HomeDatabankenBedevaarten

Kaathoven, H. Cunera

Mail voor aanvullingen en commentaar
Cultusobject: H. Cunera
Datum: 24 juni
Periode: Voor 1606 - 1648
Locatie: Cunerakapel
Adres: Kaathoven 32, 5473 VR Bernheze
Gemeente: Bernheze
Provincie: Noord-Brabant
Bisdom: 's-Hertogenbosch
Samenvatting: De aan Cunera gewijde kapel te Kaathoven verkreeg omstreeks 1618 een reliek van deze heilige, waardoor de reeds bestaande cultus een sterke impuls kreeg en bedevaartgangers uit onder meer de Betuwe en de Veluwe begon aan te trekken. Via het bewaard gebleven rekenboek is de conjunctuur van deze devotie nauwkeurig te volgen. De kapel werd bij het beleg van 's-Hertogenbosch in 1629 zwaar beschadigd, maar kort daarna weer in volle glorie hersteld. Vanwege de politiek-religieuze situatie in de retorsietijd kon er vanaf 1637 geen mis meer in de kapel worden gelezen, ofschoon de pelgrims bleven toestromen. Na 1648 verplaatste de Cuneradevotie zich naar de kapel te ⟶ Bedaf.
Auteur: Gerard Rooijakkers
Illustraties:
(Klik op afbeelding voor vergroting)
Topografie - Kaathoven is een kapelgehucht ten noordoosten van Berlicum, in de buurt van Vinkel. De kapel is gelegen aan de T-splitsing langs de weg van Heeswijk-Dinther naar Vinkel / Berlicum.
- In de 13e eeuw woonden in Kaathoven en omstreken verschillende kluizenaars in de nabijheid van het wilhelmietenklooster. Ook de Abdij van Berne bezat goederen in de omgeving van Kaathoven, zoals de uithof Bernheze, waarvan de huidige gemeentenaam is afgeleid.
- Volgens Van de Velden (1992) stichtte de hertog van Brabant in de 13e eeuw een kapel te Kaathoven nadat de door hem aangestelde plaatselijke leenmannen, alsmede de aldaar vertoevende kluizenaars en de norbertijnen van de Abdij van Berne, daarom verzocht hadden.
- In het archief van het Groot-Ziekengasthuis te 's-Hertogenbosch berust een schepenakte van 6 september 1526, waarin Arnoldus Beys en Mathias Stoo-ters, zoon van Lambertus, als schepenen van 's-Hertogenbosch, oorkonden dat Symon, zoon van wijlen Willelmus Symonssen van Hedel, een erfcijns van een rijnsgulden uit een stukje bouwland, genaamd 'Dat Eeussel', gelegen in de parochie van Uden, en uit een ander stukje bouwland, gemaand 'Den Buyckcamp', in diezelfde parochie gelegen, heeft overgedragen aan mr. Petrus van Os, ten behoeve van de kapel, gelegen in de parochie van Berlicum, op de plek, 'Kaathoven' genaamd.
- In een akte van 20 april 1535 wordt voor het eerst het kapelpatronaat van Cunera vermeld, maar mogelijk is zij van meet af aan patrones geweest. In een akte van 22 mei van datzelfde jaar wordt gesteld dat de kapel opnieuw is opgericht, begiftigd en tot een blijvend beneficie is gesticht. Dit houdt waarschijnlijk verband met de verwoesting van een eerdere kapel tijdens de strooptochten van de Geldersen in de jaren 1505-1508 en vernielingen omstreeks 1512-1513. Beide akten hebben betrekking op het verzoek van de inwoners van Kaathoven om een zondagsmis toe te staan in de kapel, zodat men niet meer naar de ver afgelegen parochiekerk in Berlicum behoefde te gaan. Eveneens in 1535 werd de kapel uitgebreid met een kerkschip. Op het dak van de kapel stond een torentje met luidklok.
