HomeDatabankenBedevaarten

Oerle, H. Jan de Doper

Mail voor aanvullingen en commentaar
Cultusobject: H. Jan de Doper
Datum: 24 juni, 29 augustus
Periode: Voor 1632 - ca. 1985
Locatie: Parochiekerk H. Johannes de Doper
Adres: Oude Kerkstraat 3, 5507 LA Oerle
Gemeente: Veldhoven
Provincie: Noord-Brabant
Bisdom: 's-Hertogenbosch
Samenvatting: Centraal in de devotie te Oerle staat een Johannesschotel die dateert uit het tweede kwart van de 16e eeuw. De eerste vermelding van een bedevaart stamt uit 1632 waarbij overigens gesproken wordt van een reeds langer bestaande praktijk. Evenals in andere plaatsen waar St. Jan de Doper wordt vereerd, bestaat in Oerle het gebruik om aan de buitenkant van de huizen, naast de meest gebruikte deur, een in de kerk gezegende St. Janstros op te hangen. Hoewel er sinds circa 1985 geen sprake meer is van een bedevaart, wordt het feest van deze heilige anno 1998 volop en met hernieuwde belangstelling gevierd door de plaatselijke gemeenschap.
Auteur: Gerard Rooijakkers
Illustraties:
(Klik op afbeelding voor vergroting)
Topografie - Oerle ligt ten noordoosten van Veldhoven en westelijk van Eindhoven en wordt in het dialect aangeduid als 'Oers'.
- Deze plaats bezat vanaf circa 1294-1334 als 'vrijheid' een bijzondere status in juridisch-bestuurlijke zin en was tijdens het Ancien Régime hoofdplaats van een schepenbank. In de middeleeuwen stond de parochiekerk ('quarta capella'), die toegewijd was aan Johannes de Doper en Johannes de Evangelist, op een omgracht terrein, evenals het nabij gelegen versterkt huis Boonberg; beide terreinen waren als een politiek-religieus complex met elkaar verbonden door een acht-vormige gracht.
- Na de Vrede van Munster in 1648 werd de kerk (volgens Schutjes een kruiskerk met zware toren en hoge spits) ontnomen aan de katholieke gemeenschap. Na de inval van de Fransen in 1672 werd het aan hen toegestaan een eigen kerkje in het dorp in te richten; in 1798 kwamen zij weer in het bezit van de oude kerk.
- Het patronaat over de parochie berustte bij de abdij van Floreffe (B) en ging in 1682 over aan de abdij van Postel (B). Met korte onderbrekingen werd de parochie tot 1839 bediend door norbertijnen. Vanaf dat jaar werd het pastoraat waargenomen door seculieren, ofschoon de huidige pastoor, G. Vekemans, wederom een witheer van de abdij van Postel is.
- In 1754 stortte de torenspits van de oude kerk, na een blikseminslag brandend in het schip. Bij de herbouw, een jaar later, werden de transeptarmen gesloopt en werd het koorgedeelte niet meer overkapt. Alleen het schip kreeg een nieuw dak, waarbij het koor werd dichtgemetseld, om pas weer in 1803 hersteld te worden.
- Het oude kerkgebouw werd in 1877 afgebroken en vervangen door een nieuwe kerk, alleen de toren bleef gehandhaafd. Omdat de 19e-eeuwse kerk (met achtzijdige koepel) ondeugdelijk was geconstrueerd, werden in 1911-1912 de kerk en de middeleeuwse toren vervangen door een neogotische kruiskerk met toren, naar ontwerp van W.Th. van Aalst. Het gebouw is opgetrokken in bruinrode baksteen en voorzien van gele lagen. De toren heeft vier geledingen en een hoge achtzijdige leienspits die oprijst vanachter een gedeeltelijk uit natuursteen vervaardigde balustrade. In het priesterkoor zijn twee glas-in-loodramen aangebracht: het linker met een voorstelling van St. Jan (vervaardigd door Jozef Menke uit Goch) en de tekst 'H. Joan.-Baptist bescherm ons'. Het rechter venster is gewijd aan de H. Antonius Abt.
