HomeDatabankenBedevaarten

Heiloo, O.L. Vrouw ter Nood

Mail voor aanvullingen en commentaar
Cultusobject: O.L. Vrouw ter Nood
Datum: Laatste zondag van mei; gehele jaar
Periode: 15e eeuw - heden
Locatie: Bedevaartcomplex van O.L. Vrouw ter Nood
Adres: Kapellaan 13, 1851 PE Heiloo
Gemeente: Heiloo
Provincie: Noord-Holland
Bisdom: Haarlem
Samenvatting: Na het ontstaan van de Mariaverering in waarschijnlijk de 15e eeuw, had de verwoesting van de bedevaartkapel in 1573 een periode van devotionele neergang tot gevolg. Deze werd weer gekeerd door verhalen over Mariaverschijningen aan het begin van de 17e eeuw; in 1713 door de faam van het genezend water van de nieuw ontsprongen Runxput. Vanaf die tijd is de devotie rond de Runxput tot aan het begin van de 19e eeuw blijven bestaan. De revitalisering van dit oude mariale heiligdom, met een belangrijke rol bij de devotionalisering van de Nederlandse katholieken, bracht dit oord in de eerste helft van de 20e eeuw hoogtijdagen. De jaren zestig gaven een ommekeer te zien, met een scherpe daling van het aantal bedevaartgangers. De belangstelling voor Onze Lieve Vrouw ter Nood nam in de jaren tachtig en negentig geleidelijk weer toe, mede dankzij devotionele innovaties. Binnen het sociaal pluriforme West-Nederland kon Heiloo uitgroeien tot een meervoudige bedevaartplaats met verschillende Mariaculten (⟶ Heiloo, O.L. Vrouw van Fatima; ⟶ Heiloo, O.L. Vrouw van Medjugorje).
Auteur: Peter Jan Margry
Illustraties:
(Klik op afbeelding voor vergroting)
Topografie - Het heiligdom is gelegen midden op een zandrug of strandwal tussen de dorpen Heiloo en Limmen, aan de Kapellaan die loopt tussen de Kennemerstraatweg en de spoorlijn. Het terrein, van oudsher 'Capel' genaamd, gelegen in het buurtschap dat vroeger ook wel Oesdom werd genoemd, is de plaats waar de middeleeuwse Mariakapel en de Runxput hebben gelegen. Deze grote kapel werd in 1573 grotendeels verwoest en in 1637 geheel met de grond gelijk gemaakt. In de 18e eeuw noemde men het terrein nog 'kruipberg' omdat katholieken hier op de knieën plachten rond te gaan. In 1768 is deze heuvel afgegraven en beplant. De naam 'Heiloo' - heilig lo of bos - zelf is aanzienlijk ouder (vóór de 11e eeuw) dan de Mariaverering en houdt er geen verband mee.
Capel werd in 1902 door pastoor Geenen uit protestantse handen gekocht. Nadat op 20 maart 1905 de put was teruggevonden, werd de ruimte allengs weer tot een devotioneel complex ingericht. Naast de gevonden put, waarvan niet duidelijk is of het om dezelfde gaat als de oude Runxput, werd in 1906 een houten kruis met een afbeelding van Maria geplaatst; snel daarna werd een pomp op de put aangebracht. In 1909 kwam er een voorlopige bedevaartkapel naar ontwerp van Jan Stuyt, dat mede was gebaseerd op een oud schilderij van de kapelruïne. De kapel werd gesitueerd op ongeveer dezelfde locatie als de afgebroken middeleeuwse Mariakapel. Rondom de kapel werd in 1923 opnieuw een 'processie- of kruippad' aangelegd waar men naar oud gebruik biddend kon rondgaan. Het gebied werd verder beschut met nieuwe aanplant. In 1911 werd een kruisweg aangelegd met fraaie staties en een kruis- of calvarieberg. In hetzelfde jaar werd een beeld van Willibrord geplaatst.
- In 1907 en 1910 werden aangrenzende percelen aangekocht om het bedevaartterrein te kunnen uitbreiden. Nadat in 1912 een grote kerktent verschillende malen was omgewaaid, verrees op het midden van dit terrein een tijdelijke bedevaart(nood-)kerk voor grotere bedevaarten (tot 1200 personen), opnieuw naar een ontwerp van Stuyt. Het terrein (ongeveer 100 x 400 m groot) wordt ten zuiden door de Kapellaan en aan de oost- en westzijde door de Hoogeweg en de Runxputteweg/Kapelweg en spoorlijn afgegrensd. De bedevaartkapel ligt in de noordwesthoek met niet ver daarvandaan, meer naar het midden, de bedevaartkerk. Bij de middeningang van de Kapellaan is in 1994 het bezoekerscentrum 'Oesdom' gebouwd. Aan de oostkant van het park liggen de parkvijver, de calvarieberg en de grote kruisweg.
- De kleine, in 1909 op de plaats van de middeleeuwse kapel gebouwde noodkapel is in 1930 vervangen door een met behulp van zware breuksteen uit de Eifel in romaniserende stijl gebouwde bedevaartkapel, naar een ontwerp van Jan Stuyt. De ruimte is groot genoeg voor zo'n 120 bezoekers. Op 9 juli zegende mgr. Aengenent het heiligdom in. Het mozaïek voor het altaar werd door A. Molkenboer gemaakt, terwijl edelsmid Koldeweij de ex-votokast vervaardigde en N. Witteman de communiebank. Han Bijvoet zorgde voor een grote schildering tegen de achterwand met als themata: het hemels gastmaal, de boodschap aan Maria, geboorte van Christus, opdracht in de tempel, Jezus teruggevonden in de tempel, Jezus sterft aan het kruis en Maria's kroning in de hemel.
Tegelijk werd op het voorhof en rond de put een galerij aangelegd, waarmee een betere verbinding werd gelegd tussen kapel en processiepark. De grote groei van het aantal bedevaartgangers deed plannen rijzen voor een megaheiligdom. Vlak voor zijn dood in 1934 maakte Jan Stuyt, samen met zijn zoon, nog schetsen voor deze opvolger van de in 1913 gebouwde noodkerk. Vanwege de kosten en de teruglopende bezoekersaantallen is de bouw van dit heiligdom nooit gerealiseerd.
