HomeDatabankenBedevaarten

Maastricht, H. Barbara

Mail voor aanvullingen en commentaar
Cultusobject: H. Barbara
Datum: 4 december (+ octaaf)
Periode: 13e eeuw - 1795
Locatie: Parochiekerk van O.L.Vrouw Tenhemelopneming (Basiliek O.L. Vrouw Sterre der Zee)
Adres: O.L. Vrouweplein 7, 6211 HD Maastricht
Gemeente: Maastricht
Provincie: Limburg
Bisdom: Roermond
Samenvatting: In de Maastrichtse O.L.Vrouwekerk genoot Barbara in de late middeleeuwen een grote verering die uitsteeg boven de in die tijd heersende, algemene populariteit van deze heilige maagd en martelares. Een belangrijke rol hierbij speelden de in deze kapittelkerk aanwezige Barbararelieken: een kaakfragment en haar gordel. Pelgrims trokken naar de kerk om deze 'heiligdommen' te vereren en ze dronken vermoedelijk ook van het gewijde Barbarawater. In de laatste jaren van de 18e eeuw, toen het kapittel op last van de Franse bezetter werd opgeheven en de kerk niet meer als Godshuis functioneerde, kwam er definitief een einde aan deze Barbaraverering.
Auteur: Mieke de Kreek
Illustraties:
(Klik op afbeelding voor vergroting)
Topografie - Zie ⟶ Maastricht O.L. Vrouw Sterre der Zee en ⟶ Maastricht, O.L. Vrouw en andere heiligen. In de 17e eeuw - en misschien al eerder - werd de zuidelijke koortoren van de O.L. Vrouwekerk Barbaratoren genoemd.
- Al in 1302 was er sprake van een 'altare sancte Barbara', dat volgens latere vermeldingen stond opgesteld tussen de beide deuren in de koorafsluiting, bovenaan de trappen die naar het verhoogde koor leidden.
- In 1713 werd de O.L. Vrouwekerk uitgebreid met een Barbarakapel, die verrees in de hoek van de zuidelijke transeptarm en de zuidelijke zijbeuk. De bouw, onder leiding van de Maastrichtse meester Aegidius Doyen, werd bekostigd uit de nalatenschap van kanunnik Joannes Stas, die in 1694 overleed. In deze kapel was uiteraard een aan Barbara gewijd altaar geplaatst. Uit de archivalia valt moeilijk op te maken of dit altaar het eerder genoemde Barbara-altaar in de koorafscheiding verving of dat er sprake was van een tweede Barbara-altaar. Bijna veertig jaar later, in 1752, vervaardigde Petrus Lamberti in opdracht van het kapittel een nieuw altaar voor de Barbarakapel. Het bijbehorende altaarstuk, een voorstelling van Barbara, werd vervaardigd door de lokale schilder Petrus Franciscus Habricx. Het Barbara-altaar met schilderij werd samen met enkele andere stukken uit het kapittelbezit in de vroege 19e eeuw afgestaan aan de Bartholomeuskerk te Meerssen. Het altaar werd korte tijd later verkocht; het schilderij bevindt zich nog steeds te Meerssen. De Barbarakapel, die in de loop van de 19e eeuw aan de H. Hubertus werd gewijd, is afgebroken tijdens de grote restauratiecampagne van 1887-1917.
Cultusobject - Volgens de legende was Barbara een aantrekkelijke jonge vrouw. Haar heidense vader wilde de schoonheid van zijn dochter voor de buitenwereld verborgen houden en sloot haar op in een toren. Barbara bekeerde zich tot het christendom, werd hiervoor veroordeeld, gemarteld en tenslotte door haar eigen vader onthoofd. Direct na het voltrekken van het vonnis werd deze dodelijk getroffen door de bliksem. Kort voor haar dood bad Barbara tot God en vroeg Hem degenen die Zijn naam aanriepen en haar martelaarschap zouden gedenken, te beschermen tegen de pest en hun zonden te vergeven. Een stem uit de hemel verzekerde haar dat haar gebed was verhoord. Dit verklaart waarom Barbara in de middeleeuwen tot de zogenaamde veertien noodhelpers werd gerekend en men haar voornamelijk vereerde als patrones van de stervenden. Koorts- en pestlijders, beoefenaars van gevaarlijke beroepen zoals mijnwerkers en artilleristen behoren eveneens tot de grote groep mensen die haar naam ter bescherming aanriepen en nog aanroepen. Het voornaamste attribuut waaraan Barbara herkend kan worden is de toren. Soms ook wordt ze afgebeeld met een kelk in haar hand of is de kelk, al dan niet voorzien van een hostie, in de toren geplaatst.