- Bij de belegering van 's-Hertogenbosch in 1629 werd de kapel zwaar beschadigd. In de jaren 1630-1631 werd het herstel van de kapel evenwel met voortvarendheid ter hand genomen, ongetwijfeld gestimuleerd door de opbloei van de bedevaart na de schenking van de Cunerareliek omstreeks 1618. In 1631 werden nieuwe smeedijzeren kruisen op de kapel geplaatst en plaatste een zekere Jan de Timmerman een oxaal tussen koor en schip.
- Nadat de kapel in 1648 haar functie had verloren, werd ze incidenteel nog voor de protestantse eredienst gebruikt. Vanaf 1693 deed het gebouw dienst als school; vanwege deze functie werd tegen de kapel een onderwijzerswoning aangebouwd. Het priesterkoor werd in 1834 gesloopt en vervangen door een vierkant schoollokaaltje. De kap van het schip werd drastisch verlaagd en tegen de kopse gevel werden aanbouwen gezet. Vanaf die tijd was alleen aan de onderstukken van de steunberen nog te zien dat het gebouw ooit een kapel was geweest.
- Toen in 1888 een nieuwe school in Vinkel werd gesticht, werd de school op Kaathoven gesloten waarna de gemeente Berlicum het gebouw liet veilen. De jonge subprior van de Abdij van Berne en latere 'boerenapostel', Gerlacus van den Elsen, interesseerde zich voor de kapel. In 1888 kon hij met voldoening in zijn dagboek schrijven: 'Emimus sacellum' ('we hebben de kapel gekocht'). Hij wilde er een soort buitenhuis van maken voor de studenten van het gymnasium dat hij had opgericht, en voor de priesterstudenten van de abdij. De kapel diende voortaan te functioneren als een pleisterplaats voor studenten die een uitstapje maakten. Mogelijk was Van den Elsen in zijn opzet geslaagd: afgaand op een latere getuigenis was in het begin van de 20 eeuw de kapel voorzien van lage bankjes voor groepsbezoek.
- In de jaren 1975-1981 werd de kapel gedeeltelijk herbouwd door de Rosmalense architect G. Valk, waarbij gebruik werd gemaakt van de oude fundamenten. Het schip werd daarbij in de oude staat hersteld en bevat nog middeleeuws muurwerk. De voormalige kapel is thans in gebruik als woonhuis. Slechts steunberen en raamnissen herinneren nu nog aan de vroegere kapelfunctie. Bij de 'restauratie' is het kapelgedeelte gereconstrueerd en is het woonhuis van de vroegere schoolmeester herbouwd.
Cultusobject - Zie voor St. Cunera ⟶ Bedaf.
- De Abdij van Berne beschikt over een eikenhouten Cunerabeeld (hoogte 55 cm) uit circa 1520 dat eertijds in de kapel te Kaathoven heeft gestaan. In 1925 werd de polychromie van dit beeld verwijderd nadat het nog in 1883 opnieuw was beschilderd. Omstreeks 1850 stond het beeld in de kerk van ⟶ Heeswijk. Cunera is staand voorgesteld met een worgdoek om de hals en met biddende handen voor de borst.
In het zogenaamde 'Rekenboeck van Cathoven' (zie bij Verering) wordt bij de uitgaven over het jaar 1612 een post opgevoerd 'voor sijde ende passement ende den rock van St. Cunera', waaruit we kunnen opmaken dat het beeld werd aangekleed.
Het beeld is na 1648 waarschijnlijk met de reliek meeverhuisd naar ⟶ Bedaf. Vanuit Bedaf is het via de Heeswijkse kerk weer bij de abdij terechtgekomen, waar de witheer Gerlacus van den Elsen het in 1881 op een zolder herontdekte.
