie, de parochies Ede, Oosterbeek, etc., de wielrijders uit Amsterdam en de R.K. Vrouwengemeenschap van het bisdom (ca. 2500 vrouwen).
- Hierna werd duidelijk een teruggang merkbaar in het aantal groepen en bezoekers. In het jaar van het veertigjarig jubileum van de terugkeer van het genadebeeld, 1968, liet voor het eerst de kleurrijke Betuwse bloesemprocessie, waaraan een twintigtal parochies uit de Over- en Nederbetuwe deelnamen (o.a. Heteren, Driel, Kesteren, Angeren, Huissen, Elst, Randwijk, Ochten), verstek gaan. Wel werd er in dat jaar in het parochiehuis nog een tentoonstelling georganiseerd onder het motto 'veertig jaar Maria van Renkum'. In dit jubileumjaar bezocht slechts een groep uit Kevelaer Renkum.
Alleen de ziekenbedevaart, die voor het eerst op 2 juli 1956 werd gehouden, heeft alle andere overleefd en vindt nog elk jaar plaats. In 1996 was dat op de laatste dinsdag van mei. Daarnaast is het opvallend dat er nog steeds sprake is van een zeer regelmatige toeloop van individuele bedevaartgangers.

De processies sinds 1928: toedracht
- De meeste bedevaarten te Renkum begonnen in de middag. De pelgrims verzamelden zich dan in de parochiekerk, waar gebeden en gezongen werd. Daarna verliet men in een van tevoren vastgestelde volgorde het gebouw, en trok men volgens de wijzers van de klok rondom de kerk het, met wit-gele vaantjes versierde, processiepark in. Bij de kapel in het park werd halt gehouden. Daar nam men plaats op banken. Vanaf de kapel begaf men zich vervolgens weer naar de kerk, waar de feestelijkheden werden afgesloten met een lof. Na afloop kon men voor het Mariabeeld, dat centraal op de trappen van het hoofdaltaar in de draagkast stond opgesteld, kaarsen branden. Op de beide communiebanken waren hiertoe houten vlonders aangebracht. In het portaal van de kerk en buiten op het kerkplein waren allerlei devotionalia te koop.
- Tot diep in de jaren vijftig trokken de vrouwen en mannen van elkaar gescheiden mee in de processies. De processie van de eigen parochie bij de jubileumviering op 3 mei 1953 zag er als volgt uit: om 16.30 uur werd mgr. B. Alfrink, toentertijd aartsbisschoppelijk coadjutor, onder het zingen van 'Sacerdos et Pontifex' plechtig ingehaald. Na een toespraak van pastoor Jansen en het zingen van het Feestlied van O.L. Vrouw trok men als volgt naar buiten: 1) processiekruis en daarachter de vrouwelijke deelnemers, 2) de meisjes van de jeugdorganisaties, 3) de zelatrices van het H. Hart, 4) de Mariacongregatie, 5) de zusters franciscanessen, 6) het O.L. Vrouwegilde, 7) de beide erewimpels van O.L. Vrouw, gedragen door zelatrices van het H. Hart, 8) het genadebeeld van O.L. Vrouw, omringd door misdienaars, 9) de geestelijken, 10) kerk- en armbestuur, collectanten en leden van de gemeenteraad, 11) bestuur van de K.A.B. en de r.k. middenstandsvereniging, 12) verkenners en welpen, 13) R.V.W. (voetbalvereniging) en Kajotters, 14) de mannelijke deelnemers, met daartussen het bestuur van St. Willibrord, de bouwvakarbeiders en de metaalbewerkers- en textielbond. Schoolgaande kinderen konden met vader of moeder meelopen. Tijdens het opstellen van de processie en het verlaten van de kerk werd de rozenkrans gebeden. In het park werd de litanie van Maria gezongen. Bij de kapel aangekomen zong men 'Wij groeten U, o Koningin'. Daarna vond de predicatie plaats. Na de 'Toewijding aan het Onbevlekt Hart van Maria' en het zingen van 'U minnen, Maria' begaf men zich weer naar de kerk, waar een pontificaal lof plaatsvond.
