HomeDatabankenBedevaarten

Houthem-Sint Gerlach, H. Gerlach (Gerlac[h]us) van Houthem

Mail voor aanvullingen en commentaar
Cultusobject: H. Gerlach (Gerlac[h]us) van Houthem
Datum: 5 januari (+ octaaf); dinsdag na Pinksteren; elke dinsdag
Periode: Ca. 1165 - heden
Locatie: Parochiekerk van St. Gerlach, Gerlachuskapel, -put en wegkapel
Adres: Norbertinessenhof 1, 6301 KB Houthem-Sint Gerlach
Gemeente: Valkenburg aan de Geul
Provincie: Limburg
Bisdom: Roermond
Samenvatting: De bedevaart naar het graf van de heilige kluizenaar Gerlach is reeds spoedig na zijn dood (ca. 1165) begonnen. In het eerste kwart van de 13e eeuw werd, ter geestelijke en materiële verzorging van de pelgrims, op deze locatie een norbertijns klooster gesticht. Vanaf het begin van de 14e eeuw liep de verering geleidelijk aan terug, totdat omstreeks 1600 bisschop Cuyckius van Roermond de devotie voor St. Gerlach weer nieuw leven inblies. De hervonden bron of put met geneeskrachtig Gerlachwater kwam toen centraal te staan binnen de verering. Sinds de bouw van de huidige bedevaartkerk in de jaren 1721-1727 heeft de verering zich weer naar het gebeente en het daarmee verbonden zand verlegd.
Auteur: Augustinus van Berkum
Illustraties:
(Klik op afbeelding voor vergroting)
Topografie - Houthem-Sint-Gerlach is gelegen tussen Meerssen en Valkenburg, ten noorden van de Geul en ruim een kilometer ten oosten van de oude dorpskern Houthem ('de Vroenhof'). De bedevaart gaat naar de kerk van Sint Gerlach, welke sinds 1808 de parochiekerk is. Dit is de plaats waar de kluizenaar Gerlach zich omstreeks 1157 vestigde, eerst enkele jaren in een holle eik, daarna in een kluis, bestaande uit een kapel, met daarnaast een klein woonvertrek, beide opgebouwd uit het hout van de inmiddels omgehakte eik. Gerlach stierf omstreeks 1165 in zijn kluis en werd in de kapel begraven. In het begin van de 13e eeuw kwam er een norbertijnse vestiging bij de kapel, aanvankelijk een dubbelklooster, gesticht vanuit het norbertinessenklooster te Heinsberg (D), niet ver van Roermond. Toen tussen 1210 en 1220 de kapel bij een overstroming van de Geul onder water kwam te staan, liet Johannes, proost van Heinsberg (1209-1220), een tombe maken, om daarin een schrijn met de overblijfselen van de kluizenaar te plaatsen.
- Bij het Partagetraktaat van 1661 bleef het klooster met de kerk Spaans territorium. Hierdoor kon de Gerlachuscultus ongehinderd blijven bestaan. Het omliggende gebied en het dorp Houthem werden Staats. De 18e eeuw was een bloeiperiode van het klooster. Bij het verdrag van Fontainebleau in 1785 viel het klooster in het kader van een reeks grenscorrecties toe aan de Republiek. Op last van de Staatse overheid ontruimden de zusters op 6 september 1786 hun klooster. Zij namen hun intrek in de leegstaande Roermondse kartuis. Het klooster bleef vervolgens onbewoond. Het Franse bestuur veilde in 1797 het voormalig norbertinessenklooster. De eerste particuliere eigenaar was Mathias Sleypen. Na zijn dood in 1798 ging het complex over in de handen van het echtpaar Schoenmaekers-Sleypen. In 1808 schonk Martin Schoenmaeckers de kerk aan de gemeente Houthem, die haar als parochiekerk in gebruik nam. De aan de familie Schoenmaekers geparenteerde families De Corneli en De Selys de Fanson bewoonden vervolgens het kasteel.
- Baron Robert de Selys de Fanson (1925-1979) was de laatste bewoner van 'het kasteel' (de voormalige proosdij). Na zijn overlijden schonk hij het gehele landgoed (de gebouwen met de voormalige kloostertuin en de landerijen, met o.m. de Gerlachusput) aan de parochie. De parochie erfde feitelijk een enorme schuldenlast, die haar financiële krachten te boven ging. Er werden diverse zeer uiteenlopende plannen ontwikkeld rond het klooster en de landerijen. In 1990 kwam er een overeenkomst met de holding 'Camille Oostwegel Chateau Hotels & Restaurants'. In 1995 werd een begin gemaakt met de restauratie van het voormalige kloostercomplex. In 1997 was de inrichting als hotel-restaurant 'Château St. Gerlach' een feit.

Kerk van Sint Gerlach
- Bodemonderzoek heeft het zeer waarschijnlijk gemaakt dat de middeleeuwse kloosterkapel meerbeukig was. Er is een fundament teruggevonden uit de 13e eeuw, waarop een laatmiddeleeuwse mergelstenen muur stond. Deze kloosterkapel is in 1574 verwoest. Naar de vorm en grootte kan slechts gegist worden.
- In een lijst van vaste bijdragen voor missen uit de tweede helft van de 16e eeuw is sprake van zes altaren, waarvan er een aan St. Gerlach was gewijd. Volgens Hugo, de auteur van de Annales Praemonstratenses, heeft Willem, proost van Houthem tussen 1279 en 1287, de relieken van Gerlach laten overbrengen naar een nog eervoller plaats dan die waar zij sinds het begin van de 13e eeuw stonden. Ofschoon er met zekerheid niets over te zeggen valt, heeft het praalgraf in de middeleeuwse kerk zeer waarschijnlijk gestaan voor het hoofdaltaar, in het koor of op de overgang van koor naar schip. De plaatsing op een van de drie locaties past in de middeleeuwse traditie.
- Na 1574, wellicht rond 1600, werd de kloosterkerk herbouwd in de vorm die afgebeeld is op een processievaantje uit de eerste helft van de 18e eeuw. Dat toont een eenbeukige kerk met een polygonaal gesloten koor en een lage waarschijnlijk nog middeleeuwse toren, die naast het schip is gesitueerd. Schip en koor gaan schuil onder een zadeldak dat voorzien is van dakkapellen. In de noordgevel, naast de toren, was een ingang. De noordgevel had zes merendeels spitsboogvensters. De kerk was 36 meter lang en 12 meter breed en lag ter plaatse van de huidige kerk. Ook deze kerk was, gelet op het blokverband dat het processievaantje vertoont, uit mergel gebouwd.
- Tijdens de Nederlandse Opstand en daarna, tot aan het Partageverdrag van 1661, zijn kerk en klooster bij herhaling door de strijdende partijen toegetakeld en geplunderd. Ook na de verovering van Maastricht door Frederik Hendrik in 1632 hadden de gebouwen meer dan eens te lijden van de oorlogshandelingen.
- Toen de economische situatie rond 1700 verbeterde, begon men de kerk en het klooster geheel of gedeeltelijk te herbouwen en kreeg de oostelijke vleugel, de zogenoemde proosdij, in 1713 haar huidige vorm. De thans bestaande kerk van Sint Gerlach is in de jaren 1721-1727 onder proost Frans van Pelt (†1728) en de priorin Isabella van Ravescot van Kapelle (†1733) gebouwd. De georiënteerde, eenbeukige ruimte met een driezijdig gesloten koor meet inwendig in de lengte 43 meter, in de breedte 11,40 meter en in de hoogte 15,15 meter. Door pilasters wordt zij onderverdeeld in negen traveeën. Langs de zuidzijde van de kerk loopt de voormalige noordelijke kloostergang, waarboven zich nog een gang bevindt, met dezelfde breedte als de kloostergang (ruim 3 m). De bovengang loopt uit op de vroegere 'ziekenloge', een ruimte (ca. 3 x 3 m) welke uitzicht biedt op het priesterkoor. Pas in 1735 is de kerk geconsacreerd door Leonard Jansen, abt van het premonstratenzerklooster Knechtsteden, bij Keulen. In 1751 heeft Johann Adam Schöpf, een barokkunstenaar uit Beieren, het interieur van de kerk beschilderd.
- De wanden van de middelste vijf traveeën vormen een omlijsting van Gerlachus' praalgraf, dat door de verlenging van de kerk midden in de schip kwam te staan, en geven episodes uit zijn leven weer, gebaseerd op de oudste vita (de beschilderde vlakken meten 6 x 3 m of 2,25 x 3 m).
De serie begint aan de zuidelijke wand, in de derde travee vanuit het westen. Gaande naar het oosten ziet men achtereenvolgens 1 Gerlach, als ridder te paard, ontvangt het doodsbericht van zijn vrouw; 2 Gerlach verlaat zijn oude vrienden; 3 Gerlach belijdt zijn zonden aan de paus; 4 Gerlach als veehoeder in het H. Land; 5 Gerlach geknield in gebed naast de holle eik. Aan de noordzijde, vanaf de ingang naar het oosten gaande, zijn de volgende taferelen uitgebeeld: 6 Gerlach predikt voor het volk; 7 spijziging van de armen door Gerlach; 8 Gerlach door de duivel bekoord; 9 Gerlach verandert water in wijn; 10 Gerlach ontvangt op zijn sterfbed het H. Sacrament.
De fresco's 6, 7 en 8 waren omstreeks 1900 dermate verweerd dat men besloot ze te vervangen door op doek aangebrachte schilderingen, uitgevoerd door de Haagse kunstenaar H. Bröcker. Ongeveer 100 jaar eerder, toen de kerk enige tijd buiten gebruik was en verwaarloosd werd, stortte een groot gedeelte van het gewelf in. Volgens een aannemelijke reconstructie heeft men het daardoor grotendeels verloren gegane middengedeelte van de oorspronkelijke beschildering (aansluitend bij de taferelen op de wanden) 'de verheerlijking van de gelukzalige Gerlach', uitgebeeld. Het schip van de kerk is kennelijk gedacht als schrijn rond het gebeente van de kluizenaar. De gewelfschilderingen welke zich onmiddellijk boven de kroonlijst bevinden, bleven bij de ramp van 1808 over het algemeen gespaard. Op de achterwand schilderde Schöpf het Laatste Oordeel. De Maastrichtenaar Hermans heeft omstreeks 1810 de verloren gegane delen van de gewelfschildering vervangen door een tafereel dat de hemelvaart van O.L. Vrouw voorstelt.
- De oorspronkelijke compositie is waarschijnlijk niet door de Duitse schilder bedacht, maar door zijn Houthemse opdrachtgevers, mogelijk nog door Henricus Casteel, proost van 1735 tot 1745, die een veelzijdig en theologisch degelijk onderlegd man was. Er werd zorg voor gedragen dat de schildering achter het altaar betrekking had op het eucharistisch offer. Het grote altaarstuk beeldt Abraham uit, terwijl deze op het punt staat zijn zoon Isaäk te offeren. Het interieur van de kerk is sinds 1850 herhaaldelijk 'gerestaureerd'. In de afgelopen jaren is het interieur naar de situatie van de tweede helft van de 18e eeuw teruggebracht.

Gerlachusput
- Ongeveer 400 meter ten oosten van de kerk ligt de Gerlachusput op de zogenoemde Putbeemd, die in verschillende periodes een grote rol gespeeld heeft in de bedevaart naar St. Gerlach. Reeds in de oudste levensbeschrijving, daterend uit ca. 1227, is sprake van een bron of put waaruit Gerlachus zich van drinkwater voorzag. Deze put zou op een gegeven moment, enige decennia na Gerlachs dood, zijn verwaarloosd en vervuild, totdat een broeder van de Houthemse kloostergemeenschap het initiatief nam hem weer op te knappen. Oorspronkelijk zal het een natuurlijke bron of wel geweest zijn, waaromheen een houten beschot of ton was aangebracht, zodat er een reservoir ontstond. Door verwaarlozing was 'de Gerlachusput' in de 16e eeuw onvindbaar geworden. Op verzoek van Cuyckius, bisschop van Roermond, werd de put, dankzij de aanwijzingen van een 100-jarige knecht van het norbertinessenklooster, op de dinsdag na Pinksteren 1599 opgespoord en teruggevonden. Of dit ook de plaats van de oorspronkelijke put was, is de vraag. Uit Gerlachs levensbeschrijving komt naar voren dat de put zich direct naast de kluis bevond. Vermoedelijk lag de 12e-eeuwse bron of put beduidend dichter bij Gerlachs kluis (waaromheen later het kloostercomplex ontstaan is), dus verder naar het westen.
- Hoewel een schriftelijk getuigenis hierover ontbreekt, is het aannemelijk dat men in of kort na 1599 de bron duidelijk gemarkeerd heeft, vermoedelijk door de bouw van een stenen overhuiving. De gemetselde, eivormige putschacht wordt gedateerd eind 16e, begin 17e eeuw. Op een devotieplaatje uit 1735 en op een fresco uit 1751 in de kerk, is een dergelijk gebouwtje weergegeven. Toen kerk en klooster in 1661 een Spaanse enclave gingen vormen, viel de put er echter buiten. Of dit consequenties had voor zijn rol binnen de cultus, is onduidelijk.
- Het huidige bouwsel is echter uit later tijd. De Maastrichtse tekenaar-arts Van Gulpen heeft omstreeks 1840 de put tweemaal getekend: een tekening met het onderschrift 'Puit[s] de St Gerlach' en een andere met het onderschrift 'nouveau puit[s] de St Gerlach'. In die tijd is blijkbaar een nieuwe of gerenoveerde put-opbouw gerealiseerd. In grote lijnen komen de twee gebouwtjes overeen, maar de nieuwe put is iets fijner afgewerkt en wordt bekroond door een beeldje van de kluizenaar (niet het huidige). De plechtige terugvoering van Gerlachs gebeente vanuit Roermond in 1841 was mogelijk de aanleiding voor een renovatie.
- Het uit mergelsteen opgetrokken gebouwtje is anno 1999 zeshoekig en de wanden zijn aan de buitenzijde ongeveer een meter hoog (⊘ binnenwerks 115 cm). De hoogte tot aan de lijst van het dak boven de put bedraagt 225 cm, terwijl zich daarboven nog een zeshoekig stenen puntdak verheft van ruim een meter hoog. Dit wordt bekroond door een eenvoudig staand beeldje van St. Gerlach (ca. 50 cm hoog). De schacht is minstens 4 à 5 meter diep. Bodemonderzoek is tot op heden niet verricht. Op de bovendorpel van de voorzijde is in 1972 een gedenksteen aangebracht met het opschrift: 'De put van de heilige Gerlachus / 1172 - 1972 / Pastoor P.J. Houben - Baron de Selys'. In het laatstgenoemde jaar was de put weer opgeknapt. Het gebouwtje staat op een grasveldje en wordt omgeven door bomen. Deze aanleg dateert van na 1940. De put is bereikbaar via de Joseph Corneli Allee, die naar hotel Château St. Gerlach voert. Vlak voor de slagboom, die toegang verleent tot het domein van het hotel, begint links een grindpad dat naar de put leidt.