- In 1613 schonk kanunnikes Van Rhijnfeld van de proosdij van Maarsbergen enkele relieken van St. Cunera aan Jan Moors, pastoor van Berlicum en later abt van Berne. Van Rhijnfeld was een nicht van Everard Botter die te Utrecht voor ⨍2000 een groot reliekenpakket uit de handen der calvinisten had losgekocht. Moors schonk de relieken tijdens zijn pastoraat (1614-1621, mogelijk in of voor 1618) aan de Kaathovense kapel, waardoor de reeds bestaande devotie tot de heilige een extra impuls kreeg. Hij liet in Antwerpen voor 21 gulden een borstbeeld ('hoofft') van een maagd snijden om er de relikwie in te kunnen tonen. Voor dit bedrag konden tevens een speciale kast (om het borstbeeld in te plaatsen) en een doek (om over het 'hoofd' te hangen) worden aangeschaft. De reliek zelf werd geplaatst in een koperen houder, die was voorzien van een een rond glazen plaatje met een zilveren rand. Dit reliekschrijntje, vervaardigd door de Bossche zilversmid Aert van Muers (werkzaam van 1607-1635), werd aan de voorzijde in het borstbeeld geplaatst.
Verering - Dat er in Kaathoven een cultus van de H. Cunera is ontstaan kan mogelijk verklaard worden uit de relatie tussen de graaf van Bentheim, die het begevingsrecht had over de kerk van ⟶ Rhenen (dl. 1), waar Cunera de marteldood was gestorven en waar haar relieken werden bewaard, en Walraven van Bentheim, zijn neef, die gehuwd was met Agnes, dochter van Theodericus, heer van Heeswijk. Deze laatste heeft ook in het jaar 1284 het begevingsrecht van de kerk van Heeswijk aan de Abdij van Berne afgestaan. Of er reeds in deze tijd te Kaathoven een cultus ter ere van Cunera is ontstaan is niet bekend; het enige dat we met zekerheid weten is dat zij in 1535 als patrones van de kapel wordt genoemd (zie bij Topografie). In de 16e eeuw heeft er tamelijk zeker wel een Cuneracultus bestaan (met het Cunerabeeld als cultusobject), want toen Jan Moors omstreeks 1618 de relieken aan de kapel bezorgde, deed hij dat om een reeds bestaande verering te versterken.
- Over het functioneren van de kapel als bedevaartoord in de 17e eeuw is meer bekend dankzij het 'Rekenboeck van Cathoven' dat loopt van 1606 tot en met 1644. Het is aangelegd door kapelmeester Willem Matijsen Ruevers, en werd na 1609 bijgehouden door de pastoors van Berlicum. Uit dit rekenboek blijkt dat, ofschoon de feestdag van Cunera op 12 juni valt, de jaarlijkse bedevaart op 24 juni, de feestdag van St. Jan de Doper, werd gehouden. De bedevaartdag wordt er ook wel 'kerkwijdingedach', 'wijdingedach', 'capellewijdingedach' of 'kermisdach' genoemd. Op de zondag voor het feest van St. Jan werd de wijding ('dedicatio') van de kapel gevierd.
De koster diende enige tijd voor de bedevaartdag briefjes ter afkondiging van de feestdag rond te brengen; een karwei dat vanaf 1621 werd uitbesteed aan de schrijver van de Bossche Hinthamerpoort. Op de 24e juni werd, zoals gebruikelijk, eerst de vroegmis opgedragen door de aan de kapel verbonden priester. Voor de plechtig gezongen hoogmis werd echter de pastoor van Berlicum - vergezeld van de koster, aangezien de kapel hierover niet beschikte - opgehaald met paard en wagen. De kapelmeesters hadden er zorg voor gedragen dat de kapel op de bedevaartdag in gereedheid was gebracht met gewitte muren, een met namaakbloemen en klatergoud versierd altaar, gewassen kerklinnen en schoongemaakte en met falies omhangen beelden. Gebruikte men tijdens het jaar 'rueten' vetkaarsen, op de feestdag werden echte witte waskaarsen gebrand. Ook de kapelhof kreeg ter gelegenheid van de bedevaartdag jaarlijks een opknapbeurt, waarbij de omwalde gracht, het toegangshek en de heesters werden verzorgd. Ter opluistering van de bedevaartdag liet men enkele koorzangers komen. In het rekenboek wordt overigens geen melding gemaakt van muziek (-instrumenten), processies en wierook. Een maaltijd behoorde tot de beloning van de pastoor - die evenals de koster ook een honorarium kreeg - en al degenen die bij de organisatie van de bedevaart waren betrokken.
