Hooge Mierde, H. Odrada

Cultusobject: H. Odrada
Datum: 3 november
Periode: 1617 (?) - 1651
Locatie: Parochiekerk H. Johannes bij de Latijnse Poort
Adres: Torendreef 1, 5095 AW Hooge Mierde
Gemeente: Reusel-De Mierden
Provincie: Noord-Brabant
Bisdom: 's-Hertogenbosch
Samenvatting: De verering van Odrada concentreerde zich vanaf 1617 op een kaakreliek (ter vervanging van een andere, verloren gegane relikwie) en - tot aan de afbraak in 1820 - een stenen tombe, die in de mondelinge overlevering met Odrada in verband werd gebracht. Na de Vrede van Munster werd de reliek ondergebracht in de Spaanse Nederlanden om in 1654 in Balen (B) te belanden. De heilige Odrada werd aangeroepen tegen besmettelijke ziekten onder mens en dier. In Hooge Mierde herinnert thans niets meer aan de Odrada-cultus.
Auteur: Gerard Rooijakkers
Illustraties:
Topografie - Het Kempische dorp Hooge Mierde is gelegen ten zuidwesten van Lage Mierde en ten noordwesten van Reusel nabij de Belgische grens.
- Omstreeks 1163 verwierf de abdij van Averbode een boerderij onder Hooge Mierde uit handen van Diederik van Hilvarenbeek, namelijk de hofstede van Culitsrode, het huidige gehucht Kuilenrode. Op deze hoeve rustte een cijns van drie Keulse schellingen ten behoeve van de St. Odradakerk te Alem. Diederik van Altena, een rechtsopvolger van Dirk van Hilvarenbeek, droeg in 1212 zijn gehele tiende te Hooge en te Lage Mierde, die hij alternerend, jaar om jaar, bezat, alsook de novale tienden aldaar en een stuk woeste grond, over aan de abdij Averbode, deels tegen een afkoopsom, deels als schenking.
- De oude parochiekerk van Hooge Mierde (met een status van 'quarta capella' of 'media ecclesia') was gewijd aan de H. Joannes Evangelist. Het was een pseudobasilicale kerk van drie traveeën met een laag transept en een driezijdig gesloten koor. De toren heeft drie geledingen met overhoekse steunberen aan de westzijde en een vierkante traptoren aan de noordkant, zoals een tekening van Hendrik Verhees uit 1788 toont.
- De kerk werd in 1648 beschadigd en raakte sindsdien steeds meer vervallen. Het gebouw kwam in 1800 weer in bezit van de katholieken, die gezien de staat ervan, de schuurkerk, die tegenover de oude kerk lag, bleven gebruiken totdat in 1819 met het herstel van de oude parochiekerk werd begonnen. In het schip van de oude kerk, gesloopt in 1820, bevond zich een tombe die in verband gebracht werd met de Odra-daverering. In 1922 is de hele kerk op de toren na gesloopt en vervangen door een nieuw gebouw (⟶ Hooge Mierde, Cornelius).

Cultusobject - Volgens de legende zou Odrada een adellijke maagd zijn geweest, geboren in de 12e eeuw te Scheps bij Balen (B), die haar stiefmoeder bekeerde tot het christendom. Volgens haar 'vita' zou Odrada wilde paarden hebben getemd. Na Odrada's dood zouden de runderen die haar lichaam vervoerden, pas zijn gestopt toen zij in ⟶ Alem aankwamen, waar zij vervolgens begraven zou zijn. In de 17e eeuw werd St. Odrada in Alem aangeroepen tegen oogziekten, tegen andere ziekten bij mens en dier (vooral van paarden en koeien), tegen hondsdolheid, om regen te brengen in tijden van droogte en om te grote regenval te stoppen. De sterfdag van Odrada zou op 28 januari vallen. Haar feestdag 3 november is de dag van haar canonisatie.
- In de bronnen wordt melding gemaakt van twee relieken van Odrada die elkaar 'opvolgen'. Uit het verslag van de kerkvisitatie van 20 juni 1617 door Matheus Langhecrutius, deken van Hilvarenbeek, blijkt dat naar verluidt de parochie Hooge Mierde eertijds over een reliek van Odrada beschikte die evenwel verloren was gegaan en dat men in processies enkel het lege doosje waarin deze bewaard was geweest, ronddroeg ('Habuerunt, ut dicunt, reliquias S. Odradae, at modo habent capsulam vacuam, quam nihilominus in processionibus circumferunt').
- Enkele weken later, op 9 augustus 1617, kreeg pastoor Philip Nevius van de parochie Hooge Mierde van bisschop Zoesius - vrijwel zeker naar aanleiding van dit visitatieverslag - een nieuwe reliek bestaande uit de complete onderkaak van de heilige. Deze reliek is afkomstig van het graf van Odrada te Alem dat destijds in verband met de oprukkende opstandelingen niet meer veilig werd geacht. Het stoffelijk overschot werd opgegraven en via 's-Hertogenbosch door de kartuizers van Vught naar Antwerpen gebracht.
- De onderkaak werd omstreeks 1648 uit veiligheidsoverwegingen van Hooge Mierde overgebracht naar de abdij van Averbode; witheren van dit klooster bedienden destijds de parochie van Hooge Mierde. Op 27 september 1654 schonk de abt het op zijn beurt aan Balen in het dekenaat Geel, de geboorteplaats van Odrada, waar de kaak thans nog steeds berust. Overigens schonk de abt later, in 1663, een klein deel van de kaakreliek aan de kerk te ⟶ Macharen. In 1686 werden deeltjes van de Balense reliek geschonken aan de kerk van Millegem.
- In een door J. Coene op rijm gesteld populair devotieboekje uit 1688 wordt deze elevatie en translatie als volgt beschreven:

