Oostrum, O.L. Vrouw, Behoudenis der Kranken

Cultusobject: O.L. Vrouw, Behoudenis der Kranken
Datum: 8 september (zondag na), overige feestdagen van maria, mei t/m okotber
Periode: ca. 1350? - heden
Locatie: Mariakapel of Genadekapel in de parochiekerk O.L. Vrouw Geboorte
Adres: Mgr. Hanssenstraat 20 - 5807 BD Oostrum
Gemeente: Venray
Provincie: Limburg
Bisdom: Roermond
Samenvatting: Oostrum heeft een lange geschiedenis als bedevaartoord. Er is sprake van een ononderbroken verering vanaf de middeleeuwen tot heden. Middelpunt van de devotie is het miraculeuze beeld van Maria. De bedevaart naar Oostrum kende een grote bloei in de periode 1850-1960. Bezoekers van de kapel waren vooral afkomstig uit Noord-Limburg en aangrenzende delen van Noord-Brabant. Sinds 1960 is het aantal groepsbedevaarten sterk teruggelopen.
Auteur: Paul van Meegeren
Illustraties:
Topografie - Ongeveer drie kilometer ten oosten van Venray-kom ligt het kerkdorp Oostrum. Tot 1798 vormde Oostrum een eigen rechtsgebied. Samen met de aangrenzende heerlijkheden Spraland en Geijsteren werd het gebied bestuurd door de heren van het kasteel Geijsteren. Vanaf genoemd jaar maakt Oostrum deel uit van de gemeente Venray. In het centrum van het dorp staat de Mariakapel of Genadekapel, thans een apart gedeelte van de parochiekerk van O.L. Vrouw Geboorte.
- De kapel van Oostrum heeft lang tot de parochie van St. Petrus Banden te Venray behoord, die (vanaf 1263) ressorteerde onder de cisterciënzerinnenabdij in Roermond. Het patroonfeest van de kapel was dat van O.L. Vrouw Geboorte, de kermis van Oostrum was bepaald op de zondag na 8 september. De inkomsten van de kapel werden beheerd door twee kerkmeesters die hiervoor waren aangewezen door de schepenen. In 1803 kreeg Oostrum een vaste rector voor de hulpkapel. Aan de status van rectoraat kwam op 1 september 1938 een einde toen de bisschop van Roermond overging tot de oprichting van de parochie van O.L. Vrouw Geboorte.
- De kapel van Oostrum dateert uit de 15e eeuw en is in eenvoudige gotische stijl gebouwd. Zij bestond oorspronkelijk uit een vierkante westtoren met hoofdingang, een eenbeukig schip, een koor, en een tegen het koor aangebouwde sacristie. Vanaf omstreeks 1861 werd de kapel een aantal keren verfraaid, onder meer in 1867 met twee en in 1869 met nogmaals zes glas-in-loodramen van de Roermondse glazenier Frans Nicolas. De onvoltooid gebleven toren was voor 1888 overdekt met een doorgetrokken schipdak. In 1888 werd de kapel ingrijpend gerestaureerd door de Roermondse architect J. Jorna. De westzijde kreeg een nieuwe voorgevel die in een vierkant torentje overging. Ruimtegebrek leidde tot een forse uitbreiding van het kerkgebouw. In 1936 werd de bestaande ruimte vergroot door de aanbouw van een nieuw kerkgedeelte vanuit een doorbraak van de zuidelijke kapelmuur. In het nieuwe gedeelte kwam het hoofdkoor te liggen. Het koor van de oude kapel ging dienst doen als Mariakapel. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog raakte de kerk zwaar beschadigd. Bij de restauratie werd de toren niet heropgebouwd.
- In de kapel stonden twee altaren: het hoogaltaar en ter rechterzijde het H. Kruisaltaar. Het Mariabeeldje stond oorspronkelijk op het hoogaltaar. Omstreeks 1700 werd het op een afzonderlijk troontje geplaatst, naast het H. Kruisaltaar. In 1865 verhuisde het beeldje naar een nieuw altaar ter linkerzijde van het hoogaltaar, waar het kwam te staan op een console onder een neogotische troonhemel. Achter het altaar hingen zwarte gordijnen, later vervangen door houtwerk. In 1893 veranderde de situatie opnieuw. Het H. Kruisaltaar verdween en maakte plaats voor een troonaltaar met genadebeeld. In 1935-1936 werd de kerk uitgebreid door een nieuw schip te bouwen dwars op de zuidwand van het oude schip.
- Na de uitbreiding van de kerk in 1936 kreeg het koor van het oude kerkgebouw de functie van Mariakapel of Genadekapel. De neogotische expositietroon werd in 1937 vervangen door een geelkoperen baldakijn, afkomstig uit het atelier van Brom te Utrecht. Het betreft een zeszijdig baldakijn, waarvan drie zijden open zijn. In 1946 werd de kapel hersteld onder leiding van architect J. Coumans uit Nijmegen.