- Het onderhoud van de kapel werd voornamelijk gefinancierd met de inkomsten van de bedevaartdag, die rechtstreeks aan de priester werden gegeven of op het altaar werden gedeponeerd. De opbrengsten uit de offerblokken, die afzonderlijk werden genoteerd, vielen aanzienlijk lager uit. Daarnaast werden vele giften in natura voldaan, zoals eieren, kippen, was, wol, vlas en rogge. Tussen 1609 en 1629 varieerde het jaarlijkse offergeld tussen 50 en 80 gulden, om in de periode van 1630 tot 1643 te stijgen tot bedragen van maximaal 160 gulden. Op basis van deze bedragen komt Van der Velden uit op aantallen van 800 tot 1600 pelgrims (met een gemiddeld offer van 2 stuivers) op de jaarlijkse bedevaartdag.
Het rekenboek laat zien dat in de onzekere retorsietijd tussen de val van 's-Hertogenbosch in 1629 en de Vrede van Munster in 1648, ondanks het verbod om in de kapel de mis te vieren en te prediken, de bedevaarten niet alleen doorgingen maar zelfs een opbloei kenden.
- Vanwege de circulatie van een grote verscheidenheid aan munten, was het tellen en omwisselen van de offergaven een ingewikkelde zaak. In de kasboeken wordt bijvoorbeeld met betrekking tot het jaar 1630 geklaagd over 'quaets gelts van verscheyde offerhande' dat men reeds jarenlang had bewaard zonder het te kunnen uitgeven aangezien timmerlieden en leidekkers dit niet als courante specie wilden aanvaarden. Deze munten werden dan als 'pruete-luecht' (prulleboel) tegen hoge kosten omgewisseld.
- Volgens Kronenburg (1898) trok Kaathoven spoedig nadat Jan Moors de Cunerarelieken in de kapel had laten bijzetten talrijke bezoekers, vooral uit de Veluwe en de Betuwe. De toeloop zou het grootst geweest zijn op de zondag voor St. Jan.
- Met de dood van de laatste rector in 1642 kwam het eind van de Kaathovense Cuneradevotie in zicht. Vanaf 1645 werd het rekenboek niet meer bijgehouden. Na de Vrede van Munster in 1648 moest men uitwijken naar een andere kapel voor de voortzetting van de devotie, namelijk naar ⟶ Bedaf in het vrije Land van Ravenstein. Vandaaruit verplaatste de Cuneradevotie zich in 1784 naar ⟶ Berlicum en ⟶ Heeswijk.
Materiële cultuur - 1 In het rekenboek wordt met betrekking tot het jaar 1607 melding gemaakt van 'hoeykens tot die beelden', waarmee sluiers of schoudermanteltjes zullen zijn bedoeld; 2 op 7 mei 1608 werd door de kapelmeesters aan een beeldsnijder in Schijndel opdracht gegeven het Cunerabeeld van de kapel te laten reinigen. Bij die gelegenheid heeft men ook besloten 'een ander te maeken, om voer die capel te setten'. Het is waarschijnlijk een eenvoudig beeld geweest, misschien om in de kapelgevel te plaatsen, aangezien de kosten slechts 5 gulden en 5 stuivers bedroegen; 3 in 1617 werden er nieuwe banken aangeschaft en werd ook het voetstuk van het altaar vernieuwd, dat een jaar later werd voorzien van een baldakijn; 4 volgens Van den Elsen (1890) en Knippenberg (1980) zijn er ex-voto's bekend van menselijke ledematen en huisdieren in was en een ring uit 1631; 5 in 1632 werd voor 30 gulden een ander altaar in de kapel geplaatst, vervaardigd door Robert de Cock uit 's-Hertogenbosch; 6 in 1635 heeft men 'prente' laten maken. Het betreft hier geen gedrukte afbeeldingen, maar waarschijnlijk matrijzen met voorstellingen van St. Cunera om er bedevaartsouvenirs mee te maken. Dergelijke devotionalia bestonden uit wassen of metalen (tin-loodlegering) insignes ofte wel 'pelgrimstekens' die op de kleding werden gespeld of in huis werden opgehangen; 7 in 1642 werden er, als onderdeel van allerlei renovatiewerkzaamheden ondanks de moeilijke tijd, koordeuren aangebracht. Deze werden in 1644 aan weerszijden voorzien van gedraaide spijlen die men in 's-Hertogenbosch had besteld ter verdere opluistering van de kapel.