- De toegangswegen tot het park werden verbeterd en in 1914 werden aan de spoorlijn pal naast het complex twee perrons aangelegd. Het werd een aparte halte waar de speciale processietreinen konden stoppen. Aan de rand van het terrein, langs de Kapellaan, waren diverse hotels, restaurants, café's (Pelgrimsrust, Runxputte en St. Willibrordus) en (devotionalia-) winkeltjes (zoals bij café 'het Stalletje van Bethlehem') gevestigd. Vanwege de sluiting van de laatste café's in 1993, werd in het jaar daarop een ontvangstruimte op het terrein gebouwd.
- Het rectoraatshuis staat bij de middeningang van het complex, aan de overzijde van de Kapellaan (nr. 13). Naast het bedevaartcomplex vestigden zich in 1933 de Zusters Juliaantjes en in 1957 de Kleine zusters van Jezus.
Cultusobject - Het oorspronkelijke beeld van O.L. Vrouw ter Nood is verloren gegaan, waarschijnlijk in of kort na 1573. In de 20e eeuw is er gediscussieerd over de vraag of het een Maria ter Nood Gods (pietà) zou hebben uitgebeeld. De titel moet echter als 'hulp in de Nood' worden geïnterpreteerd. In 1915 is de Heilooër Maria ook nog tijdelijk als O.L. Vrouw van de Vrede betiteld.
- De oudste afbeelding van het vroegere beeld is te vinden op een gravure van Isabelle Hertsens van kort na 1637 (?): een gekroonde Maria temidden van de kapelruïne met het kind Jezus op de linkerarm. De kapel van Stuyt uit 1909 werd voorzien van een nieuw beeld van O.L. Vrouw ter Nood, geschonken door de Amsterdamse processie, en gehouwen uit witte zandsteen door Hans Mengelberg in 1908. Het staat boven het altaar in de genadekapel en werd in 1923 beschilderd. Het stelt een gekroonde Maria voor met kind op de rechterarm en een appel in de hand. Haar beeltenis was gemodelleerd op basis van 18e-eeuwse gegevens (een medaille) van Heiloo. Het beeld is in de kapel geplaatst op een leisteen uit de grot van Lourdes.
- In de grote bedevaartkerk staat nog een ander Mariabeeld: een Nederrijnse Maria met kind op de rechterarm uit ongeveer 1500 met een hoogte van bijna 25 cm. Het is nagelaten door pastoor Van Haaster van Ursem die er zelf van overtuigd was - ofschoon hij dit niet kon staven met bronnen - dat dit het oude beeldje van O.L. Vrouw ter Nood was. In deze kerk hangt tegen de wand van het priesterkoor ook een grote kopie van het cultusbeeld in de Stuytkapel.
Verering Legende en oorsprong
- Aan het begin van de 15e eeuw (1409) bestond er reeds een O.L. Vrouwekapel te Heiloo. Maar mogelijk is de ouderdom van die kapel nog een stuk hoger. Mogelijk, omdat er maar weinig documenten uit die tijd zijn overgeleverd. Het is echter niet duidelijk of het toen al om een bedevaartkapel ging. Juist het feit dat er nauwelijks middeleeuwse bronnen zijn over de kapel en het ontbreken van de devotionele aanduiding of Mariatitel ('ter Nood') van de Mariakapel in de weinige documenten die er zijn, geven aanleiding om het ontstaan van de bedevaart pas in de late middeleeuwen, in de 15e of 16e eeuw, te veronderstellen. Ook de vrome legende die de grondslag voor de verering diende te legitimeren, is alleen bekend uit een vastlegging uit het begin van de 18e eeuw.
- Het verhaal van de legende luidt als volgt. Een schipper uit de buurt van Alkmaar zou tijdens een storm hebben beloofd om bij behouden terugkomst een Mariakapel te bouwen. Ongedeerd keerde hij uiteindelijk terug en tegelijkertijd vond een jongen in de buurt een houten Mariabeeld. Toen de jongen dit beeld meenam en aan zijn moeder gaf, keerde het beeld terug naar de plaats waar het gevonden was. Dit werd als een goddelijk teken beschouwd: dáár waar het beeld naar toe was teruggekeerd, moest de door de schipper beloofde kapel worden gebouwd.
- Tegenover het vrijwel ontbreken van oude gegevens staat dat, gezien de omvang van het oorspronkelijke laatmiddeleeuwse gebouw, het niet om een simpele bidkapel ging, maar dat het een grotere kapel was met relatief veel ruimte voor bezoekers of bedevaartgangers. Met andere woorden: een devotiekapel voor een geïnstitutionaliseerde cultus.
- Binnen de sacrale topografie speelden niet alleen de kapel en het Mariabeeld een rol, maar ook de vlakbij de ingang van de kapel gelegen bron of put, de Runxput genaamd, vanwege het heilzame of genezende water. De benaming van de put is overigens onverklaard (en niet vernoemd naar de Noorman Rorik).

De 17e en 18e eeuw
- In een anoniem gedicht uit het begin van de 17e eeuw vinden we de Heilooër Maria voor het eerst expliciet met O.L. Vrouw ter Nood aangeduid. Het gedicht handelt verder over de vele zieken en zwakken die er ter genezing komen. Het is tevens het eerste bewijs dat de verwoesting en het verdwijnen van het cultusbeeld circa 1573 geen complete onderbreking vormden voor de devotie; de bedevaarten gingen gewoon door.
Het is echter de vraag of dit oudste document rond de Mariabedevaart ook weergeeft wat er zich in het verleden heeft afgespeeld of dat het de nieuwe 17e-eeuwse situatie rond de kapel aanduidt. Misschien mogen de in deze tijd vastgelegde verhalen over Mariaverschijningen bij de kapelruïne worden beschouwd als onderdeel van een contrareformatorische pastorale strategie. Diverse schilderijen en prentjes uit die tijd geven een verschijning weer van Maria met het Jezuskind op de arm. Het is niet onwaarschijnlijk dat de mare rond deze verschijning de verering heeft versterkt of doen herleven.
- Het waren de Staten van Holland die reeds vroeg in de 17e eeuw hebben getracht de Mariaverering in Heiloo te vernietigen door sacrale relicten als de oude kapel af te breken (in 1637). Toch slaagden zij er niet in de sacraliteit van de heilige plaats weg te vagen. Het bedevaartoord bleef namelijk bezocht worden door Mariavereerders uit de (verre) regio, onder wie begijnen uit Haarlem. De uitgave van een gedrukte reiskaart voor bedevaartgangers in 1704 wijst op een bedevaartplaats van omvang. Van kerkelijke zijde ondervond de verering hulp van franciscanen en mogelijk van dominicanen van de statie Heiloo.