- Tot de meest kleurrijke bedevaarten naar Renkum behoorden de Betuwse Bloesemprocessies. Tegen de middag arriveerden de eerste groepen pelgrims via het pontveer. De meeste bedevaartgangers droegen hierbij bloesemtakken, die aan het slot van de plechtigheden in het park voor het beeld van O.L. Vrouw werden neergelegd. Tussen de groepen pelgrims uit de verschillende Betuwse dorpen werden plaatsnaambordjes meegedragen.
Ex-voto's of speciale aflaten zijn niet bekend.
- In de 21e eeuw zijn er individueel nog altijd pelgrims die de kerk of het rozenkranspark aandoen. Hoe dan ook, in 2000 nam Esmaralda Hegeman, wonende nabij Renkum, het initiatief om een gebedsgroep in te stellen die wekelijks bij elkaar komt en die de Gelderse groepsbedevaart weer moest stimuleren. Sindsdien is deze langzaamaan weer tot leven gekomen en waren er op 15 oktober 2006 zo'n 150 bedevaartgangers in de kerk bijeengekomen. Anno 2011 waren het er zo'n 200. Tijdens de jaarlijkse Mariabedevaart is er in de middag een Mariahulde en bloemenhulde met processie.
- De ziekenbedevaart trekt nog altijd collectief de nodige belangstelling. Daarnaast vinden er ad-hoc activiteiten plaats zoals een gebedsmiddag waarbij een pater (Joseph Vadakkel) uit India gebedsgenezing praktiseert en een persoonlijke zegen met de reliek van St. Faustina Kowalska wordt gegeven.

Het O.L. Vrouwegilde
- Van wanneer het O.L. Vrouwegilde dateert valt niet precies te zeggen. De oprichting zal zeer waarschijnlijk in verband gebracht moeten worden met de na circa 1350 opkomende devotie van O.L. Vrouw Cappelle. Blijkens het deels bewaard gebleven oud archief van de broederschap verkeerde het gilde in de 16e eeuw in een redelijke welstand. Het bezat toen onder meer land te Renkum, Heelsum, Ede en in de Nude bij Wageningen.
Als schuttersgilde overleefde de organisatie de reformatie. De katholieke achtergrond en doelstellingen zullen toen grotendeels verdwenen zijn.
In 1703 bleek het gilde in bezit te zijn van 'seven en veertigh sylver plaeten'. Van dit oude zilver is, voorzover bekend, niets bewaard gebleven.
Uit rekeningenboeken van na circa 1760, die toen regelmatig en gedetailleerd werden bijgehouden, blijkt dat de financiële toestand niet erg rooskleurig was. Jaarlijks werden slechts enkele guldens overgehouden. Inkomsten had men in die jaren uit de verpachting van het land te Wageningen en op het (Heelsumse) Broek. Onder de uitgaven staan onder andere bedragen voor 'den Coninckx hoet' en 'Coppen en Linten voor Coninck, Tamboer, Speelman en Giltknecht'.
In 1761 waren er nog 21 leden. In datzelfde jaar besloten de gildebroeders tot samenwerking met de Renkumse meent of mark om gezamenlijk een brandspuit te exploiteren. De schutters waren in het vervolg dus tevens brandweerlieden.
- Hoewel in de Franse tijd in 1798 alle schuttersgilden werden ontbonden, herleefde het Renkumse gilde reeds een jaar later. Tot 6 februari 1866 bleven de broeders het bluswerk verzorgen. Op die dag nam de gemeente Renkum de brandspuit en het brandhuisje in eigendom over. Gedurende de 19e eeuw vonden het vogelschieten en teren plaats omstreeks 24 augustus, gewoonlijk in 'het Zwaantje' (Achterdorpstraat). In 1869 verwierf men een nieuw gildehuis met feestterrein (het latere Café Van den Born op de Kerkstraat).
Gedurende de laatste decennia van de 19e eeuw liep het ledental geleidelijk terug, zodat op 19 april 1910 besloten werd het gilde officieel te ontbinden. Het resterende geld werd onder de laatste gildebroeders verdeeld; het 18e- en 19e-eeuwse zilver werd door het Gemeentemuseum te Arnhem aangekocht.
- Vijfentwintig jaar later, op 18 maart 1935, werd het O.L. Vrouwegilde op initiatief van H. Herkuleijns en met toestemming van pastoor Wolters opnieuw leven ingeblazen. Herkuleijns initiatief is duidelijk in verband te brengen met de vele processies die na 1928 Renkum bezochten.
