HomeDatabankenBedevaarten

IJsselstein, O.L. Vrouw van Eiteren

Mail voor aanvullingen en commentaar
Cultusobject: O.L. Vrouw van Eiteren
Datum: 24 juni (weekend naastbij)
Periode: 14e eeuw - heden.
Locatie: Mariakapel van O.L. Vrouw in de parochiekerk van St. Nicolaas
Adres: St. Nicolaasstraat 12, 3401 BS IJsselstein
Gemeente: IJsselstein
Provincie: Utrecht
Bisdom: Utrecht
Samenvatting: Her betreft hier de verering van een miraculeus beeld van Maria met kind. Deze bedevaartcultus is vermoedelijk aan het einde van de 14e eeuw begonnen en is blijven bestaan tot heden, zij het dat in de loop van de tijd de context en het karakter van de verering verschillende malen gewijzigd zijn. Na de reformatie is het bedevaartoord in Eiteren tot in de 19e eeuw bedevaartgangers blijven trekken. Sinds de terugkeer van het beeldje in 1936 is de nieuwe cultuslocatie de Nicolaaskerk van IJsselstein.
Auteur: Theo Clemens
Illustraties:
(Klik op afbeelding voor vergroting)
Topografie - Eiteren was een dorp in het polderlandschap een kleine twee kilometer ten noorden van de stad IJsselstein en op circa 10 kilometer van Utrecht. Hier stond al in de 10e eeuw de parochiekerk van Maria ten Hemelopneming. Eiteren is een vermoedelijk al in de karolingische tijd bewoonde plaats, waar zeker rond het jaar 1000 een parochiekerkje gestaan moet hebben. De parochie werd in 1217 ingeperkt door de stichting van een nieuwe parochie in het Gein en de bouw van een kerk aldaar. In 1310 zijn de parochierechten overgeheveld naar IJsselstein en werden Eiteren en de Eiterse kerk ondergeschikt aan de pastoor van de nieuwe St. Nicolaaskerk.
- Van de kerk van Eiteren is hooguit nog iets van de fundamenten over. Onderzoek dat in 1972 en 1985 is verricht door het Rijksbureau voor Oudheidkundig Bodemonderzoek naar de overblijfselen van funderingen, heeft aan het licht gebracht, dat ter plaatse in de 10e eeuw een kerk gestaan moet hebben van 27 meter lengte en 8,5 meter breedte. Deze kerk werd omstreeks 1450 vergroot en is in 1579 gesloopt. Het dorp is verdwenen. In de 19e eeuw werd daar de burgerlijke begraafplaats van IJsselstein aangelegd.
- De St. Nicolaaskerk te IJsselstein die in 1310 de status van parochiekerk overnam van die van Eiteren, was aanvankelijk een eenbeukige kerk. Deze werd in de 15e eeuw uitgebouwd tot een kerk met drie beuken en in 1535 voorzien van een nieuwe toren. De St. Nicolaaskerk werd in 1577 onttrokken aan de 'roomse eredienst', waarna de aanhangers van de 'oude' religie aangewezen waren op priesters van elders, totdat er vanaf 1634 in de plaats zelf weer geregelde zielzorg was. In 1911 is de oude kerk door brand verwoest.
Na 1577 kwamen de katholieken voor hun eredienst enkele decennia bijeen in particuliere huizen of in schuilkerken elders. Vanaf 1634 hadden ze hun eigen schuilkerk in de Havenstraat. In 1780 werd deze vervangen door een nieuwe, op slechts enkele tientallen meters afstand van de oude kerk. Op haar beurt werd deze in 1887 ingeruild voor de door architect Alfred Tepe gebouwde neogotische kerk in de St. Nicolaasstraat. Diens kerk staat er nu nog, en heeft na een restauratie in de jaren 1968-1972, in 1972 de status van basiliek (basilica minor) verworven.
Cultusobject - Maria met kind op schoot (Sedes sapientiae), is sinds 1936 gevat in een zeshoekige vergulde schrijn waarin het beeld ook wordt omgedragen. Het 22 centimeter hoge Mariabeeld is van eiken- of notenhout, het Christuskind is van lindenhout (?) en gips (?). De maker is onbekend; het beeld moet qua type stammen uit de tijd na 1150 en wordt wisselend gedateerd op 2e helft 12e eeuw, begin 13e eeuw (indien origineel) en zelfs 14e of 15e eeuw (indien een latere kopie); ook over de herkomst bestaat geen eenstemmigheid: de een zegt dat het een Noordnederlandse kopie is, de ander noemt het Maaslands van origine.
