Oirschot, Maria Margaretha der Engelen (van Valckenisse), de Heilige Non van Oirschot

Cultusobject: Maria Margaretha der Engelen (van Valckenisse), de Heilige Non van Oirschot
Datum: Geen specifieke datum
Periode: 1658 - 1663 / 1931 - heden
Locatie: Carmel St. Jozef (carmelitessenklooster Blijendaal)
Adres: Nieuwstraat 28, 5688 BE Oirschot
Gemeente: Oirschot
Provincie: Noord-Brabant
Bisdom: 's-Hertogenbosch
Samenvatting: Maria Margaretha van Valckenisse stichtte in 1644 onder bescherming van stadhouder Frederik Hendrik een carmelitessenklooster in Oirschot. Zij stierf in 1658, na tijdens haar leven al een reputatie van heiligheid te hebben genoten. In de maanden na de dood van Maria Margaretha, en opnieuw in de jaren 1662-1663, werd haar opgebaarde, onvergankelijke lichaam door vele pelgrims bezocht. Bij het lichaam zouden talloze wonderen zijn geschied. Genezingswonderen vonden tevens plaats na een behandeling met de olie die uit het lichaam was gedropen. De carmelitessen die zich in 1931 in Oirschot vestigden, hebben rondom relieken van de Heilige Non een cultus opgezet die anno 1998 nog altijd enkele bedevaartgangers trekt. In 2013 is een commissie in het leven geroepen die de mogelijkheden tot zaligverklaring onderzoekt.
Auteur: Marc Wingens; Peter Jan Margry
Illustraties:
Topografie - Plattegrond ⟶ Oirschot, O.L. Vrouw.
- De Carmel werd in 1644 gevestigd in het woonhuis van Silvester Lintermans, een notabele inwoner van Oirschot die in Douai (F) had gestudeerd. Het huis, 'Blijendaal' genaamd, is gelegen aan de huidige Nieuwstraat, een zijstraat van de Oirschotse Markt. Het onderging tussen 1644 en 1663 enkele bescheiden verbouwingen ten behoeve van de kleine communiteit en er werd een kapel bijgebouwd. Deze kapel had geen ramen aan de straatkant. Zo werd voorkomen dat gereformeerden aanstoot konden nemen aan de carmelvieringen.
- Nadat de kloostergemeenschap het gebouw in 1663 had verlaten, werd het gekocht door de chirurgijn Arnoldus Fey. Het kreeg zijn wereldlijke functie terug. Toen het pand in 1930 werd gekocht ten behoeve van een nieuwe Carmelvestiging, was het opgesplitst in drie woningen.
- In de jaren 1930-1931 werd het pand onder leiding van de Bossche architect Valk verbouwd tot het klooster van de Carmel St. Jozef. Het gedeelte van het gebouw dat tot 1663 als kapel had dienst gedaan, kreeg deze functie terug en werd uitgebreid met een koor en een afgescheiden ruimte voor de carmelitessen. Daarnaast werd er een vleugel aangebouwd. In 1951 is het klooster vergroot met een tweede vleugel.
- Sinds 1991 is in een deel van het complex een verpleegtehuis voor carmelitessen gevestigd.
Cultusobject - Maria Margaretha van Valckenisse werd op 26 mei 1605 te Antwerpen geboren als dochter van aanzienlijke ouders. Haar vader, Philips van Valckenisse, was secretaris van de stad Antwerpen. Maria Margaretha trad in 1624 toe tot de Antwerpse Carmel, die daar in 1612 was gesticht door Anna van St. Bartholomeus, een Spaanse carmelites die 14 jaar lang de verzorgster was geweest van St. Theresia van Avila. Als kloosternaam nam zij de naam Maria Margaretha der Engelen (ab Angelis) aan. Al spoedig verwierf zij daar, mede dankzij haar extreme verstervingspraktijken, een reputatie van heiligheid. Maria Margaretha ontwikkelde een bijzondere verering voor het sacrament van de eucharistie. Spoedig na haar intrede zou zij God hebben gevraagd om haar lichaam na haar dood te laten oplossen in olie waarmee de godslamp voor het tabernakel brandend zou kunnen worden gehouden. Aan dit verzoek leek na haar dood te worden voldaan. In 1644 stichtte Maria Margaretha een Carmel in Oirschot, waar zij op 5 februari 1658 zou overlijden.
- Maria Margaretha werd al bij haar leven als een heilige vereerd. In de Antwerpse Carmel bewaarden sommige medezusters afgeknipte haren en uit wonden gesneden vlees van de Heilige Non als relieken. Ook de welriekende lichaamsgeur die als een teken van heiligheid werd beschouwd, zou al tijdens haar leven door Maria Margaretha zijn afgescheiden.
- Na haar dood in 1658 richtte de verering zich op het lichaam van de Heilige Non en de voorwerpen die door haar of aan haar dode lichaam waren aangeraakt. De voornaamste relieken waren de flesjes gevuld met, en de doeken gedrenkt in de olie die het in de kloosterkapel opgebaarde lichaam na twee maanden begon af te scheiden. Deze olie zou een geneeskrachtige werking hebben. Er werden meer dan 100 flesjes van 200 gram mee gevuld. Ook bloed en ander lichaamsvocht ving men op. Toen de huid bijna drie maanden na haar dood begon los te laten, werden de schilfers verzameld.

