HomeDatabankenBedevaarten

Bedaf, H. Cunera

Mail voor aanvullingen en commentaar
Cultusobject: H. Cunera
Datum: 24 juni (zondag voor)
Periode: 1648 - 1784
Locatie: Antoniuskapel, grenskapel behorend tot de parochie Uden
Adres:
Gemeente: Uden
Provincie: Noord-Brabant
Bisdom: 's-Hertogenbosch
Samenvatting: Bedaf was gedurende ruim 135 jaar een door de norbertijnen bediende bedevaartplaats in het Land van Ravenstein, een vrije heerlijkheid waar het katholicisme openlijk kon worden beleden. De bedevaart is ontstaan na de overbrenging in 1648 van de relieken van de heilige Cunera van de kapel te ⟶ Kaathoven. Met de opsplitsing van de relieken in 1784 tussen ⟶ Berlicum en ⟶ Heeswijk verdween de pelgrimage.
Auteur: Gerard Rooijakkers
Illustraties:
(Klik op afbeelding voor vergroting)
Topografie - Voor een overzichtskaartje van de verspreiding van de Cuneraverering in Noordoost-Brabant, zie ⟶ Kaathoven.
- Bedaf, eertijds ook wel bekend als Zandberg, is een gehucht gelegen in de gemeente Uden op de grens met Nistelrode nabij Vorstenbosch. Veel parochies in de Meierij van 's-Hertogenbosch, die grensden aan het Land van Ravenstein, hebben in 1648 of kort nadien kerkhuizen opgericht in deze vrije heerlijkheid. Zo kregen de parochianen van Heeswijk en Dinther een kapel op Bedaf onder Uden, waar reeds in augustus 1648 Balthasar Janssen o. praem., de oprichter van deze schuurkerk, voor hen de eredienst behartigde.
- De (volgens de overlevering houten) kapel was gelegen langs de huidige Bedafseweg ter hoogte van het Lendersgat en de Derptweg, niet ver van de grens met Vorstenbosch (gemeente Bernheze) in het buurtschap De Brakke.
- De jurisdictie van deze aan Antonius Abt gewijde kapel behoorde tot het vicariaat van 's-Hertogenbosch en niet, zoals de rest van het Land van Ravenstein, tot het prinsbisdom Luik aangezien het bedehuis - afgezien van de lokale bevolking - uitsluitend diende voor katholieken uit het Meierijse grensgebied. Vijf norbertijner pastoors van Heeswijk hebben de kapel of kerkschuur te Bedaf (of ook wel: 'op 't Bedaf') bediend, totdat hun orde na 1672 zelf te Heeswijk een schuurkerk kon betrekken. Na het vertrek van de norbertijner zielzorgers is een rectoraat opgericht dat werd bediend door seculieren. In 1802 is de kapel gerenoveerd. De bezittingen bleven tot 1847 toebehoren aan de abdij.
- In 1850 werd een nieuwe kerk met pastorie in gebruik genomen te ⟶ Vorstenbosch, de eerste pastoor werd rector Waltherus van Krieken van de kapel te Bedaf, welke daarna - onder protest van de plaatselijke bevolking - als schuurkerk werd verlaten. De kapel is waarschijnlijk kort daarna afgebroken.
- In 1950 is een Mariakapel gebouwd nabij de plek waar oorspronkelijk de Antoniuskapel heeft gestaan. Volgens buurtbewoners stond de oude kapel ongeveer 25 meter verder naar achteren op het erf van de boerderij Bedafseweg 1. De huidige kapel is een aan de voorzijde halfopen bakstenen gebouw, voorzien van een zeshoekig leien dak dat is bekroond met een kruis op een globe. Aan de open voorzijde wordt het dak geschraagd door vier wit geschilderde pilaren. Tegen de achterwand bevindt zich een cementen Madonna met kind. Bij het beeld staan bloemen en er brandt af en toe een waxinelichtje, maar het is geen bedevaartoord.
Cultusobject - De verering betreft de dochter van Aurelius, koning van de Orkneyeilanden, die (volgens de ene overlevering in 337 en volgens een andere in 454) in gezelschap van de befaamde Ursula en de elfduizend maagden op de terugweg van hun bedevaart naar Rome, in Keulen door Hunnen werd verrast. Dankzij ingrijpen van de vorst Radbod wist zij te ontkomen aan het lot van de anderen, die allen werden gedood. In Radbods hoofdplaats Rhenen wekte Cunera de afgunst van diens echtgenote en werd zij terwijl Radbod en de zijnen op jacht waren - volgens een der overleveringen op 28 oktober 454 - door de koningin en haar kamenier geworgd met een 'dwele' (een doek), waarna zij in een stal werd begraven. Teruggekomen weigerden paarden die stal binnen te gaan, waarna Cunera's graf werd gevonden. Cunera kreeg Radbods paleis als grafplaats, de koningin stortte zich uitzinnig van de Grebbeberg af en de kamenier werd verbrand. Later 'verhief' Willibrord de heilige en stichtte zo het heiligdom in Rhenen. Het was met name de dag van deze 'verheffing' die werd gevierd, 12 juni. Op basis van verschillende elementen in haar legende werd en wordt Cunera vereerd wegens keelkwalen (de wurging) en als patrones van het vee (de paarden).
- Het cultusobject bestond uit een reliek, die in 1648 was overgebracht van de Cunerakapel te ⟶ Kaathoven in Staats-Brabant naar Bedaf in het Land van Ravenstein.
- Op 17 juni 1784 werd de reliek 'ex ossibus' gesplitst en in ⟶ Berlicum en te ⟶ Heeswijk ondergebracht, alwaar ze tot op de dag van vandaag berusten. Het overbrengen van beide relieken betekende tevens het einde van de bedevaart in Bedaf. De splitsingsakte, waarop apostolisch vicaris Antonius van Alphen in 1815 de authenticiteit van de relieken nog eens bevestigde, wordt bewaard te Berlicum.
- Waarschijnlijk is na 1648 ook een eikenhouten beeld van Cunera vereerd in Bedaf, dat net als de reliek afkomstig was uit Kaathoven. Evenals een deel van de reliek werd dit beeld na 1784 naar de parochiekerk van Heeswijk gebracht; thans wordt het bewaard in de Abdij van Berne.
Verering - Cunera werd oorspronkelijk aangeroepen te ⟶ Rhenen (dl. 1), maar hieraan kwam een einde toen omstreeks 1600 de openlijke devotie verboden werd en de relieken uit de kerk werden gehaald. De norbertijnen brachten relikwieën over naar hun klooster te Berne en sindsdien werd Cunera een geliefde heilige in het gebied tussen 's-Hertogenbosch, Veghel en Uden. Vanuit Berne kreeg in 1618 de kapel te Kaathoven een reliek die na de Vrede van Munster in 1648 in de schuurkerk te Bedaf in veiligheid werd gebracht om vereerd te kunnen worden door de inwoners van de Meierij.
- Hoewel de kapel was gewijd aan de H. Antonius, werd er in de periode 1648-1784 vooral de reliek van de H. Cunera vereerd, wier voorbede met name ingeroepen werd bij veeziekten.
- Omstreeks 1690 noteerde de Heeswijkse pastoor L. Siongers (in de weergave van Kronenburg) de volgende terugblik:

'Als ooggetuige heb ik duizenden menschen aanschouwd, die op den Zondag vóór het feest van den H. Joannes Baptist met groote devotie te zamen komen, niet zonder vrucht en verlichting der zieken, vooral van keellijders (...) overigens, de wassen exvoto's, die bij honderden en honderden te Bedaf zijn opgehangen, verklaren luide, hoevelen de H. Cunera aldaar geholpen heeft'.

Daarnaast verwijst Siongers naar een hem bekende weduwe uit Grave en een pastoor van de Duitse Orde die beiden van een ongeneeslijke keelkwaal waren genezen.
- de Handelse rector en priester van de Duitse Orde B. Luijten schreef in 1718:

'Den 18 Junij ben ick gegaen naer Bedaf, alwaer den 19 geviert wiert het feest van de H. Maget en Martelaeresse Cunera, sijnde aldaer een seer groot Concours van volck. Daer ben ick naer toe gegaen om 't assisteren in biechte te hooren en 't saemen om kennis te maken met de H. Pastores en andere geestelijcken die daer bij mallekanderen komen; en 't saemen om te versorgen eenige priesters tot assistentie pro festis SS. Apostolorum Petri et Pauli et Visitationis B. Mariae Virginis'.

- Gezien de politiek-religieuze situatie in het vrije Bedaf waren de omstandigheden gunstig voor bedevaarten. De aantrekkelijkheid hiervan werd versterkt door de aflaat die paus Clemens XII in 1736 aan de verering verleende.


Bronnen en literatuur Archivalia: Archief Abdij Berne, Heeswijk: kasboek L. Bosch (afd. I, V E). Vorstenbosch, Archief Sint Lambertusparochie: registrum.
Literatuur: L.H.C. Schutjes, Kerkelijke Geschiedenis van het bisdom ' s Hertogenbosch, dl. 3 (Sint-Michielsgestel: Instituut voor Doofstommen, 1872) p. 197-198, 826-828 (bijlage V); Ed. Loffeld, 'O.L. Vrouw van Handel', in: Bossche Bijdragen 20 (1950-1951) p. 280, passage uit het journaal van rector Luijten; A. Meuwese, 'Kerkhuizen van Veghel en Schijndel op Udens gebied', in: Brabants heem 6 (1954) p. 36-41; D. de Jong, Grenskapellen voor de katholieke inwoners der Generaliteitslanden (Tilburg: Drukkerij Henri Bergmans, 1963); W.H.Th. Knippenberg, Kultuurhistorische verkenningen in de Kempen III. Oude pelgrimages vanuit Noord-Brabant (Oisterwijk: Stichting Brabants Heem, 1968) p. 44-45; W.J.C.C. van den Hurk, Het verborgen leven van de Abdij van Berne in haar parochies, 1797-1857 (Tilburg: Stichting Zuidelijk Historisch Contact, 1977); P. Vermeulen, Langs 's-Heren Wegen. Veldkapellengids voor Noord-Brabant (Eindhoven: Kempen Uitgevers, 1996) p. 175; Casper Staal & Marc Wingens, Bedevaarten in Nederland (Zutphen: Walburg Pers, 1997) p. 61.
Overige bronnen:Meertens Instituut BiN-dossier Bedaf.

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<