'Dit lichaem had' gerust meer als vier-hondert jaeren / Waer door Alem vermaert soo lanck wel had' ghevaeren: / Want door den loop van t' volck heeft t' selve gefloreert / Gheduerende den tijdt die nu was ghepasseert. / Waer naer ghecomen sijn seer veel troubele tijden, / Waer van ons Vaderlant seer veel heeft moeten lijden: / Door groote Orloghen en nieuwe ketterij, / Waer door gheel t' lant beroert was over al onvrij. / d' Welck die van Alem heeft doen grootelijckx beweghen, / En hebben sulcken vrees voor den vijandt ghecreghen: / Waerom sy dat Lichaem, ontgroeven uyt de aerd'; / Om op een ander plaets beter te sijn bewaert. / Wanneer het selve is noch op die plaets bevonden, gheheel, fraey ende schoon, in t' minste niet gheschonden / Maer alst was inde locht weynich tijdt ghepasseert, / Soo is dat Lichaem stracx gheheel geconsumeert. / In welcken quaeden tijdt de nieuw gereformeerden, / De Kercken over al, en Cloosters violeerden: / Sijn dêes Reliquien naer s'Hertoghs-Bosch gevoert, / Van Bischop Zoesius, om niet te sijn gheroert. / Maer als tot ons groot leet den Bosch is inghenomen, / Sijn dêes Reliquien, op meer plaetsen ghecomen: / Waer van tot Macharen berust eenich cleyn stuck, / Soo Milligen oock heeft, en Balen dat gheluck'.

Dat de reliek te Balen via Hooge Mierde aldaar was terecht gekomen wordt hier dus niet expliciet vermeld.
- In het visitatieverslag van 20 juni 1617 wordt het, in verband met Odrada, tevens van belang geacht melding te maken van een met stenen geplaveide aarden (graf-) heuvel die, tot kennelijke verbazing van de visitator, midden in de kerk lag in plaats van op het kerkhof. Op zijn vraag waarom dit vloeroppervlak, waaronder misschien iemand begraven is, niet gewoon gebruikt wordt voor de kerkgangers, antwoordt een oude inwoner dat hij van zijn ouders gehoord heeft dat op die plek niemand kan zitten aangezien eenieder die daar plaats neemt getroffen wordt door de vallende ziekte.

'Hoc etiam notatu dignum: Cernitur in media ecclesia tumulus quidam lapideus ad instar tumulorum terreorum, quos cernere licet in coemiteriis, quando jam mortui sepulti sunt et terra coöperti. Rogati a me incolae, cur supra commune pavimentum ecclesiae hic tumulus elevatus esset, an forsitan quispiam sub eo sepultus? Respondit quidam ex senioribus, se audivisse a parentibus suis hoc ideo factum, ne in tali loco quispiam posset sedere, quia quicumque in tali loco sedebat, patiebatur morbum caducum'.