Het lichaam 1658-1795
- Het lichaam van Maria Margaretha van Valckenisse lag opgebaard in de kloosterkapel van 5 februari 1658 tot 24 juli 1658. Medio 1662 is het lichaam opgegraven, waarna het opnieuw in een open kist in de kapel werd opgebaard tot 10 juli 1663, toen het door de Staten-Generaal in beslag werd genomen.
- In de nacht van vier op vijf augustus 1663 is het lichaam in aanwezigheid van de hoogschout en schepenen van 's-Hertogenbosch bijgezet in de doopkapel van de plaatselijke St. Janskerk. Ter nagedachtenis werd een koperen plaat op de grafzerk bevestigd met daarop een gegraveerde tekst met biografische gegevens en bijbelteksten in het randschrift. In de 19e eeuw is deze plaat verwijderd omdat bezoekers van de doopkapel met hun klompen lawaai maakten wanneer zij over de plaat liepen. In 1927 is op de grafzerk een nieuwe koperen plaat aangebracht.
- In de ochtend van 10 oktober 1795 heeft de koster van de St. Janskerk, in het bijzijn van de pastoor van de Catharinakerk, Joannes Bosmans, met een schop onder de zerk gestoken en wat steen losgeslagen. Daarna heeft hij beenderen, behorend tot het onderlijf, opgespit 'dewelke meest alle geschonden zyn [...] door het steken met de schuppe', zoals wordt opgemerkt in het proces-verbaal dat van het gebeuren werd gemaakt. Overigens is pas achteraf, op 16 november 1795, toestemming voor deze opgraving gekregen van de 'Provisioneele representanten van het volk van Bataafsch Brabant'. De beenderen zijn vervolgens opgehaald door Joannes Jacobus Thomas, pastoor van Leefdaal bij Leuven. Aan het begin van de 19e eeuw zijn zij in het bezit gekomen van de Leefdaalse congegratie der Dochters van St. Joseph, opgericht door pastoor Thomas. De helft hiervan is in 1931 in opdracht van de aartsbisschop van Mechelen, kardinaal Van Roey, door de Dochters van St. Joseph aan de nieuwe Carmel te Oirschot gegeven.

De reliekenschat van de Oirschotse Carmel
- De flesjes met olie, kledingstukken en andere relieken van Maria Margaretha van Valckenisse zijn in 1663 door de Oirschotse communiteit meegenomen naar Mol (B), waar een nieuw klooster werd gesticht. Aan het begin van de 18e eeuw verhuisden de relieken naar de nieuwe Carmel in Willebroek bij Brussel, waar zij verbleven tot de opheffing van de Zuid-Nederlandse kloosters door keizer Jozef II in 1792. Daarna zijn de relieken verspreid geraakt.
- De Oirschotse Carmel heeft vanaf de stichting in 1931 tot in de jaren tachtig geprobeerd om zoveel mogelijk relieken en andere memorabilia die betrekking hebben op de Heilige Non, in Oirschot bijeen te krijgen. Dankzij de inspanningen van de carmelitessen is een groot deel hiervan daadwerkelijk naar Oirschot teruggekeerd. In 1991 zijn alle relieken tentoongesteld op de zolder van het kapelgedeelte dat ook in de 17e eeuw als zodanig in gebruik was, dus exact boven de plaats waar het lichaam van de Heilige Non in 1658 en 1662-1663 lag opgebaard. In de opstelling bevinden zich de volgende relieken:
1 een houten kistje in een houten schrijn met glazen wanden, waarin beenderen van het onderlichaam worden bewaard, en wel twee stukken van het linker heupbeen, vier stukken van het linker dijbeen, drie stukken van een scheenbeen en het linker hielbeen; 2 een flesje dat tot de rand is gevuld met okerkleurige, vloeibare olie. Het flesje is gevat in een eenvoudige zilveren houder, die aan een monstrans doet denken. Het flesje met olie is afkomstig uit de opgeheven Carmel van 's-Hertogenbosch, van waaruit de Oirschotse Carmel in 1931 werd gesticht, en op 21 februari 1982 overgedragen; 3 twee flesjes met een bodempje ingedroogde olie en het lepeltje waarmee de olie uit de flesjes werd gehaald; 4 de hul (een doek waarmee het hoofd en de hals, op het gelaat na, werden bedekt) en het hemd waarin het lichaam van de Heilige Non was gekleed, doordrenkt met olie; 5 lijnwaad met Maria Margaretha's doodszweet; 6 drie tanden; 7 acht nagels; 8 een galsteen die na haar dood, samen met twee andere, werd aangetroffen bij de opening van haar lichaam. De drie galstenen zouden de vorm hebben van de nagels waarmee Christus aan het kruis is geslagen; 9 stukjes vlees; 10 stukjes huid van de handen; 11 een ronde reliekhouder met een brokje gestold bloed, omgeven door versieringen van stof en kralen; 12 hoofdhaar; 13 kleding, schoeisel en een leren riem; 14 een eenvoudig houten devotiekruis; 15 een werkbankje; 16 een zandloper; 17 een door Maria Margaretha geschreven brief. Alle kleding en de gebruiksvoorwerpen zijn voorzien van een door Maria Margaretha aangebracht Alziend Oog.