- Sinds 1881 beschikt de kerk te Oerle over een Johannesaltaar: in de voormalige kerk had dit een plaats als zijaltaar; in de huidige (in 1912 voltooide) kerk was het tot 1954 in gebruik als hoogaltaar; vanaf 1954 fungeert het weer als zijaltaar. Het is naar een tekening van architect Lambert Christian Hezenmans vervaardigd door de gebroeders Goossens uit 's-Hertogenbosch en gepolychromeerd door Johannes Adrianus Goossens.
Cultusobject - Zie voor St. Jan de Doper ⟶ Alphen.
- Johannes werd in Oerle en elders vooral aangeroepen bij vallende ziekte, hardnekkige hoofdpijnen, kinderziekten en heesheid; deze laatste kwaal vanwege de verwijzing naar 'vox clamantis in deserto' ('de stem van een roepende in de woestijn'). In Oerle wordt hij vereerd op zijn geboortedag, 24 juni.
- In het hertogdom Brabant waren het vooral de norbertijnen die de devotie tot St. Jan de Doper bevorderden; zo stonden de abdijen van Averbode en Berne onder zijn bescherming. Mede hierdoor zijn er in het bisdom 's-Hertogenbosch meer parochies gewijd aan de Doper dan aan Johannes de Evangelist, de patroon van het bisdom en diens kathedraal.
- Een centrale plaats binnen de cultus wordt ingenomen door een gepolychromeerde eikenhouten St. Jansschotel ('San Giovanni in Disco'; Ø 36 cm, hoogte 11 cm), circa 1520-1550 in Brabant vervaardigd. Op deze eenvoudige schotel met brede rand ligt het bebaarde hoofd van Johannes de Doper, met geloken ogen. De sculptuur is in 1974 in bruikleen afgestaan aan het Museum voor Religieuze Kunst te Uden. In de kerk bevindt zich thans een replica die op de sterfdag van Johannes (29 augustus) wordt getoond.
- Voorin de kerk staat een gepolychromeerd houten beeld van St. Jan (hoogte 1,35 m) uit 1883. Het beeld draagt in de linkerhand een bijbel waarop een lam ligt en in de rechterhand een kruisstaf met daaraan een wimpel. Dit beeld stond tot 1974 op het Johannesaltaar.
Verering 17e en de 18e eeuw
- Augustinus Wichmans noemt in zijn Brabantia Mariana tripartita (1632) Oerle als een van de plaatsen in de Brabantse Kempen die in zijn dagen nog door pelgrims worden bezocht ter ere van St. Jan (de andere vereringsplaatsen die hij noemt zijn Duizel, ⟶ Goirle en ⟶ Alphen). In deze tijd bestond er ook al een St. Jansgilde dat zich toelegde op vrome en deugdzame werken en volgens Gramaye (1610) zelfs zou dateren uit 1322.
- In akten, die in de jaren 1685 en 1690 zijn opgemaakt door inspecteurs van de Haagse Raad van State met betrekking tot de toestand van kerken en scholen, wordt melding gemaakt van het feit dat te Oerle, op het feest van St. Jan Baptist, een processie door de straten trekt, waarin het St. Janshoofd wordt meegevoerd, begeleid door vliegend vaandel, slaande trommel, viool, bas en fluit.
- De classis Peel- en Kempenland zond in 1699 een rekest aan de Staten Generaal waarin over de bedevaart onder meer werd verklaard dat:

'de stoutigheden der Papisten in allen deelen niet alleen weder sijn geworden als te voren, maer noch meerder en grooter aengewassen en toegenomen; namentlijck, in het plegen van haren gewaenden Godtsdienst, met het doen van openbaere Bedevaerden, (...) gelijk mede tot Oirs, daer St Jans-Hooft vertoont werdt, en op vele andere plaetsen meer, daer men sonder de minste schroom diergelijcke afgoderijen publicq pleegt tot groote ergenisse van de Gereformeerden'.

- Paus Pius VI verleende op 6 maart 1784 aan de parochie Oerle een volle aflaat aan alle gelovigen die onder de gewone voorwaarden (biecht en communie) in de kerk bidden tussen 23 juni vanaf 17.00 uur en 24 juni tot zonsondergang. Er diende onder meer gebeden te worden voor de eenheid van de christenen, de uitroeiing van de ketterijen en de verheffing van de Kerk. De volle aflaat werd verleend voor de tijd van tien jaar.

19e en 20e eeuw
- Dat de bedevaart naar St. Jan in Oerle ook in de 19e eeuw werd voortgezet blijkt uit enkele mededelingen uit 1912 - toen de huidige kerk in gebruik werd genomen - waarin zowel wordt terug- als vooruitgeblikt. Uit een bericht in de Meierijsche Courant van 22 juni 1912 kan worden afgeleid dat de bouw van de nieuwe kerk werd beschouwd als een impuls aan een reeds bestaande bedevaart:

'De eeuwenoude viering van St. Jan in en buiten de kerk zal dit jaar gelijk vroeger in Oerle vooral Zondags na den 24sten plaats hebben. Op dien dag worden familiebetrekkingen, vrienden en kennissen uitgenodigd om den grooten patroon onzer kerk, die sedert onheugelijke tijden ook de algemeen vereerde en gevierde Heilige van den omtrek is (o.a. de zoogenaamde St. Janstrossen, die met het feest van St. Jan hier en elders vóór alle huizen prijken, mogen dit getuigen) te vereeren en aan te roepen. Was telken jare de toevloed van pelgrims en vereerders steeds groot, veel grooter ongetwijfeld zal deze dit jaar wezen, nu het geldt een eerste bezoek te brengen aan St. Jan Baptist, den machtigen Schutspatroon onzer parochie, den hoogvereerden Heilige van den omtrek in den prachtige nieuwen tempel, hem ter eere gebouwd'.
- Rond dezelfde tijd noteerde pastoor A. Suetens (1907-1923) over de bouw van de kerk:

'Door de kerk met deze twee fraaie (door deskundigen zeer geroemd) beeldramen te verrijken werd beoogd de devotie voor voornoemde heiligen [Antonius Abt en Jan de Doper] bij de geloovigen, naar best vermogen, in stand te houden en te verlevendigen. Dit was ook de reden, waarom aan den machtigen schutspatroon onzer parochie (wiens vereering daarenboven in geheel den omtrek in hoog aanzien staat, getuige de zogenaamde St. Janstrossen, welke met het feest van St. Jan vóór alle huizen prijken, en de jaarlijksche groote toevloed van vereerders op zijn feest) een afzonderlijk altaar in de nieuwe kerk werd toegedacht'.

- Tot omstreeks 1950 werd op de feestdag van St. Jan een processie gehouden met 's middags een lof. Bij deze gelegenheid dreven kooplui hun nering in kramen bij de kerk.
- Thans wordt op zijn feestdag, 24 juni, een gildemis gevierd door het nog steeds bestaande St. Jansgilde (een schuttersgilde). Tijdens deze mis, evenals op de eerstvolgende zondag, zegent de pastoor met een in wijwater gedompeld palmtakje de meegebrachte St. Janstrossen. Na afloop van de viering is er een kinderzegening en brengt het St. Jansgilde van Oerle op het plein voor de kerk een vendelgroet aan de patroonheilige en de pastoor. Het schuttersgilde trekt vervolgens naar de kapel van O.L. Vrouw in 't Zand te Zandoerle - waar tezelfdertijd de St. Jansmarkt wordt gehouden - om daarna in de tegenover gelegen herberg te gaan teren. Van een bedevaartpraktijk, waarbij ook pelgrims van buiten het dorp komen, is echter geen sprake meer. In 1982 vroeg Margry zich al af of er in Oerle nog wel sprake was van een echte bedevaart. Wat toen nog restte van een echte pelgrimage, is waarschijnlijk enkele jaren later (ca. 1985) geruisloos verdwenen.

St. Janstros
- Rond de figuur en het feest van St. Jan de Doper op 24 juni (omstreeks midzomer) zijn talrijke verhalen en gebruiken ontstaan. Bekend in Oerle en ander dorpen in de omgeving is het St. Janskruid dat als onmisbaar ingrediënt, tezamen met bladeren van de notenboom en blauwe korenbloemen, in de St. Janstros gevlochten moet worden. Dergelijke trossen, gehangen boven of naast de deurpost, beschermen volgens het volksgeloof het huis tegen blikseminslag, ziekten en ander onheil.
- De tros aan de deur refereert aan een verhaal over een miraculeuze ontsnapping van St. Jan aan zijn vijanden. C.R. Hermans schrijft hierover in 1845:

'In sommige dorpen der Meijerij (bijv. te Oss, Helmond en elders) pleeg men op den feestdag van St. Jan den dooper (24 Junij), boven de deuren en vensters langs de straat, drie net geschakeerde bloem-trossen te hangen. Dit gebruik zou van het volgende voorval oorspronkelijk zijn. Eens kwam St. Jan in eene stad, alwaar de inwoners hem ter dood zochten. Doch daar hij na den ondergang der zon reeds in een huis geweken was, en men bij avond of nacht geen burger in zijn huis mogt bemoeijelijken [Hermans merkt hierbij op dat deze legende blijkbaar is vervormd naar de costuimen, dit wil zeggen de gewoonterechtsregels, van 's-Hertogenbosch], zoo versierden zij het huis met een bloemtros, om den volgenden morgen toch het juiste huis te weten. 's Morgens ging men uit, om St. Jan te vangen, doch alle huizen waren even eens met bloemen versierd, zoodat men den juisten intrek van den Heilige niet weten kon. St. Jan kende weldra het hem dreigende gevaar, en week de stad uit'.
- Reeds in 1840 was Hermans bij zijn naspeuringen gestuit op dit gebruik dat overigens al werd vermeld in een in 1685 uitgegeven, en vele malen herdrukte, pastorale instructie van de dominicaan Petrus van den Bossche. Deze laatste auteur, afkomstig uit Mechelen, is veertien jaar werkzaam geweest als pastoor te Woensel bij Eindhoven (1660-1674). Overeenkomstig de katholieke geloofsleer maakte Van den Bossche een strikt onderscheid tussen waarachtig geloof en 'bijgeloof'. Tot dit laatste rekende hij onder meer de gewoonte om 'Sint Jans kruijt ghepluckt voor den Sonnen opgangh te ghebruijcken teghen den Blixem'. Hermans wist hiermee kennelijk niet goed raad, want in een toelichting meldt hij dat dit gebruik hem onbekend was. Mischien, zo veronderstelde hij in 1840, 'is deze gewoonte reeds afgesleten. Bij onweêr hebben onder godsdienstige Noord-Brabanders wel eenige christelijke gebruiken plaats, die niet miskend, maar met reden behooren te worden geëerbiedigd'.
- Het gebruik om op 24 juni St. Janstrossen te laten wijden en op te hangen is gedocumenteerd voor plaatsen als ? Leenderstrijp en Duizel waar St. Jan de Doper als patroon wordt vereerd, maar is in het verleden algemener verspreid geweest in oostelijk Noord-Brabant. Zo schrijft de predikant Stephanus Hanewinkel in zijn Reize door de Majorij van 1799 dat men op sommige dorpen gewoon is: 'om op het Feest van Joännes den Dooper, den 24 van Zomermaand, Bloemen boven de deuren en vengsters der Huizen te hangen. Dit geschied, zegt men, om dat St. Jan een liefhebber van Bloemen was'.
- De Kempense chroniqueur 'meester' P.N. Panken (1819-1904) meldt in 1895:

'Om St. Jan te vereeren, maken nog, in schier alle dorpen dezer streek, in meer of minder getal, het eene jaar drukker dan 't andere, tegen den avond voor zijnen feestdag (24 Juni), de jonge-dochters een bloementros en hangen dien boven de voordeur van 't huis, waar hij dikwijls zoolang blijft hangen, totdat hij gansch verwelkt en versleten is. Velen houden zich niet tevreden met éenen enkelen ruiker samen te stellen, maar vervaardigen gewoonlijhk drie net geschakeerde bloementrossen en hangen die boven de deuren en vensters langs de straat. Het meest wordt dit oude gebruik onderhouden in de parochiën, waar St. Jan de kerkpatroon is, zijnde in Kempenland Duisel en Oerle. In de plaatsen in die nabijheid ziet men ook veelvuldiger zulke versieringen dan in daarvan verwijderde dorpen. Toch vindt men ze in alle streken der Meierij. (...) Vroeger hing men het Sint-Janskruid als behoedmiddel tegen onweder, brand, ziekte, tooverij enz. aan deur, venster of balk. Hierom moet het op St. Jan en wel op de rechte manier gesneden worden. Sommigen meenen dat het noodzakelijk is het St. Janskruid te dien einde vóór zonnenopgang te plukken. Daags vóór St. Jan snijdt men eenen doorntak, die vroeger buiten op het dak van huis, schuur, enz. gestoken werd, doch thans doorgaans aan de binnenzijde hiervan gehecht wordt, ten einde van onweder, hagelslag en andere rampen bevrijd te wezen. Veeltijds is het de huisvader of de huismoeder zelf, die dezen tak plaatst, terwijl somtijds de huisgenooten inmiddels gezamenlijk het St. Jansevangelie, den Huiszegen of een ander gebed lezen'.

