Barger-Oosterveld, H. Gerardus Majella

Cultusobject: H. Gerardus Majella
Datum: Zondag na 29 juni; 16 oktober
Periode: 1906 - heden
Locatie: Parochiekerk van St. Gerardus Majella
Adres: Splitting 142, 7826 CT Barger-Oosterveld
Gemeente: Emmen
Provincie: Drente
Bisdom: Groningen
Samenvatting: Twee jaar nadat Gerardus Majella in 1904 heilig was verklaard, werd in het Drentse Barger-Oosterveld de eerste Gerardus Majellakerk van Nederland gesticht. Een jaar na de inwijding van de kerk ontstond er op instigatie van de pastoor van Ter Apel een bedevaart, die tot op de huidige dag wordt voortgezet, zij het in een andere vorm dan vroeger. Het was het eerste nieuwe bedevaartoord in Drenthe sinds de reformatie.
Auteur: Geert Kocks
Illustraties:
Topografie Algemeen
- De kerk van Barger-Oosterveld is in de jaren 1905 en 1906 gebouwd op initiatief van pastoor Vinke (1866-1938) van Munsterscheveld en pastoor Weninck (1863-1920) van Barger-Compascuum. Voorheen kerkte de nog kleine groep katholieken in deze streek in de dichtstbijzijnde, maar door de omstandigheden in het veen moeilijk bereikbare parochies. Om die reden en omdat het aantal katholieken sterk groeide, begonnen de twee pastoors, allebei Gerardusvereerders, een intensieve campagne om te komen tot een eigen kerk voor Barger-Oosterveld. Zij slaagden in hun opzet om van de parochiekerk van Barger-Oosterveld de eerste Gerarduskerk van Nederland te maken.
- De gelden voor de bouw kwamen, afgezien van kleine bijdragen van de eigen parochianen, vooral van Gerardusvereerders in Nederland, die via het tijdschrift De Volksmissionaris door de redemptoristen werden benaderd.
- De officiële inzegening van de kerk vond plaats op 6 mei 1906 en de consecratie op 20 september 1906 door mgr. Van de Wetering, aartsbisschop van Utrecht. Door de groei van de parochie waren verbouwingen van de kerk noodzakelijk in 1923 en 1937.
- De uit 1906 daterende klok met het opschrift 'Oosterveld en Emmerveen, Roep ik tot gebed bijeen, DD anno 1906', werd in de oorlog door de Duitsers gevorderd. In 1952 werd een nieuwe klok geïnstalleerd met het opschrift 'Gerardus omnes vocat ad deum' ('Gerardus roept allen tot God').

Interieur
- Aan de voorkant van de tombe van het Gerardusaltaar staat de letter S, daaromheen de G, en daaromheen weer de M (Sanctus Gerardus Majella). Aan de voeten van Gerardus bevindt zich een doodshoofd, het symbool van versterving en een lelie als symbool van zuiverheid. Onder het beeld bevinden zich relieken van Gerardus.
- Bij de eerste verbouwing in 1923 zijn de altaren van Maria en Gerardus naar de zijbeuken verplaatst en zijn ernaast schilderingen aangebracht door een schilder uit de werkplaats van architect Cuijpers uit Roermond. Bij het Gerardusaltaar gaat het om taferelen uit het leven van Gerardus.
- De schilderingen na de tweede verbouwing in 1938 zijn aangebracht door Jacob Idema.
De bogen aan de 'Gerarduszijde' van de kerk waren beschilderd met taferelen uit het leven van Gerardus, maar zijn in de vijftiger jaren overgewit.
- Vooraan in het priesterkoor bevindt zich een gebrandschilderd raam, geschonken door pastoor V. Weenink uit Velp. De maker was de glazenier Nicolaï.
- De stenen tombe van het hoogaltaar is vervaardigd door de firma F. Stolzenberg. De eikenhouten bovenbouw is in afwachting van een milde gever, die de beeldengroepen met scènes uit het leven van St. Gerardus zou willen betalen, enige tijd leeg gebleven. Die afbeeldingen zijn er gekomen, maar wie de goede gever was, is nooit bekend geworden. In de afbeelding links op het altaar is, volgens zeggen, één van de bouwpastoors, pastoor Vinke, afgebeeld.
- Een dienstbode uit Amsterdam bood een Gerardusbeeld aan. Een andere dame schonk geld voor de bouw van een Gerardusaltaar met het verzoek op dat altaar, naast het beeld van St. Gerardus, de afbeeldingen van haar patroonheiligen Antonius en Helena te plaatsen. Dit is gebeurd. De firma Stolzenberg maakte ook dit altaar.