- Verder is in de opstelling een geschilderd portretje van de Heilige Non te zien dat in 1930 na de aankoop van Blijendaal in het pand werd aangetroffen. Het zou na het vertrek van de eerste Carmel in 1663 in het gebouw zijn achtergebleven en bijna drie eeuwen lang de herinnering aan Maria Margaretha in het voormalige klooster hebben bewaard. Het portretje heeft zodoende de functie de huidige gemeenschap op een tastbare manier te verbinden met de vorige.
- Tenslotte is er een kastje tussen de overige objecten opgesteld, waarin zich documentatie over de Heilige Non en enkele egodocumenten bevinden.
- Buiten de opstelling worden in de Oirschotse Carmel een zak met haar en een stuk vlees van de Heilige Non bewaard. Het vlees lijkt volgens de buitenzuster op rookvlees en heeft een diameter van ongeveer 10 centimeter.

Verspreide relieken
- Buiten het Oirschotse carmelitessenklooster worden tenminste nog op de volgende plaatsen relieken van Maria Margaretha der Engelen bewaard:
1 de pastorie van Oirschot waar zich vier flesjes met olie bevinden, in 1812 aan de parochie geschonken door de laatste vier overlevende carmelitessen van Willebroek; 2 de Carmel te Louvain-la-Neuve; 3 de pastorie van Willebroek; 4 het klooster van de congregatie Dochters van Maria te Willebroek.
Verering De stichting van de eerste Oirschotse Carmel
- De korte maar bewogen geschiedenis van de eerste Oirschotse Carmel begon in 1635, toen de Oirschottenaar Silvester Lintermans naar de Antwerpse Carmel kwam om daar met een ingetreden dorpsgenote, Anna van St. Theresia, te praten over een mogelijke vestiging van carmelitessen in hun beider geboorteplaats. Gezien de tijdsomstandigheden was dit nu niet bepaald een realistische wens. Na de verovering van 's-Hertogenbosch door Frederik Hendrik werd ook de Meierij door de Nederlandse Republiek bezet gehouden. Hoewel tot het vredesverdrag van Munster in 1648 onduidelijk was of de Meierij definitief bij de Republiek zou worden ingelijfd of, indien dit zou gebeuren, tenminste godsdienstvrijheid zou genieten, werd hier en daar al in opdracht van de Staten-Generaal met de protestantisering begonnen. De nieuwe machthebbers waren het katholicisme niet gunstig gezind, laat staan dat zij een nieuwe kloostervestiging zouden tolereren.
- Toch slaagde Lintermans uiteindelijk in zijn opzet. In 1638 wist hij de Franse koningin Maria de Médicis voor zijn zaak te winnen. Deze had zich na haar verbanning uit Frankrijk in 1631 in Keulen gevestigd en onderhield innige banden met de Carmel aldaar. De Antwerpse Carmel legde contact met die van Keulen, waarna de carmelitessen daar Lintermans' zaak bij de koningin bepleitten. Maria de Médicis wendde zich vervolgens tot Frederik Hendrik, het petekind van haar overleden man, Hendrik IV, die haar beloofde dat hij de vestiging van een Carmel te Oirschot zou ondersteunen. Lintermans wist de provinciaal en de generaal van de carmelietenorde echter niet van de haalbaarheid van zijn plan te overtuigen, ondanks jarenlange pogingen daartoe. Begin 1642 besloot hij zelf naar Den Haag af te reizen met een nieuw verzoekschrift van Maria de Médicis voor Frederik Hendrik. Deze directe benadering leidde tot succes. De prins verschafte Lintermans op 4 april paspoorten voor drie nonnen die toestemming kregen om in Oirschot onder zijn bescherming een klooster te vestigen. Nu Frederik Hendrik zich formeel achter het plan had opgesteld, volgden de machtigingen van de provinciaal en generaal van de orde. Tenslotte, op 8 april 1644, gaf ook de bisschop van Den Bosch toestemming vanuit zijn ballingsoord Antwerpen, waarna drie carmelitessen zich vanuit Antwerpen naar Oirschot begaven.
- In 1646 verkreeg de nieuwe communiteit een officiële, door Frederik Hendrik ondertekende stichtingsakte dankzij de bemiddeling van koningin Henriëtte van Engeland, de dochter van de inmiddels overleden Maria de Médicis en de schoonmoeder van Frederik Hendriks zoon Willem. Dezelfde Henriëtte wist op 24 april 1648 van schoonzoon Willem II een bevestiging van deze akte te verkrijgen. Zo'n bevestiging was nodig omdat Frederik Hendrik in 1647 was overleden en omdat in februari 1648 de vredesonderhandelingen van de Republiek met Spanje te Munster tot de definitieve inlijving van Staats-Brabant hadden geleid, zonder dat daarbij een bepaling over godsdienstvrijheid voor de katholieke inwoners was opgenomen.

De Heilige Non van Oirschot
- Ondertussen groeide Maria Margaretha's reputatie van heiligheid in Oirschot. Deze mystica trachtte Christus na te volgen in zijn lijden en daardoor dichter tot God te komen door het uitdenken van beproevingen die zij vervolgens uitvoerde, zoals het eten van afval en het drinken van spoelwater, het slapen zonder deken in de winter, het niet verzorgen van verwondingen en het vereren van het sacrament van de eucharistie tijdens de nachtelijke uren. Na verloop van tijd slaagde de Heilige Non er in ook het lijden van andere personen over te nemen. Naarmate zij volleerder raakte in het lijden en - in haar eigen ogen en die van haar omgeving - steeds inniger in contact kwam met God, ontving zij meer buitengewone, aan de bemoeienis van God toegeschreven vermogens en kenmerken. Maria Margaretha had voorspellende dromen, kon op twee plaatsen tegelijk zijn (bilocatie), was in staat gewetensgeheimen van derden te doorgronden, ontving in 1654 de stigmata en werd op haar sterfbed gekweld door pijnen rondom haar hoofd die verwezen naar de doornenkroning. Als uitverkorene van God werd zij veelvuldig bezocht door de duivel, die haar van God wilde afkeren. Deze aanvallen doorstond de Heilige Non met glans.