- De vroegste vermelding van Barbararelieken in deze kerk dateert uit de late 13e eeuw. In een stuk uit 1286 wordt geschreven over de gaven die op de relieken werden gelegd, 'te weten op het kruis, de gordel, op de relieken van de H. Barbara en op de andere relieken'. Het 14e-eeuwse Liber ordinarius, het liturgische handboek dat in de O.L. Vrouwekerk werd gebruikt, verschaft relevante informatie met betrekking tot de Barbararelieken. In dit handschrift werd namelijk aangetekend dat de onderkoster ambtshalve de sleutels beheerde van de kaarsen en die 'van de heilige Barbara': 'Et habebit eciam claves Sancte Barbare propter peregrinos dictas reliquias cotidie visitantes' (En hij [de onderkoster] heeft ook de sleutels [van de relieken] van de H. Barbara vanwege de pelgrims die de genoemde relieken dagelijks bezoeken). Uit deze vermelding valt niet direct op te maken waartoe de 'claves Sancte Barbare' precies toegang gaven. Misschien waren de Barbararelieken opgeborgen in een speciale houder, eventueel in een kast of kist, die voorzien was van een slot. Een andere mogelijkheid is dat de Barbara-relieken niet werden bewaard bij de andere relieken in de schatkamer, maar in een aparte ruimte, die kon worden afgesloten. Mogelijk waren de Barbararelieken ondergebracht in een vertrek in de zuidelijke koortoren, de Barbaratoren, wat mede de naam van deze toren zou verklaren. Een van de ruimten in de Barbaratoren deed in ieder geval in de 17e eeuw en mogelijk ook in de 18e eeuw dienst als (algemene) schatkamer.
- In een in 1580 opgestelde inventaris werden voor het eerst twee verschillende houders met Barbararelieken vermeld, te weten een 'statualis imago argenteis' en een 'syborum argenteum'. Het zilveren beeld wordt ook weergegeven op het vroeg-17e-eeuwse toningsformulier van de O.L. Vrouwekerk. Een dergelijk toningsformulier met de belangrijkste relieken van de kerk werd als souvenir verkocht aan de bezoekers. De reliekenprent toont een staande Barbarafiguur met haar attribuut de toren in haar rechter hand, een palmtak in de linker. De reliek, een deel van haar kaak, was in het torentje geplaatst. Aan het eind van de 18e eeuw onderging het Barbarabeeld hetzelfde lot als de meeste andere, uit edelmetaal vervaardigde voorwerpen uit de oude kerkschat: in het voorjaar van 1795 verdween het in de smeltkroes. Er rest van het zilveren Barbarabeeld echter nog een klein deel, en wel het torentje (26 cm hoog). Barbara's attribuut was vermoedelijk met twee pennen, die in de openingen in de bodem van de toren pasten, aan het beeld bevestigd. De relieken, twee botfragmenten, zijn zichtbaar door de twee hoge 'vensters'. Op stilistische gronden kan het torentje in de vroege 16e eeuw worden gedateerd. Hetzelfde gold hoogst waarschijnlijk voor het reliekbeeld van Barbara als geheel.