J.P. Bik vermeldt in 1958 dat de St. Janstros nog gevonden wordt te Uden, Bladel, Woensel, Vortum, Waalre, Beugen, St. Agatha, Oerle, Bergeijk en Leende.
- In weerwil van allerlei 'voorschriften' bestaat er geen vaste omschrijving van de ingrediënten van een St. Janstros, en we kunnen dan ook constateren dat dit in elke plaats (en waarschijnlijk ook voor elke periode) weer anders is. Natuurlijk ontbreekt het basisingrediënt, het St. Janskruid (hypericum perforatum), nergens. Het roodachtig vocht dat vrijkomt wanneer men de bloemen fijnwrijft, wordt gezien als een symbool van het martelaarsbloed van Johannes; de kleine gaatjes in de bloemblaadjes zouden er door de duivel zijn ingeprikt. Anno 1998 was in Oerle, naast het St. Janskruid, onderdeel van de St. Janstros: notenblad, korenbloem, koningsvaren, margriet, koekoeksbloem, vergeetmijniet, zegge, rozen (wit en rood), spaans gras en viooltjes. In de jaren dertig worden ook genoemd: duizendschoon ('lievemannekes'), bolderik ('steekneuzen'), gouden lelie ('St. Janslelie' of 'gele leliën') en vingerhoedskruid. Na de wijding wordt de tros bij de ingang van het huis, bij voorkeur de deur die het meest gebruikt wordt, opgehangen waarbij de oude verdorde tros wordt vervangen. Vroeger mochten de oude exemplaren niet worden weggegooid, maar werden deze verbrand of onder het dak van een schuur of het huis gestoken.
- Na een inzinking van dit gebruik in de jaren zestig en zeventig, nam in Oerle de belangstelling voor het maken en laten zegenen van St. Janstrossen tijdens de jaren negentig weer sterk toe, mede dankzij de pastoor die de volksdevotie een warm hart toedraagt. Er worden zelfs speciale bijeenkomsten belegd om nieuwkomers in het dorp in te wijden in de geheimen van het maken van St. Janstrossen. Ook de bloemenwinkels spelen hierop in door omstreeks 24 juni de ingrediënten aan te bieden. Het vervaardigen en ophangen van de trossen wordt in Oerle beschouwd als een waardevolle traditie die men in ere wil houden, is het niet vanuit religieuze beweegredenen dan wel uit oogpunt van identiteit. Als onderdeel van de grote en tamelijk anonieme gemeente Veldhoven markeren de St. Janstrossen aan de huizen thans vooral het eigen karakter van 'Oers'.
Materiële cultuur -1 Wit geverfde terracotta beeldengroep (h. 51 cm) voorstellende de doop van Christus door Johannes in de Jordaan, omstreeks 1895; 2 zilveren monstrans (h. 72,5 cm), met onder meer een beeldje van de H. Johannes Baptist, in 1899 door pastoor Vogels geschonken aan de kerk bij gelegenheid van zijn zilveren pastoorsfeest; 3 verguld zilveren kelk (h. 23,5 cm), in 1903 aan pastoor Vogels aangeboden door de zusters van Oerle, vrienden, familieleden en parochianen vanwege zijn gouden priesterjubileum. Op een der lobben van de voet is een voorstelling van de H. Johannes Baptist aangebracht; 4 geborduurd vaandel met medaillon (48 x 31 cm) met voorstelling van Johannes de Doper, uit het begin van de 20e eeuw; 5 de grootste kerkklok is gewijd aan de patroonheilige en heeft als inschrift: 'S. Joannis Baptista protege populum tibi devotum, Oerle 1950' (H. Johannes, bescherm het U toegewijde volk, Oerle 1950'), deze klok verving een exemplaar uit 1912 met hetzelfde inschrift.
- Er bestaan geen speciale devotionalia met betrekking tot de verering van St. Jan in Oerle.