- Het spontaan - 'miraculeus' - ontspringen van de geneeskrachtige waterbron van de voormalige Runxput in 1713 gaf de verering echter onverwacht een krachtige nieuwe impuls. In een ooggetuigeverslag heeft een priester er verslag van gedaan. Het is opgenomen in een rapport over de kwestie opgemaakt door het hoofd van de franciscaanse missie. Uit het verslag komt naar voren hoe druk Heiloo in die jaren door bedevaartgangers uit het gehele gewest en zelfs uit Brabant en Limburg werd bezocht en hoezeer het 'heilig veld of land' op velen een grote aantrekkingskracht uitoefende. Vooral het miraculeuze bronwater sprak tot de verbeelding van de gelovige boeren uit de omgeving. Immers, juist tegen de toen heersende veepest zou het water effectief zijn geweest. Prenten uit die tijd tonen pelgrims die in rijen achter elkaar de rozenkrans biddend de kapel rondgaan, al of niet op hun knieën, en in kruiken en vaten putwater meenemen. Nachtelijke kaarsenprocessies met meer dan driehonderd personen werden gehouden. Via gedrukte vlugschriften werd er grotere bekendheid aan gegeven. Zes personen uit Amsterdam vonden ook genezing van aandoeningen aan hoofd, borst, darmen en longen.
- De faam van het oord was zo groot dat zelfs protestanten, zo luidde de klacht van de classis van Alkmaar bij de Staten van Holland, daar geneeskrachtig water gingen putten. Niet alleen de katholiek-rituele aspecten van de devotie, maar vooral de offensief-strategische elementen in de richting van de daar wonende protestanten, maakten de classis ongerust. Het verhaal deed bijvoorbeeld de ronde dat de geneeskracht van het water pas echt effectief zou zijn 'als 't eerst met 't bloed der geusen vermengt is'. De baljuw van Kennemerland werd daarop met een nader onderzoek belast, overigens zonder dat dit resulteerde in verdere actie.
- Documenten uit de jaren 1751 en 1754 geven opnieuw aan hoe actief de verering toen nog steeds was. De bedevaartgangers organiseerden zelfs overdag grote religieuze ceremonies, waaronder openbare procesies. De baljuw, die deze keer wel optrad tegen de in de Republiek verboden openlijke godsdienstoefeningen en processies, verbrijzelde een keer het processiekruis en joeg door een 'hagel-buy' van stokslagen de processiegangers uiteen. In dit specifieke geval werd de overheid door de bedevaartgangers bewust getergd en geprovoceerd. Het ging vooral om personen uit ambachtskringen en lagere sociale klassen die uiting wensten te kunnen geven aan hun devotionele gevoelens en hun onvrede met de verbodsbepalingen om gezamenlijk en openlijk voor het geloof uit te kunnen komen. Maar over het algemeen werd de devotie in de praktijk, mits niet al te ostentatief uitgeoefend, door de overheid getolereerd. De op het terrein geplaatste offerbus, waaruit de lokale overheid een deel van de opbrengsten kreeg, heeft beslist aan die relatieve tolerantie bijgedragen.
- Uit verschillende documenten blijkt dat de bedevaart aan het einde van de 17e eeuw een sterk geïnstitutionaliseerd karakter had. De heilige plaats werd immers getolereerd door de overheid, ondersteund of gestimuleerd door katholieke orden, instellingen of groepen en was voorzien van een put, een calvarieberg en offerblokken. Ook vond er verkoop plaats van genezend water, prentjes en medailles. De grote aantallen bedevaartgangers konden terecht in niet minder dan vijf herbergen, gelegen in de nabijheid van het Capel-terrein. Voor hen waren er bovendien routekaarten - 't Hylo-er Ryskaartje uit 1704, 'tot dienst van de Hylo-er pelgrims' - gedrukt, die hun precies de wegen, voetpaden en de schuitvaarten toonden waarmee ze de heilige plaatsen, de putten en de uitspanningen konden bereiken.
Niettemin riepen de voortdurende bedevaarten reacties op. Met name het kruipen rond de Kapel- of Kruipberg was de verlichte bestuurders van het gewest Holland een doorn in het oog. In 1768 werd in opdracht van de Staten van Holland voor de derde maal geprobeerd de verering te laten stoppen door vernietiging van de devotionele elementen. Op de eerste plaats werden de vergunningen van de kastelijns van de omliggende pelgrimsherbergen ingetrokken. Vervolgens ging men aan het werk om de sacrale heuveltjes, de Kruisberg en de Kruipberg te egaliseren en ze daarna te beplanten. Hiermee werd de locatie voor bedevaartgangers ontoegankelijker en minder herkenbaar gemaakt. Berichten uit het einde van de 18e en het begin van de 19e eeuw geven aan dat indertijd de verering, in vergelijking met het midden van 18e eeuw, beperkt van omvang was. Niettemin hebben katholieken rond 1800 geprobeerd het terrein voor hun verering in eigendom van Domeinen te verwerven.

Devotionele neergang in de 19e eeuw
- De vrijheid van godsdienst had aanvankelijk in Heiloo een gunstige invloed op de Mariaverering die zoals gezegd sinds het einde van de 18e eeuw tanende was. In die jaren kwam er nog maar een klein groepje Mariavereerders op Maria Hemelvaart samen op 'Capel', het oude bedevaartterrein. In 1807 bleek het weer mogelijk om circa 1500 bedevaartgangers vanuit Haarlem, Alkmaar en omgeving op de been te brengen. Processiegewijs en met kaarsen in de hand werd vanaf 'Capel' naar de Willibrordusput in het dorp zelf getrokken. Hieruit blijkt dat in deze jaren de Maria- en Willibrordusverering in een gezamenlijk devotioneel traject waren opgenomen.
- Overheidsmaatregelen - zowel van de zijde van de regering als van de eigen r.k. overheid - ter handhaving van de openbare orde (godsdienstoefeningen op straat) en van de algemene zedelijkheid (kermis en ongodsdienstige praktijken) maakte een rigoreus einde aan de groepsgewijze verering. Toen het de protestantse burgemeester van Alkmaar bovendien was gelukt het 'heilig land' van Heiloo aan te kopen, werden voor de vierde maal in de geschiedenis de aanwezige relikten van de Mariaverering verwijderd en werden verdere bedevaarten met succes belemmerd. In 1832 of 1833 vonden de laatste individuele ommegangen op 'Capel' plaats.