Wegkapel van Sint Gerlach
- De wegkapel van St. Gerlach ligt op ca. 300 meter ten westen van de kerk op het kruispunt van de Onderstestraat en de weg die naar de molen van Geulhem voert. Deze forse wegkapel is in 1870 op een driesprong midden in het dorp gebouwd, op de plaats waar volgens een mondelinge traditie uit de 19e eeuw de holle eik gestaan zou hebben. Deze late overlevering laat zich slecht combineren met de vitae waaruit naar voren komt dat de eik en de latere kluis vlak bij elkaar gelegen hebben, op de plaats van de latere kerk. Ter plaatse van de wegkapel stond in 1840 een wegkruis. De wegkapel, waarvan de voorzijde naar het noorden is gericht, bestaat uit een halfronde nis, omkaderd door een neoklassieke gevel, welke bekroond wordt door een architraaf met timpaan. Op het hoogste punt verheft zich een kruis (hoogte ca. 50 cm). Het grondvlak van de nis heeft de vorm van een trapezium. Het geheel is opgebouwd uit mergel en Kunrader steen. De totale hoogte (zonder kruis) bedraagt 6 meter, de breedte 3 meter. De nis, die wordt afgesloten door een rondboog, is ca. 3,70 meter hoog, binnenwerks 1,65 meter breed en 1 meter diep. In de nis staat een van de voormalige zijaltaren van de kerk. Dit altaar dateert waarschijnlijk uit 1808, en is opgebouwd uit een tombe en een retabel. De tombe is getooid met een groot cirkelvormig ornament in bladgoud, waarop de woorden 'Sancte Gerlace o[ra] p[ro] n[obis]' zijn aangebracht. De retabel bestaat uit een halfronde nis, geflankeerd door twee pilasters, voorzien van vergulde cannelures. Boven de nis is een vergulde lauwerkrans aangebracht. Op het veld daarboven, dat door in- en uitzwenkende voluten wordt begrensd, ziet men een driehoek met het alziend oog van God, omgeven door een vergulde stralenkrans. In de nis stond aanvankelijk het houten Gerlachusbeeld. Uit veiligheidsoverwegingen is dit later door een monochroom witte replica uit gebakken klei vervangen. De kapel, die in 1949-1950 en 1977 is gerestaureerd, is afgesloten door een traliehek.

De nieuwe Sint Gerlachuskapel
- Sinds 1995 is er een nieuwe sacrale ruimte voor de Gerlachusverering ingericht, die mogelijk een rol kan gaan spelen in de bedevaart. Bij de restauratie van de voormalige kloostergebouwen in 1995 is in de gereno-veerde verbindingsruimte tussen de kerk en het 'stiftgebouw' (de westelijke vleugel van het complex) een St. Gerlachuskapel gerealiseerd (ca. 12 x 7 m en 5 m hoog). De kapel zal tevens gaan fungeren als dag-kapel voor de parochie. De ruimte is ontworpen door J. Hamers, verbonden aan de architectengroep Mertens te Hoensbroek. Men betreedt de op het noorden gerichte kapel vanuit een parallel lopende gang. De vlakke zoldering wordt geaccentueerd door een cassettenplafond, terwijl de vloer bestaat uit grote zwarte plavuizen. In de westelijke (buiten)muur bevinden zich vijf nissen. Behalve de beide toegangsdeuren is in de oostwand een aantal lange, verticale openingen aangebracht.
- De gesloten zuidwand wordt geheel ingenomen door een mozaïek, gecombineerd met frescoschilderingen (4,5 x 6,85 m). Het mozaïek is in 1997 vervaardigd door Irene van Vlijmen en bevat 520.000 stukjes in 260 kleuren en 20 kleuren goud. De symboliek heeft betrekking op de bemiddelende rol van Gerlach tussen mens en God. Gerlachus staat centraal in het mozaïek met rechts van hem de holle eik en links het klooster en de kerk.
- Ten noorden van de kerk is ook een pelgrims- en bezoekerscentrum ontworpen, voorzien van een ontvangsthal, een presentatieruimte voor zo'n 50 personen en een winkel.
Cultusobject De persoon Gerlach
- De bedevaart naar Houthem-Sint-Gerlach betreft de gelijknamige kluizenaar die daar geleefd heeft en begraven ligt, alsook de voorwerpen die op een of andere manier met hem in verbinding staan of stonden. Voor onze kennis over St. Gerlach is men vooral aangewezen op een anonieme Latijnse levensbeschrijving, welke omstreeks 1227, ongeveer 60 jaar na zijn dood, door een lid van het norbertijnse convent in Houthem te boek is gesteld (editie in 1600 door Ghoyee). De schrijver baseert zich bijna uitsluitend op de mondelinge overlevering van de streek en enkele van zijn zegslieden hebben de heilige nog persoonlijk gekend. Bovendien had de auteur enige oorkonden onder handbereik die aan Gerlach hadden toebehoord of zich nog ter plaatse bevonden. Het werkje bestaat uit twee delen: de eigenlijke vita of levensbeschrijving, en de Miracula of wonderen en gebedsverhoringen, welke op voorspraak van St. Gerlach na zijn dood zijn geschied, vrijwel allemaal bij zijn graf.
- Geboren omstreeks 1120 uit een adellijk geslacht in of bij Maastricht, bekwaamde Gerlach zich aanvankelijk in het krijgsbedrijf. Verblind door zijn faam van dapperheid en kracht, leidde hij als jongeman een lichtzinnig en weinig stichtelijk leven. Met deze periode, die ongeveer 30 jaar duurde, bijna tweederde van zijn leven, houdt de hagiograaf zich nauwelijks bezig. Een keerpunt vormde de plotselinge dood van zijn vrouw, waardoor hij de ijdelheid van zijn levenswijze inzag. Na zijn bekering trok hij slechts nog barrevoets en in een haren boetehemd rond en vertrok als boeteling naar Rome en Jeruzalem. Met een schriftelijke goedkeuring van de paus keerde hij na enige tijd in de Geulstreek terug als kluizenaar. Ongeveer 1250 meter ten oosten van de parochiekerk van Houthem nam hij zijn intrek in een grote holle eik. Zijn brood mengde hij met as en het enige wat hij dronk was water uit de bron, niet ver van zijn eik. Aldus begint de laatste periode van zijn leven, die nog eens zeven jaar zal duren, maar duidelijk uiteenvalt in twee delen, vóór en na het ingrijpen van de Luikse bisschop.
- Elke morgen liep hij blootsvoets, via Berg en Terblijt, naar de ⟶ St. Servaaskerk in Maastricht, een afstand van bijna 9 km. De slechte weg maakte er een soort boetetocht van. In de kerk vroeg hij God, op voorspraak van St. Servaas, om vermeerdering van geloof, hoop en liefde, en een dieper inzicht in het mysterie van de H. Drievuldigheid. 's Zaterdags trok hij naar de dom van Aken, toegewijd aan O.L. Vrouw. De deugdbeoefening en ascese van de kluizenaar wekten alom bewondering. Maar de monniken en clerici van de benedictijnse proosdij in ⟶ Meerssen, onderhorig aan de St. Remigiusabdij te Reims, waren er niet mee ingenomen. Het kerkje van Houthem ('de Vroenhof') werd bediend door clerici in dienst van deze proosdij, en zij beklaagden zich bij de bisschop van Luik. Norbertus - door de hagiograaf als 'bisschop van Luik' betiteld, maar vermoedelijk slechts wijbisschop - kwam naar Houthem en liet de eik omhakken, omdat de kluizenaar daarin een grote som gelds verborgen zou houden. Toen het de bisschop duidelijk werd dat hij verkeerd was ingelicht, betreurde hij zijn overhaaste optreden en nam de zorg voor de ontheemde kluizenaar op zich. Hij onttrok Gerlach aan de rechtsmacht van de monniken der proosdij en belastte de abt van Rolduc met de geestelijke leiding. Uit het hout van de gevelde eik liet Norbertus planken zagen en daarmee twee vertrekken bouwen, als kapel en als gecombineerd woon- en slaapvertrek.
- Intussen raakte Gerlach steeds bekender. De Duitse mystica Hildegard van Bingen zond hem zelfs het bloemenkransje dat zij bij haar maagdenwijding van de bisschop had ontvangen. Oda, vrouwe van Heinsberg en eigenares van het domein waarop de kluizenaar verbleef, schonk hem als blijk van haar hoge achting enkele stukken grond, onder andere het terrein rond zijn kapel.
- Op Passiezondag voorafgaand aan het jaar waarin hij stierf, zou het water uit de bron, niet ver van zijn kluis, tot driemaal toe in wijn zijn veranderd. Toen de priester Rutger hem de beker aanreikte, verzekerde Gerlach hem, dat hij al 14 jaar lang geen wijn meer had gedronken en het daarom ongepast vond dit ineens wél in de passietijd te doen. Toen het wonder zich daarna nog tot tweemaal toe herhaalde, dankte hij God voor deze bijzondere attentie. Impliciet verwees deze gebeurtenis naar Gerlachs dood op de vooravond van Epifanie. Hierna gaf Gerlach aan de verzamelde vrienden de opdracht zijn lichaam, gehuld in zijn maliënkolder en haren kleed, in zijn eigen oratorium te begraven. Daarop stierf hij, nog geen 50 jaar oud, op 5 januari vermoedelijk in 1165 of 1166. Volgens de overlevering zou hij het viaticum hebben ontvangen van een geheimzinnige grijsaard, niemand anders dan de H. Servatius.

Relieken
- Toen na een overstroming van de Geul tussen 1215 en 1220 kapel en graf onder water kwamen te staan, kwam Gerlachs lichaam 'in een modderpoel te liggen'. Door het ingrijpen van proost Johannes van het klooster Heinsberg werden de beenderen gereinigd en overgebracht naar een graftombe die men speciaal hiervoor had gemaakt. Tijdens het bestuur van Willem, proost van Sint-Gerlach van ca. 1279 tot 1287, werd het gebeente in een nieuw praalgraf geplaatst. Vermoedelijk zijn bij die gelegenheid de relieken in een gewaad gewikkeld dat oorspronkelijk als liturgisch bovenkleed voor een subdiaken (in het Latijn tunica of tunicella) was bedoeld en daarom, overigens minder juist, de 'tunicella van Sint Gerlach' wordt genoemd (wel te onderscheiden van het haren boetekleed dat hij tijdens zijn leven heeft gedragen). Volgens Flury-Lemberg dateert de tunicella uit de 10e of 11e eeuw. Toen men in de 18e eeuw een nieuwe reliekenkist vervaardigde, werd het gebeente voorzien van een nieuw omhulsel, waarschijnlijk omdat de tunicella bij de opening van de schrijn reeds te veel verweerd was. Uit respect voor het gewaad werd de tunicella voorzichtig opgevouwen en apart in een nieuwe hoes gesloten. Zo vond men dit kledingstuk bij het onderzoek van de schrijn in 1869. Na de restauratie welke aan het einde van de 20e eeuw werd uitgevoerd zal het te zien zijn in een schatkamer. Afgezien van het gebeente is de tunicella het enige nog bestaande voorwerp uit de middeleeuwen dat verband houdt met Gerlachus. Alle andere objecten zijn jonger.
- Het gebeente bevindt zich thans nog in de 18e-eeuwse barok-geornamenteerde reliekschrijn (134 x 43 x 53 cm) onder het altaar achter in de kerk. De schrijn is waarschijnlijk in 1783 tegelijk met het praalgraf vervaardigd. De huidige beschildering van de kist vertoont echter een 19e-eeuws karakter: op een met goud afgezette donkerbruine achtergrond zijn bladmotieven aangebracht in neogotische trant. Dat kan gebeurd zijn, toen de kist in 1868 onder het nieuwe altaar achter in de kerk is geplaatst en men daarbij altaar en schrijn meer met elkaar in harmonie heeft willen brengen. Oorspronkelijk stond de kist namelijk aan het hoofdeinde van de cenotaaf midden in de kerk. Zo heeft tekenaar Van Gulpen de situatie weergegeven op de schets die hij rond 1845 maakte. De kist op de schets vertoont dezelfde kleuren als de cenotaaf. De twee liggende runderen (hout; ca. 50 cm lang) die de schrijn thans schragen zijn, te oordelen naar de vormgeving, in de tweede helft van de 19e eeuw toegevoegd. Er waren in 1999 plannen om de schrijn daar weg te halen en de relieken in het praalgraf in het midden van de kerk een 'waardiger' plaats te geven.
- Voordat de schrijn in 1869 onder het nieuwe altaar werd geplaatst, heeft men de inhoud ervan nauwkeurig vastgelegd. De kist bevatte vier pakketten. In het eerste bevond zich het gebeente van St. Gerlach, nog bestaande uit 23 grote beenderen met wat kleine stukjes, en enkele opschriften; in het tweede het koord of de cingel van de heilige; in het derde de tunicella en enige kruisjes die geen verband houden met de verering van St. Gerlach; in het vierde verschillende beenderen van andere heiligen. De inhoud van het eerste pakket is in 1869 gedetailleerd beschreven door de Maastrichtse arts J.J. Germain. Ook in 1929, 1958 en 1995 heeft men dit alles onderzocht en beschreven. Het fysisch-antropologische onderzoek in 1995 naar het in de kerk aanwezige gebeente (zie Pasveer, 1995) heeft uitgewezen dat deze afkomstig zijn van een man die rond de 12e eeuw heeft geleefd, die ongeveer 40 jaar oud is geworden en die een lengte van ongeveer 1,77 meter had. Niet kon worden aangetoond dat het niet om de beenderen van Gerlach zou gaan. Een overtuigend bewijs dat het de werkelijke resten van de H. Gerlach zijn, was evenmin te leveren.
- Het skelet is evenwel niet volledig bewaard gebleven. Diverse wervels en ribben, de handen en het grootste gedeelte van de voetbeenderen zijn in de loop der eeuwen in kleinere schrijnen overgebracht, dan wel verpulverd of verdwenen. In de kerkschat van Houthem bevindt zich een reliekhouder van gegoten geelkoper in rozetvorm (⊘ 9 cm), daterend uit het laatste kwart van de 19e eeuw. In de ronde theca ziet men een tand, die volgens het omschrift 'Dens Sancti Gerlachi' tot het gebit van onze kluizenaar heeft behoord.
- Al vroeg is men de schedel apart gaan vereren. In 1704 vervaardigde de Maastrichtse kunstenaar Frederik Wery het zilveren borstbeeld (hoogte 46 cm; breedte 37 cm). Boven in de haarpartij van het hoofd is een ronde, met glas afgesloten opening (⊘ 8 cm) aangebracht, waardoor een gedeelte van de witte dwaal te zien is waarin de schedel is gewikkeld. De onderkaak hiervan ontbreekt. Het schedeldak kan naar achteren opgeklapt worden. Het bijschrift bij de reliek luidt: 'Reliquiae capitis S. Gerlachi conf.' Het beeld rust op een in barokstijl uitgevoerd voetstuk met voluten. Deze standaard is 41 cm breed en kan ten behoeve van processies op een draagbaartje gemonteerd worden. Dit borstbeeld zal een plaats in de schatkamer boven het museum krijgen; de pastoor van Houthem overwoog in 1999 om een kopie van het kostbare borstbeeld in de nieuwe Gerlachkapel te plaatsen.
- De cingel of het koord van Gerlach, gevat in een foedraal van rode zijde, is na het onderzoek van 1869 apart gehouden en in een neogotisch, geelkoperen ostensorium geplaatst. Deze staande reliekhouder is 70 cm hoog en rust op een zeszijdige, geprofileerde voet (⊘ ca. 16 cm, hoogte ca. 20 cm), waarop Gerlachus gegraveerd is in de holle eik, geflankeerd door een paard en een rund. Daarboven is de cingel, in een oplopende spiraal geborgen in een glazen cilinder ⊘ 7 cm, hoogte ca. 12 cm). Het bijschrift luidt: 'Cingulum Sti. Gerlachi'.
- Het neogotische houten altaar, waaronder de reliekschrijn zich in 1998 bevond, bestaat uit een mensa of altaartafel zonder retabel. Het altaar is in 1869 gemaakt door het Roermondse atelier Lennaerts & Houtermans. Dit retabel moet er wel geweest zijn, zoals uit de verkleuringen en enkele ronde gaten aan de rand van de mensa nog te zien is. Het geprofileerde altaarblad (237 x 70 cm) wordt aan weerszijden door twee rechthoekige ondersteuningen gedragen. Vooraan in de ruimte tussen deze ondersteuningen hangen aan kettinkjes vier geelkoperen lampjes, waarin waxinelichtjes kunnen worden ontstoken. Altaar en reliekenkist staan onder het oxaal achter in de kerk. Voor de reliekenkist staan kaarsenbakken met waxinelichtjes en noveenkaarsen. Boven het altaar bevindt zich een schildering van de annunciatie.

