Meerlo, H. Goar

Cultusobject: H. Goar
Datum: 6 juli (zondag op of na)
Periode: Ca. 1700 - heden
Locatie: St. Goarkapel, behorend tot de parochie St. Johannes de Doper
Adres: Moleneind 9, 5864 AA Meerlo
Gemeente: Meerlo-Wanssum
Provincie: Limburg
Bisdom: Roermond
Samenvatting: In het dorp Meerlo bestaat sinds de 15e eeuw een verering van de H. Goar, en sinds 1662 staat in de bossen ten noorden van Meerlo een kapel, toegewijd aan deze heilige. De oudste berichten over pelgrimages naar dit gebedshuis dateren van omstreeks 1700. Eind jaren negentig van de 20e eeuw komt jaarlijks nog steeds een groep van ongeveer 200 gelovigen op de zondag na zijn feestdag bij de kapel de mis vieren. Het is de enige plaats in Nederland, waar de H. Goar wordt vereerd.
Auteur: Jeroen de Jong
Illustraties:
Topografie - Van oudsher hadden de heren van Meerlo het recht tot vergeving van de vicarie van het St. Hieronymus- en Goaraltaar, links van het hoofdaltaar in de parochiekerk. Het oudste bewijs van een bijzondere verering van Goar in dit dorp komt uit Luik, de zetel van het bisdom waartoe Meerlo in de late middeleeuwen behoorde. Een Goaraltaar wordt in verschillende bisschoppelijke documenten genoemd: in 1485, 1558, 1598 en 1613. Rond 1600 werd het altaar ook aan Hieronymus toegewijd. In 1609, en later in het midden van de 18e eeuw, werd het altaar gerestaureerd en meer in overeenstemming met de smaak van de tijd gebracht. In juni 1892 werd het gesloopt en vervangen door een Maria-altaar.
- In de toren van de parochiekerk hing een klok, gegoten in 1493, toegewijd aan de Maagd Maria en de H. Goar. Toen in 1934 op Beloken Pasen na een bliksem-inslag de toren afbrandde, is ook de klok verloren gegaan, waarna een nieuwe gecombineerde Maria-Goarklok werd opgehangen.
- De Sint-Goarkapel is gebouwd in 1662, en staat nabij de hoeve De Beijenbrugge, in een bosschage ten noorden van het dorp Meerlo, ongeveer op de grens met Wanssum. Het bakstenen huisje meet ongeveer 6,5 x 2,5 meter. Op een mergelsteen aan de achterzijde staat 'Anno 1662 den 6 julius', de datum van de wijding. Midden op het dak staat een dakruitertje met klok. Op ongeveer 4 meter afstand heeft aan de noordzijde van de kapel een put gestaan, waaruit heilzaam water kon worden gehaald. In 1828 was de kapel in vervallen staat en werd zij gerestaureerd. Volgens een beschrijving van het interieur uit 1904 beschikte de kapel toen over geen enkel meubel van enige kunstwaarde. Aanwezig waren slechts een hoogst eenvoudig altaartje met het beeld van de patroon, een bidbankje en ettelijke schilderijen. De aard van deze afbeeldingen is onbekend.
Hoewel put en kapel op het grondgebied van De Beijen-brugge lagen, kwam het onderhoud ten laste van de kerkfabriek van Meerlo. Omstreeks 1900 is het eigendomsrecht overgegaan op de parochie in Meerlo.
- Het gebouw is meermalen gerestaureerd. In 1909 werden daarbij de vijf kleine ronde ramen (ø ca. 40 cm) vervangen door grotere gebrandschilderde rondboogramen (ca. 40 x 80 cm). De dakpannen werden vervangen door een leiendak. Aan de buitenmuur, links van de deur, werd bovendien een 'kunstig gesmeed ijzeren predikstoel' gemaakt. Tegelijk werd de dakruiter voorzien van een neogotisch aandoende verlengde spits. Bij de restauratie van 1962-1963 werd de kapel weer terug in de staat van voor 1909 gebracht. Het putje is inmiddels verwijderd, waarschijnlijk bij een restauratie rond 1970.
In 1998-1999 heeft de kapel opnieuw een uitvoerige restauratie ondergaan.