Het lichaam van de Heilige Non, 1658-1663
- Maria Margaretha der Engelen stierf op 5 februari 1658. Het moment van haar dood was met wonderbaarlijke tekens omgeven. Volgens haar voorspelling verschenen er overal in het klooster kruisen, terwijl zich op diverse plaatsen, waaronder Antwerpen, lichtverschijnselen zouden hebben voorgedaan. Wat er na de dood van de Heilige Non met haar lichaam gebeurde, was echter nog wonderbaarlijker.
- Het lichaam van moeder Margaretha werd opgebaard in de kloosterkapel, waar het gedurende bijna een half jaar zou blijven. Na drie dagen werd er sectie verricht op het lichaam door de plaatselijke chirurgijn Arnold Fey, die op dat moment al een internationale reputatie had als geneesheer. Fey ontdekte drie stenen in de vorm van nagels in de galblaas en een gezwel in de vorm van een dobbelsteen boven de maag, die alle in verband werden gebracht met de lijdensattributen van Christus. De beroemde Fey zou zijn vermaardheid later nog zien groeien nadat hij had geclaimd dat elke patiënt genas die hij behandelde met het mes dat hij voor de sectie had gebruikt. De aanraking met het lichaam van de Heilige Non had het mes wonderbaarlijke kracht gegeven.
- De chirurgijn zou de ingewanden van de overledene tijdens de sectie niet hebben verwijderd. Daarom was het des te opmerkelijker dat het lichaam volgens de betrokkenen na maanden nog geen enkel teken van bederf vertoonde en beweegbaar bleef. Wel ging het na twee maanden aanzienlijke hoeveelheden vloeistof afscheiden. De 'olie' werd opgevangen in linnen doeken en in flesjes. Volgens de Oirschotse carmelitessen was met deze vochtafscheiding het verlangen van Maria Margaretha in vervulling gegaan dat haar lichaam mocht oplossen in olie waarmee de godslamp brandend kon worden gehouden. Het lichaamsvocht bleek voor dit doel geschikt. Daarnaast werd de olie gebruikt voor het bestrijden van ongeneeslijke kwalen. Spoedig deden de eerste wonderen zich voor en ontwikkelde zich een bedevaart naar het lichaam van de Heilige Non van Oirschot.
- Intussen gelastte de kerkelijke overheid, in de persoon van de vicaris van het bisdom Den Bosch, Jacobus Houbraken, een officieel onderzoek naar het gebeuren. Dit leidde op 11 juni tot een verklaring van de medische faculteit van Leuven waarin werd gesteld dat de toestand van het lichaam van bovennatuurlijke aard was.
- Op 24 juli werd Maria Margaretha der Engelen begraven, maar niet voor lang. In 1660 onderzocht de generaal-visitator van de carmelietenorde het lijk; twee jaar later werd hetzelfde gedaan door de lijfarts van de katholiek geworden ex-koningin Christina van Zweden. Medio 1662 werd het lichaam opnieuw in de kloosterkapel tentoongesteld. De bedevaarten zwollen weer aan. Uit deze periode is een wonder, toegeschreven aan Maria Margaretha der Engelen, bekend waarvan een officiële akte is opgesteld. Dit wonder deed zich voor aan Damiana van Dabelaer uit Amersfoort, die op 30 mei 1662 werd verlost van een keelkwaal nadat zij haar keel had ingesmeerd met de wonderbaarlijke olie.
- Berichten van miraculeuze genezingen met behulp van de olie bereikten ook de katholieke koning van Frankrijk, Lodewijk XIV, aan wie al in 1661 de eerste levensbeschrijving van Maria Margaretha der Engelen was opgedragen. In 1663 verzocht hij de Staten-Generaal om wat olie ten behoeve van zijn zieke dochter. Daarmee was de maat vol bij het wereldlijke gezag van gereformeerde signatuur dat het 'paapse bijgeloof' diende te bestrijden, maar zich tot dan toe opmerkelijk rustig had gehouden. De Staten-Generaal werden bovendien in verlegenheid gebracht door een bericht over de verering en haar 'groote toeloop' in het nieuwsbulletin Hollantse Mercurius van juli 1663. De Staten besloten een einde te maken aan de 'toverij'.
- Op 10 juli 1663 werd het lichaam van de Heilige Non in opdracht van de Staten-Generaal geconfisqueerd met behulp van een overmacht van 160 soldaten, en naar het stadhuis van Den Bosch gevoerd. Onder de talloze personen die voor het stadhuis samenstroomden, zou een vrouw zijn geweest die getuigde dat zij dankzij de voorspraak van moeder Margaretha genezen was. Om de toegestroomde volksmassa tevreden te stellen, organiseerde de Bossche schepenbank een publieke schouwing van het lijk. Vervolgens werd er in opdracht van de Staten opnieuw sectie op het lichaam gepleegd onder leiding van de toentertijd vermaarde ontleedkundige Lodewijk de Bils. Uiteraard kwam deze tot een geheel andere conclusie dan de medische faculteit van Leuven vijf jaar eerder: de resten stonken 'onlieffelijck', vertoonden overeenkomsten met 'gemulmt hout' en waren niet vrij van insecten. De miraculeuze olie rook naar 'menschenvet'.