- In het begin van de 18e eeuw (en waarschijnlijk al eerder) stond midden in Oostrum, niet ver van de kapel, op een plein onder een grote linde, een kapelletje (‘heilig huisje’) dat eveneens aan O.L. Vrouw was gewijd. Het gebouwtje, in de vorm van een pilaar, was aan vier zijden door traliewerk omgeven, waarbinnen, onder een leien dak, een Mariabeeldje was geplaatst. Het kapelletje werd in 1833 gesloopt. Het beeldje kreeg een plaats in de kapel van Oostrum. Wellicht gaat het hier om hetzelfde beeldje (17e eeuw, 28 cm hoog) als hetgeen tegenwoordig in de parochiekluis wordt bewaard. Op de plek van het afgebroken kapelletje werd in 1925 een groot hardstenen Mariabeeld geplaatst, vervaardigd door Thissen uit Roermond. Het beeld, een grote kopie van O.L. Vrouw van Oostrum, raakte in de Tweede Wereldoorlog zwaar beschadigd en werd in 1948 op last van pastoor Asselberghs opgeruimd.
- In 1984 kreeg Oostrum een nieuw Mariabeeld in de openlucht. Het houten beeld, een eigenzinnige interpretatie van het genadebeeld, is gemaakt door O. Giellet, pastoor in het Zeeuwse Breskens. Het stond tot 1999 in een open kapel in het plantsoen naast de kerk, toen het vanwege woningbouw werd verplaatst naar het kerkhof bij het kruiswegpark.
- Onmiddellijk ten zuiden van de kapel lag het klooster Bethlehem. Dit klooster werd in 1450 gesticht door ridder Jan van Broeckhuysen, heer van Geijsteren. De eerste bewoners waren augustijner kanunniken, die voor de eredienst gebruik maakten van de kapel. In 1470 verhuisden de kanunniken naar Straelen (D). In 1477 trokken augustijner kanunnikessen in het door de koorheren verlaten klooster. De koorvrouwen onderhielden eveneens banden met de kapel, ook lieten zij zich bij de kapel begraven. Pas in de 18e eeuw werden de banden wat losser, nadat de zusters in 1721 de beschikking kregen over een eigen kloosterkerk. Het klooster werd in 1802 opgeheven, omstreeks 1806 werd ook het bijbehorende gebouwencomplex gesloopt.
- Aan de Meijerlaan, ongeveer 450 meter ten zuidoosten van de parochiekerk, ligt het kruiswegpark ‘Trans Cedron’, dat dateert van 1909. De naam verwijst naar de beek die Jezus overstak op weg naar de Olijfberg. Ook de pelgrims in Oostrum moesten een oversteek maken: het park lag namelijk aan de overzijde van de Molenbeek (later is de loop van de beek verlegd). Op het terrein bevinden zich een twaalftal kapelletjes en een grot die verwijzen naar de kruisweg en het graf van Christus. De kapelletjes zijn grotendeels bekostigd uit schenkingen. De giften waren veelal afkomstig van pelgrims naar Kevelaer die onderweg ook Oostrum aandeden. De afbeeldingen in de kapellen zijn vervaardigd naar een ontwerp van A. Martens uit Venray. Het kruiswegpark fungeerde niet alleen als een plek van bezinning voor de bedevaartgangers, maar ook als plaats voor slotplechtigheden van processies.
Cultusobject - Het genadebeeld van Maria is van eikenhout en heeft een hoogte van 35 cm. Het beeld dateert uit omstreeks 1400. Het hoofd en de nek van Maria zijn lang in verhouding tot de rest van het lichaam. Maria draagt een over het hoofd geslagen mantel, waaruit van beide zijden langs hoofd en hals lange haarvlechten te voorschijn komen. Op de linkerarm draagt zij het kind Jezus, in de rechterhand houdt zij een scepter. Het Christuskind maakt met de rechterhand een zegenend gebaar, terwijl het in de linkerhand een wereldbol houdt. Het Mariabeeldje staat, binnen een mandorla met stralen, op een houten console die met metaal bekleed is. Op de predella is de volgende tekst aangebracht: ‘Onze Lieve Vrouw / Behoudenis / der / Kranken / Bid voor ons’.
- Het beeld was in de 17e eeuw geheel bedekt met kostbare statiemantels. In een inventaris uit 1665 wordt onder meer een opsomming gegeven van de aan het cultusbeeld geschonken sieraden en kledingstukken: een zilveren kroon (ook een voor het Kind), een zilveren ketting met daaraan een groot zilveren Agnus Dei, een zilveren ketting met daaraan een grote zilveren penning, twee zilveren ringen, een rozenkrans van koraal, vijf ‘rocken’ (in verschillende kleur en stof), en twee zilveren hullen of hoofdsluiers.
- Op 14 september 1884 werd het beeldje door bisschop Paredis gekroond, kort nadat rector J.A. van Hegelsom het had laten herstellen en polychromeren. Vanaf die tijd werd het uitgesteld zonder mantels. Bij de herdenking van het kroningsfeest in 1934 werd het kroontje van Maria verrijkt met een edelsteen.
Verering Legende
Aan de Mariadevotie van Oostrum is de volgende legende verbonden. Een welgestelde landbouwer vond in zijn vlasakker een klein Mariabeeld terwijl hij een stem hoorde zeggen: ‘Hier wil ik rusten’. Hij nam het beeldje mee naar huis en beloofde in het veld een kapelletje te bouwen wanneer de vlasoogst goed zou zijn. De volgende dag bleek zijn vlas in volle bloei te staan. De landbouwer hield zijn belofte en bouwde een kleine kapel. Dit verhaal werd voor het eerst opgetekend door H. Welters en gepubliceerd in het boek Maria’s Heiligdommen in Nederland en België (1882). Welters spreekt zelf van een ‘volkslegende’. Maar het is niet onwaarschijnlijk dat de ouderdom van deze ‘traditie’ niet verder teruggaat dan de 19e eeuw. In 1884 nam rector J.A. van Hegelsom het verhaal op in zijn boekje over de bedevaartplaats Oostrum. Hij volgde in grote lijnen Welters, maar voegde er een episode aan toe. Zo zou de landman het beeldje eerst mee naar huis hebben genomen. De volgende dag was het echter verdwenen. Bedroefd keerde de man terug naar de vlasakker en trof daar het beeldje aan op dezelfde plek als waar hij het daags tevoren gevonden had. Terwijl hij dit voorval overpeinsde, hoorde hij een stem zeggen: ‘Hier wil ik rusten’. Volgens Van Hegelsom speelde de gebeurtenis zich af omtrent het jaar 1350 en zou het verhaal van vader op zoon zijn overgeleverd.