Praalgraf
- In 1783 werd op het graf van Gerlach, centraal gelegen in de kerk, een witgeschilderde houten tombe gebouwd, die versierd is met guirlandes en eikenloof. De kern van de houten constructie is van mergel. Op de tombe (2 x 1,4 x 1 m) werd een witgeschilderd houten beeld van Gerlach geplaatst liggend op een praalbed. Onder de gevouwen handen houdt hij een lange pelgrimsstaf, terwijl het kruis van Jeruzalem op zijn borst ligt. Het hoofd, dat getooid is met een stervormige aureool van messing en grote gelijkenis vertoont met het borstbeeld, rust op een kussen. Het barokke beeld is 1,4 meter lang. Aan het hoofdeinde stond tot 1869 de reliekenkist.
Tegen het voeteneinde staat, geheel in dezelfde stijl, een klein altaar, met dezelfde kleur en versieringen. De altaartombe meet ca. 156 x 35 cm. In het midden van de voorzijde is onder een guirlande, die met een goudkleurig lint bijeengehouden wordt, een medaillon (⊘ 50 cm) aangebracht met de tekst: 'S. Gerlace, ora pro nobis', en het jaartal 1783. Aan het hoofdeinde van de tombe ziet men op een soortgelijk medaillon het chronogram: 'Mortvvs Hic Vigilia Epiphaniae' ('Op deze plaats overleden aan de vooravond van 's-Heren Verschijning' (5 januari), hetgeen het (onjuiste) sterfjaar 1171 oplevert). Onder de tombe ligt het Gerlachuszand, dat met behulp van een schepje kan worden meegenomen. Dit 'zand' is in feite vermalen mergel afkomstig uit een van de mergelgroeven in de buurt. De tradities rond en de aanwezigheid van het zand zouden een indicatie kunnen zijn, dat ter plaatse van het praalgraf zich het echte graf van Gerlachus bevond.

Beelden
- Omstreeks 1867 is een neogotisch, monochroom overgeschilderd houten beeld gemaakt van St. Gerlach. Het beeld vormde de bekroning van het Gerlachusaltaar (fa. Thissen, Roermond), dat rechtsvoor in de kerk stond. Het beeld (165 cm hoog) geeft de heilige in staande houding weer. In zijn linkerhand houdt hij de pelgrimsstaf, terwijl hij de rechter op zijn borst legt. Zoals gewoonlijk is de kluizenaar hier blootsvoets en gekleed in een norbertijns habijt; bovendien draagt hij het kruis van Jeruzalem op zijn borst. Oorspronkelijk was dit beeld overhuifd en geflankeerd door een holle eik die anderhalve meter boven de eigenlijke beeltenis uitstak. Deze omlijsting is thans verdwenen. Het beeld is nu opgesteld aan de linkerzijde in het priesterkoor.
- Pastoor Willem Vreeën liet in 1786 door een zekere Delcommune een Gerlachusbeeld (113 cm hoog) vervaardigen, dat hij plaatste in de aan Martinus gewijde parochiekerk. Het beeld toont Gerlach staande in de holle eik. Hij draagt een wit habijt en is blootvoets. Hij heeft een staf in zijn handen. Om zijn middel heeft hij een dun koord en om zijn hals hangt een borstkruis. Het beeld stond tot 1808 in de Martinuskerk en verhuisde vervolgens naar de Gerlachuskerk. Pastoor Beckers stond het beeld in 1870 af voor de wegkapel. Van dit houten beeld is een witte, deels vergulde replica gemaakt uit gebakken klei. De replica staat thans in de wegkapel. Het 18e-eeuwse beeld stond in 1999 in de kluis/schatkamer van de parochiekerk.
- Een derde beeld, vervaardigd in 1876, bevindt zich buiten de kerk hoog tegen de westgevel. Dit sterk verweerde beeld (hoogte ca. 2 m) is gekapt uit mergel en is een navolging van het liggende beeld op de cenotaaf. De pelgrimsstaf ontbreekt. Het beeld staat in een ondiepe nis met een schelpvormige afsluiting. Deze laatste twee beelden spelen geen speciale rol in de devotie van de pelgrims.
Verering - Wanneer de in- of minder actieve periodes, omstreeks 1300 tot eind 16e eeuw en de jaren 1786-1808, buiten beschouwing worden gelaten, blijven er nog ruim vijf eeuwen over waarin St. Gerlach in meer of mindere mate in Houthem is vereerd. Uit de bronnen is wel duidelijk dat deze verering aan allerhande verschuivingen en wijzigingen onderhevig is geweest. Niet alleen veranderden enkele malen de materiële objecten die een functie hadden bij de cultus, maar ook de politieke omstandigheden, terwijl meer dan eens legerbenden vernielingen in Houthem hebben aangericht. Maar wellicht nog meer zijn het de geleidelijke veranderingen op medisch, maatschappelijk, spiritueel en religieus gebied die de aard van de verering bij herhaling gewijzigd hebben.

De middeleeuwen, van ca. 1165 tot ca. 1600
- De hier beschreven bijzonderheden over deze tijd berusten vrijwel uitsluitend op het tweede deel van de Vita, uitgegeven door Ghoyee, de zogenoemde Miracula, lopend van circa 1165 (sterfjaar van Gerlach) tot omstreeks 1227. Het betreft hier onder meer wonderen in de strikte zin, maar ook, en nog vaker, frappante gebedsverhoringen, opgetekend door de hagiograaf, die er naar gestreefd heeft oog- en oorgetuigen zelf te laten spreken en alles naar best vermogen te verifiëren.
- In de periode 1165 tot 1227 lag op basis van de gegevens van Gerlachus' oudste biograaf het verspreidingsgebied van Gerlachs verering tussen Tongeren en Keulen, en (van noord naar zuid) tussen Roermond en Luik, met enkele uitschieters naar de streken ten oosten van de Rijn en de Ardennen (zie het kaartje met de door hem genoemde pelgrimsherkomsten). Verdere vereringsgegevens zijn er voor deze periode niet overgeleverd. Vanaf ongeveer 1300 tot na het Concilie van Trente, dat eindigde in 1563, zwijgen de bronnen zelfs geheel over bedevaarten naar Gerlachs graf. In hagiografische geschriften uit de 15e eeuw worden nog wel Gerlachus' naam en enkele bijzonderheden over hem vermeld. Zo neemt Johannes Gielemans, koorheer nabij Brussel, rond 1475 een beknopte Vita Gerlachi op in zijn hagiografische bloemlezing, gevolgd door een langer gedeelte in dichtvorm, dat hij praktisch letterlijk overneemt uit een Keuls devotieboek, daterend uit de eerste helft van de 15e eeuw. Ook liturgische kalenders e.d. uit de 15e en 16e eeuw te Maastricht, Keulen en in de cisterciënzer abdij Kamp-Lintfort (D), niet ver van Wezel, maken melding van Gerlachus.
- De mannelijke en vrouwelijke vereerders blijken in deze periode niet alleen van alle leeftijden te zijn, maar ook uit nagenoeg alle lagen en klassen van de maatschappij te komen. Wanneer wordt uitgegaan van de Miracula, vormt het smeekgebed voor het verkrijgen van een goede gezondheid van mens en dier bij verreweg de meeste van deze bedevaartgangers een belangrijk aspect van hun vroomheid. De geregistreerde Miracula betreffen dan ook vooreerst en vooral (totale of partiële) genezingen van allerlei menselijke kwalen en ongemakken.
Genoemd worden: zweren en gezwellen; aandoeningen van de baarmoeder; verlamming; blindheid; epilepsie; koorts; hoofdpijn; tandpijn; dysenterie; zere voeten; niet nader gepreciseerde kwalen; genezingen van zieken in de terminale fase; dodenopwekkingen; genezingen van huisdieren, vooral hoornvee en paarden bij besmettelijke ziekten, uitputting of kreupelheid.
Hoewel op zijn voorspraak ook gebedsverhoringen plaatsvonden op grote afstand van zijn heiligdom en zonder direct verband daarmee, gebeurden de mees-te ofwel in Houthem zelf, ofwel tijdens de tocht daarheen. Ook vonden wraakmirakelen plaats, zoals van de man die zogenaamd uit devotie de vereerde schedel wil kussen, maar er tegelijk een tand uittrekt. Een jaar later tot inkeer gekomen brengt hij de tand terug, maar heeft intussen zijn vermetelheid met het verlies van al zijn tanden moeten bekopen.
- Met overblijfselen van Gerlachs doodkist werden zoveel wonderbaarlijke weldaden verricht dat de hagiograaf, vanwege 'de door hem nagestreefde beknoptheid', ze niet allemaal kon benoemen. Nauwelijks minder hoog aangeschreven stond de aarde rondom resten van de kist in situ. Men nam deze 'heilige grond' mee naar huis, vermengde hem met water en gaf dit te drinken aan de zieken. Met name koortslijders vonden hierbij baat. Ook legde men deze aarde wel op zieke of zere ledematen. Een vrouw uit Heerlen probeerde er heimelijk, en 'met kwade bedoelingen' mee vandoor te gaan. Zij verstopte er wat van in haar kleed, maar op slag werd de aarde in een soort bloed veranderd. Iets vergelijkbaars overkwam ook andere 'kruimeldieven'. Toen er na verloop van tijd geen 'aarde rond de doodkist' meer beschikbaar was, werd de voorraad aangevuld met gezegend mergelzand uit de naaste omgeving, zodat iedereen die het wilde er iets van mee kon nemen, bij wijze van 'reliek in de meest ruime zin'.
- Twee cultusobjecten welke momenteel zijn verdwenen, maar in de middeleeuwen nog werden vereerd, zijn Gerlachs haren boetekleed en zijn koperen kruisje als aandenken uit Jeruzalem. Conform zijn wens is het hem meegegeven in het graf. In het haren boetehemd, dat hij altijd droeg, is hij begraven. Bij de verheffing van zijn gebeente omstreeks 1217 was er een fragment van teruggevonden. Men verwerkte het in een kussentje en bevestigde daarop het kruis. Beide voorwerpen vindt men weergegeven op de hierboven beschreven zilveren buste uit 1704. Deze relieken werden door de pelgrims met grote eerbied gekust en vele zieken herkregen daardoor de gezondheid. Ook raakte men met het kruis een ziek of niet functionerend lichaamsdeel aan. Zo werd een vrouw van haar blindheid genezen en een andere van een pijnlijke kwaal aan haar voet. Het haren boetekleed dient men, zoals gezegd, wel te onderscheiden van de 'tunicella van Sint Gerlach', die geen speciale verering heeft genoten.
- Een ander element van de devotie is het water van de St. Gerlachusput, waarvan de heilige zelf had gedronken en dat volgens de vita tot driemaal toe in wijn veranderd was. Men drinkt ervan en bevochtigt het zieke lichaamsdeel ermee.
- In een vita komt naar voren dat de put op een gegeven ogenblik helemaal vervuild en verwaarloosd was, terwijl zij nog niet lang tevoren vanwege de veelvuldige genezingen die er plaatsvonden bij alle mensen hoog in ere stond en 'niemand er onrein of ongewassen bij dorst te komen'. Overigens voegt de auteur hier onmiddelijk aan toe, daarmee niet te willen beweren dat de put als zodanig iets bovennatuurlijks bezat. Elders staat over het graf in de bedevaartkapel: 'Op een gegeven moment (...) was het onderhoud van de kerk, door armoede dan wel slordigheid, dermate in de versukkeling geraakt (...) dat men graan in het gebouw ging opslaan en dorsen (...), zodat het rond het graf ging krioelen van de muizen (...)'. De verwaarlozing van de bron en het heiligdom moet echter al jaren eerder zijn begonnen. We zagen reeds hoe proost Johannes met goed gevolg in deze situatie ingreep, zodat rond 1227 Houthem weer een druk bezocht pelgrimsoord moet zijn geweest. Men krijgt overigens de indruk dat Ghoyee hier aan de tekst van de middeleeuwse vita het een en ander heeft toegevoegd, want de overeenkomst met de gebeurtenissen van 1599 is opmerkelijk.
- Volgens de Miracula dankten degenen die bij Gerlach heil vonden in de eerste plaats God. Sommigen beloofden in het bedevaartoord al of niet periodiek iets te offeren. Behalve voor de kerk van de heilige was dit ook bedoeld als ondersteuning voor het norbertijnse dubbelklooster dat ermee was verbonden. Een man die van vallende ziekte genas, toonde zijn dankbaarheid door zich wekelijks een niet nader gepreciseerde versterving op te leggen. Vaker is er sprake van de schenking van ex-voto's. Een verlamd meisje dat zich op een wagentje voortbewoog, hing na haar genezing haar wagentje op aan de kerkmuur. Een vrouw, genezen van haar langdurige hoofdpijn, bevestigde (een gedeelte van?) haar hoofdhaar tussen vele reeds aanwezige geloftegeschenken. Een jongetje werd, bevrijd van kreupelheid, door zijn ouders aan St. Gerlach opgedragen (een 'oblatio'), 'om in diens kerk voor altijd God te dienen'.
- Rond 1300 lijkt de verering geleidelijk terug te lopen, tenminste als wordt afgegaan op de vele tientallen oorkonden van het klooster vanaf het einde der 13e tot het einde der 16e eeuw, waarin de verering niet aan de orde komt. Gerlachus' overblijfselen bleven overigens in de kloosterkerk bewaard, alwaar een altaar aan hem was gewijd. Een andere mogelijkheid is dat er een zekere verering in stand bleef, maar dat die na de eerste vereringsoptekeningen niet nogmaals in 'formele' oorkonden een weerslag vond. Pas na het Concilie van Trente (1545-1563) zijn er voor het eerst weer gegevens over de Gerlachdevotie bekend. De Leuvense theoloog Molanus schrijft namelijk in zijn Indiculus Sanctorum Belgii (1573) dat er bij het gebeente van St. Gerlach in Houthem veel wonderen geschieden.