Cultusobject - Goar, in Meerlo ook wel Gewier genoemd, was volgens de historisch weinig betrouwbare legende aan het begin van de zesde eeuw geboren als de zoon van aanzienlijke ouders uit Aquitanië (F). Vanwege zijn deugdzaamheid was hij geliefd bij het volk. Om te voorkomen dat hij verwaand zou worden, vertrok hij naar Duitsland, waar hij zich vestigde op de linkeroever van de Rijn, ten zuiden van Koblenz, nabij de huidige stad Sankt-Goar. De bevolking was daar deels nog niet gekerstend. Hij bouwde er een kapel en een kluis en leidde een vroom leven, waarbij hij velen tot het ware geloof bracht. Door afgunst gedreven, verspreidden sommigen echter het gerucht dat hij onzedig zou leven. Dit kwam bisschop Rusticus van Trier ter ore, en hij riep de kluizenaar ter verantwoording. Rusticus was zeer ontstemd en wilde Goar alleen geloven indien hij in staat zou zijn de vader en moeder te noemen van een kind dat onlangs te vondeling was gelegd. Na een intens gebed van Goar sprak de drie dagen oude baby, voor iedereen duidelijk verstaanbaar: 'Flaris is mijn moeder en Rusticus, de bisschop, is mijn vader'. Dat kostte Rusticus zijn functie, en kort daarna werd Goar gevraagd bisschop te worden. Uit bescheidenheid weigerde de kluizenaar deze eer echter. Daarop werd hij ziek en leed gedurende zeven jaar aan 'bibberkoorts'. Na te zijn hersteld weigerde hij opnieuw een benoeming tot prelaat en overleed hij in of omstreeks het jaar 575. Onder grote belangstelling werd zijn lichaam bijgezet in zijn kapel. Zijn populariteit dankt de heilige aan de vele wonderen die hem zijn toegeschreven, maar zeker ook aan zijn beeldend geschreven levensbeschrijving.
- In Duitsland wordt hij vereerd als patroon van wijngaardeniers en herbergiers. Tevens werd hij aangeroepen als patroon tegen koude koortsen of bibberkoortsen.
- De parochie bezit een reliek van de H. Goar, bestaande uit een botsplinter (ø ca. 1 cm). Op een kleine rand naast de reliek staat de tekst: 'S. Goaris Conf.' ('van de H. Goar, belijder'). De reliek is gevat in een ovaal verguld koperen doosje met glas in de deksel (5 x 7 cm). Dit voorwerp is in 1904 vervaardigd door de zusters franciscanessen uit de Bömerstraat te Keulen. Om de reliek waardig te tonen, beschikt de parochie over een neogotische verzilverde koperen reliekhouder (hoogte 61 cm), in 1904 gekocht bij de firma Van Breekel uit Nijmegen (? 32,30).
- De parochie beschikt over twee houten beelden van de H. Goar. Eén stamt waarschijnlijk uit de eerste helft van de 16e eeuw, het is gepolychromeerd en 61 cm hoog. In 1904 is het voor ⨍20,- gerestaureerd door de firma J. Houtermans uit Roermond. De staande Goar is gekleed in een misgewaad. In zijn linkerhand houdt hij een kelk, met de rechterhand maakt hij een zegenend gebaar. Dit beeld werd vroeger meegedragen in de processie vanuit de kerk naar de Goarkapel.
- Het tweede beeld, dat dateert uit de 17e eeuw, is eveneens gepolychromeerd en is iets hoger (68 cm) dan het oudere beeld. Ook dit beeld stelt een staande Goar voor, gekleed in misgewaad. In de linkerhand houdt hij een kelk, in de rechterhand een geopend boek met daarop de tekst: 'Laudate Dominum' ('Prijst de Heer'). Dit beeld is afkomstig uit de Goarkapel, en staat nu in de doopkapel van de kerk.
Verering - Het is niet duidelijk op welke wijze de verering van de H. Goar naar Meerlo is gekomen. Wellicht is dit gebeurd via de heren van Meerlo, aangezien dit riddergeslacht familiebetrekkingen had met het Rijnland. Zij hadden het recht tot vergeving van de vicarie van het Hieronymus- en Goaraltaar. Het oudste bewijs van verering voor Goar in dit dorp is de vermelding dat de parochiekerk in Meerlo in 1400 reeds beschikte over een 'altare Ghewer'.
- In 1662 werd de Goarkapel gebouwd op het terrein van de adellijke bezitters van het goed De Beijenbrugge. Waarschijnlijk waren zij tevens de initiatiefnemers van dit bouwwerk.