Revitalisatie van de Mariaverering
- Het is opmerkelijk hoe na 1833 de verering voor O.L. Vrouw van Heiloo, na zoveel moeilijke jaren van taai voortleven, toch heeft kunnen uitdoven. Pas zo'n veertig jaar later ontstond weer nieuwe (wetenschappelijke) belangstelling voor de Heilooër Lieve Vrouw. Naar aanleiding van een artikel van de Hagevelder seminarieprofessor De Rijk over O.L. Vrouw ter Nood en haar Runxput en over Willibrord groeide allengs de interesse in beide oude cultusplaatsen.
- Het was pastoor Kimman van Heiloo die op een gegeven moment de redemptoristen vroeg te helpen bij de beoogde herleving van de verering van de Lieve Vrouw ter Nood. Gedurende een intensieve volksmissie in de parochiekerk in 1886, werden de katholieken van Heiloo door hen weer in de juiste stemming gebracht. Het leidde ertoe dat er steeds serieuzer over werd gedacht om de verering weer een specifieke locatie en structuur te geven. Een praktisch probleem was het feit dat de oude 'Capel'-grond niet meer in katholiek bezit was. In 1902 slaagde pastoor Geenen erin ook deze percelen aan te kopen. Particulier initiatief zou vervolgens helpen bij het op poten zetten van de structuur en de vormgeving van de vereringspraktijk.
- De katholieke margarinefabrikant Gerrit van den Bosch uit Alkmaar stelde geld ter beschikking om de nog aanwezige oude fundamenten van de kapel op te graven en de vroegere Runxput te traceren. Het nieuws van de vondst in maart 1905 van wat werd verondersteld de oude bron en de fundamenten van de oude kapel te zijn, raakte snel verbreid. Zo zeer zelfs dat al in juli een eerste georganiseerde bedevaart vanuit Amsterdam arriveerde. En niet alleen zij kwamen, dat jaar reeds bezochten duizenden bedevaartgangers het terrein. Behalve de herwonnen materiële band, trachtte men ook de connectie met het verleden te versterken door de vastlegging van de mondelinge overlevering over de vroegere vereringspraktijk. Via de figuur van de hoogbejaarde Kees Enke die in 1810 was geboren en zich vanaf het jaar 1817 bedevaartgangers en verschillende vormen van verering kon herinneren, werd ter verdere legitimatie van de herleving notarieel vastgelegd wanneer en hoe de Mariadevotie er voor het laatst had plaatsgevonden. Door dit alles moreel gesteund, verzocht Van den Bosch bisschop Callier om meer algemene bekendheid aan het nieuwe heiligdom te mogen geven.
- Kennemerland, waar relatief veel katholieken woonden, werd als een gunstige voedingsbodem beschouwd om de mariale devotie te doen herleven. Het bisdom wenste dat niet rustig af te wachten, maar probeerde in het kader van het devotionaliserings- en missioneringsoffensief en de toenemende verzuiling van het land binnen korte tijd een nieuw krachtig rooms-katholiek markeringspunt in het westen van het land te realiseren. Een door mgr. Callier met zorg samengesteld comité werd in 1905 in het leven geroepen met de eenduidige taakstelling om de oude kapel en de devotie op een structurele en verantwoorde wijze te herstellen (leden: deken J.J. Graaf, de marioloog en redemptorist J.A.F. Kronenburg, de Haarlemse archivaris C.J. Gonnet, de Amsterdamse architect Jan Stuyt, de kapitaalkrachtige margarinefabrikant G.Th.M. van de Bosch en pastoor J.C.J. Seuter van Heiloo). Dit Bisschoppelijk Comité (na 1910: Commissie) was in deze beginfase de stuwende en besturende kracht achter de herleving van de verering. In 1930 werd de Commissie omgezet in een stichting die momenteel nog steeds functioneert als hoeder van het heiligdom.
- Nadat verschillende kranten in 1905 hadden bericht dat een groepje Amsterdammers weer naar het oude bedevaartoord van Heiloo was getrokken, inspireerde dat ook anderen. Vanuit diverse plaatsen in Noord-Holland en daarbuiten kwamen al of niet georganiseerd katholieke Mariavereerders.
- Heel bewust werden bij de opbouw van het complex de verbroken verbindingen (put, kapel, kruippad etc.) met het verleden opgepakt en weer aan elkaar verbonden. Juist het idee van continuïteit vormde een belangrijke bekrachtiging of legitimatie van de verering. Essentieel voor het herstel van de verering was ook het terugvinden en reconstrueren van de Runxput. Het was immers van oudsher het centrale cultuspunt waar genezend water kon worden getapt. De verbinding met Willibrord, ook als nationale kerkvader, was evenzeer van strategisch belang (zie ook ⟶ Heiloo, H. Willibrord).
Maar met de aanleg van een processiepark was de opbouw van het complex niet afgerond. De sterke toestroom van bedevaartgangers - reeds in 1910 kwamen er 35 grote bedevaarten, bij elkaar 7728 personen - noodzaakten een aangepaste infrastructuur rondom het park. De groei van het bezoekersaantal zette door naar zo'n 30.000 begin jaren dertig.
- Van het begin af aan was het duidelijk dat het gerevitaliseerde Heiloo een belangrijke rol zou moeten vervullen bij de mobilisatie van devotionele krachten binnen de Nederlandse katholieke bevolking. Het ging in feite niet om een regionaal, maar om een nationaal heiligdom. Kardinaal van Rossum formuleerde in 1913 de werderopbloei van de verering als: 'een onderpand van den volledigen terugkeer van het afgedwaalde Nederland voor de voeten van Haar, die eenmaal dit Nederland zoo groot eene schutse bood en zoo waar eene moeder was.' Mede daarom was Heiloo voor hem de 'aangewezen' plek om veel te bidden voor de bekering van Nederland. Deze strategische stellingname in het verzuilde Nederland aan het begin van de 20e eeuw, typeert de apologetisch gerichte redemptorist in Van Rossum en sluit aan bij het devotionele offensief en het missiewerk die zijn congregatie indertijd in Nederland praktiseerde.
- Op 22 juni 1909 gaf de bisschop tijdelijk (en op 25 maart 1920 voor eeuwig) toestemming tot gebruik van een 'altare majus' in de bedevaartkerk. In 1912 kwam er toestemming van de bisschop om processies met het H. Sacrament door het park te houden.