Bronnen en literatuur Archivalia: 's-Hertogenbosch, Bisdomarchief: doos Oerle. Eindhoven, Streekarchief Regio Eindhoven, rayondepot Oirschot: gemeentearchief Oerle. Oerle, parochiearchief H. Joannes de Doper: o.m. een oorkonde dd. 6 maart 1784 met volle aflaat, verleend door Pius VI. Den Haag, Algemeen Rijksarchief: archief Raad van State, inv. nr. 2154 II.
Tekstedities: L.G.A. Houben, Geschiedenis van Eindhoven, dl. 2 (Turnhout: Beersmans-Pleek, 1890) p. 152-154, publicatie rekest 1699; J. van Laarhoven ed., Het schetsenboek van Hendrik Verhees ('s-Hertogenbosch: Merlijn, 1975) p. 48-49, afbeelding kerk.
Literatuur: J.B. Gramaye, Taxandria, in qua antiquitates etc. (Brussel: Rutger Velpius, 1610) p. 98; Augustinus Wichmans, Brabantia Mariana tripartita (Antwerpen: Cnobbaert, 1632) p. 489; P. van den Bossche, Den catholycken pedagoge, ofte christelycken onderwyser in den catechimus etc. (Antwerpen: J.F. van Soest, 1740; oorspronkelijk Antwerpen 1685) p. 275; S. Hanewinkel, Reize door de Majorij van 's-Hertogenbosch in den jaare 1799 (Amsterdam: A.B. Saakes, 1800) p. 171-172; C.R. Hermans, Geschiedkundig mengelwerk over de provincie Noord-Braband, dl. 1 ('s-Hertogenbosch: Demelinne, 1840) p. 89 en 94; C.R. Hermans, 'Noord-Brabandsche legenden en volks-overleveringen (eerste tiental)', in: C.R. Hermans, Bijdragen tot de geschiedenis, oudheden, letteren, statistiek en beeldende kunsten der Provincie Noord-Braband, dl. 1 ('s-Hertogenbosch: Muller, 1845) p. 191-192; J.A. Coppens, Nieuwe beschrijving van het bisdom 's Hertogenbosch, dl. 3/1 ('s-Hertogenbosch: Demelinne, 1843) p. 147-151; L.H.C. Schutjes, Geschiedenis van het bisdom 'sHertogenbosch, dl. 5 (St. Michielsgestel: Instituut voor Doofstommen, 1876) p. 337-343; P.N. Panken, 'Volksgebruiken en gewoonten in Noord-Brabant', in: Ons volksleven. Tijdschrift voor taal-, volks-, en oudheidkunde 7 (1895) p. 179-180; H.H. Knippenberg, 'Sint-Jansgebruiken', in: Eigen volk 1 (1929) p. 214-223; H.H. Knippenberg, 'Het Sint-Jansfeest', in: Volkskunde 54 (1933) p. 145-152; J.P. Bik, Feest- en vierdagen in kerk- en volksgebruik, dl. 3 (Velsen: Th.F. Wolfs, 1958) p. 26-27; H. Arndt & R. Kroos, 'Zur Ikonographie des Johannesschüssel', in: Aachener Kunstblätter 38 (1969) p. 243-328; B. Fokkelman, 'De Sint-Janstros. Een stuk religieuze folklore', in: Brabants heem 27 (1975) p. 95-104, 134-147 en 28 (1976) p. 157-162; J.F.C.M. Bijnen, Oerle. Naar een artikelenreeks in de Sint-Jansklokken (1934-1938) opgesteld door C. Rijken (Asten: Schriks, 1977) p. 95-98; G. Krekelburg, 'St. Jansdag in het volksgeloof', in: Rosdoek 15 (1979) p. 22-27, oorspronkelijk verschenen in Nieuwe Eeuw (25-6-1921); W.H.Th. Knippenberg, Devotionalia. Beelden, prentjes, rozenkransen en andere religieuze voorwerpen uit het katholieke leven, dl. 1 (Eindhoven: Bura Boeken, 1980) p. 207-212; P.J. Margry, Bedevaartplaatsen in Noord-Brabant (Eindhoven: Bura Boeken, 1982) p. 230-232; M. de Bruijn, 'De bijzondere