- In het begin van de 17e eeuw werd in de schatkamer van de O.L. Vrouwekerk nog een andere reliek van Barbara bewaard, namelijk een door haar gedragen gordel. Deze bevond zich toen samen met een gedeelte van de gordel van de H. Elisabeth van Hongarije in een houder. Het betrof een vrijwel vierkante houder van niet nader te definiëren materiaal, aldus toont de genoemde reliekenprent. Op de afgebeelde zijde van de houder zijn twee engelen weergegeven die de beide gordels omhoog houden. Een aan de bovenkant van de houder bevestigd oogje met een krullend koord er door heen, geeft aan dat het tijdens processies en andere liturgische plechtigheden om de hals gedragen of opgehangen kon worden. Uit bewaard gebleven brieven van de tweede helft van de 15e eeuw blijkt dat een andere, eveneens als de gordel van Elisabeth beschouwde 'ceinture' toentertijd door vrouwen uit het Thurings-Saksische koningshuis tijdens bevallingen werd gedragen. Het dragen van deze gordel zou, evenals het drinken uit de beker van de heilige Elisabeth, een voorspoedige geboorte bewerkstelligen. Weliswaar werd Barbara als redster uit direct levensgevaar door vrouwen tijdens de bevalling aangeroepen, maar het is niet bekend of men te Maastricht aan haar gordel dezelfde heilzame werking toeschreef als in het genoemde geval aan die van de H. Elisabeth. De vierkante Maastrichtse houder voor beide gordels was zeer waarschijnlijk uit edelmetaal vervaardigd, hetgeen aannemelijk maakt dat deze mede in 1795 is versmolten. Niet alleen de houder is verloren gegaan, ook van de relieken valt tegenwoordig geen spoor meer te bekennen.
- In 1687 bepaalde kanunnik Servus Fabri bij testament dat zijn lichaam later in de nabijheid van dit beeld moest worden begraven.
Verering - De in kostbare houders gevatte Barbararelieken zullen waarschijnlijk op 4 en 11 december ter verering op het aan Barbara gewijde altaar zijn geplaatst. Het met relieken gesierde Barbara-altaar zal reeds in de 14e eeuw de nodige gelovigen hebben aangetrokken daar degenen die de O.L. Vrouwekerk bezochten op de feesten van Maria, de H. Lambertus en de H. Barbara recht hadden op een aflaat van 100 dagen. Een bezoek aan de kerk tijdens het octaaf van deze feestdagen leverde een aflaat van 40 dagen op, aldus bepaalde paus Johannes XXII in een bul van 29 september 1325.
- Dat de cultus van Barbara reeds voor de 14e eeuw in hoog aanzien stond in de O.L. Vrouwekerk blijkt uit een aanwijzing in de ordinarius, dat op elke dag van de Advent in de hoogmis aan het begin van de prefatie de beelden van Maria en Barbara bewierookt moeten worden. In 1460 werd een Barbarabroederschap opgericht die onder leiding van een kannunik van het kapittel kwam te staan.
- Een aspect van de Barbaracultus, dat vele gelovigen moet hebben aangetrokken, was het wijden van water door er relieken van Barbara in onder te dompelen. Het aldus gewijde, heilzame 'Barbarawater' werd vooral door koortslijders gedronken, zo blijkt uit het opschrift van het overgeleverde ceremonieel ten behoeve van deze liturgische plechtigheid, ofwel 'Ceremoniae ad benedicendam aquam Sanctae Barbarae pro febricitantibus' ('Ceremonie om water van de H. Barbara te wijden voor koortslijders'). Tot het wijdingsritueel behoren enkele korte gebeden, een lezing uit zowel het Oude als het Nieuwe Testament en de eigenlijke wijdingstekst. De oudtestamentische lezing betreft een gedeelte uit het bijbelboek Samuël waarin God het volk Israël met de pest straft voor de zonden van hun koning David (2 Samuël 24: 15-20). De tweede lezing vormt een in dit verband toepasselijke tekst uit het Lucasevangelie. Hierin wordt verhaald dat Jezus de schoonmoeder van Petrus geneest van een zware koorts en hierna vele andere zieken die bij Hem werden gebracht bevrijdt van hun kwalen (Lucas 4: 38-43). Bij het wijden van het 'Barbarawater' werd God gevraagd om degenen die van dit gewijde water zouden drinken, te vrijwaren dan wel te genezen van de boosaardige koorts. Het is heel wel mogelijk dat deze wijding plaatsvond bij de put die zich ook nu nog bevindt in een kleine, van de crypte afgescheiden ruimte ten noorden van de zuidelijke koortoren; het gewelf van deze ruimte draagt de vloer van de kooromgang. In de vloer was een ronde opening aangebracht, zodat er op het koor water kon worden geput. Als het water in deze put inderdaad met Barbararelieken werd gewijd, zou dit verklaren waarom deze put in de 17e eeuw wel 'Barbaraput' werd genoemd. Het wijden van het 'Aqua Sanctae Barbarae' is een gebruik dat vermoedelijk veel ouder is dan de overgeleverde 18e-eeuwse tekst. Daar er geen vergelijkbare oudere teksten zijn overgeleverd, valt vooralsnog niet na te gaan hoe oud dit ceremonieel is. Het is niet ondenkbaar dat de vele pelgrims die volgens de ordinarius de O.L. Vrouwekerk bezochten om de Barbararelieken te vereren, ook toen al kwamen om van het gewijde water te drinken en er misschien zelfs kleine hoeveelheden van mee naar huis te nemen. Hoe dan ook, in de 18e eeuw kon men in de O.L. Vrouwekerk nog steeds 'Barbarawater' drinken, en wel uit een speciaal hiervoor bestemde beker. Tot de voorwerpen die zich in 1723 in een van de sacristieën bevonden, behoorde namelijk een 'cuppa ad distribuendum aquam sanctae Barbarae', aldus een overgeleverde inventaris.