- In de nacht van 4 op 5 augustus tenslotte werd het lichaam van de Heilige Non begraven in de St. Janskerk. Deze begrafenis had plaats met de nodige plechtigheid en veiligheidsmaatregelen, in tegenstelling tot de berichten in de latere geschiedschrijving dat zij heimelijk zou hebben plaats gevonden. Volgens Van Heurn werd de kist, met zwart laken overdekt, in de koets van president-schepen Ferdinand Sweerts naar de kerk gereden, gevolgd door een tweede koets met schepenen en daarachter veertig leden van de hoofdwacht. Maria Margaretha van Valckenisse werd bijgezet in de voormalige doopkapel.

De herinnering aan de Heilige Non, 1663-1931
- Na de herbegrafenis waren de bedevaarten naar Oirschot (vooralsnog) ten einde. De verering en nagedachtenis bleef. Tot op de dag van vandaag wordt het lied 'Al wie wil horen' over de Heilige Non gezongen in Oirschot en omgeving. Dit lied werd in 1763 voor het eerst uit de mondelinge overlevering opgetekend. Volgens Kronenburg werd in de 19e eeuw de godslamp in de Oirschotse Pieterskerk eenmaal per jaar voorzien van olie van de Heilige Non waarover de pastoor in 1812 de beschikking had gekregen. De Oirschotse pastoor De Kroon, die in zijn standplaats was geboren, herinnerde zich in 1932 dat hij in zijn jeugd, net als alle andere schoolkinderen, had gehoord van '"de heilige Oirschotse non" die daar binnen dat huis leefde en leed en stierf. Dat hadden we niet op school geleerd. [...] ingewijden wezen ons de intieme plaatsen van het oude Carmelhuis, de sterfkamer der "heilige non", gedichte deuren en vensters, zelfs meubilair, dat gediend had in dien gedenkwaardigen tijd.'

De tweede Oirschotse Carmel
- De nieuwe nonnengemeenschap heeft zich onmiddellijk met de overste van de voorgaande gemeenschap verbonden. Sinds 1931 is er alles aan gedaan om de relieken van de Heilige Non zoveel mogelijk terug te halen naar het huis waar zij gestorven is en zo lang lag opgebaard. In 1932, een jaar na de hervestiging van de Carmel, verscheen een nieuwe biografie van de Heilige Non die een gebed bevat 'om de Zaligverklaring te verkrijgen van Moeder Maria Margaretha der Engelen'. Dit gebed is ook te vinden op de reliekprentjes die vanaf dat jaar zijn gedrukt en verspreid. Blijkens het kloosterarchief is tot na de Tweede Wereldoorlog zoveel mogelijk bewijs verzameld ten behoeve van het zaligmakingsproces. Tot een daadwerkelijke zaligverklaring van de Heilige Non is het echter niet gekomen.
- In het kloosterarchief bevindt zich correspondentie waarin sprake is van tenminste 50 gebedsverhoringen uit de periode 1931-1965. Uit de brieven blijkt dat de verering vooral een regionale uitstraling had. Sinds de stichting van de huidige Carmel verstrekken de Oirschotse carmelitessen 'pilletjes', gerold van stukjes met olie doordrenkt linnen, aan tot dan toe onvruchtbare vrouwen. De pilletjes zouden de kans op zwangerschap bevorderen. De buitenzuster van het klooster wist in 1997 vier recente gevallen te noemen van vrouwen die zwanger waren geworden nadat zij een noveen lang dergelijke pilletjes hadden geslikt.
- Het wervende werk van de huidige kloostergemeenschap heeft geleid tot een bescheiden bedevaart naar de Oirschotse Carmel van met name individuele vrouwen, die voortduurt tot op de dag van vandaag. In 2013 is onder leiding van dr. Stefaan van Calster, hoofd van de kerkelijke rechtbank, een commissie in het leven geroepen die de mogelijkheden tot zaligverklaring onderzoekt. Dit geschiedde naar aanleiding van het bezoek van seminaristen van het Bossche St. Janscentrum aan het museumpje. Mgr. Stefaan van Calster die voor de kerkelijke rechtbank de casus voorbereidt verwacht eind 2014 het onderzoeksrapport ter (langdurige) beoordeling naar het Vaticaan te kunnen sturen.
Materiële cultuur - Vouwblad: 'Uytstortingh des herte ... ter heyliger gedagtenisse van de goede moeder Marie Margriet van d'Engelen eerste moeder ende overste van de carmeliterssen des convents van de vryheid van Oirschot. Daer sy den 5. Februari 1658. met Opinie van Heyligheyd Overleden is' (Antwerpen [1680]).