Devotioneel drukwerk
- 1 In de abdij van Berne te Heeswijk worden twee nagenoeg identieke koperplaten bewaard waarin een devotieprent van de H. Cunera is gegraveerd. Van deze kopergravures zijn, voor zover bekend, geen authentieke 17e-eeuwse afdrukken bewaard gebleven. Wel zijn nieuwe afdrukken gemaakt. Volgens aantekeningen van Gerlacus van den Elsen zouden de gravures dateren uit 1643, maar aangezien er in het rekenboek geen melding van wordt gemaakt, is zowel de datering als de toeschrijving aan Kaathoven niet met zekerheid vast te stellen. De gravure toont de heilige staand met een lauwertak in de rechterhand (als symbool van haar martelaarschap) en links aan haar voeten een rund. Op de achtergrond rechts zien we de paarden die weigeren de stal, waar Cunera geworgd zou zijn, binnen te treden. Het onderschrift luidt: 'Sancta Cunera ora pro nobis' ('H. Cunera bid voor ons'); 2 G. van den Elsen, De H. Cunera. Haar leven, hare Relikwieën, hare vereering en mirakelen, in het kort beschreven (Heeswijk: Abdij, 1890) met litanie.
Bronnen en literatuur Archivalia: Heeswijk, abdijarchief: ms. De Kapel van Kaathoven (1881); VIII E, Kapel van Kaathoven, acten van 20-4-1535 en 22-5-1535; G. van den Elsen, ms. H. Cunera II; Rekenboek van Kaathoven (1606-1644); G. van den Elsen, Notamina bij het Rekenboek van Kaathoven. 's-Hertogenbosch, Oud-Archief van het Groot-Ziekengasthuis (zie H.J.M. van Rooy, Het Oud-archief van het Groot-Ziekengasthuis te 's-Hertogenbosch, I: inventaris, p. 303, inv. nr. 3676).
Tekstedities: A. v[an] L[ommel], 'Berigten aangaande reliquien van heijligen of h. zaken uit Noord-Nederland ontvoerd. Annis 1582-1630', in: Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht 7 (1879) p. 112-115; G. Bannenberg, A. Frenken & H. Hens, De oude dekenaten Cuijk, Woensel en Hilvarenbeek in de 15de- en 16de-eeuwse registers van het aartsdiakenaat Kempenland, 2 dln. (Nijmegen: Janssen N.V., 1968-1970) dl. 1, p. 156, dl. 2, p. 287; J. van Laarhoven ed., Het schetsenboek van Hendrik Verhees ('s-Hertogenbosch: Merlijn, 1975) p. 18-19; H.P.H. Camps, Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312 (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1979) p. 503-505; G.M. van der Velden, Het Memoriaal van abt Jan Moors (15 november 1634 - 23 juni 1637) (Averbode: Praemonstratensia, 1980); H. van Rij ed., 'Het stichtingskroniekje van de Abdij van Berne', in: G.N.M. Vis & H. van Rij ed., Egmond en Berne. Twee verhalende historische bronnen uit de middeleeuwen (Den Haag: Nederlands Historisch Genootschap / Leiden: Brill, 1987) p. 132.