- Het beeld heeft in de loop der eeuwen diverse veranderingen ondergaan: oorspronkelijk verguld; later meerkleurig beschilderd; vermoedelijk in de 17e eeuw 'op Spaanse wijze' aangekleed, enz. In de 19e eeuw was het Mariabeeld bijna over de volle lengte in tweeën gespleten en het kind beschadigd en vermolmd. In 1936 is het beeld grondig 'verrestaureerd' door J.H. Brom. Hierbij zijn de rechter onderarm van Maria en vrijwel het hele Christuskind vernieuwd, niet zonder afwijking van de oorspronkelijke vormen.
- Het Mariabeeld is in 1879 voorzien van een kroon. Het Christuskind is in 1986 gekroond door de aartsbisschop van Utrecht.
Verering Legenden
- In het parochiearchief van de St. Nicolaasparochie van IJsselstein berust een manuscript van Johannes Govers, pastoor te IJsselstein van 1770 tot 1805, dat gebaseerd is op aantekeningen van Adrianus ter Lauw, die zelf pastoor was van 1673 tot 1696. Volgens deze bron is de bijzondere Mariaverering te Eiteren begonnen, nadat 'in oude tijden' slootgravers in die plaats een Mariabeeld hadden gevonden en dit beeld, nadat het door hen naar de pastoor van IJsselstein was gebracht, twee tot drie keer eigener beweging was teruggekeerd naar Eiteren. In overleg met de geestelijke overheid te Utrecht werd besloten de locatiekeuze van het beeld te respecteren. Ter plaatse werd een kapel gebouwd, toegewijd aan O.L. Vrouw. Nadat het beeld daarin een plaats gekregen had, was er terstond van alle kanten een grote toeloop van volk.
- De bijzondere status van Eiteren als heilige plaats wordt bevestigd door het verhaal van een Utrechts bisschop, die met een boot voorbijvoer en bij die gelegenheid gezegd zou hebben: 'O Eitersche kerkhof, o Eitersche kerkhof, ik zal u wijden of bij mijn leven, of bij mijn dood'. Deze bisschop overleed vervolgens in het Hollandse, waarna zijn stoffelijk overschot per schip teruggebracht werd naar Utrecht. Toen het langs Eiteren voer, bleef het schip tot verbazing van de opvarenden stil liggen tegenover het kerkhof, dat als enige plek in de omgeving helemaal bedekt was met een witte dauw. Pas nadat deze dauw, die door sommigen geïnterpreteerd werd als teken van postume zegening, verdwenen was, kon het schip weer verder varen. Door dit voorval zou de faam van Eiteren vergroot zijn.
- Een derde legende markeert de overgang naar de verering gedurende de schuilkerkperiode. Ze bericht dat ten tijde van de reformatie de kapel bestormd werd en dat het Mariabeeld eruit gerukt en in de IJssel gesmeten werd. Kern van het verhaal is dan dat het beeld, in plaats van weg te drijven, op dezelfde plaats bleef, ondanks de inspanning van vissers om daarin verandering te brengen. Daarop zou het beeld door visserskinderen uit het water zijn gehaald en in handen zijn gesteld van een katholiek. In de eerste jaren daarna werd het beeld nog gezocht, maar na drie jaren verborgen te zijn geweest in de voering van de rok van een voorname IJsselsteinse vrouw, kreeg het in haar huis weer een meer openlijke plaats en werd het daar ook door katholieken bezocht en vereerd.

De periode voor de reformatie
- Bij gebrek aan bronnen is een aanzienlijk deel van de geschiedenis van de verering onduidelijk. Als er een kern van waarheid zit in de legende over de wijding van het Eiters kerkhof, dan moet de bisschop die op weg was naar Holland, langs gevaren zijn vóór de afdamming van de Hollandse IJssel in 1285. Men mag zelfs veronderstellen, dat - gelet op de ouderdom van de kerk - de kerkhofwijding al veel eerder is gebeurd. De bijzondere manier waarop die volgens de legende zou zijn geschied, kan wijzen op een heel oude erkenning van de status van de betrokken plek in Eiteren als heilig. In dat geval betreft het de oudste laag van het cultuscomplex. Het is echter ook mogelijk, dat de legende betrekking heeft op een nieuw kerkhof, bijvoorbeeld voor de lepralijders of van na de 15e-eeuwse uitbreiding van het kerkgebouw.