De periode van ca. 1600 tot ca. 1670
- Omstreeks 1600 weet Henricus Cuyckius, bisschop van Roermond van 1596 tot 1609, de pastoors en vooraanstaande leken van zijn bisdom, met name het zuidelijk gedeelte daarvan, voor de bedevaart te interesseren. Na enkele opvallende genezingen, dankzij het water uit de put, komen er pelgrims uit Margraten, Valkenburg en andere plaatsen van het huidige Zuid-Limburg. Uit de verschillende bewerkingen en vertalingen van Gerlachs levensbeschrijving komt naar voren dat hij in die tijd vereerd werd in de Zuidelijke Nederlanden, zowel in het Nederlandstalige als het Franstalige gebied, en daarnaast in het Rijnland.
- Bisschop Cuyckius bezorgde St. Gerlach vooreerst een formele plaats in de diocesane liturgie. In 1604 komt er in de kerkelijke getijden een gedachtenisviering op maandag na Hemelvaart, de dag waarop in 1599 de bron weer plechtig in gebruik genomen is, terwijl de bisschop in 1608 een aantal eigen teksten uitgeeft voor de wisselende stukken van de missen op zijn feestdag. De norbertijnen nemen in 1675 de kluizenaar, 'als zijnde een Premonstratenzer', eveneens in hun kalender van eigen feesten op, maar vieren hem op 14 januari. Verder bevorderde Cuyckius, bij wijze van paraliturgisch element, de aanwending van het water uit de bron als heilbrengend middel. Op maandag 28 mei 1599 ging de bisschop voor in de 'Misse van de heilige Gerlach', waarna men zingend naar de (teruggevonden) bron trok. Voorafgegaan door de zusters en de proost, volgden enige bekende priesters uit het diocees, namelijk de pastoors van Valkenburg, Hulsberg, Gronsveld en Venlo. Cuyckius zelf werd omringd door burgerlijke autoriteiten uit het land van Valkenburg. Nadat de bisschop de bron gezegend had, dronken alle aanwezigen van het water. Toen enkele dagen later de subpriorin, Catharina T'zevel, ernstig ziek werd, genas zij terstond na het drinken van Gerlachwater. Zo verging het ook een oude man uit Holland en enkele jaren later de bisschop zelf, zodat het water uit de bron sindsdien als geneeskrachtig geldt. In het 'Carmen de fonte S. Gerlachi' beschrijft Ghoyee de geneeskrachtige werking van de bron voor zowel mens als dier (vee). Volgens het Proprium van het bisdom uit 1609 werd het Gerlachfeest in die tijd op de maandag voor Pinksteren gevierd.
- De gerenoveerde put werd zodoende het centrum voor de pelgrims, die als vanouds vooral uit het gebied tussen Brussel en Keulen kwamen, met name uit het huidige Zuid-Limburg. Dat de relieken en de aarde rond het graf in de bedevaart toen minder aandacht genoten, kan samenhangen met de lamentabele toestand van de kerk en het klooster, die herhaaldelijk geplunderd waren.
- Hoezeer de verering en de bedevaart naar Houthem in het eerste kwart van de 17e eeuw tot in de verre regio aansloeg, is ook af te leiden uit de verschillende uitgaven van Gerlachs oudste biografie. In 1600 komt, in opdracht van de bisschop, de Latijnse tekst, uitgegeven door Erasmus Ghoyee, proost van het klooster Houthem-Sint-Gerlach, in Maastricht voor het eerst van de pers. In het Gelderse deel van het bisdom krijgt Wilhelmus Cripius een gelijksoortige taak door de bisschop toegewezen als Ghoyee. Zijn werkje is een uittreksel van de door Ghoyee uitgegeven biografie. In 1612 vertaalt de franciscaan Cornelis Thilmans de Latijnse versie in het Nederlands en niet lang daarna geeft de augustijn Jan Neeff(s) te Maastricht en Doornik (!) een Franse versie uit. In 1622 volgt een berijmde bewerking in het Hoogduits, afkomstig uit de norbertijnse abdij van Steinfeld in de Eifel, waarmee het klooster Sint-Gerlach relaties onderhield. In 1664 nam de norbertijn J.L. van Craywinckel een bewerking van Thilmans' vertaling op in zijn verzameling van norbertijnse heiligen, welke in Antwerpen werd uitgegeven.

De ontwikkeling vanaf ca. 1670 tot 1786
- Bij het Partageverdrag van 1661 vielen kerk en klooster van Sint Gerlach binnen de (voor dit doel gecreëerde) Spaanse enclave, maar de put kwam op Staats gebied te liggen. De bedevaartprentjes uit de 18e en het begin van de 19e eeuw wekken niettemin de indruk dat de put een vrij belangrijke rol bleef spelen in de devotie en het programma van de pelgrims.
- Proost Van der Steen (1674-1700) berichtte dat de bedevaartkerk werd onderhouden door 'de offeranden der gelovigen die er in groten getale komen om de bijstand van de hemel, door de voorspraak van Sint Gerlach, te verwerven'. Voor een groot aantal bedevaartgangers ging (en gaat) het niet zozeer om de relieken als wel om de aarde of het zand dat in de stenen sokkel van het praalgraf uit 1783 letterlijk voor het opscheppen ligt. Ongeveer halverwege in de lange zijden bevindt zich namelijk een boogvormige opening van circa 65 cm breed, welke toegang geeft tot de ruimte die grotendeels met zand gevuld is. Het zand wordt gezegend en zonodig aangevuld. De boeren namen of nemen het mee naar huis, bestrooi(d)en er de deel mee en wreven het (in Belgisch Limburg) op de koppen van hun paarden en koeien, hopend op de bescherming van St. Gerlach, die zich in het H. Land een zorgvuldig veehoeder had getoond.
- Henricus Casteel, proost van Sint Gerlach van 1735-1745, bezorgde in 1745 een herdruk van Gerlachs biografie waarin hij, in scholastiek-contrareformatorische trant, de heiligenverering in leer en praktijk verdedigde. De proost toonde zich verheugd dat er veel gelovigen naar Houthem kwamen, al of niet in processie en prees de priorin om haar ijver voor de versiering van Gerlachs graf en beeld.
- Behalve Houthem zelf hebben vooral de norbertijnse abdijen van Tongerlo en Averbode zich voor de verering van St. Gerlach ingezet. Vele van de parochies in de Zuidelijke Nederlanden waarin de verering wortel schoot, werden bediend door norbertijnen en de 17e-eeuwse hagiografen van de orde bezongen de kluizenaar in alle toonaarden. Dat men ook in de 18e eeuw veelvuldig naar Gerlachs rustplaats toog, bewijzen de nog bestaande devotieprentjes en processievaantjes uit die tijd en wordt verder bevestigd door de proosten Van der Steen (1674-1700) en Casteel (1735-1745). De teksten van de prentjes noemen Gerlach een 'Belijder uit de Orde van Premonstreit' en 'Patroon van het bisdom Roermond'.

Een bedevaartoord in ballingschap, 1786 - 1841
- In 1786, bij het Verdrag van Fontainebleau, viel Houthem aan de Republiek toe. De nonnen werden door de Oostenrijkse regering gedwongen naar een klooster op keizerlijk gebied te verhuizen en geen novicen meer aan te nemen. Zij besloten naar het voormalige kartuizerklooster te Roermond te gaan en de verering van St. Gerlach naar die plaats over te brengen. Bijgevolg verhuisde ook de schrijn met de overblijfselen van de heilige kluizenaar naar de bisschopsstad, inclusief het drie jaar tevoren geheel vernieuwde praalgraf. Daar heeft van 1786 tot 1841 verering voor Gerlach bestaan, met enige uitstraling naar de zuidelijke helft van het bisdom.
- In het Roermondse Gerlachheiligdom stond het gebeente centraal in de devotie. Nadat de relieken authentiek waren bevonden, stond bisschop Filip Damiaan van Hoensbroek op 19 mei 1787 toe, dat het gebeente in zijn stad op dezelfde wijze werd vereerd als in Hou-them. Kerk en klooster kregen ook de naam 'Sint Gerlach'. In 1788 verleende paus Pius VI, waarschijnlijk op verzoek van de Roermondse geestelijkheid, een volle aflaat aan allen die op 5 januari of/en de dinsdag na Pinksteren in de kerk van Sint Gerlach kwamen bidden 'voor de vrede (...) en het welzijn van de Kerk'. Vijf januari is de sterfdatum van Gerlachus en dinsdag na Pinksteren herinnert aan de terugvinding van de put in 1599. Tezelfdertijd werkte proost Silmen (†1803) aan een Nederlandse heruitgave van de Vita Sancti Gerlachi, welke verscheen bij Gruyters te Roermond.
- Ondertussen was aan de Geul de kerk gesloten en raakte de put verwaarloosd. De verering voor Gerlach zette zich voort in de parochiekerk rond het door pastoor Vreeën gekochte beeld. In 1788 kreeg de pastoor permissie om het Gerlachusfeest op de dinsdag na Pinksteren plechtig te vieren. In 1808 werd de parochiekerk van Houthem ('de Vroenhof') verruild voor de vroegere kloosterkerk en St. Maarten als patroon verwisseld voor St. Gerlach. Bovendien beloofden de zusters in Roermond om de relieken en al het kerkmeubilair 'à une époque déterminée' naar Houthem terug te brengen. Op 28 augustus 1808 ontving de parochie alvast twee botrelieken van Gerlach uit handen van de zusters. Daarom namen de bedevaarten naar de oorspronkelijke heilige plaats van de kluizenaar in Houthem weer geleidelijk toe. De plek van het graf werd op 5 mei 1821 gemarkeerd door er een hekwerk om te plaatsen. Vanaf 1830 werd elke dinsdag een mis ter ere van St. Gerlach opgedragen (zoals ook thans nog). Omstreeks 1835 werd het de gewoonte om de kist van een overledene boven het graf te plaatsen. Daar moest dan echter wel extra voor betaald worden. In 1837 werden er al zo'n 500 devotieprentjes door de pelgrims afgenomen. Ook vanuit de Belgische provincies Limburg en Luik kwamen groepjes bedevaartgangers, die in herbergen of bij kennissen overnachtten. Zolang het gebeente en het praalgraf zich nog in Roermond bevonden, bleef het centrum der verering echter in de bisschopsstad. Dat men in Houthem zelf Gerlach allerminst vergeten was zou echter spoedig blijken.
-Tot in de jaren dertig van de 20e eeuw bleef in ⟶ Roermond (in het grootseminarie) een devotie voor Gerlach bestaan en haalden boeren uit onder meer Grathem op Pinksterdinsdag gewijd Gerlachwater en -aarde af (door de seminaristen 'heilige drek' genoemd). In de Munsterkerk van Roermond herinnert een in 1953 geplaatst glas-in-loodraam nog aan de Gerlachusverering.