Het nieuwe gilde greep blijkens artikel 2 van de statuten terug op de doelstellingen van voor de hervorming, te weten: 1) de beoefening en bevordering van de devotie tot de Zoete Lieve Vrouw van Renkum, 2) het beoefenen van de schietsport, 3) het instandhouden van goede gildegebruiken en 4) de veredeling van het volksvermaak.
Binnen het O.L. Vrouwegilde onderscheidde men toen de volgende functies: een proost (de pastoor), een deken (de voorzitter), twee gardianen (secretaris en penningmeester), twee gildemeesters en ten hoogste 35 gewone leden (schutters). Als gildehuis koos men hotel Campman (toentertijd aan de Utrechtse weg), in de tuin waarvan de jaarlijkse schuttersfeesten plaatsvonden. Het Renkumse gilde kende de (schutters-)koning, de nar, bijlenmannen, tamboers, bazuinblazers en vendelaars. Het devies luidde: 'Ipsam Sequens Non Devias' ('Door haar te volgen verlies je de juiste richting niet').
- Het gilde was aangesloten bij de Federatie van Gelderse Schuttersgilden St. Hubertus en heeft ook in dit verband met veel succes aan verschillende zogenaamde Landjuwelen deelgenomen (o.a. te Sambeek, Wageningen, Huissen, Vierlingsbeek, Doornenburg en Giesbeek).
Na de laatste statutenwijziging in 1949 stierf het gilde een langzame en geruisloze dood, al werd het nooit officieel opgeheven. Een vijftal oudleden richtte op 10 april 1960 de schietvereniging St. Hubertus op.
Van het in 1935 heropgerichte gilde zijn een schuttersvaantje en een 'Koningslied' (tekst Bernard Verhoeven) bekend.
Materiële cultuur - Mariabeeld van zandsteen uit de werkplaats van Jos Cuypers te Roermond, in 1923 (d.i. vijf jaar voor de terugkeer van het Genadebeeld) door H. Hoedemaker geschonken. Aanvankelijk geplaatst tegen de westmuur van de westelijke zijbeuk, later in een gedachteniskapelletje voor de gevallenen in Indonesië (1947-1949), dat nu aan de oostzijde van het kerkplein staat; kerkklok, in 1952 door Fa. Petit en Fritsen uit Aarle-Rixtel gegoten, 68,5 cm. hoog, 206 kg, opschrift: 'in honorem b.m.v. de Renkum a.d. 1952'; processiedraagkast voor vier dragers uit 1928 van hout, aan voor- en zijkanten van glas, met een deurtje aan de achterzijde. De kast is gerestaureerd door P. Holleman te Wageningen; het Meinwerkkazuifel, in 1878 door H. Leijgraaff geschonken.
- Vaandels: 1 een vaandel van de Mariacongregatie (mei 1938). Hangt momenteel links van het Maria-altaar; 2 een Mariakazuifel (Mej. R. Poppe te Deventer, 1938); 3 twee feestwimpels (Mej. R. Poppe te Deventer, 1938); 4 twee, ca. 3 meter lange, witte vaandels; het ene is in het midden voorzien van het gemeentewapen van Renkum met verticaal opschrift 'O.L. Vrouw van Renkum'; het andere met een afbeelding van O.L. Vr. en verticaal opschrift 'Moeder van toevlucht b.v.o.'.
- Replica's: 1 O.L. Vrouw (ca. ?). Kopie hoog 36 cm, breed 13 cm. Gips en polychroom. Een exemplaar bekend in Helmond, afkomstig uit Huissen. Zie Antiek (1970) p. 337; 2 O.L. Vrouw 1950. Kopie 2:3 van Wim Harzing. Gips, polychrome en bruine exemplaren. Vele honderden exemplaren verkocht; 3 O.L. Vrouw (ca. 1960?). kopie hoog 27 cm van F.P.V (s 15). Gips, polychrome en bruine exemplaren. Vele tientallen verkocht; ,b>4 O.L. Vrouw (ca. 1975). Kopie hoog 14,5 cm. Tekst op rug: 'O.L. Vr. v. Renkum Bid voor ons'. (fa. Groen te Venlo), dhr. Bolha te Venlo. Gips, bruin. Vele tientallen verkocht. Nog steeds voorradig.
