Markelo, Heilig Bloed

Cultusobject: Heilig Bloed
Datum: 1 mei; tweede zondag van september
Periode: Middeleeuwen - tweede kwart 17e eeuw
Locatie: H. Bloedhuisje in de parochiekerk van St. Maarten (thans N.H.)
Adres: Kerkplein 4, 7475 AE Markelo
Gemeente: Markelo
Provincie: Overijssel
Bisdom: Utrecht
Samenvatting: Over de oorsprong van de cultus is niets met zekerheid bekend. De publieke viering was beperkt in de jaarkring, maar individuele bedevaarten naar het H. Bloedhuisje in de parochiekerk vonden gedurende het gehele jaar plaats. Er werden votiefgaven geofferd. De bedevaart verdween in de loop van de 17e eeuw.
Auteur: Willem Frijhoff
Illustraties:
Topografie - Volgens het middeleeuwse landrecht, beschreven in de landbrief van bisschop Jan van Virnenburg (1365), huldigde het gemene land van Twente op de 'Marckeberghe' (Markelerberg) zijn landsheer, de bisschop van Utrecht, in. De kerk van Markelo ligt aan de voet daarvan, tussen enkele heuvels en essen, aan de oude landweg van Deventer naar Duitsland, niet ver van de Schipbeek en de grens van Gelderland.
- Er bestaat geen beschrijving van de aard en inrichting van de sacrale plaats, maar uit de verbodsbepalingen kan worden afgeleid dat de cultus plaatsvond bij het H. Bloed- of het sacramentshuisje in de parochiekerk. De kerk werd na de reformatie namelijk soms afgesloten om de bedevaart te beletten. Ook wilde men het sacramentshuisje doen toemetselen (het zal dus een uitsparing, ruimte of kast in de muur zijn geweest). Voorts is er sprake van 'den afgodischen steen waervoor de bedevaert vant genaemde heijlich bloet gedaen wort' (1620). Te Markelo herinnert thans niets meer aan de vroegere bedevaart. De kerk is in 1840 geheel herbouwd, op de toren na.
Cultusobject - Aangezien de vermeldingen van het H. Bloedhuisje en het sacramentshuisje door elkaar worden gebruikt, en er sprake is van een sacrale steen, lijkt de bedevaart ontstaan naar aanleiding van een met de sacramentsverering verbonden bloedwonder. De bewuste steen kan het H. Bloed hebben opgevangen en in of bij het sacramentshuisje ter verering zijn bewaard. Anderzijds sluiten de beide Markelose feestdagen (1 mei, en de tweede zondag van september) nauw aan bij die van de H. Kruisvinding (3 mei) en de Kruisverheffing (14 september), wat in de richting van een H. Bloedcultus verbonden met een H. Kruispartikel zou kunnen wijzen. Alleen de vondst van een nieuwe bron kan hieromtrent zekerheid bieden.
Verering - Alle getuigenissen over de verering van het H. Bloed dateren van na de reformatie en komen uit de pen van tegenstanders. De classis Deventer, waartoe Markelo behoorde, kwam meestal kort voor de beide feestdagen tegen de bedevaart in het geweer. In april 1602 gebood de classis de vroegere pastoor, toen predikant, Joannes Hardenack een einde te maken aan de 'afgoedendienst' en het 'H. Bloedshuisken' te verwijderen. Op 25 april 1604 verzocht de classis aan de gedeputeerden ter Synode 'dat sij met ernst willen voerkomen ende verbieden die grouwelicke afgoderije des bevertganckx binnen Marckel nae het heijlig bluijt (so ment noempt) op aenstaenden Meijdagh'. Nieuwe klachten van de classis treffen we aan in 1615. Op de provinciale synode te Kampen (20-23 juni 1620) werd de plaatselijke officieren opgedragen tegen 'paepsche bedevaerden, als tot Marckel' op te treden, de synode van 1621 probeerde tevergeefs de Staten tot ingrijpen te brengen. Ook Hardenacks opvolger ds. Theodorus Schrunder (werkzaam 1612-1637), ondernam in 1620 pogingen de 'superstitiose bedefaren' naar het H. Bloedhuisje te beƫindigen. Tot 1628 verbood de classis de bedevaart telkenjare opnieuw. Daarna houden de berichten op.
- Hoewel nog in 1628 wordt gesteld dat de 'afgodische misbruijcken doorgaens door het geheele jaer tot Marckel' plaatsvinden, wekken de verbodsbepalingen tegen bedevaarten op 1 mei en op de tweede zondag van september de indruk dat het wat de groepsviering betreft om een in de jaarkring beperkte cultus ging. Herhaaldelijk vraagt de classis aan koster, schoolmeester en landdrost om op die twee feestdagen de kerk te sluiten teneinde de bedevaart naar het H. Bloedhuisje te beletten. Nog andere elementen van de verering komen in de classicale verbodsbepalingen naar voren: 'de luchters daertoe dienende [nl. tot de bedevaart van het H. Bloed voor de 'afgodische steen']' (1620), muurschilderingen (1621), brandende kaarsen (1602), en het ex-voto van een 'geoffert wassen kint' (1620).
- In het tweede kwart van de 17e eeuw moet de cultus geruisloos zijn verdwenen. Reeds Lindeborn (1670), die nog wel van de vele votiefgaven ('multa vota') weet, tast over het karakter ervan in het duister. Te Markelo herinnert thans niets meer aan de vroegere bedevaart.
- De priester en historicus Geerdink meldde in 1895 nog 'de overlevering' dat vanuit Markelo 'de bedevaart naar Kevelaer' (van Twentse pelgrims?) zou zijn begonnen. Wilde hij suggereren dat O.L. Vrouw van Kevelaer de plaats van de H. Bloedcultus innam? Die 'traditie' is thans oncontroleerbaar geworden.