- Op 3 maart 1910 werd een devotionele broederschap opgericht, met naast O.L. Vrouw ter Nood de H. Willibrord als tweede patroon. In vele andere Nederlandse parochies werden voor de organisatie van de verering en de bedevaarten 'zusterbroederschappen' opgericht.
- Op 20 februari 1920 werden door Benedictus XV bij breve 300 dagen aflaat verleend, zo vaak als men het gebed van O.L. vrouw deed in de kapel.

Na de Tweede Wereldoorlog
- In Heiloo vormde de Tweede Wereldoorlog slechts een korte onderbreking van de verering. In juni 1943 had de stichting nog katholieken opgeroepen om vanwege de oorlogsellende Nederlandse heiligdommen veelvuldig te bezoeken en een gebedsactie te beginnen: 'teneinde door heel het land een storm van smeekbeden te doen opgaan voor de Lieve Vrouw'. Door de verslechterende omstandigheden en reismogelijkheden is hier niet veel meer van terecht gekomen.
Na de bevrijding werd de vooroorlogse stijgende lijn van de grote aantallen bedevaartgangers weer snel opgenomen. Op 14 december 1946 werd het rectoraat O.L. Vrouw ter Nood opgericht en de bisschop droeg de dagelijkse zorg voor het heiligdom aan de paters montfortanen over (tot 1989). Het aantal georganiseerde bezoekers stabiliseerde zich rond de 40.000 per jaar, het totale aantal bedevaartgangers, georganiseerd en individueel, is niet bekend. Het absolute hoogtepunt was voor Heiloo het Mariajaar in 1954 toen een dubbel aantal georganiseerde bedevaartgangers, 80.125 bezoekers, werd geteld. Begin jaren zestig werd echter duidelijk dat de religieuze situatie in het land aan het veranderen was. De ideeën voor een grote bedevaartkerk raakten op het tweede plan en de schaal van het oude complex bleek meer dan voldoende voor de bezoekersaantallen van het post-Vaticanum-II-tijdperk.
- Na de teruggang in de jaren zestig en zeventig ontwikkelde Heiloo zich weer tot een van de actievere centra van de (Noord-)Nederlandse bedevaartcultuur. Naast de gebruikelijke bedevaarten vinden er jaarlijks ook het dekenale ziekentriduum en de oogstdankdagen plaats. De vaste bedevaarten komen op de eerste zaterdag van de maand. Daarnaast organiseert de Stichting Bedevaarten Nederlandse Heiligdommen ook regelmatig bedevaartactiviteiten in Heiloo, op de Mariafeestdagen en tijdens de zogenaamde priesterzaterdagen. Eind jaren negentig wonen op zondag gemiddeld zo'n 500 mensen de mis in de bedevaartkerk bij en bezoekt een niet nader bepaald aantal het park en de kapel. Het rectoraat schat het totale aantal bezoekers van het park per jaar op ca. 70.000. Het zijn zeker niet alleen ouderen, zo houden ook jongerengroepen vanuit de omgeving voettochten naar Heiloo.
De mogelijkheden van het grote en fraaie bedevaartcomplex bleken daarmee echter niet uitgeput. Binnen het sociaal pluriforme West-Nederland kon Heiloo uitgroeien tot een meervoudige bedevaartplaats, waar tevens twee nieuwe filiaalculten van ⟶ de Lieve Vrouw van Fatima en van ⟶ O.L. Vrouw van Medjugorje onderdak konden vinden.
Materiële cultuur - Replica's: 1 Mariabeeldje in bruin, wit of geschilderde uitvoering (in goud, blauw en wit) van gegoten kunststof, [ca. 1950?], 18,4 cm hoog. In de voet de tekst 'O.L. Vr. ter Nood Heiloo'; 2 ditzelfde beeldje bestaat ook geplaatst tegen een gegoten vorm met een langwerpige achtergrond (21,3 x 10 cm).
- Devotietegeltjes: 1 tegeltje langwerpig (15 x 7,3 cm); aan de voorzijde tekening van O.L.Vrouw ter Nood in drie kleuren, met de tekst 'O.L. Vr. ter Nood Heiloo', op de achterzijde 'kunstwerken Strabi' [ca. 1950?]; 2 tegeltje vierkant (15 x 15 cm) met ophanggaatje, 45º gedraaid bedrukt in zwart: afbeelding van de genadekapel met het beeld van O.L.Vrouw op de voorgrond en de tekst 'Bedevaartplaats O.L. Vrouw ter Nood Heiloo' [ca. 1975?]; 3 tegeltje vierkant (150 x 150 mm) in blauw bedrukt met een deel van het Mariabeeld en de tekst 'Door Maria tot Jezus. O.L. Vrouw ter Nood Heiloo' [ca. 1985?]
- Sieraardewerk: 1 sierborden van oranjekleurig porselein, met reliëf en twee openingen of grepen, vervaardigd in Amsterdam in opdracht van de firma Broers te Heiloo [ca. 1920?], ⊘ ca. 25 cm. In het midden van de borden gekleurde 'medaillons' met afbeeldingen van de put en de kerk met de teksten 'Bedevaartsoord O.L.Vr. ter Nood - Heiloo' en 'Heiloo - Bedevaartskerk', de medaillons zijn omgeven door tien zwarte stippen; 2 siervaasjes van oranjekleurig porselein, vervaardigd in Amsterdam in opdracht van de firma Broers te Heiloo, [ca. 1920?], hoogte 13,5 cm, ⊘ 7 cm. In het midden gekleurde tekeningen voorzien van de teksten 'Oesdom Heiloo Bedevaartskerk' en 'Heiloo de Kruisweg Staties'; 3 kop en schotel van wit porselein (schotel ⊘11,2 cm; kopje hoog 5,4 cm, ⊘ 5,9 cm) [ca. 1930?], kopje voorzien van een gekleurde tekening met de tekst 'Oesdom - Heiloo, O.L. Vr. ter Nood'; 4 koekjesschaal van wit porselein (24,3 x 15,3 cm en ca. 3,8 cm hoog) [ca. 1930?]. In het midden voorzien van een gekleurde tekening met de tekst 'De Bron b/d Kapel O.L. Vrouw ter Nood Heiloo'.