Literatuur: J.A. Coppens, Nieuwe beschrijving van het bisdom van 's Hertogenbosch, dl. 3/2 ('s-Hertogenbosch: Demelinne, 1843) p. 210-211; L.H.C. Schutjes, Geschiedenis van het bisdom 'sHertogenbosch, dl. 3 (St. Michielsgestel: Instituut voor Doofstommen, 1872) p. 251; G. van den Elsen, De H. Kunera. Haar leven, hare Relikwieën, hare vereering en mirakelen, in het kort beschreven (Heeswijk: Abdij, 1890) p. 34-37; J.A.F. Kronenburg, Neerlands heiligen in vroeger eeuwen, dl. 2 (Amsterdam: Bekker, 1898) p. 19-21; J.P. Bik, Feest- en vierdagen in kerk- en volksgebruik, dl. 2 (Velsen: Th.F. Wolfs, 1957) p. 255; W.H.Th. Knippenberg, Kultuurhistorische verkenningen in de Kempen III. Oude pelgrimages vanuit Noord-Brabant (Oisterwijk: Stichting Brabants Heem, 1968) p. 45; W.J.C.C. van den Hurk, Het verborgen leven van de Abdij van Berne in haar parochies, 1797-1857 (Tilburg: Stichting Zuidelijk Historisch Contact, 1977) p. 4-17, 35-36, 52-54, 115; J. van Laarhoven ed., Kloosters in Brabant ('s-Hertogenbosch: Noordbrabants Museum, 1977) p. 20; W.H.Th. Knippenberg, Devotionalia. Religieuze voorwerpen uit het katholieke leven (Eindhoven: Bura Boeken, 1980) p. 129-131; M. Spierings, 'Kaathoven', in: Brabants heem 32 (1980) p. 84-90; G.M. van der Velden, 'Bernheze en de Abdij van Berne', in: Brabants heem 32 (1980) p. 119-134; H. van Bavel, 'De middeleeuwse Cunerakapel van Kaathoven', in: Berne 34 (1981) p. 84-92; H. Beex, 'De Cunerakapel in Kaathoven', in: Bisdomblad (4-9-1981) p. 12; G. Valk, 'St. Cunerakapel Kaathoven (N.B.) gerestaureerd', in: Monumenten 2 (1981) nr. 5, p. 21; W.J.M. van der Heijden, Berlicum: zwerftocht door het verleden. De beknopte geschiedenis van het kerkdorp Berlicum en de gehuchten Belveren, Middelrode en Kaathoven, dl. 1 (Berlicum: Heemkundekring De Plaets, 1982) p. 188-191; A.M. Koldeweij ed., Zilver uit 's-Hertogenbosch van bourgondisch tot biedermeier ('s-Hertogenbosch: Noordbrabants Museum, 1985) p. 48 en 92; Cultuurhistorische inventarisatie Noord-Brabant. M.i.P. gemeente Berlicum ('s-Hertogenbosch: Provincie Noord-Brabant, 1990) p. 19, 30; G.M. van der Velden, 'De Cunera-devotie te Kaathoven tot 1648: de exploitatie van een kapel', in: Brabants heem 44 (1992) p. 58-72; C. Staal, 'Johan Ludolph van Rhenen, vicaris te Vleuten, paap op Den Ham en redder van de Cunera-relieken', in: Jaarboek Oud-Utrecht (1996) p. 70-87, vooral p. 80; P. Vermeulen, Langs 's-Heren Wegen. Veldkapellengids voor Noord-Brabant (Eindhoven: Kempen Uitgevers, 1996) p. 87-89; W. van der Heijden, 'Kaathoven', in: Rondom de Plaets 4 (1993) p. 61-64; C. Schalken, 'Het onderwijs in Berlicum, Middelrode en Kaathoven', in: Rondom de Plaets 8 (1997) p. 1-50; C. Staal & M. Wingens, Bedevaarten in Nederland (Utrecht: Museum Catharijneconvent / Zutphen: Walburg Pers, 1997) p. 61 en 63.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Kaathoven; Meertens Instituut volkskundige vragenlijst 23 (1959), 64-b (1993); beide ingevuld voor Berlicum.

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<