Geschiedenis tot en met de 18e eeuw
- De oudste vermelding van de kapel van Oostrum vinden we in de registers van het bisdom Luik. In 1400 is er sprake van een ‘capella in Oestrem’, in 1485 van een ‘capella S. Marie in Oestrum’. Oostrum genoot reeds vroeg bekendheid als bedevaartplaats. In 1484 kregen de kanunnikessen van het klooster Bethlehem het recht om van de kapel gebruik te maken op voorwaarde dat ‘[...] die inwoonders van Oistenroij [= Oostrum] ende een ieder uyt devotie vry acces zal hebben totte zelve capelle [...]’. Aan de zusters was een betrekkelijke vrijheid gepermitteerd op liturgisch gebied. Zo mochten zij processies houden met vaandels, kruisen, relikwieën en zelfs met het Allerheiligste. Later, vanaf omstreeks 1740, fungeerden zij ook wel als organist in de kapel.
- In 1599 werd voor het eerst melding gemaakt van een Mariaprocessie te Oostrum. Deze vond plaats op kermiszondag (zondag na 8 september). Het Mariabeeldje, geplaatst op een troontje of berrie, werd rondgedragen door zes jonge meisjes, de ‘Lieve Vrouwemeiden’ of bruidjes. In een rekening uit 1605 wordt vermeld dat op kermisdag, toen het beeld werd rondgedragen, vijf gulden aan bier werd verteerd door de naburen. Voorts ontving Lambert Lintgens, die voor het beeld speelde, voor zijn spel (pijp of fluit) 18 stuivers; Tryn Vissers kreeg een gulden voor het bewaren en verzorgen van het beeld. De uitgaven voor staven aan de berrie, waarop het beeld werd rondgedragen, beliepen 10 stuivers. In de 18e eeuw raakte deze processie in onbruik.
- In 1630 kwam het tot een proces tussen de kerkmeesters en het klooster Bethlehem over het beheer van de kapel. In zijn vonnis van 11 oktober 1630 schreef het Hof van Gelre: ‘[...] die vorss. capelle [is] van alden tiden eene platse van groete devotie ter eeren van de heylige Moeder Godts ende Maget Maria die zeer placht gefrequentiert te woorden van allen quartieren [van Gelderland]’. Dit drukke bezoek bracht uiteraard ook veel offers met zich mee, die voortaan gezamenlijk door de zusters en de kerkmeesters beheerd dienden te worden. De opbrengsten waren voor het beheer van de kapel; wat overschoot was voor het klooster. Ook bepaalde offers in natura, zoals eieren en kippen, waren voor de zusters. Uit de formuleringen van het Hof blijkt dat in 1630 Oostrum in een wijde regio al lange tijd vermaard was als bedevaartsoord. Overigens kan uit het bewaard gebleven 16e-eeuwse (1533-1578) rentenboek van de kapel worden afgeleid dat de belangrijkste inkomsten van de kapel voortkwamen uit schenkingen en stichtingen van de eigen parochianen van St. Petrus Banden.
- Vanaf het einde van de 17e of begin 18e eeuw stond het beeldje op een afzonderlijke troon in de kapel, omgeven door zilveren en gouden ex-voto’s. Deze offergeschenken en de krukken en de andere gedachtenissen van Maria’s voorspraak bij miraculeuze genezingen, die onder de toren werden bewaard, zijn getuigen van de populariteit van Oostrum als bedevaartplaats. Afgaande op 18e-eeuwse rekeningen was het vooral in de vasten, tijdens de octaafweken van O.L. Vrouw Hemelvaart en O.L. Vrouw Geboorte en op andere processiedagen, een drukte van belang. Franciscanen uit Venray, maar ook wereldheren uit naburige parochies, hielpen de rector met het opdragen van missen, prediken, biechthoren en catechisatie.
- Processiebedevaarten, vaak met een grote offerkaars kwamen uit Oirloo (O.L. Vrouw Hemelvaart), Geijsteren-Maashees (in de octaaf van O.L. Vrouw Geboorte), maar vooral uit Venray (O.L. Vrouw Geboorte). In 1798 werd het houden van processies verboden door de Franse overheersers. Desalniettemin trokken op St. Jacobsdag (25 juli) 1799 uit Venray groepen mannen naar Oostrum om daar de kaars naar het Mariabeeld te brengen. Een dag later, op St. Annadag, brachten ook vrouwen uit Venray een kaars.
- Het zegel van de Oostrumse schepenbank droeg, tot het einde van de 18e eeuw, de beeltenis van Maria met haar kind.