status van Oerle in het Hertogdom Brabant is geen veronderstelling maar een feit', in: Brabants heem 35 (1983) p. 112-114; J.F.C.M. Bijnen, 'Het veronderstelde belang van Oerle in de middeleeuwse Kempen', in: Brabants heem 35 (1983) p. 114-122; J.F.C.M. Bijnen, 'Voortgezet archeologisch onderzoek naar de vroegere Boonberg in Oerle', in: Campinia 13 (1983) p. 5-24; J. Erftemeijer, 'Middeleeuwse Johannesschotels in Nederland', in: Antiek 19 (1984) p. 241-253; J.F.C.M. Bijnen, 'Een omgracht woongebied van middeleeuwse adel te Oerle', in: J. Slofstra, H.H. van Regteren Altena & F. Theuws ed., Het Kempenprojekt II: Een regionaal-archeologisch onderzoek in uitvoering (Waalre: Stichting Brabants Heem, 1985) p. 67-75; J.F.C.M. Bijnen, 'Archeologisch onderzoek naar de voorgangers van het huidige kerkgebouw in Oerle', in: Campinia 16 (1986) p. 100-138; J.F.C.M. Bijnen, Jubeljaar 1987. St. Jan de Doperkerk Oerle. Wetenswaardigheden uit het bestaan van de 75-jarige parochiekerk van Oerle 1912-1987 (Oerle: Parochie St. Jan de Doper, 1987) p. 55-56; J. Bijnen, 'De Oerlese Johannes-schotel', in: Campinia 17 (1987) p. 178-180; J.F.C.M. Bijnen, 'Archeologische reconstructie van het laat-middeleeuws kerkgebouw te Oerle', in: Brabants heem 39 (1987) p. 128-144; 'Historische optocht door Oerle bij driekwart-eeuwfeest parochie', in: Bisdomblad (21 augustus 1987) p. 5; L. van Liebergen & G. Rooijakkers ed., Volksdevotie. Beelden van religieuze volkscultuur in Noord-Brabant (Uden: Museum voor Religieuze Kunst, 1990) p. 151; J.M. Oomen, 'Koningszilver en andere gilde-uitrustingsstukken van het Sint Jansgilde te Oerle', in: Campinia 22 (1992) p. 59-76; J.F.C.M. Bijnen, 'De luidklokken in de St. Jan van Oerle', in: Campinia 23 (1993) p. 76-79; M. Roscam Abbing & E. Vink, '"De dominee, de drossaard en de paapse stoutigheden". Over een richtingenstrijd in Oirschot en Best', in: Noordbrabants historisch jaarboek 10 (1993) p. 103-104; P. Vermeulen, Langs 's-Heren wegen. Veldkapellengids voor Noord-Brabant (Eindhoven: Kempen Uitgevers, 1996) p. 175; G. Rooijakkers, 'Waarom met Sint-Jan de huizen met bloemtrossen versierd worden', in: E. Kolen & L. Hollanders ed., De sgonste parel van Brabant. Een kleurrijk mozaïek gevormd door Heeze-Leende-Sterksel (Geldrop 1997) p. 51-54; W.P.C. Prins ed., Sanctus. Met heiligen het jaar rond (Uden: Museum voor Religieuze Kunst, 1997) p. 38-40.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Oerle; Museum voor Religieuze Kunst Uden: St. Jansschotel (MRK 105; bruikleen van de parochie St. Jan de Doper te Oerle); Gemeentelijk Museum 't Oude Slot Veldhoven: Sint-Janstrossen en foto-documentatie; Nijmegen, Katholiek Documentatie Centrum-KLIB bedevaartfoto's Margry (1981); Fotodocumentatie Rosa Verhoeve, Amsterdam, opnamen 24 juni 1995 & 1996; Meertens Instituut videoband 'Dutch Rituals', opname 24 juni 1996; mededeling pastoor G. Vekemans O. Praem. in 1998.

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<