- Kaarsen: ,b>1 Noveenkaarsen met opgedrukte afbeelding van O.L. Vrouw. Hiervan worden er jaarlijks zeker nog een duizendtal verkocht (zie bijbehorend prentje met noveengebed); 2 middelgrote kaarsen in tweetallen verpakt met blauwe of polychrome opdruk van O.L. Vrouw. Opdruk: C. de Vre (Ned. Kaarsenfabriek Schaapman te Zwolle).

Devotioneel drukwerk
- Boekjes: 1 Onze Lieve Vrouw van Renkum. Het herstel van een oude devotie. Vignet op omslag van Thomas Groenendaal. Met bijdragen van J. Kronenburg, H. Herkuleijns, B.H. Molkenboer en A.E. Rientjes, en het feestlied (z.p., uitg. r.k. Kerkbestuur Renkum; 4 edities bekend, eerste van 1928; 40 p.); 2 Eerste Lustrum van den Terugkeer van het Genadebeeld van O.L. Vrouw van Renkum. Zondag 7 mei 1933 (dr.: Het Wapen van Renkum; 6 p.); 3 Landjuweel 1950 Wageningen. Ter gelegenheid van het 550-jarig bestaan van het O.L. Vrouwegilde te Renkum en het 8ste lustrum van de Katholieke Studentenvereniging St. Franciscus Xaverius te Wageningen. 7 Mei 1950 (druk: Verweij, Wageningen; 48 p.); 4 De historie van Maria van Renkum. Herdruk t.g.v. de Open Kerkedag Renkum-Heelsum september 1986 (druk: Het Wapen van Renkum, Renkum; 7 p.); 5 Gids van de parochie O.L. Vrouw ten Hemelopneming te Renkum (z.p. [ca. 1950]; 27 p.); 6 De Maria-kerk van de parochie O.L. Vrouw ten Hemelopneming te Renkum (Gevouwen A4 Offset-folder, 90-er jaren); 7 Liturgie voor de Maria- en Sacramentshulde in het Mariajaar 1987-1988. 16 p.; 8 37e ziekenbedevaart naar O.L.Vr. van Renkum in de parochiekerk van O.L.Vr. ten Hemelopneming (offsetdruk, 1993; 32 p.).
- Devotieprentjes: 1 zwart-witdruk en goud, ontwerp Joan Collette, druk onbekend, 6 mei 1928, 11,3 x 8,2 cm, gouden kaderlijn. Voor: O.L.V. centraal met gouden aureool, daarachter pastorie en kerk van Renkum met gestileerde bomen. Tekst: boven 'Sub Tutela Matris', onder ''tMirakeleus Beeldeken van Renkum'. Achterzijde: blanco; 2 zwart-witdruk, ingekleurd (ook blanco exemplaren), ontwerp en druk onbekend, 10 x 6,3 cm (ook formaat 9,5 x 6,1 cm), geen kader. Voor: O.L.V. centraal, daarachter wolken, bomen en rivier, voor bloemen. Tekst: onder 'Onze Zoete Lieve Vrouw van Renkum Bid voor ons'. Achterzijde: gebed t.b.v. het Gilde van O.L.Vr. (ook blanco-exemplaren); 3 kleurendruk, ontwerp en druk onbekend, ca. 1930?, afm. 10 x 6 cm., gouden kaderlijn. Voor: O.L.Vr. centraal op bruine ondergrond in groen, goud, rood en zilver (scepter, appel en kroontje kind), neutrale blauwe achtergrond. Tekst: onder kader 'O.L.V. van Renkum XIVde eeuw'. Achterzijde: blanco; 4 zwart-witfoto, ontwerp en druk onbekend, ca. 1950?, afm. 9,2 x 6,1 cm., witte rand. Voor: O.L.Vr. op kussentje, neutrale achtergrond. Tekst: onder 'O.L.V. van Renkum XIVde eeuw'. Achterzijde: noveengebed (ook andere teksten toegevoegd, bv. 