- Medailles: 1 18e-eeuwse bedevaartmedailles met op de voorzijde een afbeelding van Maria met kind; op de achterzijde Willibrord; 2 20e-eeuwse kopieën van de 18e-eeuwse medailles; 3 herdenkingsmedaille t.g.v. een 25e bedevaart naar Heiloo, met bijbehorende gedrukte oorkonde; ovaal, gehangen aan een blauw-wit lint met speld, 3,7 x 2,7 cm. Op de voorzijde beeltenis van Maria met tekst 'O.L.Vrouw ter Nood, bid voor ons' en op de achterzijde de tekst 'Heilo, ter herinnering aan uw 25ste bedevaart'; 4 ovale bedevaartmedaille met ophangoog, met op de voorzijde de beeltenis van Maria met tekst 'O.L. Vrouw ter Nood, bid voor ons!' en op de achterzijde de beeltenis van Willibrord met de tekst 'H. Willibrordus bid voor ons!', 3 x 1,8 cm [ca. 1990?].
- Oorkonde met kleurenafbeelding van het beeld en een tekst in rood en blauw, 26,4 x 19,6 cm, [ca.1935?].

Devotioneel drukwerk
- Tijdschrift uitgegeven vanwege de Stichting O.L.Vrouw ter Nood over de periode 1925-1961 (12 nummers per jaargang; begon in oktober, later in mei) aanvankelijk onder de titel: Maandschrift ter bevordering van de devotie tot O.L. Vrouw ter Nood en den H. Willibrordus. In de oorlog gestaakt; na de oorlog, in 1947, met nieuwe eerste jaargang ('na de bevrijding') begonnen en met een nieuwe titel Uit het Land van Heiloo. Tijdschrift over O.L. Vrouw ter Nood en St. Willibrordus; in de (laatste?) jaargang 1961 van octavoformaat naar quartoformaat overgegaan. Eén speciale uitgave is verschenen: Uit het Land van Heiloo. Gouden Feest-nummer 1905 -1955 (juni 1955; 40 p.).
- Brochures samengesteld door rector J. Bertrand al of niet in samenwerking met derden; verschenen zonder jaar van uitgave te Heiloo in de jaren zeventig en begin tachtig: 1 O.L. Vrouw ter Nood 1573-1973 (16 p.); 2 O.L. Vrouw ter Nood. Het Genadebeeld (8 p.); 3 O.L. Vrouw ter Nood. Legende en Historie (8 p.); 4 O.L. Vrouw ter Nood. De fresco's van Han Bijvoet (12 p.); 5 O.L. Vrouw ter Nood. Anekdoten en data (12 p.); 6 O.L. Vrouw ter Nood. Nachtmerrie voor het Ministerie van Justitie (12 p.); 7 O.L. Vrouw ter Nood. Oorsprong van de Devotie (12 p.); 8 O.L. Vrouw ter Nood. Het Herstel van een oude devotie (16 p.); 9 O.L. Vrouw ter Nood. 25 jaar Rectoraat (16 p.); 10 O.L. Vrouw ter Nood. De Runxput In Opspraak (16 p.).
Deze serie werd in gewijzigde formule voortgezet door Bertrands opvolger G. van de Asdonk: 1 Gids Heiligdom Onze Lieve Vrouw ter Nood 1985 (8 p.); 2 Onze Lieve Vrouw ter Nood te Heiloo 1986 'als gij mij gaat eren zal de wind gaan keren' (12 p.); 3 Onze Lieve Vrouw ter Nood te Heiloo. Mariajaar 1987-1988 (12 p.); 4 Gids kerkepad '88 Kapel Onze Lieve Vrouw ter Nood Heiloo (12 p.).
- Bedevaartboekjes: 1 Fr. E. J. Jansen, Maria, Wees gegroet. Gebeden en Onderrichtingen ter eere van O.L. Vrouw ter Nood te Runxputte bij Heiloo (Alkmaar: L.H. Obdam, 1907; 2e verm. druk; impr. Alkmaar 3/5/1907; 59 p.; grijs omslag); Fr. Eppink, Bedevaartboekje naar Onze Lieve Vrouw ter Nood te Heiloo. Uitgegeven vanwege de bisschoppelijke Commissie voor de Bedevaart * Cantemus. kerkelijk gezangboek met gebeden en onderrichtingen (Alkmaar: A. Kusters, 1907; 62 p.) evulg. Alkmaar H.A. Horning, 6/5/1907; 2 Groote bedevaart voor den Vrede naar O.L. Vrouw ter Nood te Heiloo op maandag 28 mei 1917 (Alkmaar: Ned. R.K. Volksbond; druk. Van Putten & Oortmeyer, 1917; 16 p.; 15,8 x 10,3 cm); 3 Bedevaartboekje naar Onze Lieve Vrouw ter Nood te Heiloo. Uitgegeven vanwege de bisschoppelijke Commissie voor de Bedevaart (Alkmaar: W.G. Kusters, [ca. 1920]; evulg. Haarlem 6/5/1917; 62 p.; zwart omslag) [toegevoegd is Fr. Eppink, Cantemus. Kerkelijk Gezangboek met Gebeden en Onderrichtingen, z.j., z.p.]; 4 [Gebedenboekje] Op bezoek bij Onze Lieve Vrouw van Heiloo (impr. Haarlem, 29/11/1950, 16 p.); 5 O.L. Vrouw ter Nood Heiloo officieel bedevaartboekje (Hilversum: Gooi & Sticht, 1958; impr. Roermond 2/5/1958; 62 p.); 6 Bedevaartsboekje O.L. Vrouw ter Nood Heiloo (Hilversum: Gooi & Sticht; 64 p.); 7 Gezangenbundel voor de bedevaart naar het genadeoord O.L. Vrouw ter Nood te Heiloo (R.K. Middenstandsbond bisdom Haarlem (z.p. z.j.; Drukkerij 'Rijswijk'; 24 p.; 10,9 x 15,9 cm); 8 Joan Bertrand, Bedevaartboekje O.L. Vrouw ter Nood-Heiloo. Samengesteld in opdracht van het bestuur van de O.L.Vrouw ter Nood-Stichting (Hilversum: Gooi & Sticht, [ca. 1980]; 64 p.).
- Preken e.d.: 1 A.M.E.Th. Vreeburg, Preek op de vigilie van Maria Tenhemelopneming gehouden op de Kruisberg, bij de twaalfde statie in de tuin van O.L. Vrouw ter Nood, Heiloo 14 augustus 1971 (Tilburg: Gebedsoffensief voor het behoud van het geloof, 1971; gestencild; 7 p.; KUN); 2 W.Chr. Westerhoven, Preek op het feest van Maria Tenhemelopneming in de grote bedevaartkapel van O.L.Vrouw ter Nood Heiloo, 15 augustus 1971 (Tilburg: Gebedsoffensief voor het behoud van het geloof, 1971; gestencild; 9 p.; KUN); 3 Votiefmis H. Maagd Maria: (buiten den paaschtijd) bestemd voor de bedevaarten naar O.L. Vrouw ter Nood te Heiloo (Hilversum: Gooi & Sticht, [ca.1940]; 32 p.); 4 Parochiebundel voor de rectoraatskerk van O.L. Vrouw ter Nood Heiloo (Hilversum: Gooi en Sticht, 1949; 136 p.).