Aflaten
- In 1519 verleende paus Leo X niet nader gespecificeerde aflaten aan de kapel. In 1610 werd voor een bezoeker aan de kapel een ‘aflaetsbrief’ opgesteld voor 20 stuivers. In 1630 werd bepaald dat op belangrijke feestdagen de aflaatbul van 1519, die in bewaring was bij de conventuelen, publiekelijk in de kapel zou worden opgehangen. Pius VI stond in 1779 de mogelijkheid toe om op de zeven belangrijkste feestdagen van O.L. Vrouw een volle aflaat te verdienen in Oostrum. Deze aflaat werd door paus Pius IX bij breve van 2 juli 1865 bevestigd en daarbij tevens uitgebreid tot de octaafdagen van O.L. Vrouw Hemelvaart (15 augustus) en O.L. Vrouw Geboorte (8 september), alsmede tot het feest van St. Aloysius (21 juni). Bij breve van 14 oktober 1868 verleende dezelfde paus een aflaat van zeven jaar, te verdienen op elke dag van de maand mei, op de zeven feestdagen van O.L. Vrouw, op alle dagen van de octaven van O.L. Vrouw Hemelvaart, O.L. Vrouw Geboorte, O.L. Vrouw Onbevlekte Ontvangenis en op het feest van St. Aloysius. Aansluitend verleende Pius IX op 11 juni 1875 nog een eeuwigdurende dagelijkse aflaat aan de kapel.

Verering in de 19e eeuw
- Na de Franse tijd herleefde niet alleen het gilde weer (zie hieronder), maar zette ook de 18e-eeuwse praktijk om zuivel- en andere landbouwproducten - zoals wol, vlas, rogge, ‘halve koppen’ - aan de kapel te offeren, zich voort. De opbrengst hiervan kwam uiteraard niet meer ten goede aan de zusters, maar stond geheel te beschikking van de kapelmeesters. Uit de rekeningen van de kapel blijkt dat de toevloed der pelgrims omstreeks 1817 bijzonder groot was.
- Op 8 september 1808 trok (voor het eerst sinds 1799) de processie uit Venray weer naar Oostrum. In dat jaar en in de volgende jaren vertrok de processie om 8.00 uur uit de parochiekerk om via de Hofstraat en het buurtschap Lull Oostrum binnen te komen, waar om 9.00 uur de plechtige hoogmis met predikatie werd gecelebreerd. Na de viering werd even gerust en kregen de zangers, vaandeldragers, bruidjes (die de twee offerkaarsen hadden gedragen) en andere medewerkers een versnapering aangeboden. De terugtocht ging over het veld en langs het Annakapelletje op het ‘Broekje’. In de kloosterkerk van de franciscanen ontvingen de bedevaartgangers de zegen met het Allerheiligste, waarna ze via de Patersstraat, Grote Straat en Markt onder het zingen van ‘Te Deum Laudamus’ weer de St. Petrus Bandenkerk binnentrokken.
- In de tweede helft van de 19e eeuw trok de kapel een groeiend aantal bedevaartgangers. Dit was vooral te danken aan de inspanningen van rector L. Ramaekers (1861-1877) en rector J.A. van Hegelsom (1882-1888). De processie die vanaf de middeleeuwen tot in de 18e eeuw door Oostrum had getrokken, werd in ere hersteld door rector Ramaekers. Aanvankelijk koos hij voor een omdracht met het beeld vanuit Oostrum via Spraland naar Geijsteren, maar het processieverbod zorgde er voor dat de processie beperkt moest blijven tot de onmiddellijke omgeving van de kapel. De omgang vond plaats op de belangrijkste feestdagen van O.L. Vrouw; de zon- en feestdagen in de meimaand; en de twee zondagen onder het octaaf van O.L. Vrouw Hemelvaart en O.L. Vrouw Geboorte.
- Het bedevaartwezen dat omstreeks 1808 weer goed op gang was gekomen, bleef verder uitdijen. Tot omstreeks 1960 zou Oostrum bezoek krijgen van talrijke bedevaartgangers uit plaatsen in Noord-Limburg en het Land van Cuijk. De processiebedevaarten werden georganiseerd door godsdienstige verenigingen (zoals de H. Familie van Overloon, Boxmeer en Sambeek), standsorganisaties en of onderwijsinstellingen (zoals de jongens van het gymnasium in Venray). Deze lange bloeiperiode kende tussen 1876 en 1880 wel een onderbreking toen de overheid met het inzetten van de marechaussee gewelddadig optrad tegen uitingen van het katholieke leven in Limburg.
- Rector Van Hegelsom liet in 1884 een boekje verschijnen over de geschiedenis van de Mariadevotie in zijn rectoraat. Hierin was ook het ‘Oostrumsch Pelgrimslied’ opgenomen, een lied dat op verzoek van de rector was gedicht en getoonzet door de priester G.J. Wijnhoven. In 1896 werden om de troon van het Mariabeeld 42 zilveren ex-voto’s gegroepeerd, getuigenissen van gebedsverhoringen.

Bedevaart naar Kevelaer
- Oostrum fungeerde soms ook als tussenstation voor bedevaarten naar Kevelaer. Voetprocessies uit Eindhoven, Helmond en andere Brabantse plaatsen trokken door de Peel naar Venray, waar werd overnacht. De volgende dag brachten de processiegangers een bezoek aan de kapel van Oostrum om vervolgens naar Kevelaer door te trekken. Van 1811 tot 1815 fungeerde de oratoriaan Melchior Laureijs als rector van de kapel. Laureijs had in 1802 de suppressie van Kevelaer meegemaakt en keerde in 1815 weer terug naar deze grote bedevaartplaats waar hij in 1851 zou overlijden. Vanaf omstreeks 1860 werden door de firma Romen te Emmerich (D) vele gekleurde en ongekleurde prenten gemaakt met daarop onder meer de vermelding dat Oostrum tussen Eindhoven en Kevelaer ligt. Deze prenten werden door rector Ramaekers aan het cultusbeeld aangestreken en daarna verspreid onder de pelgrims.