Een nieuwe bloei, ca. 1841 - ca. 1950
- De feestelijke terugvoering van Gerlachs relieken op 30 augustus 1841 vormde uiteindelijk het startsein voor de herleving van zijn verering in Zuid-Limburg. Zo'n 5000 à 6000 gelovigen namen aan de translatieprocessie deel, ongeveer twaalfmaal het inwoneraantal van de parochie Houthem. Voorop ging het zilveren borstbeeld, gedragen door pastoor Eijken van Houthem, daarbij geassisteerd door deken Goffin van Meerssen en deken Reinartz van Tongeren. Vier priesters droegen de schrijn met de verdere overblijfselen van de heilige. Bij de ingang van het dorp was de weg versierd met slingers van groen en bloemen; daartussen stonden triomfbogen, getooid met verzen en teksten uit de heilige Schrift. Op de ereboog bij de kerk was het chronogram aangebracht: 'Hic Ortus, Hic Victus, Hic Mortvvs, Hicqve Gerlaci Locus' (in vertaling: 'Hier werd hij geboren, hier is hij bekeerd, hier is hij gestorven, hier is de plaats van Gerlachus' (1841). Na aankomst van de stoet werd een gezongen mis opgedragen, opgeluisterd door de harmonie van Meerssen. De predikatie van de redemptorist Bernard Hafkenscheid handelde over: 'Houdt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen' (Jo. 16, 33).
- Mede op grond van de tekening van het kerkinterieur, rond 1840 gemaakt door Van Gulpen, mag gesteld worden dat de cenotaaf vermoedelijk nog voor de reliekentranslatie is overgebracht naar de kerk van Houthem. Niet lang na 1841 is ook de put weer opgemetseld. Evenals in Roermond zullen ook te Houthem na 1841 - minstens op 5 januari en op de dinsdag na Pinksteren - aarde en water zijn gezegend.
- In 1848 kwamen er voetprocessies uit: 'Meersen, een der oudste bedevaarten, Stein, Elsloo, Geulle, Beek, Margraten, Keer, Oud-Valkenburg en Mechelen aan de Maas'. De processies van Stein en Beek werden geconfronteerd met het processieverbod. De processie van Beek telde 1000 deelnemers en zou zijn 'gemolesteerd' door de politie. In elk geval werd het verboden om vaandels en beelden mee te voeren en religieuze liederen te zingen. Twee marechaussees begeleidden de processie tot Houthem en terug. De processie uit Stein onderging hetzelfde lot. Habets vermeldt bovendien nog processies uit Puth en Boorsem (B). Deze vonden plaats na het Pinksterfeest. Tijdens het pastoraat van Joannes Beckers (1865-1893) en nog tientallen jaren daarna beleefde de bedevaart haar hoogste bloei.
- Pastoor Beckers liet in 1869 de relieken, de cingel en het gebeente, onderzoeken door de Akense oudheidkundige kanunnik Franz Bock en de Maastrichtse arts Germain. Op dinsdag 6 april 1869 werden de relieken ter verering uitgesteld vanaf 6.00 uur 's morgens. Er waren priesters uit Aken en Maastricht uitgenodigd, onder wie pastoor-deken Rutten van de Maastrichtse St. Servaaskerk, omdat Gerlach deze plaatsen frequent bezocht. Na de hoogmis werden de relieken onder grote publieke belangstelling in witte zijde verpakt, verzegeld en in het schrijn gelegd. Het schrijn werd vervolgens in processie door de kerk gedragen. Twintig priesters met brandende kaarsen begeleidden de stoet naar het nieuwe, neogotische altaar. Aanvankelijk stond dit altaar tegen de zuidwand, tegenover de hoofdingang, hetgeen een grote toeloop van vereerders tot gevolg had. De bouw van de monumentale wegkapel in 1870 is eveneens een teken van een groeiende devotie. De kapel vervulde tevens een devotionele rol voor de naar Houthem trekkende processiebedevaarten. De groeiende omvang en uitbundige vormgeving van deze processies leidden in 1876 tot vragen in de Tweede Kamer aan de minister van Justitie. In verband met het heersende processieverbod en de toen bestaande onrust in verband met de Pruisische Kulturkampf had de marechaussee op 10 juli 1876 aan de jaarlijkse processie van Beek naar Houthem verboden de meegenomen attributen - processiekruis, vaandels en beelden - openlijk te dragen en luid te bidden of te zingen. Het Piuslied dat de pelgrims aanhieven, op de wijs van 'Wien Neêrlands Bloed', moest direct worden beëindigd, waarop de processie verder geheel onder escorte werd gesteld. Eenzelfde behandeling onderging de uit 1835 daterende bedevaart van Stein naar Houthem. Ondanks het protest tegen dit optreden van het Tweede-Kamerlid Lambrechts bij de minister van Justitie, waren de bedevaartgangers gedwongen zich gedurende een aantal jaren terughoudend te gedragen.
- De hernieuwde liturgische 'Gedachtenis van Sint Gerlach', die bij de opheffing van het bisdom in 1801 was komen te vervallen, werd in 1867 door Rome goedgekeurd en verplaatst naar 19 januari.
- Populariserende teksten in het Nederlands uit deze periode hebben aan de toenemende devotie het hunne bijgedragen, zoals het in 1886 verschenen handboekje Gebeden en overwegingen voor de noveen van den H. Gerlacus.
- De verering van St. Gerlach bloeide ook elders in de 19e eeuw op. Het feest werd ook gevierd in ⟶ Oirsbeek, waar tot in de Franse Tijd een eigenkerk van het Houthems convent bestond; bovendien te Roermond, in de seminariekapel, waar de relieken meer dan 50 jaar berust hebben, en te Horpmael bij Borgloon (B), waar men enkele kleine relieken van Gerlach en een levensgroot beeld van hem bezit. Hetzelfde geldt voor het nabijgelegen Walshoutem. Philippens vermoedt dat J.L. Reinartz, die van 1835 tot 1836 pastoor van Houthem is geweest en naderhand deken van Tongeren, in de jaren 1840-1850 de devotie naar de twee genoemde Belgische plaatsen overgebracht heeft. In ⟶ Hooge Zwaluwe (dl. 2) is het Petrus Klijsen, eerste pastoor van de St. Willibrorduskerk aldaar in de jaren 1865 tot 1877, die de verering van St. Gerlach introduceert. Op 12 februari 1866 verkrijgt deze parochie vanuit de trappistenabdij te Achel een reliek van de kluizenaar en enige tijd later komt er ook een neogotisch beeld van de heilige in de kerk. Als dezelfde priester in 1877 wordt overgeplaatst naar ⟶ Loon op Zand (dl. 2), voert hij ook daar de devotie tot Sint Gerlach in.

20e eeuw
- In 1903 beschreef de pastoor uitvoerig welke ceremoniën tijdens de wekelijkse Gerlachusmis op dinsdag dienden plaats te vinden. Voor de mis bracht de celebrant in albe en stola de relieken naar het Gerlachusaltaar en plaatste ze aan de voet van het beeld. Het daar staande kruisbeeld werd tijdelijk weggenomen. Na de votiefmis voor Gerlach begaf de celebrant zich in gezelschap van een misdienaar naar de communiebank om het brood te zegenen. Daarna raakte hij het brood aan met een rib van St. Gerlach. Als het orgel ophield met spelen riep de celebrant dat aangestreken prentjes en boekjes op het Gerlachusaltaar verkrijgbaar waren. Na de broodzegening werd de reliek ter verering aangeboden. De pastoor tekende aan dat zijn voorganger bij drukkerij Desclée in Doornik 20.000 Gerlachusprentjes besteld had, waarvan er 10.000 geleverd waren. Desclée dwong de parochie tot afname van de overige 10.000, maar hiervoor was nauwelijks belangstelling, aangezien iedereen de prentjes al had.
- Op zaterdag 19 juni 1909 arriveerde voor het eerst een pelgrimsgroep van 225 leden van de katholieke bond voor spoorwegpersoneel uit Tilburg. De volgende dag werd na de hoogmis een processie gehouden om 'de Kamp', de kern van het dorp Sint-Gerlach. De Tilburgse bedevaart groeide in de loop der jaren in omvang, zodat er zelfs extra treinen ingezet dienden te worden om de bedevaartgangers te vervoeren. De Tilburgse bedevaart had een eigen vaandel met een afbeelding van Gerlach in de holle eik en het opschrift 'R.K. Spoorwegpersoneel'. De Tilburgers baarden naar het schijnt ook opzien door hun te Houthem onbekende Gerlachusliederen. In de Tweede Wereldoorlog werd de bedevaart onderbroken. Onder leiding van pastoor Mannaerts van de Willibrordusparochie te Tilburg, die sedert 1928 geestelijk adviseur van de spoorwegbond St. Raphaël was, werd de pelgrimage in juli 1954 hervat. De Tilburgse bedevaartgangers trokken 's zondags met de maandelijkse processie van de parochie door de Onderstestraat naar de Gerlachuskapel. Tilburgse bruidjes begeleidden de processie. Bij de kapel hield pastoor Mannaerts een predikatie, waarna de zegen met het Allerheiligste gegeven werd. Deze jaarlijkse bedevaart van Midden-Brabant telt sindsdien ongeveer 150 deelnemers.
- Onder het pastoraat van E. Ribbergh (1926-1940) werden op eerste, tweede en derde Pinksterdag, 19, 20 en 21 mei 1929 de Gerlachusrelieken voor het eerst na 1869 weer aan het volk getoond. De feestelijkheden begonnen op Pinksterzondag om 15.00 uur. Onder klokgelui en kamerschieten (het laten exploderen van buskruit in een gietmetalen bus) opende vicaris-generaal G. Bauduin in gezelschap van kerkelijke en wereldlijke hoogwaardigheidsbekleders de reliekschrijn. Tot 19.00 uur stonden onafgebroken rijen gelovigen in de kerk om een blik op de relieken te kunnen werpen. 's Maandagsmorgens werd door Bauduin de hoogmis opgedragen. Op maandagmiddag werd de reliekschrijn van Gerlachus in processie om 'de Kamp' (Onderste Straat, St. Gerlach, Gerlachusstraat) gedragen. Twintig groepen uit Houthem en omliggende plaatsen trokken in de stoet mee. Bij de Gerlachuskapel op de hoek van de Gerlachusstraat-Onderste Straat werd gerust. De straten waren rijk versierd. 'In geen jaren is zoo'n massa volk in ons dorp bij elkaar geweest', schreef de Limburger Koerier. Toen de stoet de kerk bereikte, was deze reeds zo vol dat de politie de toegang afsloot aangezien al enige mensen door de drukte onwel waren geworden. Vanwege de reliekentoning en de ommegang kregen de festiviteiten van 1929 het predikaat 'heiligdomsvaart'. De sluiting vond plaats op dinsdag 21 mei.
- Als groter Limburgs bedevaartoord mocht Houthem zich ook verheugen in bisschoppelijke belangstelling. Op 5 januari 1940 was bisschop Lemmens aanwezig. De krant meldt dat er een grote toeloop van pelgrims was. Wellicht dat onder invloed van de Tweede Wereldoorlog de pelgrimage enigszins terugliep, want in 1957 constateerde de Nieuwe Limburger dat de devotie weer toenam. Het 150-jarig jubileum van de kerkconsecratie werd op zondag 31 augustus 1958 gevierd met een hoogmis, die opgedragen werd door deken Jenniskens van Maastricht en met assistentie van bisschop Lemmens. Na de mis was er, evenals in 1929, weer een reliekenprocessie om 'de Kamp'. Het borstbeeld van Gerlachus, de monstrans met de cingel, de reliekkist met het gebeente en een Servaasreliek werden meegedragen. De Servaasreliek werd na afloop door deken Jenniskens aan Houthem geschonken om de onderlinge verbondenheid van ⟶ Maastricht (Servaas) en Houthem te symboliseren. 's Middags werd na het lof omstreeks 16.00 uur de reliekenkist geopend. Het openen van de kist verliep niet probleemloos. Er moest een slotenmaker aan te pas komen. De relieken werden aan de kerkgangers getoond. Tot 20.00 uur lagen de relieken op de trappen van het hoogaltaar, waar zij bewaakt werden door leden van de schutterij. Op maandag 1 september werden de relikwieën opnieuw in witte zijde verpakt en in de schrijn opgeborgen onder het Gerlachusaltaar.
- Het intentieboek dat achter in de kerk ligt en waarin iedereen die zich daartoe aangetrokken voelt zijn intenties op kan schrijven, getuigt ervan dat in de tweede helft van de 20e eeuw Gerlach als beschermer tegen ziekten van mens en dier populair is gebleven. De opgegeven intenties en ontboezemingen vormen een staalkaart van vrome wensen en bekommernissen, dankbaarheid en bewondering onder pelgrims en bezoekers.
- Het achtste eeuwfeest van Gerlachs overlijden kon in 1965 niet worden gevierd, in verband met de restauratie van de kerk. Derhalve werd in 1990 de 825e overlijdensdag herdacht. Op donderdagavond 4 januari 1990 werd om 19.00 uur in de parochiekerk het Gerlachusjaar geopend. Terwijl het koor de Gerlachuslitanie ten gehore bracht droegen vier mannen de reliekschrijn, gevolgd door de geestelijkheid, naar het koor. Pastoor Keulers nodigde notaris Stassen uit om koster Deguelle opdracht te geven de schrijn te openen. Keulers nam de pakketten met relieken een voor een uit de kist en legde ze op het altaar. Slechts een vijftigtal kerkgangers woonde de plechtigheid bij. Pastoor Keulers had verder geen ruchtbaarheid gegeven aan de opening van de schrijn en de toning. In alle stilte werden de verzegelde relieken op 8 januari 1990 om 19.00 weer opgeborgen. Pastoor Keulers trad in 1990 letterlijk in de voetstappen van Gerlachus door in augustus de tocht te organiseren die de kluizenaar dagelijks ondernam. Voorafgegaan door het borstbeeld van St. Gerlach trok een (kleine) stoet vanuit Houthem via de Rasberg naar de St. Servaas in Maastricht, een afstand van bijna negen kilometer. Na aankomst werd de votiefmis van St. Gerlachus opgedragen, het besluit van de plechtigheid. De voettocht naar Maastricht vindt sedertdien elk jaar in augustus plaats.
- Bij de ommegang van 1990 kwamen de deelnemende groepen voornamelijk uit de beide Limburgen, onder meer uit Berg aan de Maas, Loon op Zand, Roosteren, Linde-Peer (B) en Tongerlo (B). Deze groepen droegen relieken van St. Gerlach die in hun parochie vereerd worden. De sterfdatum van de heilige, 5 januari, is nog steeds de jaarlijkse hoogtijdag. In de octaafweek rond 5 januari, van 4 tot 11 januari, komen dagelijks 300 à 400 pelgrims, voornamelijk uit de omliggende parochies, zoals Meerssen, Berg en Terblijt, Schimmert en Valkenburg, individueel of in groepsverband. Voor hen worden er elke dag missen gehouden met gelegenheid tot reliekvereren. Verder komen vereerders vooral uit Zuid-Limburg, Noord-Brabant, Zuid-Holland, Groningen, Twente en de grensstreken met België en Duitsland. Omdat het eigen misformulier van St. Gerlach bij de laatste liturgische hervorming is vervallen, worden de gebeden en de lezingen genomen uit het 'Gemeenschappelijke voor heilige mannen en vrouwen' (Missale Romanum 1977; Altaarmissaal voor de Nederlandse kerkprovincie 1979). Verder is er reliekverering, terwijl de mensen ook zand uit de cenotaaf mee naar huis (kunnen) nemen; het wordt dagelijks gezegend. Het Gerlachusbrood wordt alleen op 5 januari zelf gezegend en uitgedeeld. Voor dit octaaf laat de parochie een affiche drukken, dat in de voorgaande weken in de regio wordt verspreid. Elke dinsdag door het jaar wordt de bovengenoemde votiefmis opgedragen. Ongeveer 50 mensen uit Houthem en omgeving nemen hieraan deel. Men zingt ook liederen ter ere van St. Gerlach, zowel in het Nederlands als in het Limburgs, op ontleende of oorspronkelijke melodieën. Op de achterzijde van een modern devotieprentje is een gebed afgedrukt dat naar vorm en inhoud sterk aan deze liederen verwant is. Men vindt sommige van de liederen in het recent uitgegeven 'Pelgrimsboekje'. Tijdens de varkenspest van 1997 kwamen Brabantse boeren in Houthem zand halen om in hun stallen te strooien.
- Momenteel vormt het kerkgebouw de enige locatie die een rol speelt in de pelgrimage, maar het is de bedoeling de nieuwe dagkapel in de verering te betrekken. Er bestaan plannen ook de put weer een plaats te geven in de pelgrimage.
- Vanwege de verbouwing in 1995 van het voormalige kloostercomplex tot hotel-restaurant en de restauratie van de schilderingen wordt het complex ook door gasten en toeristen bezocht. Zowel de cultuurhistorische en de sportieve als de spirituele verbindingen worden versterkt door de uitgave van wandelgidsjes waarin het heiligdom als etappe in 'pelgrimroutes' is opgenomen.
- In 1982 werd op het groot-seminarie Rolduc door de Limburgse seminaristen de 'Sint-Gerlachusbroederschap' opgericht met als doel het spirituele en culturele erfgoed van katholiek Limburg te bewaren. Achterliggend motief was het feit dat de Limburgers op dat moment in Rolduc in de minderheid waren. De Gerlachusbroederschap kwam eenmaal per jaar rond het feest van Gerlachus, meestal op Driekoningen, 6 januari, in de kerk van Houthem bijeen om de vespers te zingen. De broederschap bestaat nog steeds maar onderneemt vrijwel geen activiteiten meer.
Materiële cultuur - Kelk: in 1884 schonk de Munsterse bisschop Joannes Bernardus Brinkmann een kelk (hoogte 18 cm). Op de onderkant van de voet leest men dat de bewuste bisschop deze kelk 'met dankbaar hart aan Sint Gerlach opdraagt, onder wiens bescherming hij vijf jaar lang als balling [in Houthem] heeft geleefd'.
- Mozaïek: in 1997 is door Irene van Vlijmen in de Nieuwe Sint-Gerlachuskapel een mozaïek aangebracht, dat door de nieuwe eigenaar van het complex, C. Oostwegel, aan de parochie is geschonken. St. Gerlach is levensgroot afgebeeld temidden van verschillende symbolische afbeeldingen en met goudkleurige handen. Met dit laatste heeft de kunstenares de voorspraak en bemiddeling van de kluizenaar tot uitdrukking willen brengen.
- Schilderij: in de parochiekerk bevindt zich een olieverfschilderij (61 x 45 cm) van de predikende Gerlach. Het doek stamt uit de eerste helft van de 19e eeuw. Gerlach staat bij de holle eik en preekt voor een groepje mannen en vrouwen, die aandachtig naar hem luisteren. Op de achtergrond is de put afgebeeld. Op een tak boven Gerlachs hoofd zit een haan.
- Klokken: 1 een Gerlachklok (⊘ 33 cm) werd in 1688 gegoten, met als opschrift: 'Sancte Gerlace, ora pro nobis'. In 1786 namen de zusters de klok uit het klooster mee naar Roermond, waar deze later door de Fransen is geroofd; 2 in 1948 werden twee nieuwe luidklokken in de toren gehangen, waarvan een toegewijd is aan Gerlach (⊘ 89 cm). Het opschrift luidt: 'In Hon. S. Gerlache +'.
- Beeldengroep: voor het proostgebouw werd op 15 september 1997 een bronzen beeldengroep onthuld met afbeeldingen van proost F. van Cauwenbergh, priorin Anna Clara Fredericks, baron Robert de Selys de Sanson, een pachter en een pelgrim. De groep werd vervaardigd door Ru de Vries.
Glas-in-lood: 1 in een van de absisramen van de Roermondse Munsterkerk werd in 1953 een gebrandschilderd Gerlachusvenster geplaatst, dat een creatie was van Giselle Waterschoot van der Gracht. Gerlach staat afgebeeld met een ezeltje, het rijdier waarvan hij zich in zijn laatste levensjaren bediend heeft op zijn lange pelgrimstochten; 2 in de abdijkerk van Rolduc bevindt zich een raampje dat toont hoe Gerlach zich door de abt van Rolduc de biecht laat afnemen.
Vaandels: 1 een 19e-eeuws (?) processievaandel draagt een op linnen geschilderde voorstelling (in de vorm van een vierpas) van Gerlach staande voor zijn holle eik met op de achtergrond de Gerlachusput, de kerk, een koe en een paard; 2 een ander processievaandel heeft een geschilderde applicatie, die Gerlachus, staande voor de holle eik, uitbeeldt als beschermer van het vee. Op de achtergrond staan een paard, een geit, een schaap, een rund, een varken en een eend. Een deel van de kerk is eveneens zichtbaar.