- Van de generaal-procureur van de redemptoristen in Rome ontving de parochie in 1906 een geschilderd doek met de afbeelding van St. Gerardus. Het was een kopie van een schilderij, dat in één van de kerken in Rome bijzonder werd vereerd. Daarop staat Gerardus afgebeeld met een kruis. Naast hem, op een tafel, bevinden zich een doodshoofd en lelies. De firma Mengelberg uit Utrecht maakte gratis een lijst om het schilderij, dat aanvankelijk aan de westelijke binnenmuur naast de gedenksteen werd opgehangen, maar nu in de sacristie hangt. Onderaan op de lijst staat 'Sct Gerardus Majella', geflankeerd door de jaartallen 1726 en 1755.
- In 1951 werd ten behoeve van de processie een park aangelegd in de nabijheid van de kerk.
Cultusobject - Gerardus Majella (1726-1755) trad in 1749 in bij de redemptoristen. Hij werd op 1752 geprofest als lekebroeder. Drie jaar lang heeft Gerardus daar geleefd als portier, koster, kleermaker en tuinman. Hij is begraven in het klooster Caposele bij Napels. Al snel verspreidde zich een devotie tot deze volksheilige over Europa, mede door de wonderen, die op zijn voorspraak gebeurden. In 1875 worden al 77 wonderen vermeld. In 1847 begon het apostolisch proces, dat op 29 januari 1893 met de zaligverklaring door paus Leo XIII werd afgesloten. Op 11 dec. 1904 vond de plechtige heiligverklaring door paus Pius X plaats. De feestdag van Gerardus wordt gevierd op zijn sterfdag, 16 oktober.
- Op 7 mei 1906 ontving pastoor Weninck vanuit Rome van de redemptoristen een houten kistje met daarin twee reliekhouders van verguld en deels verzilverd koper met relikwieën van St. Gerardus. Pater P. Oomen schreef: 'De ene dient om uitgesteld te worden en daarin bevinden zich relieken uit het gebeente van onzen H. Broeder Gerardus en watten, die het vocht hebben opgevangen dat uit het gebeen van den heilige gevloeid is. De andere dient om door de gelovigen gekust te worden'. De eerstgenoemde relieken werden onder het beeld van Gerardus op het Gerardusaltaar in een glazen kastje geplaatst, zodat ieder ze kon zien. Het kastje, een huisjesmodel, is 28 cm hoog en heeft grondvlak van 17 x 14 cm. Op een schuinliggende 'schaal' bevinden zich de relieken met rechts en links de tekst 'Ex ossibus / St. Ger. Maj'.
De tweede reliekhouder, waarin zich eveneens relieken uit het gebeente van Gerardus bevinden, werd aanvankelijk naast het altaar opgehangen. In 1981 zijn deze relieken geschonken aan de kerk van het in het Duitse Emsland gelegen Fehndorf, waar men een St. Gerarduskerk had gebouwd.
- Op de kamer van de pastor bevindt zich nog een monstrans met een reliek van Gerardus, waarvan de herkomst niet duidelijk is. Deze is na 1960 meegedragen in de processie om onderweg door de gelovigen te worden gekust.
Verering De bedevaart tot 1950
- In 1906 stuurde de redemptorist Oomen op aanvraag van Vinke en Weninck vanuit Rome de bovengenoemde reproductie van het schilderij van de H. Gerardus. In de begeleidende brief sprak Oomen de wens uit dat het eerste parochiale heiligdom ter ere van Gerardus eens een bedevaartkerkje zou worden.
- Het initiatief voor een bedevaart kwam van pastoor Wijfker van Ter Apel. Deze schreef in een brief van 8 oktober 1906 aan de bouwpastoors en de pastoor van Barger-Oosterveld, dat hij op een morgen, toen hij naar de beeltenis van Gerardus keek en een schietgebed sprak, op de gedachte kwam, om op de feestdag van Gerardus wat mensen bij elkaar te brengen en dan in processie op te trekken naar Barger-Oosterveld en wel op de feestdag van Gerardus. De pastoors werkten mee aan dit plan en er meldden zich spontaan bedevaartgangers aan.