De kroning in 1884
- In 1884 gaf paus Leo XIII toestemming tot de kroning van het miraculeus beeldje. De plechtigheid werd gehouden op zondag 14 september van hetzelfde jaar in de St. Petrus Bandenkerk van Venray. Daar plaatste de hoogbejaarde bisschop van Roermond, mgr. J.A. Paredis, als gevolmachtigde van de paus, in het bijzijn van een grote schare (en de geestelijkheid uit de dekenaten Horst, Gennep en Venlo) een gouden kroontje op het hoofd van Maria, en een op het hoofd van het Christuskind. De kroontjes waren een geschenk van de adellijke familie De Weichs de Wenne, bewoners van kasteel Geijsteren. Vervolgens trok men in processie naar Oostrum. Voorop ging de drager van het parochiale kruisvaandel, gevolgd door schoolkinderen en broederschappen van de H. Familie uit Venlo, Blerick, Overloon en Venray. Daarna kwamen het zangerskoor van de Petrus Bandenkerk, de paters franciscanen, die in Venray een klooster hadden, wereldheren uit een groot aantal Noord-Limburgse parochies en de bisschop en de leden van het kapittel. Daarachter kwam een praalwagen met herdertjes en bruidjes die een erewacht vormden voor het Mariabeeld. De stoet werd besloten door fanfare ‘Euterpe’. Langs de route stonden duizenden mensen - schattingen liepen uiteen van 8.000 tot 10.000 - , die te voet, met het rijtuig of per spoor naar Venray waren gekomen. De menigte verzamelde zich rondom de kapel, waar in de open lucht een feestpredikatie werd gehouden door de pastoor van Well. Tot slot volgde het zingen van het lof en gaf de bisschop de pauselijke zegen.

19-eeuwse historiografie
- Aan het einde van de 19e eeuw publiceerde de geestelijke M.J. Janssen een studie over de Mariaverering en -kapel van Oostrum. Later, bij zijn veertigjarig priesterjubileum in 1918, werd hij door het provinciaal genootschap ‘Limburg’ voor zijn historisch onderzoek naar en devotioneel ijveren voor de O.L. Vrouw van Oostrum (en voor de verering van St. Goar in ? Meerlo) met nadruk gememoreerd.

Devotie in de 20e eeuw
- In 1928 vond in Oostrum een bijzondere gebedsverhoring plaats. De 15-jarige Maaitje Lemmers was sedert anderhalf jaar door ziekte aan bed gekluisterd en kon praktisch niet meer lopen. Na een gebed tot O.L. Vrouw op 24 mei van genoemd jaar verdwenen plotseling de verlammingsverschijnselen en kon zij op eigen kracht naar de kapel wandelen. De genezing zorgde voor een grote toeloop van bedevaartgangers.
- In 1934 vond het gouden jubileum van het kroningsfeest plaats. Het kroontje van Maria werd bij deze gelegenheid verrijkt met een edelsteen. Een plechtige processie onder leiding van bisschop Lemmers trok naar ‘Trans Cedron’. Daar plaatste de bisschop opnieuw het kroontje op het beeld. Vervolgens werd een herdenkingsrede gehouden door professor Féron. De grote man achter het gouden jubileum was rector E.P.M. Asselberghs. In 1938 werd hij de eerste pastoor van de nieuw opgerichte parochie van O.L. Vrouw Geboorte.
- In 1950 vierde Oostrum het zesde eeuwfeest als bedevaartcentrum. De Mariafeesten werden geopend op 30 april en liepen door tot 15 augustus. Centraal in het programma stond de opvoering van het openluchtspel ‘De duivel op Spraland’ van pater J. Schreurs m.s.c. In het spel werd het verhaal verteld van de wonderbaarlijke vinding van het beeldje op de vlasakker.
- De herdenking van het kroningsfeest in 1984 was aanleiding tot de plaatsing van een nieuw beeld van O.L. Vrouw in het plantsoen naast de kerk.
- In 1996 vond er jaarlijks nog één Mariaprocessie plaats, en wel op de derde zondag van mei. De omgang volgde een route rond de parochiekerk en werd opgeluisterd door de plaatselijke muziekverenigingen, terwijl kinderen van de basisschool bloemen strooiden.
- Er worden nog steeds groepsbedevaarten ondernomen vanuit de parochies Venray (eerste zondag na 8 september), Oirlo (zondag in de maand september) en Geijsteren (zondag vóór of na 15 augustus). Verder wordt jaarlijks op de eerste maandag van de maand mei de bedevaart van de Limburgse Vrouwenbeweging (kring Venray) gehouden. Naast deze georganiseerde bedevaarten komen vele individuele bedevaartgangers naar Oostrum. Voor bezoekers is een gedachtenisprentje beschikbaar met afbeelding van het miraculeus beeld en prentbriefkaarten met afbeeldingen van de kapel, het genadebeeld, het Maria-altaar, het kruiswegpark en het gemeenschapshuis.