- Met de opheffing van het kapittel en de inbeslagname van het kapittelbezit in de laatste jaren van de 18e eeuw kwam er tevens een einde aan de Barbaraverering met bedevaartkarakter in de Onze Lieve Vrouwekerk.
- In 1470 werd ook in de minderbroederskerk van Maastricht een Barbarabroederschap gevestigd. Of deze broederschap een verbinding had met de Barbaraverering in de Onze Lieve Vrouwekerk is niet bekend, evenmin of zij zelfstandig pelgrims aantrok. De broederschap - met leden van binnen en buiten Maastricht - verhuisde omstreeks 1630 naar de Hilariuskapel, later Hilariuskerk en weer later de Sint Jacobskerk. Deze broederschap werd in tegenstelling tot de meeste andere tijdens de Franse Tijd niet opgeheven. In het begin van de 19e eeuw werd de St. Servaaskerk het domicilie van de Barbarabroederschap. Van herstel van een Barbarabedevaart naar de Servaaskerk lijkt in de 19e eeuw geen sprake te zijn geweest. De Barbarabroederschap bestond in 1999 nog als een select gezelschap van 35 personen, dat door coöptatie wordt aangevuld. Inschrijving in de broederschap is niet mogelijk.


Bronnen en literatuur Archivalia: Maastricht, Rijksarchief in Limburg: kapittelarchief van O.L. Vrouw. Maastricht, gemeentearchief: parochiearchief O.L. Vrouw.
Tekstedities: J.M.B. Tagage, De ordinarius van de collegiale Onze Lieve Vrouwekerk te Maastricht volgens een handschrift uit het derde kwart van de veertiende eeuw (Assen: Van Gorcum, 1984) passim.
Literatuur: P. Doppler, 'Schepenbrieven van het Kapittel van St. Servaas te Maastricht', in: Publications S.H.A. Limbourg 36 (1900) p. 98, noot 2, vermelding Barbarabroederschap in 1460; J.P. Bik, Feest- en vierdagen in kerk- en volksgebruik, dl. 1 (Velsen: Th.F. Wolfs, 1956) p. 41-44, vermeldt de aanwezigheid van de Barbararelieken in 1956 in de kerk; [foto Barbarabeeld], in: Martin Verjans ed., Synthese. Twaalf facetten van cultuur en natuur in Zuid-Limburg (Heerlen: DSM, 1977) p. 184; M. de Kreek, 'De verering van de heilige Barbara in de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Maastricht', in: Millennium. Tijdschrift voor middeleeuwse studies 3 (1989) p. 32-50; A.H. Jenniskens ed., Hemelse trektochten. Broederschappen in Maastricht 1400-1850 (Maastricht: Stichting Historische Reeks, 1990) p. 50-53, 88, m.n. over de Barbarabroederschap in de franciscanenkerk; M.L. de Kreek, De kerkschat van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht (Amsterdam/Utrecht 1994) p. 24-27, 128-130, 169, 179-181, 197; M. de Kreek & Z. van Ruyven-Zeman, 'De barokke koorinrichting van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Maastricht', in: Schatkamernieuws in het zilver (Maastricht 1994) p. 455-458, over het 18e-eeuwse Barbara-altaar; M. de Kreek & Z. van Ruyven-Zeman, 'De barokke koorinrichting van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Maastricht', in: Publications S.H.A. Limbourg 131 (1995) p. 148-151, bijgewerkte versie van het artikel uit 1994.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Maastricht-Barbara.

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<