'Vrouwelijke Jeugd Arnhem 23 mei 1954'); 5 kleurendruk, U.M.K Beverwijk-Holland, ca. 1950, afm. 11 x 7 cm. Voor: miniatuur H. Memlinc (Maria Boodschap). Tekst: onder 'Ave Maria, gratia plena'. Achterzijde: gebed tot Onze Lieve Vrouw van Renkum, hieronder 'Kath. Vrouwengemeenschap Aartsbisdom'; 6 zwart-witdruk naar pentekening, ontwerp en druk onbekend, ca. 1934, afm. 12,4 x 8,3 cm, geen kader. Voor: links een processiekruis, rechts een brandende kaars; daartussen boven centraal O.L.Vr. met bloesemtak; rond kruisstaf en kaars waaronder een tekstband met opschrift 'Betuwsche Bloesemprocessie naar O.L.V. van Renkum'; onder '1929-1934'; 7 kleuren- en zwart-witdruk, ontwerp en druk onbekend, ca. 1950, afm. 11 x 7 cm, witte rand. Voor: kleurenfoto O.L.Vr. op kussen met egale rode en blauwe achtergrond. Tekst: onder 'O.L.V. van Renkum XIVde eeuw'. Achterzijde: noveengebed; 8 kleuren- en zwart-witdruk, ontwerp fotostudio Dolf Olislagers Renkum, druk Bos Renkum, ca. 1980, afm. 12,3 x 7,5 cm, gevouwen. Voor: zwarte kaderlijn, kleurenfoto O.L.Vr. Tekst: onder 'Maria, gezegende vrouwe, Hier als Moeder van toevlucht geëerd, Zie ons knielen vol vertrouwen voor uw beelt'nis, reeds eeuwen vereerd'. Binnen-links: blanco. Binnen-rechts: novenegebed (pastoor G.J.H. Nijhuis). Achterzijde: blanco.
- Vaantjes: de volgende bedevaartvaantjes, allemaal van hetzelfde type, zijn bekend: een exemplaar in het parochiearchief, een wordt beschreven in Van der Linden (1988), en drie in Pesch (1983). Het gaat in alle gevallen om een veelkleurige lithografie op transparant papier, eenzijdig bedrukt, in de vorm van een rechthoekige driehoek. De hoogte ca. 29,7 cm., de breedte ca. 46,6 cm; het exemplaar bij Van der Linden is 26 cm hoog en 39,5 cm breed. De driehoek kent geen randversiering of afbeelding van een heiligdom. Centraal staat voor een vlammende mandorla het genadebeeld van O.L.Vr. van Renkum afgebeeld, zwevend op wolken. Achter haar gestileerde bomen van een woud en bloemen, alles op een heuvelachtig landschap. Op de voorgrond is een gestileerde beek of rivier aangeduid. In de rechterpunt staat de tekst: 'O.L.V. van Renkum B.V.O.'. De vaantjes dateren van ca. 1930. Het is niet onwaarschijnlijk dat alle bekende vaantjes werden uitgegeven door Hub. Herkuleijns te Oosterbeek. Zij vertonen namelijk veel gelijkenis met het vaantje van ⟶ Oud Zevenaar (zie aldaar).
- Liederen: 1 Pastoor M. de Vries uit Valburg. Ballade van O.L. Vrouw, 22 strofen; 2 Bernard Verhoeven, Koningslied van het O.L. Vrouwegilde, opgedragen aan deken H. Herlukeijns, 3 strofen; 3 Het feestlied van O.L. Vrouw van Renkum. Tekst Bernard Verhoeven, muziek Jac.J. Ruygrok, 3 strofen; 4 Lied ter ere van Onze Lieve Vrouw van Renkum: 'Maria, gezegende vrouwe'. Vervaardigd door de Oosterbeekse pastoor Brugman, 3 strofen; 5 Lied 'O Maria, Moeder zoet'. Maker onbekend, ca. 1930?, 5 strofen.
- Gedicht: Els Korenhof, Dwarrelen (Wageningen: druk. Verweij, 1995) met het gedicht 'Onze Lieve Vrouwe van Renkum schenk mij het morgenrood'.
- Prentbriefkaart: kaart uit ca. 1950 met een ingekleurde foto van het beeld van O.L. Vrouw van Renkum en het onderschrift 'o.l.v van Renkum xivde eeuw'.