Bronnen en literatuur Archivalia: Deventer, gemeentearchief: archief classis Deventer, inv. nr 1, acta classis Daventriensis, 20-4-1602, 15-3-1603, 25-4-1604, 16-8-1615, 12-6-1620, 1/2-5-1621, 4-9-1621, 26/27-2-1622, 25/26-3-1622, 7/8-9-1624, 3-5-1625, 5-9-1626, 3-4-1627, 5-9-1627, 29-4-1628.
Tekstedities: J. Reitsma en S.D. van Veen ed., Acta der provinciale en particuliere Synoden, gehouden in de Noordelijke Nederlanden gedurende de jaren 1572-1620, dl. 5 (Groningen 1892-1899) p. 372.
Literatuur: J. Lindeborn, Historia sive notitia Episcopatus Daventriensis (Keulen: Joachim van Metelen, 1670) p. 200; herdrukt in H.F. van Heussen, Historia Episcopatuum Foederati Belgii, 6 dln. in 1 band (Leiden 1719; herdr. Antwerpen 1733) dl. 3, Episcopatus Daventriensis, p. 69; E. &. J. Geerdink, Eenige bijdragen tot de geschiedenis van het archidiaconaat en aartspriesterschap Twenthe (Vianen [1895]) p. 285-286; J. de Hullu, 'Aanteekeningen betreffende de Katholieken in Twente en op het platteland in het ronde van Deventer (1583-1629)', in: Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht 40 (1914) p. 1-93, aldaar p. 15-16, 18, 44, 55, 59-60, 62, 70, 80, 85, 88; E.H. ter Kuile, De Nederlandsche Monumenten van Geschiedenis en Kunst, dl. 4, 1('s-Gravenhage: Algemeene Landsdrukkerij, 1934) p. 78-79; L.J. Rogier, Geschiedenis van het katholicisme in Noord-Nederland in de 16e en de 17e eeuw, dl. 1 (Amsterdam: Urbi et Orbi, 1947) p. 553; L.A. Stroink, Stad en land van Twente (6e dr. 1980; Hengelo: Smit, 1962) p. 210-211; A.C.F. Koch, 'De kerk in het geding', in: Geschiedenis van Overijssel (Deventer: Kluwer, 1970) p. 167-178, aldaar p. 175; Paul Abels, 'bedevaart naar het H. Bloed te Markelo', in: Twentse Courant, 17 april 1983; P.H.A.M. Abels, De broederen van Twenthe. Een studie van de eerste Twentse dominees (1597-1678) (Hengelo: Broekhuis, 1984) p. 136-137; B.H.A. te Lintelo, Ketters en papen in Twente. De Reformatie en de katholieke herleving in Twente 1580-1640 (Hengelo: Broekhuis, 1988) p. 48, 97, 116, 163-164; H.E. Niemeijer, 'Reformatie en volkscultuur in het achterland van Deventer 1597-1633', in: Overijsselse historische bijdragen 109 (1994) p. 51-86, aldaar p. 68-69.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Markelo

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<