Gilde en broederschap
- Het O.L. Vrouwegilde is ontstaan in de eerste helft van de 16e eeuw. Dit schuttersgilde speelde een bijzondere rol in de processie vanuit de St. Petrus Bandenkerk te Venray naar Oostrum. Op het moment dat de processiegangers de kapel naderden, trokken de schutters hen tegemoet met vaandel en trom, maar zonder geweer. Aan het begin van de 19e eeuw raakte deze gewoonte in onbruik, zoals ook het gilde zelf in verval was. Vanaf 1818 kende het gilde echter weer een heropleving en was er een aanwas van nieuwe leden die alleen afkomstig mochten zijn uit Oostrum en Lull. In 1852 verzochten de gildemeesters aan de pastoor van Venray om weer present te mogen zijn. De apostolisch vicaris Paredis, gaf hiervoor echter geen toestemming.
- Op verzoek van rector Ramaekers ging bisschop Paredis op 21 september 1870 over tot de oprichting van een broederschap in de kapel van Oostrum. De broederschap werd geplaatst onder de bescherming van O.L. Vrouw ‘Behoudenis der Kranken’. Zij sloot zich aan bij de aartsbroederschap van Parijs, een godsdienstige vereniging die zich toelegde op het gebed voor zieken. De leden waren verplicht dagelijks één weesgegroet te bidden en driemaal ‘Behoudenis der Kranken bid voor ons’. In 1896 telde de broederschap 7850 leden, in 1909 waren dat er 10.755. Na de Tweede Wereldoorlog is de vereniging ‘rustend’ geworden.
Materiële cultuur - Reliek: het parochiememoriaal vermeldt dat in 1862 de kapel in het bezit is gekomen van een mariale reliek afkomstig ‘uit het graf van O.L. Vrouw’. Deze reliek speelt in de cultus geen rol. De reliek zit in een theca die weer is opgenomen in een verguld/koperen en zilveren reliekhouder. Het bijschrift luidt: ‘Ex Sep. B.V.M.’ (‘Uit het graf van de H. Maagd Maria’).
- Schilderij: in de Mariakapel hangt een schilderij (olieverf op linnen; 95 x 149 cm) uit 1865, vervaardigd door de kunstschilder J.A. van der Drift (1808-1883) in opdracht van rector L. Ramaekers. Het stelt de kapel te Oostrum voor, met links en rechts processies. Boven in de lucht zweven twee engeltjes die een banderol ophouden met de tekst: ‘Ziet van nu af zal ieder geslacht mij zalig heeten, Luc. I, 48’. Aan de onderzijde is een opschrift aangebracht dat verwijst naar de opdrachtgever van het doek: ‘L. Rameckers pastor ad sanctam Mariam in Oostrum’. In de collectie van het Katholiek Documentatiecentrum Nijmegen wordt een tekening (10 x 16 cm) van Van der Drift uit 1865 bewaard die als voorstudie voor het schilderij heeft gediend. Links en rechts zijn schetsen van het interieur van de kapel aangebracht.
- Kelk: Janssen (1898) beschrijft een verguld zilveren kelk met pateen uit 1616; beide voorwerpen dragen het inschrift: ‘+ Maria + Cappell + Osterum + 1616 +’.
-Votief- en offergeschenken: 1 de kapel beschikte oorspronkelijk over een grote collectie zilveren en gouden ex-voto’s. Deze hingen rondom de troon van het Mariabeeldje. In 1861 heeft men een groot aantal ex-voto’s (harten, armen, benen, kruisjes, kettingen, oorbellen, vaak geschonken na een sterfgeval) te gelde gemaakt voor de bouw van de rectorswoning. Aan het eind van de 19e eeuw hingen er nog votiefgeschenken achter het Maria-altaar. Dertig jaar later komen ze niet meer voor op interieurfoto’s van de kapel. De resterende ex-voto’s bevinden zich tegenwoordig in het museum ’t Freulekeshuus te Venray. De collectie omvat 61 objecten. Veel voorkomende motieven zijn harten (23), benen (19) en beesten (5); 2 onder de toren bevonden zich meerdere krukken en andere voorwerpen, geschonken uit dankbaarheid voor bewezen gunsten. Deze zijn voor 1896 uit de kapel verwijderd. Tegenwoordig bevinden zich in het noorderportaal van de kerk 14 plaquettes met teksten die verwijzen naar gebedsverhoringen. De plaquettes dateren uit de periode 1911-1986 en zijn geschonken door bedevaartgangers uit Oostrum, Venray-dorp, Sevenum, Venlo en Dahlhausen (D); 3 in de Mariakapel bevinden zich achter het altaar 24 standaards voor geofferde bedevaartkaarsen. Er stonden in 1998 nog 22 (oudere) kaarsen op; zij werden in de jaren 1960-1969 geschonken door de parochie St. Petrus Banden te Venray, de parochie St. Gertrudis te Oirlo, de parochie St. Willibrordus te Geijsteren, de communicanten van Venray, de Limburgse Boeren- en Tuindersbond ( kring Venray), de Limburgse Vrouwenbeweging (kring Venray) en de Boerinnenbond (kring Venray). Blijkbaar is sindsdien deze vorm van offergave in onbruik geraakt.