Op dinsdag 16 oktober 1906 vertrokken ruim honderd pelgrims om 6.30 uur uit Barger-Compascuum. Onderweg zagen ze over het veen ook de pelgrims uit Ter Apel en Munsterscheveld aankomen. Achteraan de stoet reden twee wagens met bagage, waaronder de offerkaars. Om 9.00 uur kondigde klokgelui de aankomst van de pelgrims aan en trok de stoet - waarin vooraan het kruis werd gedragen, geflankeerd door twee misdienaars met lantaarns - zingend en biddend de kerk binnen. Daarna begon de plechtige mis met predikatie. Na de mis was er gelegenheid tot verering van de relieken. Om 11.00 uur begon een processie naar het nabijgelegen kerkhof. Om 13.00 uur was de kruiswegoefening en om 14.00 uur was er een plechtig lof met predikatie. Om 15.00 uur vertrokken de pelgrims zingend en biddend uit Barger-Oosterveld naar hun eigen kerken voor een afsluitende zegen.
- Toen de mensen uit de andere parochies in de omgeving hoorden van de bedevaart, vonden ze het jammer dat ze er niet bij waren geweest en besloten het jaar daarop ook mee te gaan.
- In 1907 waren er twee bedevaartgroepen; in 1915 drie. In 1916, bij het 10-jarig bestaan van de bedevaart, waren er in juli meer dan 1200 bedevaartgangers. De deelname bleef de volgende jaren groot. Zo telde men in oktober 1921 1500 aanwezigen en in de zomer van 1922 circa 1000.
- Tijdens de beginjaren werd door de pastoor jaarlijks vergunning gevraagd voor het dragen van het Allerheiligste buiten de kerk tijdens de processie.
- De bedevaarten werden telkenjare op vaste dagen gehouden: op 29 juni - het feest van de H. H. Petrus en Paulus - of op de zondag onder het octaaf van die feestdag; en op 16 oktober - de feestdag van de H. Gerardus Majella - of de daarop volgende zondag onder het octaaf. De indeling van deze dagen bleef jarenlang gelijk: om 10.30 uur was de pelgrimsmis; om 12.15 uur het bidden voor de opgegeven intenties, de verering van de relikwieën en de wijding van de devotieartikelen. In 1930 wordt nog de inwijding in het bruine scapulier van de berg Carmel genoemd, maar in 1931 is die weer verdwenen. Om 14.00 uur werd de processie gehouden, waarbij er altijd op werd gelet dat deze ordelijk verliep. Tegen 15.45 uur was de bedevaart ten einde en toog men weer langs dezelfde weg huiswaarts. Bij de herfstbedevaart werden in het donker fakkels gedragen.
- De pelgrims kwamen vanouds uit de omliggende parochies van Ter Apel tot achter Coevorden. Volgens zeggen, zou men omstreeks 1916 jaarlijks met meer dan 100 man rond 8.00 uur te voet van Barger-Compascuum zijn vertrokken en tegen de pelgrimsmis in Barger-Oosterveld zijn aangekomen. Vaak troffen de pelgrims in Klazienaveen-Noord groepen die met de tram uit de richting Ter Apel kwamen. Voor de gelegenheid was er een speciale tramhalte in Klazienaveen-Noord. Ook werd verteld dat er koetsen uit Emmer-Compascuum kwamen, waarin bruidjes zaten.
- De bedevaart viel slechts een enkele keer uit zoals in 1937 (verbouwing van de kerk) en in 1944 en 1945 wegens oorlogshandelingen.

Processie
- De processie werd voor 1951 op het kerkhof gehouden; na dat jaar in het processiepark. In de beginjaren van de bedevaart werd voorop in de processie het kruis gedragen, geflankeerd door twee misdienaars. Vervolgens de vrouwen, en dan het Allerheiligste met misdienaars, bruidjes en koorzangers en tenslotte de mannen. Tegenwoordig (de negentiger jaren) loopt de priester onder de baldakijn achteraan. Jarenlang werd het beeld van de H. Gerardus in de processie meegedragen door ongetrouwde vrouwen.
- In de dertiger jaren was de situatie bij de processie zo dat het geheel eigenlijk een lof in een lof was. Men begon in de kerk, waar de vrouwen in de meerderheid waren. Men zong, als in een normaal lof, het 'Adoro te', het 'Salve Regina' en het 'Magnificat', waarna de processie uittrok. De mannen stonden voor het grootste deel buiten en sloten achter het Allerheiligste aan op weg naar het kerkhof. Daar begon opnieuw een lof met predikatie, 'Tantum Ergo' en zegen.