- Patroon van de Eiterse kerk was Maria (ten Hemelopneming). Zij werd dus al vroeg in Eiteren vereerd. Ook het beeld, dat nu nog centraal staat, is oud, in ieder geval naar type en mogelijk ook naar het jaar waarin het gemaakt is (zie bij Cultusobject). Hoe dit ook zij, de bijzondere devotie tot Maria is vermoedelijk van wat later tijd. Als de oorsprongslegende correct is waar gemeld wordt dat het gevonden Mariabeeld eerst is aangeboden aan de pastoor van IJsselstein, moet het begin ervan gedateerd worden na 1310 en voor 1399. Pas vanaf het eerstgenoemde jaar is er een pastoor van IJsselstein en uit het laatstgenoemde jaar is een pauselijke aflaatbrief d.d. 8 april 1399 bekend, waarin sprake is van een op te richten broederschap van O.L. Vrouw van Eiteren en St. Nicolaas (van IJsselstein). Bonifatius IX verleende toen een aflaat van 2 jaar en 2 quadragenen aan bezoekers van de kapel van Eiteren. Vanwege de stichting van de broederschap is een oorsprong van de cultus kort voor 1399 aannemelijk.
- De Eiterse Mariaverering is merkwaardigerwijs niet gehecht aan het feest van Maria Hemelvaart maar aan St. Jansdag. Deze combinatie doet de vraag rijzen of de verering van het beeld van O.L. Vrouw van Eiteren niet beschouwd moet worden als een derde laag bovenop, of vermengd met een reeds bestaand St. Jansfeest en de mogelijk nog oudere erkenning als heilige plaats. De feestdag van Johannes de Doper gold in Eiteren al vóór 1310 als bijzonder: dag van rechtspraak (1287) en dag van ridderslag (1304).
Een vierde laag in 'het Eiterse complex' vormen de melaatsen. Eiteren was binnen Holland een van de twee plaatsen waar melaatsen zich moesten tonen en waar voor dit doel een speciaal leprozenhuis was gevestigd. Onduidelijk is wanneer dit element is toegevoegd, maar halverwege de 15e eeuw was het duidelijk aanwezig. Het in Eiteren gevestigde leprozenhuis dateert van circa 1440 en de broeder- en zusterschap van O.L. Vrouw van Eiteren voor melaatsen is opgericht in 1447.
- Normaal gesproken had de overheveling in 1310 van de parochierechten van Eiteren naar IJsselstein moeten leiden tot het verdwijnen van de oude parochiekerk ten gunste van de nieuwe, temeer omdat de nieuwe kerk oude vicarieën overnam (de Mariavicarie van 1293 ging in 1317 over) en nieuwe aantrok (o.a. vicarieën van St. Jan en St. Nicolaas in 1319), in 1355 van de paus grote aflaten kreeg en binnen een eeuw de status verwierf van collegiale kerk. De Eiterse kerk is desondanks niet verdwenen. Sterker nog, ze is vermoedelijk rond 1450 zelfs vergroot. Het is dan ook verleidelijk te veronderstellen, dat getracht is de degradatie van de oude Eiterse kerk ten gunste van de nieuwe kerk van IJsselstein te pareren of te compenseren door de vroomheid te richten op een (eveneens afgedankt?) beeld, aansluitend bij de sacrale faam van de plaats, het vanouds in Eiteren gevierde St. Jansfeest en het Mariapatronaat. Een andere verklaring voor het voortbestaan van de Eiterse kerk kan gevonden worden in de aanwezigheid van melaatsen. Angst voor besmetting kan een goede reden zijn geweest ze kerkelijk een eigen onderdak te geven, zoals ze in 1447 ook een eigen broederschap hebben gekregen.
- O.L. Vrouw van Eiteren gold als wonderdoend. In een verslag aan Rome uit 1636 wordt melding gemaakt van een door mirakelen allerberoemdst beeld. Effecten van dit vermogen zijn echter niet overgeleverd: er is geen mirakelboek (meer?). Wel is er een ledenregister van de boven reeds genoemde broederschap van O.L. Vrouw van Eiteren en St. Nicolaas bewaard gebleven. Strikt genomen heeft dat betrekking op de jaren 1507-1598, maar er zijn tevens namen uit de voorafgaande eeuw in verwerkt. Nader onderzoek is nodig, maar enkele voorlopige conclusies met betrekking tot de populariteit van O.L. Vrouw van Eiteren kunnen nu al getrokken worden. Alleen al de omvang van het ledenregister - het telt 164 bladzijden - wijst op een meer dan lokale uitstraling. Wanneer de plaatsen vanwaaruit mensen naar Eiteren gekomen zijn, aangestipt worden op de landkaart, dan blijken de meeste te liggen op het grondgebied van de vroegere gewesten Holland, Zeeland en Utrecht, maar ook van elders kwamen broeders en zusters. Ze behoorden, voorzover dat te taxeren valt, tot alle lagen van de bevolking.