- Pas ten tijde van pastoor Henricus Aerts (1723-1753) is er sprake van een toeloop van pelgrims. Vanaf 1727 zijn er, met een zekere regelmaat, meldingen van de offers die op Goardag en onder het octaaf in de kapel zijn gebracht. Aerts zorgde er ook voor dat vanaf 1745 het Goarbeeld uit de kerk werd meegedragen bij de jaarlijkse processie op de zondag voor Pinksteren.
- Ten tijde van de 18e-eeuwse epidemieën ging veel belangstelling naar de voorspreker Goar uit, ook van buiten de parochie. Zo is bekend dat in 1759 een processie uit Blitterswijk naar de kapel trok om Goars voorspraak te vragen.
- Pastoor Hermanus Janssen gaf in 1827 een extra stimulans aan de Goarverering; voortaan werd een processie gehouden op de feestdag van de heilige, of op de zondag onder het octaaf. Ten behoeve van de processie werden twee rustaltaren opgesteld: een bij de hoeve De Beijenbrugge, en een tegenover het kasteel.
- Midden 19e eeuw bestond in Meerlo en nabije omgeving de gewoonte dat in de zomertijd op elke doordeweekse dag in een vaste kapel de mis gelezen werd; maandag in de Leonarduskapel te ⟶ Wanssum, dinsdag in de Annakapel te ⟶ Blitterswijk, woensdag in de Goarkapel, donderdag in de Willibrorduskapel van ⟶ Geijsteren, vrijdag in de O.L. Vrouwekapel van ⟶Tienray en zaterdag in de O.L. Vrouwekapel in ⟶ Oostrum. Voor zover in de gelegenheid, en naar gelang de behoefte, gingen de gelovigen uit de streek in de naburige kapellen naar de mis. Op Goars feestdag, 6 juli, werd er in de kapel een hoogmis gezongen en gedurende het octaaf waren er dagelijks missen. Deze diensten schijnen in de jaren zestig van de 19e eeuw te zijn gestopt.
- Omstreeks 1900 wilde pastoor M.J. Janssen een reliek van de H. Goar verwerven: 'daardoor toch zou de vereering en verheerlijking een hoogere vlucht nemen, het vertrouwen op diens machtige voorbede gesterkt, zijne bescherming te grooter worden'. In 1904 was Janssen ervan op de hoogte dat de St. Castorkerk te Koblenz beschikte over enige relieken. Dat jaar stuurde hij dan ook een verzoek aan pastoor Lehnen van deze parochie om een reliek aan Meerlo af te staan. Zijn verzoek werd ondersteund door mgr. Drehmanns, bisschop van Roermond. Diens collega mgr. Korum, bisschop van Trier, gelastte korte tijd later dat de Koblenzer armreliek moest worden verdeeld. De zusters franciscanessen in de Bömerstraat te Keulen hebben de botsplinter voor Meerlo vervolgens in een verguld koperen doosje geplaatst. Tot grote vreugde der parochianen verkondigde de pastoor op zondag 3 juli 1904 van de kansel dat de parochie voortaan beschikte over een deel van het gebeente van de heilige. Op zaterdag 9 juli werd de reliek voor het eerst in het openbaar uitgesteld: 'Des namiddags ten 6 ure plaatste de herder omgeven door vier koorknapen met brandende waskaarsen, terwijl het zangerskoor de lofzang 'Iste Confessor' aanstemde, het H. gebeente op de troon vóór het [Goar-] beeld, waarna de verering plaats greep'. De volgende dag trok de processie onder het luiden der klokken vanuit de kerk naar de kapel. In de processie werd niet alleen het beeld van de heilige meegedragen, maar ook zijn reliek, in een nieuwe hoge koperen verzilverde reliekhouder en een vernieuwd processievaan van Goar.
- Gedurende het eerste decennium van de 20e eeuw was het gebruikelijk dat op 6 juli in de kapel de hoogmis gevierd werd, en meerdere missen onder het octaaf. Ook op woensdag voor Hemelvaart deed een bidprocessie de kapel aan, alwaar de mis 'Exaudivit' gezongen werd.
- Janssen schrijft dat in zijn tijd, rond 1905, nog altijd pelgrims naar Goar kwamen ter genezing van (bibber-)koortsen. Tot ongeveer 1860 konden ze daartoe ook tegen allerlei kwalen Goarwater opdiepen uit de put naast de kapel; omstreeks dat jaar werd de put vernield door schoolkinderen. In het najaar van 1905 werd deze weer herbouwd.