- Replica’s: 1 omstreeks 1885 werden afgietsels van het beeldje van O.L. Vrouw vervaardigd op last van rector Van Hegelsom. Een exemplaar bevindt zich in de collectie van de redemptoristen te Roermond. Het gaat om een beschilderd gipsen beeldje met een hoogte van 36 cm; 2 eind 19e, begin 20e eeuw is een serie beeldjes gemaakt, die als pelgrimssouvenir werden verkocht. De parochie van O.L. Vrouw bezit een gekleurd en een ongekleurd exemplaar. De beeldjes (27 cm hoog) zijn van biscuitporselein, met kronen en scepter; 3 replicabeeldje van gepolychromeerd gips uit ca. 1950, coll. Museum Religieuze Kunst Uden, nr. MRK 1117.

Devotioneel drukwerk
- Bedevaartboekje: 1 [Joannes Andreas van Hegelsom], Onze Lieve Vrouw van Oostrum, troosteres der bedrukten en behoudenis der kranken (Maastricht: St. Paulusdrukkerij, 1884; 113 p.); 2 O.L. Vrouw te Oostrum-Venray. Handleiding bij het bezoek aan de aloude bedevaart O.L. Vrouw van Oostrum, vereerd als Behoudenis der Kranken, Toevlucht der Zondaren, Troosteres der Bedrukten (Oostrum-Venray: H. van Aarssen, [1909]; 180 p.).
- Broederschapsboekje: broederschapsboekje O.L. Vrouw Behoudenis der Kranken te Oostrum-Venray (Venray: Gebr. Laurensse; impr. Roermond, 25 januari 1910, dr. P. Mannens) het boekje bevat: een lijst van te verdienen aflaten; het verhaal van het miraculeus beeld; een gebed van de broederschap.
- Prentjes: 1 devotieprent met een afbeelding van O.L. Vrouw, en de tekst: ‘Mirakeleuse beldt van O.L. Vr. in Oostrum’ (perkament, eerste helft 17e eeuw; bewaarplaats onbekend; zie Janssen (1898) p. 9); 2 ingekleurde lithografie voorstellende ‘Oostrum (Venraij) op den Weg van Eindhoven naar Kevelaar’, met het Mariabeeld op haar troon, de kapel en enkele processies. Randschrift: ‘Die Capelle is van alden tiden een platze van groote devotie ter eeren van de H. Moeder Godts ende Magt Maria, die seer placht gevisiteerd ende gefrequenteerd te worden van alle Quartieres’; ontwerp: J.A. van der Drift (Emmerik: Romen, 1861/4; 22 x 14 cm; aanwezig in: Breda’s Museum; zie Janssen (1898) p. 22); 3 ‘Gebed der broederschap: ‘Behoudenis der kranken’ (impr. Roermond 29 januari 1884 P.J. Hoefnagels); 4 ‘Onze Lieve Vrouw van Oostrum, Troosteres der Bedrukten Behoudenis der kranken, bid voor ons’, met afbeelding van het beeld met op de achtergrond de kapel, op de voorgrond twee vazen met bloemen (Roermond, lith. F.A. Wartenbergh; 2e helft 19e eeuw); 5 prentje, zwart-wit, ‘Herinnering aan Uwe bedevaart naar O.L. Vrouw, Behoudenis der kranken, Oostrum (L.)’, met foto van het miraculeus beeldje en de genadekapel; gebed tot O.L. Vrouw ‘Behoudenis der Kranken’; gegevens over de geschiedenis van de Mariadevotie (z.p. [1935]); 6 vouwprentje, zwart-wit, ‘Herinnering aan Uw bedevaart naar O.L. Vrouw Behoudenis der kranken, Oostrum (L.)’ met foto van het miraculeus beeldje; gebed tot O.L. Vrouw ‘Behoudenis der Kranken’; gegevens over de geschiedenis van de Mariadevotie (z.p. en z.j.). Dit is het huidige gedachtenisprentje van Oostrum; 7 prentje, kleur, ‘Ter Herinnering aan de plechtige Maria-Kroning te Oostrum op 8 september 1934’; voorkant: afbeelding gezicht van Maria (’Mater Dolorosa’), achterkant: Marialied (z.pl., 1934); 8 devotieprentje in kleur ‘O.L. Vrouw van Oostrum’ met kinderen op de knieën voor een kleine Mariakapel (= ook de illustratie bij het hoofdstuk over O.L. Vrouw van Oostrum in de Lieve Vrouwkes van Limburg).
- Diversen: 1 Programma der gouden kroningsfeesten van het miraculeus beeldje te Oostrum (L.). 1884 -8 september- 1934 (Venray: Van den Munckhof, z.j. [1934]); 2 Feestgids en programma bij de viering van het zesde eeuwfeest van Oostrum (L.) als bedevaartplaats van Onze Lieve Vrouw. 1350-1950 (Venray: Van den Munckhof, z.j. [1950]); 3 twee prentbriefkaarten in kleur, een van de kapel en een van het van beeld en het kruiswegpark (Oostrum: kadoshop Verhaegh, ca. 1990).
Bronnen en literatuur Archivalia: Oostrum, parochiearchief O.L.Vrouw Geboorte. Roermond, bisdomarchief: parochiedossier Oostrum.
Tekstedities: G. Bannenberg, A. Frenken & H. Hens ed., De oude dekenaten Cuijk, Woensel en Hilvarenbeek in de 15de- en 16de-eeuwse registers van het aartsdiakonaat Kempenland, 2 dln. (Nijmegen: Gebrs. Janssen, 1968-1970) dl. 1, p. 118, vermelding kapel in 1400-1442, dl. 2, p. 276, kapel in 1485-1566.