- Devotieprentjes e.d.: 1 devotiegravure na 1713 gemaakt door Paulus van de Sande van de kapelruïne met Maria, de ontsprongen bron en de bedevaartgangers op het terrein, met twee inzettekeningetjes van de kapel in 1573 en de fundamenten van de kapel in 1637; de tekst onder de afbeelding luidt: 'Afbeldinge vande capelle van ons lie vrouw te Runcx putten anders genae[m]t ter noot tot Heylo in Oesdun. Dit pulic [sic] is weder ontspronge op de nagt van ons lieve vrouwe ontfanckenis int jaer 1713'; de prent was te koop bij Willem van Bloemen in de Kalverstraat te Amsterdam (Museum Catharijneconvent (MCC), BMH dp 3490; 16,6 x 21,4 cm); van deze prent zijn verschillende latere versies gedrukt, ook op kleiner formaat en op (ingekleurd) perkament (vgl. MCC, BMH dp 2207, 3489, 3494; ABM 1913); 2 devotieprentje met op de voorzijde een gravure van de kapelruïne en het beeld van Maria, met de tekst: 'Troost der bedruckte. Capel aldus in ruyn gestaen van ao 1578 tot 1637. Murage van 't Capel ons Lievrouw te Runx putte anders genamet ter noot tot Heylo in Oesduyn', gesigneerd Isabella Hertsens, 18e eeuw; 6,8 x 6,3 cm (MCC, BMH dp 951) dit prentje komt in varianten voor en werd ook gebruikt voor doodprentjes (zie bijv. BMH dp 3491 en 3530); 3 devotieprentje met tekening in zwartwit van het beeld op de kapelruïne; met de tekst: 'Gedachtenis van O.L. Vrouw ter Nood, Heilo'; aan de achterzijde een gebed (impr. Breda, 15/7/1906, [1906]; 10,3 x 6,8 cm); 4 devotieprentje met zwartwit foto van het beeld; met de tekst: 'O.L.V. ter Nood B.v.o.', met op de achterzijde een historische toelichting n.a.v. de plaatsing van het nieuwe beeld op (2/9/1908, [1908]; 11,1 x 7,2 cm); 5 devotieprentje met zwartwit foto van het beeld, met de tekst: 'Onze Lieve Vrouw ter Nood bid voor ons. Nieuw steenen beeld geplaatst en gewijd den 2 september 1908.', achterzijde leeg, [1908] (11,6 x 7,3 cm); 6 devotievouw-prentje, met de tekst 'De Heiloër medalje en de devotie tot onze Lieve Vrouw ter Nood en St. Willibrordus' (impr. Alkmaar 10 maart 1909; 10,9 x 7 cm); 7 devotieprentje met een afbeelding in blauw van het beeld; met de tekst: 'Gedachtenis aan O.L. Vrouw ter Nood te Heiloo', op achterzijde een gebed (uitgave: S. Deutekom Heiloo; evulg. Haarlem 22/7/1914, [1914]; 11,2 x 6,5 cm); 8 devotieprentje met op de voorzijde een madonna met kind in mandorla ('Von Oer pinxit'), met de tekst op de achterzijde: 'Gedachtenis aan de bedevaart naar O.L. Vrouw ter Nood en O.L. Vrouw van den Vrede op 25 mei 1915' ( [1915]; 10,4 x 6,9 cm); 9 gebedsblad: 'Gebed tot Onze Lieve Vrouw ter Nood - voor de bekeering van ons vaderland' (evulg. W. van Adrichem, 1915; dr. A. Kusters te Alkmaar, 1915; 21,9 x 14 cm); 10 verordeningen broederschapsvouwblad 'Broederschap van O.L.V. ter Nood (evulg.: Haarlem 3/3/1910; 12,1 x 7,7 cm); 1913 ook als enkelblad herzien: 'Verordeningen der Broederschap van O.L.V. ter Nood' (22/3/1922; 17,6 x 11,8 cm); 12 devotieprentje met getekende, fictieve Mariafiguur met kind, met de tekst: 'O.L. Vrouw ter Nood bid voor ons', op achterzijde een gebed (uitgave: St. Jacobs-Godshuis te Haarlem, [1920]; evulg. Alkmaar 31/3/1920; 12,6 x 6,8 cm); 13 devotieprentje zijnde een herdruk van de gravure 'troost der bedruckte' uit 17e eeuw, met nieuwe tekst: 'Gedachtenis aan O.L. Vrouw ter Nood, Heiloo'; achterzijde gebed (uitgave/druk: W.G. Kusters, Alkmaar, [1920]; evulg. 31/3/1920; 11,6 x 6,7 cm); 14 gebedsblad 'Gebed tot Onze Lieve Vrouw ter Nood voor de bekering van ons vaderland' (evulg. Haarlem 19 juni 1930; 19,5 x 12,9 cm); 15 prentje met een foto van het Mariabeeld en de tekst 'Gedachtenis aan O.L.Vr. ter Nood, Heiloo', op de achterzijde een gebed (evulg. Alkmaar 31 maart 1920; evulg. Amsterdam, 1 mei 1934, gedrukt bij boekhandel W.G. Kusters te Alkmaar; 11 x 6,6 cm); 16 'Richtlijnen voor het op te stellen Huishoudelijk Reglement van de Broederschap van Onze Lieve Vrouw ter Nood in de Parochie of het Rectoraat' (impr. Haarlem 16 mei 1949); 17 Gebeds-oefening ter ere van O.L. Vrouw ter Nood voor pelgrims in groepsverband (Heiloo: Stichting OLVtN, 1955; impr. Amsterdam 26/4/1955; 24 p.; 13,6 x 10,3 cm); 18 prentje in kleur met foto beeld en tekst 'O.L.Vrouw ter Nood, Heiloo' met op de achterzijde een novenegebed ([jaren vijftig]; 10,7 x 6,5 cm); 19 tweekleurenprentje met afbeelding van beeld en tekst 'O.L. Vrouw ter Nood, Heiloo', geen tekst op achterzijde ([jaren vijftig?]; 11 x 6,2 cm); 20 prentje met kleurenfoto van het beeld met gebed op achterzijde ([jaren tachtig], gedrukt bij Uitkijkpost bv Heiloo; 10,8 x 6,7 cm); 21 prentje met kleurenfoto van beeld en op achterzijde een noveengebed ([1993]; 11,5 x 6,5 cm); 22 prentje met gekleurde tekeningen van een Maria met sterren en tekst 'Ave, Maria Gratia Plena', met algemeen gebed op de achterzijde ([1993], gedrukt bij de Uitkijkpost bv te Heiloo; 12,5 x 6 cm).