Op de terugweg ging men de kerk weer binnen en werd het lof, dat door de processie eigenlijk was 'onderbroken' weer voortgezet met een 'Tantum Ergo' en de zegen. Als slotlied werd en wordt het 'Laat ons in blijde wijzen' gezongen. In de beginjaren was het ceremonieel nog niet zo uitgebouwd; mogelijk gingen de bezoekers meteen vanaf het kerkhof huiswaarts.
- Op oude foto's is te zien dat de processie aanvankelijk langs de kerk trok en in één keer naar het kerkhof ging, waar de predikatie en het lof werden gehouden. Bij de kerk werd echter al vrij snel een bos geplant (waarin later het processiepark zou worden aangelegd), zodat men later in een grote boog door het bos naar en van het kerkhof kon komen.
- Op straat en op een deel van het kerkplein stonden regelmatig kramen met religieuze artikelen, maar ook wel met groenten en fruit. Dit is later afgeschaft. Tegenwoordig staan er nog stands met devotieartikelen.
- In de processie werden vroeger vaandels meegedragen, zoals die van de Mariavereniging (vaandel van 1917) en van het Kruisverbond, de bond voor alcoholbestrijding (vaandel van 1919). In 1949 kreeg de Katholieke Arbeiders Beweging (KAB) een nieuw vaandel en werd de leden gevraagd om in de processie achter het vaandel mee te trekken. Vroeger had de KAB drie vaandels, elk met een letter van de afkorting er op. De vaandels kwamen in de processie na de schooljeugd. Het dragen van de vaandels is later afgeschaft, naar men zegt, omdat de bomen langs het pad te groot werden en men met de vaandels in de takken verstrikt raakte.
De muziek bij de processies werd verzorgd door het kerkkoor en vanaf 1923 speelde ook het muziekkorps St. Gerardus Majella (na 1945 'De Volharding' genoemd) mee in de processie.

Verering na 1950
- Het was pastoor Beltman (1905 - 1970; pastoor vanaf 1949) die aanzienlijke wijzigingen in de bedevaart aanbracht, zowel van organisatorische als van inhoudelijke aard. Deze wijzigingen werden waarschijnlijk mede ingegeven door het feit dat het kerkhof, waarop de processie aanvankelijk werd gehouden, in de loop der jaren steeds voller werd en de deelname aan de bedevaart steeds groter. Dat leidde soms tot onplezierige situaties. Zo werd in 1949 aan de pelgrims een verzoek gedaan om tijdens de bedevaart de graven te sparen en tijdens de preek niet op zerken of monumenten te gaan staan of te leunen. Vandaar dat in 1951 de werkzaamheden aan een processiepark met een eigen altaar begonnen. In het najaar van 1952 was er voor het eerst een geluidsinstallatie in het processiepark aanwezig. Deze is in de loop der jaren een steeds grotere rol gaan spelen. Anno 1995 werden tijdens de hele processie de opgegeven intenties om voorspraak van vooral Gerardus en Maria voorgelezen. Dit werd onderbroken door gezang, het aanbieden van kaarsen en de preek in het processiepark bij het tweede rustaltaar. Door de geluidsinstallatie verdwenen de broedermeesters, de mannen die met een geel-witte band om de arm de processie begeleidden en de rozenkrans baden in de perioden dat er niet werd gezongen. Ook lopen sindsdien de zangers niet meer mee in de processie, maar staan ze evenals het kinderkoor en het muziekcorps op het processieveld.
- Pastoor Beltman was misschien niet altijd even goed op de hoogte van de traditie en veranderde nogal eens de data voor de bedevaart. Na enige wisselingen werd de traditie ongeveer als volgt: bedevaarten op de eerste zondag in juli en op de zondag vóór 16 oktober. De nadruk kwam op de eerste datum te liggen. Aan de opzet van de processie veranderde niet veel meer.
- Tijdens het pastoraat van Beltman kwam er ook verandering in de route en ontstond de tegenwoordige route met een achtvormige lus in het bos. Er wordt verteld dat het idee voor die lus afkomstig was van de toenmalige voorzitter van de Stille Omgang, Harm Veringa (1896 - 1974); tijdens de Stille Omgang in Amsterdam komt men elkaar ook een keer onderweg tegen en dat idee werd ook voor de processie toegepast.
- In de jaren vijftig is een groot aantal - uit alle mogelijke kerken afkomstige - beelden in nissen langs het processiepad geplaatst. 'Uit de tijd van de beeldenstorm', zoals iemand het formuleerde.