- Pastoor Janssen heeft, waarschijnlijk kort na 1910, een boekje uitgegeven met litanieën ter ere van verschillende heiligen die bijzonder in zijn parochie werden vereerd. Het gaat om Cornelius, Johannes de Doper, Goar en Antonius Abt. Ze worden hier nadrukkelijk genoemd als patronen tegen verschillende aandoeningen. Goar gold als beschermer tegen koude koortsen.
- Uit het Duitse Sankt-Goar stamt een pelgrimslied, dat speciaal aan deze heilige is toegewijd. Dit lied is door een onbekende in het Nederlands vertaald en deze versie is in 1914 getoonzet door kapelaan Henr. Mooren. De 'Lofzang ter ere van Sint Goar' werd gezongen ter gelegenheid van plechtigheden bij de kapel.
- In 1918 was het 40-jarig priesterjubileum van pastoor M.J. Janssen een goede gelegenheid voor een lofzang op zijn werkzaamheden. Daarin werd zijn historisch onderzoek naar en devotioneel ijveren voor de O.L. Vrouw van ⟶ Oostrum en voor de verering van Goar in Meerlo gememoreerd.
- Op maandag 6 juli 1925 werd om 7.30 uur bij de kapel een hoogmis gehouden, met aansluitend verering van de relikwie. Op de dagen tijdens het octaaf werd om 7.00 uur een mis gelezen, op zondag vertrok om 9.00 uur de processie naar de kapel, waar bij aankomst het feestlied van Goar gezongen werd. Aansluitend werd om 9.30 uur de hoogmis gevierd, gevolgd door verering van de reliek. De kinderen van de parochie hoefden niet alle dagen naar de kapel te komen, het was voldoende indien zij op St. Goardag, zondag en maandag aan de vieringen meededen. Volgens pastoor Janssen kwamen er in 1925 veel minder pelgrims om gezondheidsredenen naar de kapel.
- In de jaren twintig van de 20e eeuw trokken de gelovigen tevens op de laatste Kruisdag, woensdag voor Hemelvaart, in boetprocessie naar de kapel, waar de hoogmis werd gezongen.
- In de jaren dertig werd de litanie ter ere van Goar als patroon tegen de koude koortsen nog regelmatig gebeden.
- Gedurende de jaren vijftig werd op 6 juli een mis bij de kapel gelezen, met gelegenheid te communiceren. 's Zondags onder het octaaf vertrok om 9 uur de processie naar de Goarkapel, waar om 9.30 uur de hoogmis werd opgedragen. Na de mis werd de reliek vereerd. Bij slecht weer werd de viering in de parochiekerk gehouden. Het Dagblad van Noord-Limburg van 16 december 1961 meldt, dat de kapel in verval is en wat in vergetelheid geraakt is. De pastoor echter was van plan om op 6 juli 1962 het 300-jarig bestaan van de kapel waardig te vieren. Vooraf zou de kapel gerestaureerd moeten worden. Omat het interieur van de kapel in de jaren negentig nog steeds in slechte staat was, werd besloten om voortaan op de zondag na 6 juli een mis te vieren buiten de kapel, mits het weer dit toestond. De reliek speelde bij deze vieringen geen rol meer.
- Sinds jaar en dag worden processie en mis opgeluisterd door de aanwezigheid van Fanfare Eendracht uit Meerlo. In 1997 waren op zondag 6 juli ongeveer 200 mensen aanwezig, voornamelijk uit Meerlo en enkelen uit omringende dorpen. Voor de ouderen waren provisorische bankjes geplaatst. Na afloop van de plechtigheid, tijdens de Goarkermis, houdt de fanfare elk jaar een bijeenkomst met vrienden en aanverwanten in café Oud-Meerlo tegenover de parochiekerk. Zondag 12 juli 1998 kon de viering in de openlucht niet doorgaan, vanwege de regen was de mis in de parochiekerk.
Materiële cultuur - Devotieboekje: Litanieën ter eere van den H. paus en martelaar Cornelius en St. Johannes den Dooper Patronen in vallende ziekten, stuipen, hoofdkwalen, hagelslag. Van den H. Goar patroon tegen koude koortsen en van den H. Antonius, abt beschermer in besmettelijke ziekten bij menschen en vee (Venlo, Drukkerij H. Lebesque, z.j.; 9 x 12 cm, 20 p.). Het is waarschijnlijk in of kort na 1910 gepubliceerd, aangezien het meest recente imprimatur van dit jaar dateert (oudere imprimaturen van edities van het boekje zijn van 1864 en 1906). Op de titelpagina worden de heiligen aangeprezen als patronen tegen verschillende aandoeningen bij mens en soms ook dier.