Bronnen en literatuur Archivalia: Renkum, parochiearchief (pastorie Renkum): memoriale, notulenboek Kerkbestuur, het Gulden Boek O.L. Vrouw van Renkum en het archief van het O.L. Vrouwegilde. Arnhem, Rijksarchief in Gelderland: archief Kelnarij van Putten, inv.nr. 196, hofrecht 1152, inv.nr. 37c, goederenlijst 1357, inv.nr. 60, fol. 1v. en inv.nr. 61, fol. 1r., rekeningen 1585-1587); archief Staten Veluwe. inv.nr. 353, cartularium; archief Rekenkamer, inv.nr. 2083a, afschrift stichtingsoorkonde O.L. Vrouweklooster 1405, inv.nr. 1408, kaart nr. 256 en 257; archief Hof van Gelderland, civiele processen nr. 30, kaart 1550; hertogelijk archief, inv.nr. 372, fol. 33r, en inv.nr. 65 (2), 89 en 100; archief Tiendcommissie, inv.nr. 28, doss. 100, 130 t/m 136.
Tekstedities: G. van Hasselt, Kronyk van Arnhem (Arnhem 1790) ad annum 1440; I.A. Nijhoff, Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland (Arnhem: Paulus Nijhoff, 1839) dl. 3, nr. 282 en 384; S. Muller e.a. ed., Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301, dl. 1 en 2 (Utrecht-Den Haag: Oosthoek/Staatsdrukkerij, 1920/1940) nr. 126, 127, 129, 146, 326, 490, 491 en 510; N.C. Kist, 'Het Necrologium en het Tynsboek van het Adelijk Jufferenstift te Hoog-Elten', in: Nieuw archief voor kerkelijke geschiedenis 2 (1854); J. de la Torre, 'Relatio seu descriptio', in: Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht 10 (1882) p. 206; J. de la Torre e.a.,'Descriptio status', in: Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht 12 (1884) p. 198;
Literatuur: H.F. Van Heussen, Historia Episcopatuum Foederati Belgii etc., dl. 1 (Leiden: Christiaan Vermey, 1719) p. 267; H.F. van Heussen, Historie ofte Beschrijving van 't Utrechtse Bisdom etc. (Leiden: Christiaan Vermey, 1719) p. 135-137; J.G.R. Acquoy, Het klooster te Windesheim en zijn invloed, 3 dln. (Utrecht: Van der Post, 1875-1880) dl. 3, p. 202-204; A.J.J. Hoogland, 'De Dominicanen te Utrecht', in: Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht 9 (1881) p. 221; L.A.W.J. Sloet, 'De bezittingen van het Benediktijnerklooster van St. Petrus en Paulus te Paderborn, geheeten Abdinghof, in Gelderland, hoofdzakelijk te Putten', in: Verslagen en mededeelingen van de Akademie van Wetenschappen, afdeeling Letterkunde, 3e reeks, dl. 6 (1889) p. 206 e.v.; J.H. Hofman, 'Iets over het klooster van O.L. Vrouw te Renkum', in: Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht 28 (1901) p. 319 e.v.; J.A.F. Kronenburg, Maria's Heerlijkheid in Nederland, dl. 6 (Amsterdam: Bekker, 1909) p. 228-235; G. van Schouwen, De Kelnarij van Putten, onderzoek naar den rechtstoestand harer bezittingen (Leiden 1909); Fr. Tenckhoff, Vita Meinwerci Episcopi Patherbrunnensis (Hannover 1921); A. Oltmans, 'Renkum als bedevaartsplaats', in: Oosterbeeksche Courant, 1 maart 1924; Hub. Herkuleijns, 'O.L. Vrouw van Renkum', in: Dagblad van Arnhem, 25, 27 en 28 febr. 1928 (nrs. 740-742); A.E. Rientjes, 'O.L. Vrouw van Renkum', in: Gildeboek. Tijdschrift voor kerkelijke kunst en oudheidkunde 11 (1928) p. 149-153; Anton van Duinkerken, 'Engelman's beteekenis', in: De Gemeenschap 8 (1932) p. 442-446; A. Jolles, 'Twee schuttersgilden aan de rand der Veluwe', in: Bijdragen en mededelingen Gelre 