- Hierbij past het beeld van een breed maatschappelijk draagvlak dat wordt opgeroepen door een ongedateerde (15e-eeuwse) stedelijke ordonnantie inzake de volgorde van de offerkaarsen in de omdracht. Volgens deze verordening kwam eerst de kaars van de schutters. Daarop volgden de kaarsen van de 'bouluiden', 'smeden', 'timmerlieden', 'corncopers', 'vleyshouers', 'vaerluyden' (in een andere versie op de tweede plaats), 'snijders', 'scoenmaeckers', 'wolleweuers' en 'linnenweuers'. De 'Lazarus keerss' (van de melaatsen) sloot de stoet.
- Tegelijkertijd moet Eiteren getekend zijn geweest door de laatstgenoemde groep van paria's in de toenmalige samenleving. Ze hadden er zelfs een eigen broeder- en zusterschap, waarvan het uit 1480 bewaarde ledenregister 80 pagina's geteld moet hebben. Deze leden waren verplicht aanwezig te zijn bij de omdracht en juist op 24 juni werd te Eiteren in eigen kring recht gesproken. Kortom, Eiteren was een belangrijk centrum voor lijders aan lepra en Maria van Eiteren moet in het leven van de leden van deze bijzondere groep een eigen, belangrijke rol hebben gespeeld.

De schuilkerktijd tot herstel van de hiërarchie
- Voor dit hele vereringscomplex is de overgang in 1577 van IJsselstein naar de reformatie en de sloop van de Eiterse kerk in 1579 een cesuur geweest, maar deze leidde niet, althans niet op alle terreinen, tot een absolute breuk. Op sommige punten was de discontinuïteit groot, op andere heerste continuïteit, op weer andere zien we omvormingen en aanpassingen.
- Aangenomen mag worden dat het brede maatschappelijk draagvlak voor het houden van omdrachten spoedig was verdwenen. Echter, nadat de kerk van Eiteren was afgebroken en het miraculeuze beeld was verwijderd, bleven bedevaartgangers de heilige plaats bezoeken. Berichten erover lopen door tot in het begin van de 19e eeuw. Informatie over de mate van organisatie van deze bedevaarten en over de herkomst van de bedevaartgangers ontbreekt vrijwel volledig.
- Zeker is dat dit trekken naar Eiteren niet gedragen kan zijn door de broederschap van 1399. Het ledenregister ervan loopt weliswaar door tot 1598 - in dat jaar werden haar goederen geconfisqueerd door de Staten van Holland - er wordt zelfs in 1611 nog melding van gemaakt in een staat van ontvangsten van het Ewoudsgasthuis, maar daarmee houdt het wel zo ongeveer op. Het ligt daarom meer voor de hand de bedevaartpraktijken uit de 17e en 18e eeuw te zien als uitingen van particuliere vroomheid van mensen uit IJsselstein en directe omgeving.
- De inkomsten uit de goederen van de melaatsenbroederschap van 1447 zijn te volgen tot 1583. Opmerkelijk is dat deze groep later onder één noemer gebracht is met die van de Mariavicarie van 1293/1317. Mogelijk dienden ze eenzelfde doel. Hoe dit ook zij, de problematiek van melaatsheid is in de loop van de tijd sterk afgenomen en bijgevolg kon het Eiterse leprozenhuis in 1687 afgebroken worden. Daarmee verdween als vanzelf ook dit bijzondere element uit de Eiterse vereringscontext.
- Wat niet verdween was de verering van het beeld van O.L. Vrouw van Eiteren. Losgemaakt van de heilige plaats heeft deze een eigen, tot het heden voortdurende geschiedenis gekend. Afgaand op de notities van Adrianus ter Lauw, moet er op de eeuwen van publieke eredienst een halve eeuw gevolgd zijn van min of meer besloten devotie in een particulier huis. Hierbij kan worden aangetekend, dat het verhaal over dit tijdvak heel beknopt is en geen sporen bevat van elders wel gesignaleerde strafwonderen, ten nadele van de beeldenstormers en ter bemoediging van de aanhangers van de oude religie. Aan deze periode van particuliere devotie kwam een eind toen de katholieken van IJsselstein in 1634 weer een eigen kerk en een eigen pastoor kregen.
- Nadat het Mariabeeld bij de pastoorswisseling van 1658 uit angst voor te gretig graaiende erfgenamen in veiligheid gebracht was bij de vorige eigenaar, kostte het de nieuwe pastoor de nodige moeite om het weer in de kerk te krijgen. Sedertdien bleef het daar echter, zonder nog veel gerucht te veroorzaken. Het lijkt weinig anders gefunctioneerd te hebben dan Mariabeelden in kerken elders.