Het betreft hier mogelijk een grafheuvel (tumulus) uit de prehistorie of vroege middeleeuwen waaraan door de bevolking een magische kracht werd toegekend (vgl. Odabergje te ⟶ Sint-Oedenrode).
Verering - De devotie tot Odrada in Hooge Mierde gaat vrijwel zeker terug op de vroege cijnsrelatie met Alem waardoor de kerk beschikte over een reliek die in juni 1617 blijkbaar niet meer aanwezig was. De bisschop van 's-Hertogenbosch heeft met de schenking van een nieuwe reliek in augustus van dat jaar aan de devotie tot Odrada in Hooge Mierde een nieuwe status en impuls gegeven.
- Over de officiële devotiepraktijk is, afgezien van het ronddragen van de reliek (-kast) in het begin van de 17e eeuw, niets bekend. Odrada werd in Hooge Mierde aangeroepen tegen oogziekten en keelpijn bij mensen en tegen ziekten onder het vee.
- De plaatselijke bevolking had grote eerbied voor de tombe die met haar verering in verband werd gebracht. Of het heilige ontzag voor deze plek ook nog na de teruggave van de parochiekerk in 1800 onder de bevolking leefde, is onduidelijk maar niet erg waarschijnlijk, aangezien de grafheuvel met de sloop van het schip in 1820 eenvoudigweg werd opgeruimd.
Materiële cultuur - In huidige kerk te Hooge Mierde is thans geen enkel materieel getuigenis meer van de Odrada-devotie. Het lege relikwiedoosje, waarvan in 1617 wordt gemeld dat het in processies werd rondgedragen, is niet te traceren en mogelijk hergebruikt voor de zilveren houder van de kaakreliek. De onderkaak van Odrada, gevat in een zilveren barokke houder (met engelenkopjes en hoornen des overvloeds in drijfwerk) voorzien van een vierkant kijkglas, is achter tralies in een fraai gedecoreerde en gemarmerde houten reliekschrijn geplaatst en wordt permanent uitgestald in de parochiekerk van Balen.

Bronnen en literatuur Archivalia: Averbode, abdijarchief: sectie I, reg. 290, f. 46. 's-Hertogenbosch, bisdomarchief: visitatieverslag 20-6-1617.
Tekstedities: Het leven vande H. Maghet Odrada, gheviert wordende den 3. November, patronersse tot Milligen, ghelegen tusschen de Vrijheydt van Gheel en Moll. Beschreven in 't Latijn door den Eerw. Heere Joannes Gilemannus Canonick Regulier, ende Supprior van het Roy-Clooster buyten Brussel, in het tweede Deel van sijnen Hargyologus van Brabandt in 't Jaer 1304. Op-ghesocht ende in 't Vlaems ghetranslateert door den Eerw. Heere Ioannes de Rover Pastoor tot Macharen in 't Iaer 1682. Ende om t' selve beter bekent te maecken aen de devote Gheloovighe vande om-ligghende Quartieren door den Druck, ter oorsaecke vande oude ghevonden Fonteyne, ende haer crachtigh water in 't Jaer 1686, in Rijm-dicht ghestelt door Judocus Coene, Canonick van Gheel in 't Jaer 1688 (Antwerpen: Jacob Mesens, 1688); H.P.H. Camps, Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312 (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1979) p. 152-153, 176-177, 198-199, 244-245.
Literatuur: J.A. Coppens, Nieuwe beschrijving van het bisdom 's Hertogenbosch etc., dl. 3,2 ('s-Hertogenbosch: J. Demelinne, 1843) p. 129-131; L.H.C. Schutjes, Geschiedenis van het bisdom 's Hertogenbosch, dl. 4 (Sint-Michielsgestel: Instituut voor Doofstommen, 1873) p. 629-635; A. Geboers & F. van Olmen, De H. Odrada van Baelen. Haar leven en hare vereering (Mechelen: H. Dessain, 1898) p. 48-49, 65; A.M. Frenken, 'Aanvullingen op Schutjes', Bossche Bijdragen 23 (1956-1957) p. 72; W.H.Th. Knippenberg, Kultuurhistorische verkenningen in de Kempen III: Oude pelgrimages vanuit Noord-Brabant (Oisterwijk: Stichting Brabants Heem, 1968) p. 69-70; J. van Gisbergen, Myrtha: een blik in het verleden van Hooge Mierde (Hooge Mierde: s.n., 1982) p. 76-77; P.J. Margry, Bedevaartplaatsen in Noord-Brabant (Eindhoven: Bura Boeken, 1982) p. 170-171; J. Jansen, 'De heilige Odrada van Balen. Bouwstoffen voor de kunstgeschiedenis', in: Driemaandelijks tijdschrift Heemkundige Kring Balen 11 (1990) p. 17; G. Rooijakkers, Rituele repertoires. Volkscultuur in oostelijk Noord-Brabant 1559-1853 (Nijmegen: Sun, 1994) p. 592; K. van Kemenade, 'De kaak van Odrada'; 'De Odrada-legenden'; De kaak van Odrada verdwijnt', in: Kroniek van de Kempen 15 (Hapert: De Kempen Pers, 1995) p. 34-38; S. Dickens, 'De godgewijde vrouwen van Mierde en Hulsel', in: Steen voor steen (1996) nr. 4, p. 10-13; H. Geybels, Langs deze weg, zet gene voet... De kapellen van de provincie Antwerpen (Laakdal: Vrienden van het Museum Laakdal, 1997) p. 106-107, 207; J.C Kort, 'De Heren van Altena tot 1242', in: De Brabantse Leeuw 55 (2006) p. 155.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Hooge Mierde-Odrada; in de parochiekerk van Balen bevindt zich een reliek uit Hooge Mierde.

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<