Literatuur: H. Welters, ‘Het miraculeus beeld en de genadekapel van O.L.V. te Oostrum, (Venray)’, in: Maria’s heiligdommen in Nederland en België (’s-Hertogenbosch: De Katholieke Illustratie, 1881) p. 246-251; Neerlandia Catholica of Het Katholieke Nederland. Ter herinnering aan het gouden priesterfeest van Z.H. Paus Leo XIII (Utrecht: P.W. Van de Weijer, 1888) p. 461; Jos. Habets, Geschiedenis van het tegenwoordig bisdom Roermond en van de bisdommen die het in deze gewesten zijn voorafgegaan, dl. 3 (Roermond: Romen & Zonen, 1892) p. 688-689; Mart. Jos. Janssen, ‘Historie der aloude heerlijkheid Spraeland-Vossum (Venray) van de O.L. Vr.-kapel met het mirakuleus beeld en het gilde aldaar’, in: Publications S.H.A. Limbourg 33 (1897) p. 3-134; Mart. Jos. Jansssen, ‘Geschiedenis van de O.L.Vr. Kapel te Oostrum (onder de parochie Venray) met het daarin berustende miraculeus beeld’, in: Publications S.H.A. Limbourg 34 (1898) p. 3-202; A.B. & L.O., Meimaand der genade-oorden, of Maria’s-Grootheden, Leven en Bevoorrechte Heiligdommen (Cuyk: J. Van Lindert, 1897/1901) p. 183; Jan Kalf, De katholieke kerken in Nederland (Amsterdam: Van Holkema & Warendorf, 1906) p. 541-542; J.A.F. Kronenburg, Maria’s heerlijkheid in Nederland, dl. 6 (Amsterdam, F.H.J. Bekker, 1909) p. 213-218; ‘Een wonderbeeld’, in: Limburgsch Jaarboek 19 (1913) p. 211-216, vermelding van verdwenen ex-voto’s; Pierre Kemp, Limburgsch Sagenboek (Lutterade: Fonds voor Heemkunde, 1925) p. 33; J.H.A. Mialaret, De Nederlandsche monumenten van geschiedenis en kunst. Deel V. De provincie Limburg, tweede stuk Noord-Limburg (Den Haag: Algemeene Landsdrukkerij, 1937) p. 207-211, ill. nrs. 394-397; J.R.W. Sinninghe, Limburgsch Sagenboek (Zutphen: Thieme, 1938) p. 107; Michael Schoengen, Monasticon Batavum, dl. 2 (Amsterdam: Noord-Hollandsche Uitgevers Maatschappij, 1941) p. 148-149; A. Welters, De lieve Vrouwkes van Limburg (Maastricht: E. van Aelst, 1941) p. 61-66; Gerard Lemmens, Maria in Limburg. De legendenkrans voor Maria (Maastricht: ‘Veldeke’, 1947) p. 182-191; A.J. Munsters, ‘Verkenning van de Middeleeuwse kerk in Limburg’, in: E.C.M.A. Batta e.a. ed., Limburgs verleden, dl. 2 (Maastricht: LGOG, 1967) p. 510; J.M. Gijsen, Joannes Augustinus Paredis (1795-1886), bisschop van Roermond en het Limburg van zijn tijd (Assen: Van Gorcum, 1968) p. 445, kroning beeld; H.P.H. Camps, Venray in oude ansichten (Zaltbommel: Europese Bibliotheek, 1976) p. 65, 68, foto’s processie en kapel ca. 1920; Charles Genders, Langs de oude Limburgse kerken. Midden- en Noord-Limburg (Baarn: Bosch en Keuning, 1977) p. 133-134; Gerard Lemmens & Leo Herberghs, Maria in Limburg. Sprakeloze vertellingen (z.p.: Corrie Zelen, 1978) p. 63-64, naar Lemmens (1947); J.J. Antier, De pelgrimage weer ontdekt. In het Nederlands vertaald, ingeleid en wat de Benelux betreft aangevuld door Th.G.A. Hendriksen, bisschop (Utrecht: Zaken die God raken, [1980]) p. 411-412; Sef Derkx, Pelgrimstochten. bedevaarten vanaf de middeleeuwen (Venlo: Goltziusmuseum, 1986) p. 13; Jubileumfeesten Oostrum 1988. 50 jaar parochie O.L. Vrouw Geboorte. 70 jaar muziekvereniging harmonie Sub Matris Tutela. 40 jaar dorpsraad Werkcomité Oostrum (Venray: Van den Munckhof, 1988) p. 5-35; J.M.A. van Cauteren, Maria in Limburg. Vroomheid rond miraculeuze beelden (Weert: museum Jacob van Horne, 1989) p. 10-11; ‘Onze Lieve Vrouw van Oostrum’, in: De Sleutel 21 (1993) nr. 9, p. 4-5; Herman Andriessen e.a., Kapellen onderweg. Hedendaagse spiritualiteit in Limburgse Maria-legenden (Baarn: Gooi & Sticht, 1996) p. 95-100; W. Meulenkamp & P. de Nijs, Buiten de kerk. Processieparken, Lourdesgrotten en Calvariebergen in Nederland en België (Nieuwegein: Aspekt, 1998) p. 156-158; Peter Jan Margry, Teedere quaesties. Religieuze rituelen in conflict. Confrontaties tussen katholieken en protestanten rond de processiecultuur in 19e-eeuws Nederland (Hilversum: Verloren, 2000) p. 115, 136.
Overige bronnen: PJMI BiN-dossier Oostrum.
  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<