- Prenten: 1 kopergravure (ca. 27 x 20 cm) van Maria Margaretha der Engelen, in Parijs gegraveerd door Joannes Lenfant in of kort voor 1661. Op deze prent is zij als carmelites afgebeeld in een ovaal onder het Alziend Oog van God, met om de ovaal de tekst 'Oculus dei respexit illam in bono, et erexit eam ab humilitate ipsius, et altavit caput eius: et mirati sunt in illa multi, et honoraverunt deum. Eccl. II' ('Het oog van God zag haar in het goede, en hij haalde haar uit haar nederigheid en verhief haar hoofd: en velen verwonderden zich over haar en eerden God. Pred. II'). Onder de prent staat de tekst: 'Effigies V. M. Mariae Margae ab Angelis. Ordinis B. Mariae de Monte Carmelo. quae Ao. aetatis 52. religionis 34. et fundationis in Oirschot 14. ibidem obiit 5a. Feb. 1658' ('Afbeelding van de Eerbiedwaardige Moeder Maria Margaretha der Engelen van de orde van de H. Maria van de Berg Carmel die in het 52e jaar van haar leven, het 34e jaar als religieuze en het 14e jaar na de stichting in Oirschot, in deze plaats is gestorven op 5 februari 1658'). De gravure werd gemaakt ten behoeve van de biografie van de Heilige Non door De Loyac in 1661 (zie Bronnen B), maar is naar alle waarschijnlijkheid ook los verspreid als devotieprent; ex. in coll. Museum voor Religieuze Kunst Uden (nr. MRK 1912b); 2 prentje met een lithografie naar de 17e-eeuwse kopergravure (12,5 x 8,5 cm; evulg. J. Pompen vicaris-generaal, 's-Hertogenbosch 19 maart 1925) met op de achterzijde een korte geschiedenis en de oproep 'Ter liefde Gods een steentje voor de voltooiing van den Carmel te Schiedam'; 3 reliekprentje met een lithografie naar de 17e-eeuwse kopergravure (12,5 x 8,5 cm; evulg. J. Pompen vicaris-generaal, 's-Hertogenbosch 19 maart 1925) met op de achterzijde een korte geschiedenis. Onder de litho is een stukje in linnen gedrenkte olie genaaid; 4 idem, maar met evulg. van Pompen d.d. 24 aug. 1930 en op de voorzijde naast het vastgenaaide stukje linnen de gedrukte tekst 'Linnen waarin het lichaam gewikkeld is geweest'; 5 reliekprentje (11 x 7 cm) met op de voorzijde een afbeelding van de 17e-eeuwse kopergravure van de Heilige Non, waaronder een perforatie in het papier is gemaakt waartegen aan de achterkant een stukje linnen is gelegd dat is vastgeplakt met het zegel van de ongeschoeide carmelitessen van Oirschot. Daarnaast staat de tekst: 'Linnen doortrokken van de olie die uit het lichaam is gevloeid'. Op de achterzijde staat een korte geschiedenis en een 'Gebed om de Zaligverklaring te verkrijgen van Moeder Maria Margaretha der Engelen' (impr. F.N.J. Hendrikx, Den Bosch 14 febr. 1932); 6 prentje als het vorige. Als basis voor de afbeelding van de Heilige Non is ditmaal echter de steendruk genomen die in de 19e eeuw is gemaakt naar de 17e-eeuwse kopergravure; 7 van de laatste twee prentjes bestaan ook exemplaren waarop de reliek aan de voorzijde is vastgeplakt met het zegel. Deze prentjes zijn bevestigd op een kartonnetje waarop een rond etiket is geplakt met de tekst 'Linnen gedrenkt in de olie, die uit het lichaam is gevloeid der Eerwaarde Moeder Maria Margaretha der Engelen, stichteres van den Carmel te Oirschot'; 8 prent (15 x 10 cm) met afbeelding naar de 17e-eeuwse prent en op de achterzijde '31 mei 1931 - 1981. Herinnering aan het vijftigjarig bestaan van ons klooster St. Jozef Karmel - Huize Blijendaal te Oirschot'.
- Liederen: 1 het mondeling overgeleverde volkslied 'Al wie wil hooren', dat voor het eerst werd opgetekend in Tilburg in 1763 (zie Bronnen B, Brabants heem 22 (1970) p. 150-153) en in diverse varianten is overgeleverd. Zie vooral: Har Brok, 'Het lied van de Oirschotse non', in: Brabants heem 28 (1976) p. 108-116; en verder: L.C. Michels, 'Een vraag over de 'Oirschotse Non' uit de 17e eeuw', in: Edele Brabant 2 (1948) nr. 14, p. 6; H.J.T.M. Brok, 'Het lied van de Oirschotse non', in: Brabants heem 23 (1971) p. 59; Ate Dorenbosch, Onder de groene linde. Verhalende liederen uit de mondelinge overlevering, dl. 1 (Amsterdam: P.J. Meertens-Instituut, 1987) p. 266-269; Kroniek van De Kempen 12 (Hapert-Eindhoven: Kempen, 1993) p. 165-166; 2 vouwblaadje (12 x 7,8 cm) Margaretha ab Angelis. Tekst en melodie van Fr. Caecilius, O. Carm. (impr. J. Pompen, 's-Hertogenbosch 18 dec. 1922) met het lied 'Eng'len scharen, stemt uw snaren!' en een korte geschiedenis; 3 in het kloosterarchief de uitgetypte liedtekst 'Laten wij de deugd bezingen', blijkens de tekst bestemd voor de inwoners van Oirschot ter ondersteuning van de beoogde zaligverklaring (ca. 1932).