Devotionalia
- Replica: van het 18e-eeuwse beeld in monochroom bruin met het inschrift: 'Sint Gerlach in de holle eik' (hoogte 25 cm; tweede helft 20e eeuw).
- Kaarsen: 1 noveenkaars met een voorstelling van Gerlachus en het bijschrift: 'H. Gerlachus bidt voor ons'; 2 bedevaartkaars (⊘ 2,5 cm; hoogte 25 cm) met in bruin een voorstelling van Gerlachus en het bijschrift: 'H. Gerlachus bidt voor ons'.

Devotioneel drukwerk
- Bedevaartboekjes: 1 'Een Godtvruchtig roosenkransken', uitgegeven door proost Casteel in 1745, als bijlage bij de 2e uitgave van Het leven van den H. Gerlacus eremyt (zie onder Bronnen A2) p. *94-*105 (ed. Mulder-Bakker, p. 219-226), een soort rozenhoedje ter ere van O.L.Vrouw, bestaande uit zes 'Onze Vaders', telkens onderbroken door tien 'Wees Gegroeten' en evenveel aanroepingen tot St. Gerlach; 2 Gebeden en Overwegingen voor de Noveen van den Heiligen Gerlacus, kluizenaar, Patroon tegen besmettelijke ziekten, vooral onder het vee. Bijzonder vereerd in de Parochie-kerk van Hooge-Zwaluwe (Tilburg: R.K. Jongens-weeshuis, 1867); 3 Gebeden en overwegingen voor de noveen van den H. Gerlacus, Eremyt. Patroon der parochiale kerk te Houthem (St.-Gerlach) (Gulpen: Alberts, (vóór?) 1886); 4 Het leven van den Heiligen Gerlacus, Eremyt (Houthem: Crolla, 1886); 5 Het Leven van den heiligen Gerlacus, kluizenaar. Patroon der parochiekerk te Houthem-St. Gerlach. Bijzonder aangeroepen tegen besmettelijke ziekten voornamelijk onder het vee (Maastricht: Nypels, 1886); 6 Ommegang 4 juni 1990, Houthem Sint-Gerlach. Programmaboekje (Houthem, 1990); 7 Pelgrims-boekje St. Gerlach Houthem (Houthem - Sint-Gerlach: parochiebestuur, z.j. (ca. 1995), gestencild; 30 p.). Zoals de meeste pelgrimsboekjes opent dit werkje met een beknopte levensbeschrijving van St. Gerlach, gebaseerd op de oudste Vita. Daarna wordt ingegaan op de verering. Vooreerst is de volledige tekst van de bovengenoemde votiefmis afgedrukt, met uitzondering van het Eucharistisch Gebed (p. 7-11). Vervolgens worden de devotievoorwerpen en praktijken beschreven en de betekenis ervan toegelicht (relikwieën, kaarsen, zang, brood), waarna diverse gebeden komen, voor de vruchten der aarde, voor het vee, voor een zieke, enz. Dan volgt een 'litanie van Sint Gerlach', in een Latijnse en Nederlandse versie, gedeeltelijk overgenomen uit de 'Litanie van alle heiligen', maar toegespitst op het Maasdal en op de kluizenaar van Houthem. De p. 23-25 bevatten de bekende 'dagelijkse gebeden' en twee liederen, een in het Nederlands, en een in het dialect van de streek. Het boekje besluit met 'bekering en vergeving' (p. 28-30), een overweging ter voorbereiding op een generale biecht, waarna nog een beknopte beschouwing volgt over de (deelname aan de) eucharistie; 8 Het leven van den Heiligen Gerlacus kluizenaar. Patroon der parochiale kerk te Houthem-St. Gerlach, bijzonder aangeroepen tegen besmettelijke ziekten voornamelijk onder het vee (Maastricht: Gebrs. Van Aelst, 1930; impr. H. Beijersbergen, Maastricht 14 december 1929), coll. D. Gooren; 9 J. Tesser, Het leven van de Heilige Gerlacus Kluizenaar. Patroon van de parochiale kerk te Houthem-Sint Gerlach (Houthem: Kerkbestuur, 1956, 3e dr.: 1986; 40 p.); 10 fotoboekje 'S. Gerlacus te Houthem', serie I (ca. 1920).
- Devotieprentjes: 1 een Gerlachprentje uit 1737 lijkt een 'voorstudie' van nr. 2 te zijn en bevat eenzelfde onderschrift; 2 Een 18e-eeuws prentje is kennelijk een (slechte) 'kopie' van het voorgaande plaatje, ondertiteld met een Latijnse tekst: 'S[ancte] Gerlace conf[essor] Ord[inis] Praem[onstratensis], P[atronus] D[iocesis] R[uremundensis] O[ra] P[ro] N[obis]', en daaronder: 'Dit Beeldt is gestreken [of: geraakt?] aan de Reliquie[n?]'. Links van Gerlachs hoofd zweeft een engel; 3 een prentje uit 1745 toont St. Gerlach, in norbertijns habijt, dat hij aan een kant wat omhoog houdt, zodat zijn geharnaste linkerbeen zichtbaar is. Links van hem ziet men de put en rechts de kerk en het klooster. Daarvoor strekt zich een grazige weide uit, vol koeien, onder de hoede van een herdersjongen, en omzoomd door water (van de Geul); 4 een ander 18e-eeuws prentje staat de tekst: 'Geraakt aan de Overblijfsels van den H. Gerlacus, eremyt van Houthem - Patroon tegen de besmettelijke Ziekten - zoowel van Menschen als Beesten'. Deze tekst fungeert als 'randversiering' van een afbeelding van de put, geflankeerd door St. Gerlach en de priester Rutger. Links van de beide figuren staan in het landschap een paard, een bok en een varken (?), rechts een rund en een lam. Uiterst rechts ziet men nog iets van de holle eik. Op het dak van de put staat een haan; 5 18e-eeuws prentje met St. Gerlach in norbertijns gewaad, staande in de eik. In zijn linkerhand heeft hij een pelgrimsstaf, terwijl hij met de rechterhand het kruis van Jeruzalem tegen zijn borst drukt. Links van de eik is de put te zien en op de voorgrond de 'normale' veestapel. In een cartouche onder zijn voeten leest men: 'S. Gerlacus Eremyt van Houthem bij Maastricht' en daaronder het rijm: 'O Heer dat die S. Gerlach komen eeren - Geeft dat zy van U verhoort wederkeren'; 6 staalgravure uit de 19e eeuw met Gerlach in Norbertijns gewaad, staande in de holle eik. Links op de achtergrond de put met ervoor een rund, rechts de bedevaartkerk met een paard op de voorgrond. Aan Gerlachs voeten stroomt de Geul (ca. 7 x 10,3 cm), coll. Rijksarchief Limburg; 7 prentje geïnspireerd op nr. 6, eind 19e eeuw, met onderschrift 'H. Gerlacus der orde van Premonstreit - S. Gerlac de l'ordre de Prémontré' (Brugge: K. van de Nyvere Petit); deze voorstelling komt tussen 1745 en 1945 in allerlei versies voor; 8 prentje (Houthem: Kerkbestuur, ca. 1990), met op de voorzijde een foto van het onbeschilderde Gerlachusbeeld uit 1868 en op de achterzijde een gebed tot Gerlach; 9 prentje met een tekening van de H. Gerlach met een staf in zijn hand en de tekst 'H. Gerlachus' en op de achterzijde een gebed (Mönchen Gladbach: B. Kühlen, ca. 1900; nr. S. 1076; 6,2 x 11 cm); 10 Prentje met een tekening door L. Polet (?) van Gerlach staande voor de holle eik en de tekst 'H. Gerlacus B.V.O.' en op de achterzijde een tekst over de heilige (Maastricht: Gebrs. Van Aelst, ca. 1935?; 11 x 7,6 cm).
- Bedevaartvaantje: driehoekig vaantje uit de eerste helft van de 18e eeuw, door scheidingslijnen in drieën verdeeld. Op de grootste afbeelding is de oude stiftskerk (degene die voorafging aan de ca. 1725 gebouwde kerk) een stoet pelgrims te zien, bestaande uit mannen, vrouwen en kinderen, en voorafgegaan door een jongeman met een wapperend vaandel; de tweede toont de kluizenaar in zijn eik, terwijl de duivel, in de gedaante van een soort wolf en gewapend met een stok, om de hoek komt kijken; op de derde voorstelling is Gerlach te zien tijdens zijn dagelijkse voettocht naar de St. Servaas; links van de pelgrim in norbertijns habijt loopt een man, wiens gezicht goeddeels schuilgaat onder een breedgerande hoed. In zijn linkerhand heeft hij een stok of pelgrimsstaf, maar zijn linkerbeen heeft veel weg van een hanepoot en eindigt in drie lange vogeltenen; cliché in parochiearchief Houthem, afdruk in Rijksarchief in Limburg
- Lied: Gerlachuslied in drie strofen (Houthem, ca. 1990).
- Folders: 1 Parochiekerk H. Gerlachus Houthem-St. Gerlach (Houthem: Kerkbestuur, 1984); 2 Museum en Schatkamer St Gerlach (Houthem: Kerkbestuur, 1998), beschrijft de (geschiedenis van) de kerk, het voormalige klooster en het landgoed en geeft praktische informatie; 3 De Gerlachuskerk in Houthem. Een Nationaal Monument (z. p. ca. 1998), vouwblad, met beknopte (vooral kunsthistorische) informatie over het kerkgebouw.
- Ansichtkaarten: 1 zwart-wit kaart van de graftombe en de tekst 'Houthem-St. Gerlach (L.)' (foto Hub. Leufkens; ca. 1960), coll. D. Gooren; 2 zwart-wit kaart met interieur parochiekerk (foto F. Lahaye, Maastricht, ca. 1960); 3 kleurenkaarten van kerk en interieur (Kerkbestuur; foto Leo Mulders, ca. 1985?); 4 serie van kleurenkaarten van kerk, fresco's etc. (Regensburg: Schnell & Steiner, ca. 1994).
Bronnen en literatuur Archivalia: Maastricht, Rijksarchief in Limburg: archief klooster Sint-Gerlach, 1202-1786; bisdomarchief, 1559-1801, m.n. doos 14.A 00 2E, bevattende de nalatenschap Durlinger (†1947) met veel gegevens over de verering in de periode 1750/1800-1950. Maastricht, gemeentearchief: parochiearchief Houthem-Sint-Gerlach, 1785-1950, inv. nrs. 23-32, 35, 82, 96-106; tekeningen van Ph.G.J. van Gulpen (1792-1862). Houthem, parochiearchief, 1953-heden. Urmond, gemeentearchief 1646-1938, inv. nr. 1330. Roermond, bisdomarchief: inventaris kerkelijk kunstbezit. Over het handschrift van de vita van Sint Gerlach uit ca. 1227, waarvan het origineel verloren is gegaan, zie: Bibliotheca Hagiographica Latina (Brussel: Société des Bollandistes, 1898-1899) nr. 3449 en M. Carasso-Kok, Repertorium van verhalende bronnen uit de middeleeuwen (Den Haag: Nijhoff, 1981) nr. 32. J. Gielemans nam in 1475 in een verzamelwerk van heiligenlevens, een Sanctilogium, waarvan het handschrift thans berust in de Oesterreichische Nationalbibliothek (Ser. nr 12814) een 'Vita sancti Gerlaci' op (f. 966r-996v (nieuwe foliëring 69r-69v)), foto's van deze folia bevinden zich in bovengenoemde doos 14. A 00 2 E. Een Sanctorale, afkomstig uit de Cisterciënzerabdij Kamp-Lintfort bij Wezel en opgenomen in de Codex van Darmstadt 521 (uit 1462) bevat een hymne ter ere van Sint Gerlach (foto in rijksarchief: archief klooster Sint-Gerlach, register van proost Casteel).