35 (1932) p. 163-169; Gerard Brom, Herleving van de kerkelike kunst in katholiek Nederland (Leiden: Ars Catholica, 1933) p. 286; 'De Maria-genadeoorden van Meerveldhoven en Renkum', in: Katholieke Illustratie 67 (1933) nr. 33, p. 712-713; M. Schoengen ed., Monasticon Batavum, dl. 2 (Amsterdam: NH uitg. Mij., 1941); V. Schrijvers, Mariahulde, dl. 2 (Grave: Le Sage Bibliotheek, 1946) p. 33-38; D.P.R.A. Bouvy, Middeleeuwsche Beeldhouwkunst in de noordelijke Nederlanden (Amsterdam: A.A. Balkema, 1947) p. 34-35; J. Timmers, Houten Beelden. De houtsculptuur in de noordelijke Nederlanden (Amsterdam-Antwerpen: Contact, 1949) p. 13-14 en afbeelding 3 en 4; E.J. Demoed, Van een groene zoom aan een vaal kleed (Oosterbeek 1953); J. Düffel, 'Gräfin Adela von Hamaland und ihr Kampf um das Stift Hoch-Elten', in: De Liemers, Gedenkboek Dr. J.H. van Heek (Didam: Leonards, 1953) p. 54 e.v.; W. Halsema-Kubes, in: Antiek 1970, p. 337; A. Wirtz-Henningsen, 'Die Geschichte des Hamalandes', in: Annalen des Historischen Vereins für den Niederrhein, dl. 173 (1971) p. 7 e.v.; J. Tersteeg, 'Enkele hoofdzaken uit de geschiedenis van het oude kerspel Renkum', in: Bijdragen en mededelingen Gelre 68 (1974) p. 1-25; A.B. de Jong, A.G. Steenbergen, J.J. Tersteeg, Katholiek Renkum-Heelsum door de eeuwen heen (Renkum [1975]); W. Kohl, E. Persoons, A.G. Weiler ed., Monasticon Windeshemense, dl. 3 (Brussel: Archives et Bibliothèques de Belgique, 1980) p. 633-642; J.J. Antier, De pelgrimage weer ontdekt. In het Nederlands vertaald, ingeleid en wat de Benelux betreft aangevuld door Th.G.A. Hendriksen, bisschop (Utrecht: Zaken die God raken, [1980]) p. 340-341; Dieter Pesch, Wallfahrtsfähnchen. Religiöse Druckgrafik. Bestandskatalog. [(Keulen 1983) p. 391 en 392; '31e ziekenbedevaart', in: Katholiek Nieuwsblad, 28 april 1987; Renaat van der Linden, Maria Bedevaartvaantjes. Verering van Onze-Lieve-Vrouw op 1175 vaantjes (Brugge: Tabor, 1988) p. 216 en 217; Jacques Tersteeg, 'Vijftig jaar Renkumse kloostergeschiedenis in Wageningen circa 1596-1635', in: Bijdragen en mededelingen Gelre 81 (1990) p. 51-73; J.J.Th.M. Tersteeg, W.F. Scheepsma, Cartularium van de brieven van het O.L. Vrouweklooster te Renkum 1383-1609 (Arnhem [1992]); M. Beerman e.a. ed., Beeldengids Nederland (Rotterdam: uitg. 010, 1994) p. 96 (afbeelding C31 en beschrijving van het beeld van O.L. Vrouw van H. Tummers); Pius jaarboek. Almanak katholiek Nederland (Houten: Bohn etc., 1996) p. 348; Clemens Jöckle, Bedevaartsoorden. Honderd bedevaartplaatsen van Europa (Helmond: Palladium, 1997) p. 135.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Renkum; Meertens Instituut volkskundige vragenlijst 64a (1993); beeldmateriaal in het parochiearchief Renkum o.m. het Gulden Boek O.L. Vrouw van Renkum; twee groene ringbanden met foto's; diapositieven (8 stuks) van Arnhemse bedevaart 29 juli 1928; Film NOF (ca. 1954); radiouitzending door de KRO van de terugkeer van het beeld in 1928; hiervan zijn indertijd ook drie 78-toerenplaten gemaakt, die in de parochiearchief aanwezig waren, doch momenteel worden vermist; Klankbeeld KRO-radio van 28 augustus (22.30-22.47) 1954; Kerkepaduitzending NCRV 1986.
  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<