- Utrecht: reliek uit de collectie van de St. Gertrudiskerk: 'Margareta ab angelis (opschrift potlood), [binnenkant] Alle dese doexkens zijn bedropt van het dode lichaem van Maria Margaretha ab Angelis maniere vande discalciatessen tot Oorschot' (cf. http://www.aniquedekruijf.nl/miraculeus_bewaard/database.php).





Bronnen en literatuur Archivalia: Den Haag, Algemeen Rijksarchief: Archief der Staten-Generaal, inv. nr. 165, minuut-resoluties d.d. 13-7-1663, besluit tot onderzoek door De Bils c.s.; inv. nr. 5031, ingekomen brieven d.d. 21-7-1663, brief met onderzoeksrapport. Brussel, Algemeen Rijksarchief: archief van de Audiëntie 2268/1, 8-7-1666, 'sauvegarde' ten behoeve van de nonnen uit Oirschot, nu gevestigd te Mol, tegen gewelddadigheden, hun daar aangedaan.
Tekstedities: Copie van de Acte, Die de Heeren Staten Generael hebben ghekregen, Vande Doctoren ende Chirurgijns, die het doode Lichaem van wijlen Juffr. N.N. hebben gevisiteert, het welcke Hare Hog. Mog. Agent vande Kerckelycke saken, door speciale last op het Stadt-huys tot s'Hertogen-Bosch heeft doen brengen. Om dat met het selve Lichaem binnen Oirschot groote Superstitie wierde gepleecht (z.p. 21-7-1663); [Pieter Casteleyn], Hollantse Mercurius, vervatende de voornaemste geschiedenissen, voorgevalen in het gantsche jaer 1663, in Christenryck 14 (Haarlem 1679) p. 97; Antoinette Bourignon, Derde deel van 't graf der valsche theologie (2e dr., Amsterdam: P. Arentsz., 1684) p. 194, brief 16, 21-8-1666; [S. Hanewinkel], Reize door de Majorij van 's Hertogenbosch in den jaare 1798-1799 (in Brieven), dl. 1 (Amsterdam: Saakes, 1799-1800; fotogr. herdr.: Schiedam: Interbook, 1973) p. 12; Frank C. Meijneke ed., Op reis door de Meijerij met Stephanus Hanewinckel (Tilburg: Stichting Zuidelijk Historisch Contact, 2009) p. 140-141; S. Hanewinkel, Geschied- en aardrykskundige beschryving der Stad en Meiëry van 's Hertogenbosch (Nijmegen 1803) p. 415-417; M. Salbe, 'De reis van de Moretussen door Hollandsch-Brabant', in: Taxandria 31 (1924) p. 34; Carlo de Clercq, 'Een oud Vlaams leven van Maria van Valckenisse', in: Ons geestelijk erf 39 (1965) p. 152-196.
Literatuur: Jean Joseph de Loyac, La divine providence, cachee et manifeste en la vie de la v. mère Marie Marguerite des Anges, religieuse carmelite dechaussee, fondatrice, et premiere superieure du couvent des carmelites d'Oirschot [...] Et presentée a sa maiesté (Parijs: Estienne Pepingue, 1661) met portret; Jacob van Oudenhoven, Silva-Ducis curata et renata of Een nieuwe ende gantsch vermeerderde beschryvinge van de stadt van 's Hertogen-Bosche etc. (2e dr., 's-Hertogenbosch 1670) p. 57; J.F. Foppens, Historia episcopatus Silvaeducensis etc. (Brussel: F. Foppens, 1721) p. 315; L. van Gestel, Groot kerkelijk toneel des hertogdoms van Brabant ('s-Gravenhage 1727) p. 202; Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden, dl. 2 (Amsterdam 1740) p. 90; [S.J. van de Velde, gezegd Honselaer], Oudheden en gestichten van de bisschoppelijke stadt en Meyerye van 's Hertogenbosch etc. (Leiden: J.A. Langerak, 1742) p. 647-648; J.H. van Heurn, Historie der stad en Meyerye van 's Hertogenbosch etc., 4 dln. (Utrecht: J. Van Schoonhoven en comp., 1776-1778) dl. 3, p. 126; A. van Gils, Katholyk Meyerysch memorieboek ('s-Hertogenbosch 1819) p. 456; J.A. Coppens, De nieuwe beschrijving van het bisdom van 's Hertogenbosch, 4 dln. ('s-Hertogenbosch 1840-1844) dl. 3, p. 159; D. Papenbrochius, Annales Antverpienses ab urbe condita ad annum MDCC, dl. 5 (Antwerpen 1848) p. 141 en 241; J. de Busco [J. Hezenmans], 'Maria Margaretha ab Angelis. Eene schets uit het kloosterleven in Staatsbrabant, gedurende de laatste helft der zeventiende eeuw', in: Volksalmanak voor Nederlandsche Katholieken (1864) p. 1-63; P.F.X. de Ram, Notice sur la vénérable Marie Marguerite des Anges ou Van Valckenisse, Prieure du couvent des carmélites déchaussées à Oirschot dans le diocèse de Boisleduc (Leuven: Vanlinthout Frères, 1865); P.F.X. de Ram, Historiographie nationale. Vie des saints et des personnes d'une éminente piété qui ont vécu dans les anciennes provences Belges, dl. 2 (Leuven 1867) p. 162-188; [Bouix], Vie de la mere