Tekstedities: Joannes Gielemans, 'Vita sancti Gerlaci'(= Sanctilogium, f. 966r-966v; nieuwe foliëring 69r-69v) - ed. Damen (zie onder B) p. 89-90; Dreves e.a. ed., Analecta Hymnica Medii Aevi (Leipzig 1886-1922) dl. 13, p. 8; Erasmus Ghoyee, Divi Gerlaci sanctissimi eremitae vita, duobus libellis distincta (Maastricht: Joh. Gheel, 1600), opgenomen in de Acta SS Boll. Jan. I (Antwerpen 1643) p. 306-320, en in Mulder-Bakker (1995; zie onder B) p. 143-218, een Nederlandse vertaling in Cornelius Thilmans, Het Leven van den H. Gerlachus, Belijder en Eremijt der Orde van Premonstreijt (Maastricht 1612), een heruitgave van Thilmans' vertaling, is verzorgd door H. Casteel (Maastricht: Jac. Lijkens, 1745) en opnieuw uitgegeven door Mulder-Bakker (1995; zie onder B) p. 143-218; een 3e druk, verzorgd door M.J. Silmen, verscheen in 1790 te Roermond bij Gruyters; een 4e, verzorgd door E. Lavigne en J. Dassen, kwam uit in Houthem in 1990, uitgeg. door het kerkbestuur van de parochie Houthem-Sint-Gerlach. In 1618 gaf de Augustijn Jan Neeff(s) te Maastricht en Doornik (!) een Franse versie uit, onder de titel La vie et miracles de S. Gerlace, ermite et con-fesseur de Jésus Christ, avec un discours à la louange du mesme Saint. In 1622 volgde een vulgariserende berijmde bewerking in het Hoogduits, getiteld Leben des H. Gerlacus, afkomstig uit de Norbertijnse abdij van Steinfeld in de Eifel, waarmee het klooster Sint-Gerlach relaties onderhield. Het handschrift bevindt zich thans in de stadsbiblioteek van Trier (Katal. 1992, p. 344), fol. 102r-116v, een fotokopie daarvan in het Rijksarchief in Limburg, bij de nalatenschap Durlinger (zie hiervóór, onder A1, II, 1b). De norbertijn J.L. van Craywinckel nam in 1664 een bewerking van Thilmans' vertaling op in zijn Legende der Levens ende ghedenckweerdige Daeden van de voornaemste Heylige (...) die in de Witte Ordre van den H. Norbertus (...) uytgheschenen hebben (Antwerpen 1664); Willem Cripius, Vita Sancti Gerlaci [altera] (Keulen 1600), later nogmaals uitgeg. in Acta SS Boll. Jan. I. (Antwerpen 1643) p. 320-321.
- De hierboven genoemde hymnen ter ere van Sint Gerlach in het Sanctorale van Kamp-Lintfort zijn uitgegeven door G.M. Dreves e.a. in Analecta Hymnica Medii Aevi (Leipzig 1886-1922) dl. 45, p. 10, en door Damen (zie onder B) p. 108-109; de afzonderlijke hymne in de Codex van Darmstadt vindt men bij Dreves, dl. 13, p. 181; en bij Damen, p. 112-113.
- Officia propria dioecesis Ruremundanae (Keulen, 1604) ad diem V. januarii vel ad feriam II ante festum Pentecosten. Dit officie is goeddeels terug te vinden in Officia propria Sanctorum (...) dioecesis Ruraemundensis (Roermond, 1867; Haarlem: Gottmer, 19482) op 19 januari, p. 16**-23**. De hymnen van de Nachtgetijden, de Lauden en de Vespers zijn ook afgedrukt in: Acta SS Boll. Jan. I, p. 305; R.J. Jordens, De Hymnen van het Getij- en Misboek (Tongerloo: Sint-Norbertusboekhandel, 1935) p. 322-323 (Latijn-Nederl.); Damen, o.c., p. 110-112 en vertaald in C. Nuijen, Kerkelijk Hymne-boek (Haarlem 1922) p. 132-134; A. Miraeus, Fasti Belgici et Burgundici (Brussel 1622) p. 7-12, geeft 3 lezingen van het Nachtofficie (= compendium van de Vita). Als aanhangsel van het Missaal gaf Cuyckius uit: Missae propriae dioecesis Ruremundanae (Leuven 1608). De Sequentia van deze Mis op 5 januari ook bij Damen, p. 109-110. De oorspronkelijke eigen teksten ervan zijn gedeeltelijk terug te vinden in De eigen feesten der Nederlandse Bisdommen, o.a. afgedrukt in het C.A. Bouman e.a. ed., Missaal (Utrecht: Spectrum, 19575) onder '19 januari' (Roermond): 'Sint Gerlach, Belijder', p. 1403-1404. Voor de eucharistische viering na Vaticanum II: Altaarmissaal voor de Nederlandse Kerkprovincie ('s-Hertogenbosch: Nationale Raad voor Liturgie, 19792), 'Eigen misformulieren voor de heiligen van de Nederlandse Kerkprovincie en van de afzonderlijke bisdommen', sub 5 januari: 'Roermond, H. Gerlach, kluizenaar: Mis uit het Gemeenschappelijke voor heilige mannen, voor kloosterlingen (p. 1101)'; Breviarium (...) Ordinis Praemonstratensis (...) pars hiemalis (Parijs 1675) p. 211-214; Breviarium (...) Ordinis Praemonstratensis (...) pars hiemalis (Antwerpen: Muller, 1698) p. 506-507; Supplementum Breviarii (...) Ordinis Praemonstratensis cum officiis propriis in ecclesia B. Mariae Virginis et Sancti Michaelis Antwerpiae (...) (Antwerpen: Grange, ca. 1720) p. 156-160); Breviarium Praemonstratense (...) Pars Verna (Westmalle: Trappistenabdij, 1892), p. 645-649, 92*-95*. Het norbertijnse officie van Sint Gerlachus uit 1675 is praktisch volledig behouden in het Breviarium Praemonstratense (Mechelen, 1929 (19532) 'die 14 jan.: Festum Sancti Gerlaci, Confessoris Ordinis Nostri (Duplex majus)' p. 696-706. De norbertijnse versie van de hymnen ook bij Jordens (1935) p. 112-114 (met vertaling) en bij Damen, p. 110-112.
Literatuur: J. Molanus, Indiculus Sanctorum Belgii (Leuven 1573; Antwerpen 15832) p. 31-32; J. Molanus, Usuardi Martyrologium (...) cum additionibus (Leuven 1573) p. 11; J. Molanus, Natales Sanctorum Belgii et eorum chronica recapitulatio - ed. H. Cuyckius (Leuven 15952); Horae canonicae dicendae in propriis dioecesis Ruraemundensis festivitatibus. Una cum litaniis eiusdem ecclesiae, et selectis aliquot aliarum ecclesiarum hymnis (Leuven: I. Masius, 1609) p. 45-52; A. Miraeus, Fasti Belgici et Burgundici (Brussel: I. Pepermannus, 1622) p. 7-12; B. Fisen, Flores ecclesiae Leodiensis (Rijssel 1647); J. Knippenbergh, Historia ecclesiastica ducatus Geldriae (Brussel 1719) p. 70; C.L. Hugo, Sacri et canonici Ordinis Praemonstratensis Annales (Nancy 1734) p. 729-736, p. 831, voor Heinsberg; F. Kreetz, Historia nobilis Parthenonis Heinsbergensis (Keulen 1772) p. 150-152; Chr. Quix, 'Das leben des H. Gerlach nach den Bollandisten und andern noch ungedruckten Urkunden', in: Wochenblatt für Aachen und Umgegend 20 en 24-8-1836; A.J. van der Aa, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, dl. 4, (Gorinchem 1843) p. 543-544; N. Braun, 'Das adlige Fräuleinstift zu Heinsberg', in: Annalen des Historischen Vereins für den Niederrhein 7 (1859) p. 207-211; F.X. De Ram, Hagiografie nationale, dl. 1 (Leuven 1864) p. 47; J. Habets, 'Houthem-Sint-Gerlach en het adellijk vrouwenstift aldaar. Eene bijdrage tot de geschiedenis van het voormalig land van Valkenburg', in: Publications S.H.A. Limbourg 6 (1869) p. 3-253; H.A. Banning, 'Uitstapjes in Nederland, Limburg, Houthem en de H. Gerlachus', in: Katholieke Illustratie 6 (1872-1873) p. 183-184, 191-192; Fr. Bock & M. Willemsen, Antiquités sacrés conservées dans les anciennes collegiales de S. Servais et de notre Dame à Maestricht (Maastricht: Jos. Russel, 1873) p. 246-248; H. Welters, Limburgsche legenden, sagen, sprookjes en volksverhalen (Venlo: Uyttenbroeck, 1875; repr. Maasbree: De Lijster, 1982) p. 99-103; Handelingen Tweede Kamer (1876-1877) p. 427-428; G.D. Franquinet, Beredeneerde inventaris der oorkonden en bescheiden van het adellijk klooster Sint Gerlach bij Valkenburg (Maastricht 1877); J. Craandijk, Wandelingen door Nederland, dl. 2 (Haarlem: Tjeenk Willink, 1883; 2e dr.) p. 91-92; J. Daris, Histoire du diocèse et de la principauté de Liège, dl. 1 (Luik) p. 566-568; J.A.F. Kronenburg, Neerlands heiligen in de middeleeuwen, dl. 4 (Amsterdam: Bekker, 1901) p. 78-115; J. Vannérus, 'Matrice du Sceau du couvent de Saint-Gerlache à Houthem-lez-Fauquemont', in: Revue belge de Numismatique et de Sigillographie 77 (1925) p. 213-221; J. van Schaik, 'De sacramenten van mirakel', in: H. d'Yanville & W. van Dijk ed., Gedenkboek van het XXVIIe Internationaal Eucharistisch Congres, gehouden te Amsterdam van 22 tot 27 juli 1924 (Amsterdam: 't Kasteel van Aemstel, 1925) p. 575; Pierre Kemp, Limburgsch Sagenboek (Lutterade: Fonds voor Heemkunde, 1925) p. 19-23; H. Durlinger [?], 'Het [weg]kapelke van Sint Gerlacus', in: De Geulbode, 9 oktober 1926; Voorloopige lijst der Nederlandsche Monumenten van Geschiedenis en Kunst, deel VIII: De Provincie Limburg 1 (Amby-Meer) (Den Haag: Algemeene Landsdrukkerij, 1926) p. 147-150; D.A. Stracke, 'Uit het leven van den H. Gerlach', in: Tijdschrift voor Taal en Letteren 15 (1927) p. 93-100; 'De heiligdomsvaart te Houthem St. Gerlach. Schitterende feestelijkheden', in: Limburger Koerier, 18 mei 1929; 'De heiligdomsvaart te Houthem. Enorme belangstelling', in: Limburger Koerier, 25 mei 1929; R. van Wafelghem, Répertoire des sources imprimées et manuscrites relatives à l'histoire et à la liturgie des monastères de l'Ordre de Prémontré (Brussel 1930) p. 225; J.R.W. Sinninghe, Limburgsch Sagenboek (Zutphen: Thieme, 1938) p. 180-185; 'De patroon van Houthem-St. Gerlach', in: De Tijd, 25 juli 1941; A.W. van den Hurk, 'De kluizenaar van het Geuldal. Sint Gerlacus', in: De Tijd, 5 augustus 1941, ook verschenen in: De Nieuwe Koerier, 9 augustus 1941; H. Durlinger, 'Houthem, Valkenburg of Spaubeek?' in: De Tijd, augustus 1941; De Geulbode van 30 augustus 1941, gewijd aan het centenarium van de overbrenging van Gerlachs relieken naar Houthem; M. Schoengen, Monasticon Batavum, dl. 2 (Amsterdam: Noord-Hollandsche Uitgevers Maatschappij, 1941) p. 101; E. Heynen, 'Maastrichtse drukken (1552-1816). Een bescheiden bibliografie', in: Publications S.H.A. Limbourg 83 (1947) p. 1-174; Alph.W. van den Hurk, 'De H. Gerlacus', in: J. Huyben e.a. ed., Met de heiligen het jaar rond, dl. 1 (Bussum: P. Brand, 1948) p. 112-115; N. Backmund, Monasticon Praemonstratense, dl. 1 (Straubing 1949) p. 171 (Houthem-Sint-Gerlach), p. 170-171 (Heinsberg); M. de Meyer, 'Gerlacus of Gerlachus-Volksverering', in: P. van der Meer e.a., De Katholieke Encyclopaedie 11 (Amsterdam/Antwerpen: Joost van den Vondel/Standaard, 1951) k. 611; 