- In 1770 kreeg de verering een nieuwe wending. De in dat jaar aangetreden nieuwe pastoor was zelf een vurig Mariavereerder en hij gaf O.L. Vrouw van Eiteren een nieuwe functie als middelpunt van een door hem opgerichte rozenkransbroederschap. Over deze vereniging is in het parochiearchief jammergenoeg geen nadere informatie te vinden. De Bredase herkomst van de oprichter, pastoor Johannes Govers, maakt het niettemin interessant te vermelden, dat in die plaats in 1759 eenzelfde broederschap was opgericht en dat deze broederschap door limitering van het aantal leden en door heffing van entreegeld en jaarlijkse contributie een club was voor de lokale elite. Indien het Bredase voorbeeld is gevolgd, heeft Govers aan O.L. Vrouw van Eiteren een nieuwe vereringswijze (het bidden van de zaterdagse rozenkrans) en een nieuwe type vereerder (alleen mannen en alleen beter gesitueerden) gegeven. Hij gaf haar als bouwheer van een nieuwe schuilkerk ook een eigen kapel. Het is niet bekend hoe lang de rozenkransbroederschap bestaan heeft. De uit de 19e eeuw bekende benaming van 'congregatiekapel' doet vermoeden, dat de 18e-eeuwse broederschap later is omgezet in of opgevolgd door een typisch 19e-eeuwse Mariacongregatie.

Onderdak bij de Utrechtse Zusters van Liefde, 1866-1936
- Het beeld van O.L. Vrouw van Eiteren had rond 1860 zoveel aan faam en luister ingeboet, dat de pastoor het zonder een opstand te verwekken uit de kerk kon weghalen en kon overwegen het te vernietigen, omdat het in een te deplorabele staat verkeerde. Het beeld was toen ernstig aangetast: Maria's rechterarm was weg, het kind was ernstig vermolmd en een spleet die een aanzienlijk deel van het beeld in tweeën deelde, was slechts provisorisch verholpen door het gelaat van Maria met schapenleer te bedekken en daarop een nieuw gezicht te tekenen. Dat het beeld toen behouden is gebleven, is te danken aan G.W. van Heukelum, die als secretaris van de aartsbisschop ambtshalve met zijn superieur in IJsselstein kwam en het onooglijk beeld in 1865 in bruikleen wist te verwerven voor de collectie van zijn nog officieel op te richten aartsbisschoppelijk museum.
- Weg uit IJsselstein kwam O.L. Vrouw van Eiteren in een geheel nieuwe fase van haar bestaan. Nog maar net ondergebracht in het museum-in-oprichting wist ze in 1866 de vrome aandacht te trekken van een van de in Utrecht werkzame Zusters van Liefde. Zij was met enkele medezusters door de aartsbisschop persoonlijk rondgeleid langs de beginnende collectie van Van Heukelum. Kort na deze excursie kreeg ze gedaan, dat het beeld van O.L. Vrouw van Eiteren voor korte tijd in bruikleen aan de Zusters van Liefde werd gegeven voor een bijzondere novene ten behoeve van medezuster die op sterven lag. Voorwaarde was dat de zusters ook ten behoeve van de aartsbisschop zouden bidden voor de aankoop van een bepaald, door hem gewenst huis. Tegelijk was er een verzoek om voor nog een andere zieke te bidden. Het effect was dat elk doel binnen de tijdsduur van de novene werd gerealiseerd. Het beeld kreeg toen van de zusters de nieuwe naam van O.L. Vrouw Hulp in de Nood. Nadien werd de bijzondere aard van het beeld alsmaar meer bevestigd door gebedsverhoringen, het stofvrij blijven van het beeld in een stoffige omgeving, het onbeschadigd blijven bij brand, genezingen, enz. Gevolg ervan was dat de faam groeide en dat voor het beeld een ereplaats werd ingeruimd in de kapel van het in 1873 geopende St. Andreasgasthuis. Opmerkelijk uit deze fase zijn het gebruik van een nieuwe gebedsvorm, de novene, en de niet meer tot slechts enkele specifieke dagen beperkte verering. Opmerkelijk is ook dat gebedsverhoringen leidden tot giften, onder meer van de kroon voor Maria die het beeld nu draagt.