- Ansichtkaarten: 1 een van het exterieur van de kapel (voor de restauratie van 1962) en 2 een van het Goarbeeld en -altaar (Venlo: Foto Kino, Linders, ca. 1961; 9 x 14 cm); 3 zwart-wit foto van de kapel (Meerlo: W.J. Kessels, ca. 1960?; collectie D. Gooren).

Bronnen en literatuur Archivalia: Meerlo-Wanssum, gemeentearchief: parochiearchief St. Joannes de Doper. Roermond, bisdomarchief: 'Inventaris van het kerkelijke kunstbezit, St. Joannes de Doper, Meerlo'. Maastricht, Rijksarchief in Limburg: collectie Goossens, inv.nr. 167, knipsel 1918.
Tekstedities: G. Bannenberg e.a. ed., De oude dekenaten Cuijk, Woensel en Hilvarenbeek in de 15de- en 16de-eeuwse registers van het aartsdiakonaat Kempenland, 2 dln. (Nijmegen: Gebrs. Janssen, 1968-1970) dl. 1, p. 61, dl. 2, p. 255, Goaraltaar 1459-1566.
Literatuur: Alban Butler, Vies de pères, martyres et autres principaux saints [...], dl. 4 (Brussel: H. Goemaere, 1854) p. 48-49; J. Habets, Geschiedenis van het tegenwoordig bisdom Roermond , dl. 3 (Roermond: J.J. Romen, 1892) p. 226-228; De Maasgouw, 26 (1903) p. 94; M.J. Janssen, 'De heilige Goar, zijn eeredienst, kapel en relieken te Meerlo', in: Publications S.H.A. Limbourg 41 (1905) p. 3-37; J. Kalf, De katholieke kerken in Nederland (Amsterdam: Van Holkema & Warendorf, 1906) p. 540 en pl. U; 'Lijst van pastoors te Meerlo', in: De Maasgouw 30 (1909) p. 73-77; Tinus Neef, 'De Sint-Goar's kapel te Meerloo', in: Katholieke illustratie 45 (1911) p. 554, met foto; M.J. Janssen, 'De verering van Sint Goar te Meerlo (Limburg)', in: Missie Almanak 1925, (Sittard: Missiehuis Sittard, 1935) k. 117-124; Voorloopige Lijst der Nederlandsche monumenten van geschiedenis en kunst, Limburg (Den Haag: Algemeene Landsdrukkerij, 1926) p. 313; J.H.A. Mialaret, Nederlandsche monumenten van geschiedenis en kunst. Geïllustreerde beschrijving. Deel V, Limburg, tweede stuk Noord-Limburg (Den Haag: Algemeene Landsdrukkerij, 1937) p. 128; 'St. Goar-kapel werd drie eeuwen geleden gesticht', in: Dagblad voor Noord-Limburg, 16 december 1961; Jaarverslag Provinciale Waterstaat Limburg 1963, keerzijde van p. 99, foto kapel en putje; Agostino Amore, 'Goar', in: Bibliotheca Sanctorum, dl. 7 (Rome: Città Nuova, 1966) k. 64-65; Lexikon der christlichen Ikonographie, dl. 6 (Rome etc.: Herder, 1974) k. 414; Th.P.A. van de Voort, Volkskundig ABC van de gemeente Meerlo-Wanssum (Meerlo: gemeentebestuur, 1985) p. 24-29, 38, 56; E. Tielemans, Volksgeneeskunde in Limburg. Een bibliografie (Limbricht: Limburgs Volkskundig Instituut, 1986) nr. 145; P. Beterams e.a., Kruisen en kapellen in Meerlo-Wanssum. Stille geloofsgetuigen uit vroeger tijden (Meerlo: Stg. Kruisen en Kapellen, 1992) p. 22-24; Dagblad voor Noord-Limburg, 13 april 1992.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Meerlo-Goar; Meertens Instituut volkskundige vragenlijst 64a (1993); Utrecht, Stichting Kerkelijk Kunstbezit in Nederland, parochiedossier Johannes de Doper; Stichting Kruisen en Kapellen in Limburg, dossier Goarkapel Meerlo; mondelinge informatie in 1997 van de heer A. Jacobs en pastoor M. Geelen te Meerlo.

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<