Marie-Marguerite des Anges (van Valckenissen), religieuse carmelite et fondatrice du couvent d'Oirschot dans le Brabant Hollandais (Parijs: Charles Donniol, 1870); L.H.C. Schutjes, Geschiedenis van het bisdom 's-Hertogenbosch, dl. 5 (Sint-Michielsgestel: Instituut voor Doofstommen, 1876) p. 375-378; S. Schoutens, Geschiedenis van den eerdienst van het allerheiligste sacrament des altaars in België (2e dr., Antwerpen: Vanos-Dewolf, 1887) p. 332-337; J.C.A. Hezenmans, 'De Oirschotse Non', in: De Katholiek 43 (1888) p. 223-240; J.A.F. Kronenburg, Neerlands heiligen in later eeuwen, dl. 2 (2e dr., Amsterdam 1908) p. 130-185; A.J.M. Lamers, 'Lodewijk de Bils. Professor in de anatomie aan de illustre school te 's Hertogenbosch (1669)', in: Taxandria 27 (1920) p. 73-83; J.R. Jansma, 'Verschijnselen waargenomen aan het lijk van Maria Margaretha van Valckenisse (der Engelen)', in: Nederlandsch tijdschrift voor geneeskunde 65 (1921); [C.J. Zwijsen], 'Uit oude tijden. De Oorschotse non', in: Sint-Jansklokken 1 (1923) p. 99-101; [Jean Joseph de Loyac, vert. Maria Heemskerk], Leven van Moeder Maria-Margaretha der Engelen (De Heilige Non van Oirschot) van de ongeschoeide carmelitessen 1605-1658 ('s-Hertogenbosch: G. Mosmans Zoon, [1932]); Jac. J.M. Heeren, 'De Oorschotse Non', in: Uit de geschiedenis der Nederlandsche gouwen. Stad ende Meierij van 's Hertogenbosch (Utrecht 1933) p. 79-98; F. Prins, De Antwerpsche heiligen (Antwerpen: N.V. De Nederlandsche Boekhandel, 1943) p. 100-106; I. Rosier, Biographisch & bibliographisch overzicht van de vroomheid in de Nederlandse Carmel van 1235 tot het midden der achttiende eeuw (Tielt: Lannoo, 1950) p. 175; [Maria Theresia van het Kruis], Een lichtende lamp in donkere tijden (Sint-Michielsgestel [1951]); De Oirschotse Carmel. Beschrijving en herdenking (nihil obstat F. Meulemans, Eindhoven nov. 1956; evulgetur M. Oomens, vic. gen.; z.p. [1956]); G.A. Lindeboom, Florentius Schuyl (1619-1669) en zijn betekenis voor het cartesianisme in de geneeskunde (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1974) p. 40-43; G.T. Haneveld, Mr. Arnoldus Fey, chirurgijn tot Oirschot. Een hoofdstuk uit de 17e-eeuwse Nederlandse geschiedenis (Amsterdam: R. Meesters & Associates, 1977; [Teresia van Avila] Cataloog tentoonstelling, Gent oktober 1982 (Gent: Carmelitana, 1982) p. 52-53; Jeroen van de Ven, Handschriften en handschriftverzamelingen in het bezit van de Theologische Faculteit Tilburg (Tilburg: Tilburg University Press, 1990) p. 160; E. Moebs-Bayer, St. Jozef-Karmel Blijendaal en 'de Heilige Non' van Oirschot (Oirschot: St. Jozef-Karmel 'Blijendaal', [ca. 1990]; Marc Wingens, Over de grens. De bedevaart van katholieke Nederlanders in de zeventiende en achttiende eeuw (Nijmegen: Sun, 1994) p. 46-47; G.M. van der Velden, '"Heilige Non van Oirschot" paste niet in het straatje van de calvinisten', in: Bisdomblad, 14 oktober 1994, p. 4-5; Hans Kooger, 'Heilige oliën (2)', in: Devotionalia 14 (1995) nr. 81, p. 114-117 ); G.G.I.M. Speetjens, 'Het ware gezicht van de Heilige Non?', in: Campinia 25 (1995) nr. 96, p. 27-28; Pius Jaarboek. Almanak katholiek Nederland 1996 (Houten: Bohn/Stafleu/Van Loghum, 1996) p. 347; Marc Wingens, A 'Holy Nun' in a protestant country: Maria Margaretha van Valckenisse (1605-1658), in: Jürgen Beyer e.a. red., Confessional sanctity (c. 1500 -c. 1800) (Mainz: Von Zabern, 2003) p. 291-302; Angela Berlis, 'Maria Margaretha der Engelen (1605-1658). Een Nederlandse karmelietes als kerkpatrones op het Duitse eiland Nordstrand', in:Trajecta 14 (2005) p. 363-386; Els Kloek (red), 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis (Nijmegen: Vantilt, 2013) p. 341-342; Jan Peeters, 'De "Heilige Non" van Oirschot heeft lak aan de tijd', in: Katholiek Nieuwsblad, 25 oktober 2013, 12-13.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Oirschot-Maria Margaretha; KRO-hoorspel 'Maria Margaretha der Engelen', 18 juli 1952, samenstelling Jan Naaijkens, productie Frans Evers, uitgezonden in het programma 'Uit het land van hertog Jan. Brabants halfuur', dat werd gemaakt in samenwerking met 'Brabantia Nostra'.
  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<