Terug in IJsselstein, 1936 - heden
- Pogingen vanuit IJsselstein om het beeld weer uit bruikleen terug te krijgen hadden aanvankelijk geen succes. Pas in 1936 kwam O.L. Vrouw van Eiteren weer terug in de kerk van IJsselstein. In het toen inmiddels verzuilde Nederland, dat geteisterd werd door de crisisjaren, kreeg ze weer een nieuwe rol toebedeeld. De verslaggever in de Katholieke Illustratie twijfelde er niet aan of Maria zou 'in onze verlichte eeuw, waarin helaas maar al te weinig goed gebeden wordt en zoo bitter wordt geleden, velen troosten, helpen, verlichten of kracht geven'. Voor de permanente verering van de "Hulp in Nood" werd door atelier-Cuypers uit Roermond een kapel achterin de Nicolaaskerk ingericht, met de legendarische geschiedenis van O.L. Vrouw van Eiteren uitgebeeld op gebrandschilderde ramen. Tegelijkertijd werd de traditie van de omdracht op St. Jansdag weer in ere hersteld, zij het dat de brede maatschappelijke representatie uit de middeleeuwen nu slechts historiserend in gecostumeerde groepen aanwezig was. Dit alles werd in 1938 gecompleteerd door de oprichting van een permanent Comité van O.L. Vrouw van Eiteren als organisatorisch fundament van de opnieuw in gang gezette verering.
- In de Tweede Wereldoorlog kon de omdracht tot 1942 worden gehouden, vanwege maatregelen van de bezetter mocht in de jaren daarna het ritueel niet meer worden gehouden. De devotie ging echter door en na de bevrijding werd ook de omgangs-draad weer direct opgenomen. Vanaf 1948 werd de omdracht voortaan gehouden op de zondag die het dichtst bij 24 juni lag, terwijl de dag zelf in ere werd gehouden door middel van een stille tocht. Deze aanpassing vergrootte het aantal deelnemers aanzienlijk. Vanaf 1951 werd ook Eiteren in de processieroute opgenomen. Uit 1950 dateren de gebrandschilderde ramen in de vereringskapel die de lokale devotie koppelen aan Maria van Lourdes en Fatima.
- Het Mariajaar 1954 leidde tot een nieuw initiatief. De vereerders van O.L. Vrouw van Eiteren werd de gelegenheid geboden hun naam te laten schrijven in het zogenaamde Gulden Boek, dat in het vervolg zou worden meegedragen in de omdracht. Het betreffende boek is bijgehouden tot 1961. Op de achtergrond hiervan speelde de gedachte aan de heroprichting van de broederschap van 1399. Mondelinge bronnen deelden in 1997 mee dat een nieuwe broederschap er niet is gekomen omdat mogelijk aanwezige oude statuten in de Vaticaanse archieven niet zijn gevonden en de lokale geestelijkheid een heroprichting heeft tegengewerkt.
- In 1959-1960 is overwogen de plaatsing van het beeld te verbeteren door een glazen afscheiding van de devotieruimte, de bouw van een ondergrondse kapel en zelfs door de bouw van een kapel op de oude locatie van Eiteren. Een herbouw te Eiteren zou, aldus een zegsman in 1997, indertijd niet zijn doorgegaan omdat op de gronden een beding zou berusten, merkwaardigerwijs opgelegd door het r.k. kerkbestuur, dat ze geen religieuze bestemming mogen hebben.
Ook interessant uit deze fase van de geschiedenis was de wegens Romeinse bezwaren vergeefse poging om O.L. Vrouw van Eiteren patrones van de hereniging van de christenen te laten worden. In de jaren zestig werd de praalstoet al spoedig omgevormd tot een stille bidstoet en soms was er zelfs helemaal geen tocht. Na 1970 werd gekozen voor een vijfjaarlijkse omdracht (in de lustrumjaren, te rekenen vanaf 1936) en stille tochten in de overige jaren. In het lustrumjaar 1981 moest de historiserende omdracht worden afgelast bij gebrek aan voldoende deelnemers. In 1986, 1991 en 1996 was er wel een grote optocht. Het Comité van O.L. Vrouw van Eiteren heeft in 1997 de historische kostuums aangekocht van het verhuurbedrijf. Bij die gelegenheid is besloten om voortaan jaarlijks een historiserende omdracht te houden. Intussen werd de restauratie van de Nicolaaskerk (1968-1972) aangegrepen om de ruimte voor de verering van O.L.Vrouw te verbeteren en het beeld meer eigentijds te presenteren. In 1986 is het Christuskind door de aartsbisschop van Utrecht gekroond. In 1988 heeft hij op 14 augustus het wereldwijd afgekondigde Mariajaar wat Nederland betreft afgesloten in IJsselstein.
- Sinds 1987 wordt de bezoekers van de kapel de gelegenheid geboden hun intenties en hun dankbaarheid vast te leggen in een intentieboek. Hiervan waren er in 1997 vijf volgeschreven. Velen komen uit omliggende plaatsen als Utrecht, Benschop, Lopik, Cabouw, Schoonhoven, Harmelen, De Meern, Vleuten, Houten en van verder uit geheel Nederland. voorts kan worden opgemerkt, dat sinds enige tijd het zaterdagse rozenkrans bidden weer opnieuw begonnen is.