- Uit de vijftiger jaren stamt tevens het aanbieden van processiekaarsen door de mensen uit de omliggende dorpen. Anno 1995 kwamen pelgrims met deze kaarsen ook van elders, zoals bijvoorbeeld Assen, Dokkum, Nijmegen, etc.
- De deelname aan de bedevaart kon erg wisselend zijn. In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog was de deelname meestal groot. Groter dan ooit was hij in de zomer van 1940 toen de intentie van pelgrimsmis en bedevaart luidde: 'namens alle parochianen uit dankbaarheid voor behouden terugkeer van alle soldaten uit de parochie en voor de gevallenen op het slagveld'. De zomerbedevaart van 1955 daarentegen was, ondanks het mooie weer, niet zo goed bezocht terwijl het bijvoorbeeld op de oktoberbedevaart in 1961 erg druk was. In 1976, bij het 70-jarig bestaan van de parochie, waren er nog ruim 450 pelgrims.
- Net zoals in de Overijsselse Gerardusbedevaartplaats Overdinkel, waren ook in Barger-Oosterveld regelmatig redemptoristen te gast als predikant tijdens de bedevaarten. Er ligt overigens een oude verbinding tussen beide plaatsen. Pastoor Van Laak van Overdinkel kwam namelijk al in 1907 in Barger-Oosterveld inspiratie opdoen.
- Toen de deelname aan de processie met de terugval van het kerkbezoek minder werd, besloot men in 1980 nog maar één processie per jaar te houden en wel de bedevaart in de zomer. Aanvankelijk was de zomerbedevaart bedoeld voor pelgrims van buiten de parochie en de herfstbedevaart voor de eigen parochianen. De noodzaak van deze scheiding verdween langzamerhand en verloor zijn functie helemaal door de opkomst van het gemotoriseerde verkeer.
Materiële cultuur - 1 Verschillende beelden, afbeeldingen en devotieprentjes van Gerardus - niet specifiek voor Barger-Oosterveld aangemaakt - zijn er in de loop der jaren verkocht, waaronder ook kleine beeldjes in een ca. 3 cm lang doosje met venster; 2 sinds de bedevaart van 1951 zijn er speciale Gerarduskaarsen met de afbeelding van de kerk verkrijgbaar; twee kaarsen met Gerardusopdruk in een doos met daarop de tekst 'Bedevaart Barger-Oosterveld'; 3 een zwart-wit ansichtkaart van het interieur van de kerk (Barger-Oosterveld: Jo Lubbers, sigarenmagazijn 't Veld').

Bronnen en literatuur Archivalia: Barger-Oosterveld, parochiearchief. Groningen, Rijksarchief in Groningen: archief bisdom Groningen: parochiedossier Barger-Oosterveld.
Literatuur: De ware vereerder van den H. Gerardus Majella (Rotterdam: P.J. Simons-Van den Broek, 1921) p. 84-87, met afbeeldingen van kerk en altaar; A. Vergnes, De H. Gerardus Majella, de wonderdoener der twintigste eeuw. Devotie- en gebedenboek (Mechelen 1934); W. Kocks, Gouden krabbels over Bargeroosterveld 1906 - 1956 (Assen 1956); J.J. Antier, De pelgrimage weer ontdekt. In het Nederlands vertaald, ingeleid en wat de Benelux betreft aangevuld door Th.G.A. Hendriksen, bisschop (Utrecht: Zaken die God raken, [1980]) p. 352; P.J. Margry, 'De H. Gerardus van Barger-Oosterveld. Twintigste-eeuwse pelgrimages in het hoogveen', in: Ons Waardeel 6 (1986) p. 165-177; met een reactie daarop door G.H. Kocks, 'De St. Gerardus bedevaart te Barger Oosterveld', in: Ons Waardeel 7 (1987) p. 1-4; J.H.M. Evers en P.G.J. Post, Historisch Repertorium met betrekking tot Wittem als bedevaartsoord (Heerlen: HTP, 1986) p. 379; G.H. Kocks, Barger Oosterveld rond Sint Gerardus ([Zuidlaren]: eigen beheer, 1993; 49 p.); Pius jaarboek. Almanak katholiek Nederland (Houten: Bohn etc., 1996) p. 343.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Barger-Oosterveld; Meertens Instituut volkskundige vragenlijst 23 (1959), 64a+b (1993).

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<