'Houthem. Processie uit Tilburg', Limburgs Dagblad, 7 juli 1954; D. Damen, 'Studie over Sint Gerlach van Houthem', in: Publications S.H.A. Limbourg 92/93 (1956-1957) p. 49-113; P. Polman, Katholiek Nederland in de achttiende eeuw, dl. 3 (Hilversum: P. Brand, 1958) p. 262; H. Grundmann, 'Zur "Vita S. Gerlaci" eremitae', in: Deutsches Archiv für Erforschung des Mittelalters 18 (1962) p. 539-554; W.J. Prick, 'Levensbeschrijving van de veertien Roermondse bisschoppen' [tussen 1559 en 1801], in: E.C.M.A. Batta e.a., Limburg's Verleden, dl. 2 (Maastricht 1967) p. 603-608, over Cuyckius; Maurits de Meyer, Volkskunde-atlas voor Nederland en Vlaams-België, Commentaar bij de kaarten 21-29. Volksgeneeskunde (Antwerpen/Utrecht: Standaard, 1968) p. 59, 99-100; F. van Trigt e.a. ed., Goden en hun heiligen in Limburg (Maastricht/ Utrecht: catalogus gezamenlijke Limburgse musea, 1969) nr. 53; J.A.K. Haas, Inventaris van het archief van het Norbertinessenklooster van Sint-Gerlach (Maastricht: Rijksarchief in Limburg, 1971); W. Jappe Alberts, Geschiedenis van beide Limburgen, dl. 1 (Assen: Van Gorcum, 1972) p. 99; A. van Berkum, Suum cuique. De scheidsrechterlijke uitspraak van 1197 en het daaraan voorafgaande geschil over het aantal en de taken van de zielzorgers in het kerspel Meersen (Vaals: Abdij Sint-Benedictusberg, 1973) p. 11-46, 56-81, 163-166; P.M. le Blanc, 'De Gerlachuskerk te Houthem en haar monumentale beschildering', in: Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond 76 (1977) p. 59-88; [foto's kerk], in: Martin Verjans ed., Synthese. Twaalf facetten van cultuur en natuur in Zuid-Limburg (Heerlen: DSM, 1977) p. 241; J.J.M. Timmers e.a., In het voetspoor van Ph.G.J. van Gulpen (Heerlen: DSM, 1978) p. 142-143, tekeningen van Van Gulpen; W. van Mulken, Inventaris van de archieven van de rooms-katholieke parochie van de h. Gerlachus te Houthem 1598 - ca. 1953 (Houthem 1978); H.J.H. Schurgers e.a., Geschiedenis van Valkenburg-Houthem (Valkenburg: Het Land van Valkenburg, 1979) p. 74-80; Missae Propriae Provinciae Ultraiectensis et singularum dioecesum euisdem provinciae ('s-Hertogenbosch: Vereniging voor Latijnse liturgie, 1981) p. 3; H.L. Cox, 'Die Auswirkungen der deutsch-niederländischen Staatsgrenze von 1815 auf die volkstümliche Heiligenverehrung im Rhein-Maasgebiet; Ein Beitrag zur kulturräumlichen Stellung des Rhein-Maas-Gebietes', in: Rheinisch-Westfälische Zeitschrift für Volkskunde 28 (1983) p. 114; H.J.J. Philippens, Houthems Verleden (Eygelshoven: Eijdens, 1983); A. van Berkum, 'Gerlach de Houthem', in: Dictionnaire d'Histoire et de Géographie ecclésiastiques 20 (Parijs: Letouzey et Ané, 1984) k. 875-879; L. Mulders, Parochiekerk H. Gerlachus-Houthem-St. Gerlach (Houthem-Sint-Gerlach, 1984); F.P.J. Slenders, M.K.J. Smeets, 'Waar het koepeldragend Munster rijst'. Historisch overzicht betreffende de Onze Lieve Vrouwe Munsterkerk (Roermond: Stichting Jong Roermond, 1984) p. 67-69; E. Tielemans, Volksgeneeskunde in Limburg. Een bibliografie (Limbricht: Limburgs Volkskundig Instituut, 1986) nrs. 94, 186, 313; Renaat van der Linden, Bedevaartvaantjes. Volksdevotie rond 200 heiligen op 1000 vaantjes (Brugge: Tabor, 1986) p. 107, vaantje Heusden (B); J.M.A. van Cauteren ed., Limburgse heiligen. Pelgrimstochten naar, verering en relieken van Limburgse heiligen [tentoonstellingscatalogus] (Susteren: Stg. ter bescherming van de oudheden van Susteren, 1986) p. 54-55; Dieter P.J. Wynands, Geschichte der Wallfahrten im Bistum Aachen (Aken: Einhard Verlag, 1986) p. 48; J. Gerits, 'Sint-Gerlach van Houthem, beschermheilige tegen ziekten van mens en dier', in: Ons Heem 41 (1987) p. 69-94; P. Nissen, 'Sint Gerlach in de UTP', in: Interformatie 17 (1988/89) nr. 1, p. 10-21; J.G.M. Notten e.a., De kerk van de heilige Gerlachus (Houthem-Sint-Gerlach: Kerkbestuur, 1989); P.J.M. Aussems e.a., Kleine Atlas voor de Geschiedenis van beide Limburgen (Hasselt-Maastricht, 1989) p. 45, verering van Sint Gerlach; N. Backmund, 'Heinsberg (Notre-Dame et S.-Jean l'Evangéliste)', in: Dictionnaire d'Histoire et de Géographie ecclésiastiques 23 (Parijs 1989) k. 839-841; 'Ommegang hoogtepunt van Sint-Gerlachusjaar', in: De Sleutel. Informatiebulletin Bisdom Roermond 18 (1990) p. 4-6; Getijdenboek. Gebeden voor elke dag. Algemene inleiding; eigen teksten voor de heiligen van de Nederlandse bisdommen (Zeist: Nationale Raad voor Liturgie, 1990) p. 115N-116N; J. Gerits, 'Van heem tot heem. Sint-Gerlach van Houthem feestelijk herdacht', in: Ons Heem 45 (1991) p. 30-33; L. Willems, 'Van Sint Martinus tot Sint Gerlachus. Een nieuw kerkgebouw voor een oude parochie', in: Geulrand nr. 34 (1991), p. 78-81; nr. 35, p. 58-60; nr. 36, p. 60-64; D.P.J. Wijnands, 'Zum Kult des Gerlach von Houthem, ein einst auch im Rheinland und Westfalen Verehrter Heiliger', in: Rheinisch-Westfälische Zeitschrift 37 (1992) p. 161-177; F. Heijnens, Houthem en St. Gerlach in de literatuur. Een geannoteerde bibliografie over Houthem, Broekhem en Geulhem, hun inwoners en St. Gerlach en zijn verering (Houthem: Heemkundevereniging, 1993) beredeneerde bibliografie; L.C. Van Dyck, 'Houthem (Saint-Gerlac)', in: Dictionnaire d'Histoire et de Géographie ecclésiastiques 24 (Parijs, 1993) k. 1282-1284; H.C. Knook, 'Het voormalig klooster van Sint Gerlach te Houthem. Verslag van het bouwhistorisch veldonderzoek 1993', in: Jaarboek Historische en Heemkundige Studies in en rond het Geuldal (1994) p. 7-38; H.C. Knook & H.M.M. Kwakkernaat, 'Opgravingen in en rond het klooster van Sint Gerlach te Houthem', in: Jaarboek Historische en Heemkundige Studies in en rond het Geuldal (1995) p. 21-24, over de put; J.G.M. Notten, St. Gerlach Houthem (Regensburg: Schnell & Steiner, 1994); 'Gerlachus blijft de aandacht houden. Eeuwenoud stift bij Gerlachuskerk krijgt nieuwe bestemming', in: De Sleutel. Informatiebulletin Bisdom Roermond 23 (1995) p. 4-6; A.B. Mulder-Bakker e.a., De kluizenaar in de eik. Gerlach van Houthem en zijn verering (Hilversum: Verloren, 1995), met daarin o.m.: M. Flury-Lemberg, 'De tunicella van de heilige Gerlach', p. 101-108, J. Pasveer, 'Het onderzoek van de beenderen van de heilige Gerlach', p. 109-118 en Mulder-Bakker, 'De verering', p. 119-136; 'Houthemenaren treden in de voetsporen van H. Gerlachus', in: Heuvelland Aktueel, 27 augustus 1996; P. Nissen, [bespreking van A.B. Mulder-Bakker, De kluizenaar in de eik], in: De Maasgouw 115 (1996) k. 121-124; L.J.J. Willems e.a., 'Château Sint-Gerlach. Van kluizenaarsverblijf tot hotel-restaurant', in: Jaarboek Historische en Heemkundige Studies in en rond het Geuldal 1996, p. 7-67; J. Gerits, 'Bedevaartliederen ter ere van St.-Gerlach van Houtem', in: Ons Heem 50 (1996) p. 89-100; L.J.J. Willems, 'Landgoed Sint Gerlach voor ondergang behoed', in: Natuurgids 1996, p. 75-76; J. de Jong, 'Ende terstond werden die zenuwen ontbonden', in: AMC-Magazine januari 1997, p. 22-23; Jos Venner e.a., Ter kerke in Grathem. Parochiegeschiedenis ter gelegenheid van 750 jaar parochie Sint-Severinus (Grathem: Stg. 750-jaar parochie St. Severinus, 1996) p. 157: J. de Jong, Ziekte en Zaligheid. Heilige genezers in Nederlandse bedevaartsoorden (Amsterdam: Boom-Belvédère, 1997) p. 13-20; Mart Huls e.a., Te voet naar Pelgrimsoorden. Wittem, Noorbeek, Lorette en Sint-Gerlach. Wandelsuggesties door Zuid-Limburg en de Voerstreek (z.p.: Stg. Pelgrimswegen & voetpaden, 1997); Max Paumen, 'Herrie om mozaïek in Limburgse kapel', in: NRC-Handelsblad, 31 december 1997; 'Houthem eert patroonheilige. Tijdens Sint-Gerlachusoctaaf van 4 tot en met 11 januari', in: Heuvelland Aktueel, 29 december 1998; Ludo Jongen, Heiligenlevens in Nederland en Vlaanderen (Amsterdam: Bert Bakker, 1998) p. 14-18; T. Handgrätinger, 'Ordensheilige', in: Communicantes. Schriftenreihe zur Spiritualität des Prämonstratenserordens 11 (1998) p. 7-9; M.J.H.A. Schrijnemakers, Geschiedenis van Geleen, dl. 1 (Geleen 1998) p. 300, bedevaart in 1745 vanuit Geleen; A.G. Schulte & A. Warffemius, Landgoed Sint-Gerlach. Een knooppunt van culturen in het Land van Valkenburg (Zeist/Zwolle: Rijksdienst voor de Monumentenzorg/ Waanders, 1999) uitgebreide kunst- en cultuurhistorische beschrijving van de kerk en het kloostercomplex; Jan Gerits, 'Het portret van Franciscus van Cauwenbergh (1662-1718), proost van Houthem-Sint-Gerlach', in: De Maasgouw, 118 (1999) k. 81-86; H.J. Eggen, 'De Sint-Martinuskerk van Houthem, een bouwgeschiedenis en reconstructie', in: Historische en heemkundige studies in en rond het Geuldal 9 (1999) p. 185-218; Vera Hamers, 't Kapelke... Kapellen langs velden en wegen in Zuid-Limburg (Eindhoven: Kempen, 1999) p. 133-134; Peter Jan Margry, Teedere quaesties. Religieuze rituelen in conflict. Confrontaties tussen katholieken en protestanten rond de processiecultuur in 19e-eeuws Nederland (Hilversum: Verloren, 2000) p. 125; Piet Mertens e.a. (red.), Heiligdom/Sanctuary Sint Gerlach (Van Tilt, 2009).
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Houthem-Sint-Gerlach; Meertens Instituut volkskundige vragenlijst 64a (1993); fotocollectie Heemkundevereniging Houthem-St. Gerlach; NCRV-serie kerkepad uitgezonden op 27 augustus 1984, o.m. over het Gerlachuszand, NOB beeldbandarchief nr. M75103; NCRV-reportage over het onderzoek naar de relieken van Gerlach, uitgezonden op Nederland 1, 16 mei 1996; mondelinge informatie in 1999 van pastoor S.W.M. Nevelstein van Hoensbroek; Collectie (litanieën) 'Gerlachus' van A.J. Bomans, opgenomen in BiN-dossier (acquisitie 2012).
Website van de parochie: www.st-gerlach.nl/

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<