Materiële cultuur - Replica's: 1 Kopie van het Mariabeeld in hout, gemaakt door H. Mengelberg in 1936, ten behoeve van de Zusters van Liefde van het Utrechtse St. Andreasgesticht, die het originele beeld moesten afstaan aan de St. Nicolaasparochie van IJsselstein; 2 bronzen replica, geplaatst in nis in gevel aan de St. Nicolaasstraat te IJsselstein; 3 kopieën van het beeld in gips, o.a. vervaardigd in 1936 door de firma Van Paridon te Amsterdam en in 1938 door Gerard Linssen te Venlo; 4 houten replica's die rond 1970 gemaakt en verkocht zijn door de IJsselsteinse beeldhouwer A. Veldhuizen.
- Medailles: (2,3 x 1,2 cm), in oplage van 2000 stuks aangemaakt in 1992, met aan de voorzijde O.L. Vrouw van Eiteren en aan de achterzijde de tekst 'O.L.Vrouw van Eiteren hulp in nood'.

Devotioneel drukwerk
- Vouwprentjes: 1 prentje met afbeelding in zwartwit van 'O.L. Vr. van Eiteren Hulp in Nood', een korte geschiedenis en een gebed (in de talen Nederlands, Engels, Frans en Duits; 7 x 11,5 cm; na 1986); 2 vouwblaadje met afbeelding van omslag van het bedevaartboekje van 1936 met de tekst zoals het vouwblaadje onder 1, plus het lied van O.L. Vrouw van Eiteren; 3 vouwblaadje met afbeelding van O.L. Vrouw van Eiteren, met gebedsteksten van pastor A. van Wijk, Apostolaat van het gebed (mei 1986) en Frans Cromphout s.j. en tekst van een gebed tot O.L. Vrouw van Haastrecht; 4 Harmonicavouwblad in blauw, met kleurenfoto van het beeld, de geschiedenis, een lied en een gebed (9 x 13 cm).
- Kleurenfoto van de Mariakapel in de St. Nicolaaskerk met opstelling van na 1972 (druk: Jos Pre Print Velp; uitgave: Boekhandel van Hoeven, IJsselstein).
- Brochure [A-5, 12 p., geniet] met afbeelding van O.L.Vrouw van Eiteren in haar zeshoekige schrijn op omslag) en met tekst over 'De wonderbaarlijke geschiedenis van het beeldje genaamd: O.L. Vrouw van Eiteren'; hierin ook een foto van de omdracht van 1936 en lied en gebed van O.L. Vrouw van Eiteren.

Bronnen en literatuur Archivalia: Van de geschiedenis van de verering van O.L. Vrouw van Eiteren uit de tijd voor 1865 is heel weinig bronnenmateriaal bewaard gebleven. Uit de pauselijke kanselarij is een akte bekend van 8 april 1399, waarin het werk van de nieuw op te richten broederschap van O.L. Vrouw van Eiteren en de H. Nicolaas begunstigd wordt door aflaten te verlenen aan bezoekers van de kapel te Eiteren.
In het stadsarchief bevindt zich een stedelijke ordonnantie d.d. 4 juli 1447 ter bevestiging van de oprichting van een aan O.L. Vrouw van Eiteren gewijde broederschap en zusterschap van melaatsen. In hetzelfde archief zit ook een ongedateerde ordonnantie ter regeling van het dragen van kaarsen in de omdracht (inv. nr. 611). Verder zijn twee ledenlijsten bewaard gebleven (inv.nr. 613 en 614).
Uit de tijd tussen reformatie en 1865 bewaart het archief van de r.k. parochie van St. Nicolaas aantekeningen van Adrianus ter Lauw, pastoor van 1673 tot 1696, samengebracht en overgeschreven door Johannes Govers, die ongeveer een eeuw later pastoor te IJsselstein was. Een van deze aantekeningen betreft het beeld van O.L. Vrouw van Eiteren en handelt over de oorsprong van de verering en de voortzetting ervan na de reformatie.
Van de periode 1865-1936 is er meer informatie beschikbaar, zowel in het parochiearchief, als in de archieven van de Zusters van Liefde, het aartsbisdom Utrecht en het Aartsbisschoppelijk Museum.
Voor de periode vanaf 1936 heeft het Comité van O.L. Vrouw van Eiteren een chronologisch geordende mengeling van archief en documentatie, met fotoboeken, dia's, geluidsbanden, affiches en intentieboeken (vanaf 1987). Omdat het Comité geen broederschap is en dus ook geen leden heeft, zijn er geen ledenlijsten. Wel is er uit de jaren 1954-1961 het zogenaamde Gulden Boek, met daarin de namen van degenen die als vereerders van O.L. Vrouw van Eiteren te boek wilden staan. Dit boek werd meegedragen bij de omdracht. Van Comitélid B.M.F. Stroes is een getypt 'Archief verslag van het Comité O.L. Vrouw van Eiteren. Van 1936 t/m 1991' beschikbaar. Hierin is in extenso de correspondentie opgenomen die voorafging aan de teruggave van het beeld in 1936.
Tekstedities: 'Ordonnantie van de broeder- en zusterschap der melaatsen of het gild van Onze Lieve Vrouwe van Eiteren, gesticht voor het jaar 1447, juli 4', in: J.J. de Geer, Bijdragen tot de geschiedenis en oudheden der provincie Utrecht (Utrecht 1860), p. 370-372, met de ongedateerde ordonnantie op het dragen van kaarsen t.t.v. de omdracht; J. de la Torre, 'Relatio seu descriptio', in: Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht 10 (1882) p. 195-196; Peter Siccama, Martijn Vergouw, Eyteren bij IJsselstein. (IJsselstein 1993) p. 13, pauselijke aflaatbrief voor bezoekers van de kapel van O.L. Vrouw van Eiteren dd. 8 april 1399, in vertaling afgedrukt.
Literatuur: H.F. van Heussen, Historie ofte beschryving van 't Utrechtsche bisdom, dl. 2 (Leiden: Christiaan Vermey, 1719) p. 246-255; J.A.F. Kronenburg, Maria's heerlijkheid in Nederland, dl. 6 (Amsterdam: Bekker, 1909) p. 153-161; L.J. van der Heijden, Geschiedenis van het miraculeuse beeldje van O.L. Vrouw van Eiteren en van de parochie van den H. Nicolaas te IJsselstein (IJsselstein: parochie H. Nicolaas, 1936; herdr. in 1956 en 1986); A.B. Haefkens, 'O.L. Vrouw van Eiteren in eere hersteld', in: Katholieke Illustratie 70 (1936) p. 1687; J.J. Abbink Spaink, IJsselstein verleden en heden. (IJsselstein: Gemeentebestuur, 1962); R.J. Ooyevaar, De St. Nicolaaskerk in IJsselstein. IJsselstein, 1972; R.J. Ooyevaar, 'Eiteren in IJsselstein', in: Historische Kring IJsselstein 1 (okt. 1976) p. 4-11; Louise van Tongerloo, 'Middeleeuws IJsselstein', in: Historische Kring IJsselstein 4 (sept. 1977); J. van Herwaarden, Opgelegde bedevaarten (Assen-Amsterdam: Van Gorcum, 1978) p. 693; I.B. Jorna, K. Witteveen en A. Hulsman, Kerkegids IJsselstein. Extra uitgave van de Historische Kring IJsselstein 18 (juli 1981; 40 p.); O.L. Vrouw van Eiteren, Hulp in nood 1936-1986. Jubileumuitgave van het parochieblad Samengaan (1986); Brigitte Geurts, Renata Mimpen, Inventarisatie historische bebouwing gemeente IJsselstein (Utrecht 1987); A.H.M. van Schaik, Katholiek rond de basiliek: kerk, arbeid en onderwijs in IJsselstein, 1887-1987 (IJsselstein 1987); Roland Blijdenstein ed., IJsselstein geschiedenis en architectuur (Zeist 1989); bevat ook veel fotomateriaal; H.P. Andriessen, 'Lourdes van Utrecht trekt honderden pelgrims', in: De Limburger, 7 juli 1995; Pius jaarboek. Almanak katholiek Nederland (Houten: Bohn etc., 1996) p. 350-351; Guido Elias en Bert Stienaers, Bedevaarten. Voor pelgrim en toerist (Roeselaere-Baarn: Globe-De Fontein, 1997) p. 145.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier IJsselstein; Meertens Instituut volkskundige vragenlijst 64a+b (1993); Utrecht, Stichting Kerkelijk Kunstbezit in Nederland: dossier r.k. St. Nicolaaskerk te IJsselstein; het Comité van O.L. Vrouw van Eiteren heeft van de periode vanaf 1936 foto's bewaard. Er zijn ook geluidsbanden en dia's. Er bestaat een website over de Mariaomgang: www.ommedracht.nl; Collectie 'O.L. Vrouw van Eiteren' van A.J. Bomans, opgenomen in BiN-dossier (acquisitie 2012).

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<