Bronnen en literatuur Archivalia: Alkmaar, regionaal archief: archief van de Bisschoppelijke Commissie O.L. Vrouw ter Nood en de latere Stichting O.L. Vrouw ter Nood; archief van het rectoraat O.L.Vrouw ter Nood, 1905 - 1985, voor de periode van 1985 tot heden berusten de stukken nog op het rectoraat van Heiloo zelf. Haarlem, Rijksarchief in Noord-Holland: archief bisdom Haarlem. Den Haag, Algemeen Rijksarchief: archief ministerie van Justitie 1798 - 1810, inv. nrs. 263-264.
Tekstedities: C. Cau e.a. ed., Groot Placaet Boeck, dl. 5 (Den Haag: I en J. Scheltus, 1725) p. 569-570; J. de la Torre, 'Relatio seu descriptio', in: Archief voor de Geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht 11 (1883) p. 129 - 130; J.de la Torre, 'Descriptio status', in: Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht 12 (1884) p. 422.
Literatuur: G. Gumppenberg, Atlas Marianvs quo sanctae dei genitricis Mariae imaginvm miracvlosarvm (Monachii: I. Iaecklini, 1672); G. Gumppenberg, Marianischer Atlas von Anfang und Ursprung zwölffhundert wunderthätiger Maria-Bilder, dl. 2 (München: J.H. von Gelder, 1673) p.306; J. van Royen, Antiquitates Belgicae, of Nederlandsche Oudtheden (Amsterdam, 1700-1701) p. 189-190, met gravure; Lud. Smids, Schatkamer der Nederlandsche Oudheden (Amsterdam 1711) p. 133; H.F. van Heussen, Batavia Sacra, sive res gestae apostolicorum virorum etc., dl. 2 (Brussel: Foppens, 1714) p. 382; [H.F. van Heussen], Oudheden en gestichten van Kennemerland etc., dl. 1 (Leiden: Christiaan Vermey, 1721) p. 545; Cl. Bruins, Noordhollandsche arkadia (Amsterdam: E. Visscher, 1732); L. van Ollefen, De Nederlandsche stad- en dorp-beschrijver, dl. 4 (Amsterdam: H.A. Banse, 1796) p. 9-12, Kennemerland; 'Het ambacht Heiloo met Oesdom'; 'Miraculeuse put te Heijloo', in: Nederlandsche catholijke stemmen 6 (1840) p. 149-152; [bedevaartplaats Heiloo], in: De fakkel. Protestantsch volksblad 4, nr. 37 (12/9/1851); [R.] Elsevier, 'Bedevaarten naar den put te Heilo', in: De navorscher 12 (1862) p. 294-295; C.W. B[ruinvis], 'Bedevaarten naar den put te Heiloo', in: De navorscher 12 (1862) p. 354-355; J.A. de Rijk, 'Heilige plaatsen in het bisdom van Haarlem. II. Onze Lieve Vrouw ter Nood of Runxputte onder Heilo', in: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem 1 (1873) p. 290-311; H.J. Allard, 'De Ommegangen en Bedevaarten naar Heilo en Oesdom in 1713 en 1714', in: Studiën op godsdienstig, wetenschappelijk en letterkundig gebied 32 (1889) p. 115; W.P.C. Knuttel, 'Uit het verleden der Amsterdamsche Katholieken', in: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem 26 (1901) p. 280, 287-290; J.A.F. Kronenburg, 'Uit Maria's genadeoorden. Onze Lieve Vrouw ter Nood te Heilo', in: De Rozenkrans [dominicanen te Huissen] 28 (1906) p. 145-147; J.J. Graaf, 'O.L. Vrouw ter Nood onder Heiloo', in: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem 30 (1906) p. 281-289; J.J. Graaf, 'Een devotiepenning of medalje van Onze Lieve Vrouw ter Nood', in: Katholieke Illustratie 41 (1907) p. 46; P.M. Grijpink, 'Leenbrief van Harper van Foreest, waarin de kapel van O.L. Vrouwe te Heiloo ter sprake komt (1440)', in: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem 31 (1908) p. 126; J.A.F. Kronenburg, Maria's heerlijkheid in Nederland, dl. 6 (Amsterdam: Bekker, 1909) p. 96-129; [niet-uitgevoerd ontwerp van J. Stuyt voor de kapel], in: Katholieke Illustratie 44 (1909-1910) p. 441; 'De bekende bedevaartplaats van O.L. Vrouwe ter Nood te Heilo. De Kruisberg op 'Kapel'', in: Katholieke Illustratie 46 (27 juli 1912) p. 665; 'Kroniek: Niet-geloof en bijgeloof om ons heen', in: Stemmen voor waarheid en vrede. Evangelisch tijdschrift voor de protestantsche kerken 52 (december 1915) p. 1251-1257 [over opleving verering in Heiloo]; M. Kramer, 'Runxputte te Heilo in 1807', in: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem 36 (1915) p. 46-49; 'O.L. Vrouw ter Nood', in: Carmelrozen 3 (1914), 4 (1915) p. 72, 5 (1916) p. 48, 6 (1917) p. 114-117, 7 (1918) p. 105 en 176, 9 (1920) p. 276-281; M.P. Bekkers, E.H. Rijkenberg, Uit Hollands Paradijs. De eigen heiligen en heilige plaatsen van het bisdom van Haarlem, beschreven (Leiden: Sint Bavo, 1918) p. 71-76; W. Nolet, Onze Lieve Vrouw ter Nood te Oesdom (Den Bosch: Geert-Grote-Genootschap, 1922; 16 p.); J.C. van der Loos, 'Voor Onze Lieve Vrouw te Heilo', in: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem 42 (1926) p. 120-121; W. Nolet, Onze Lieve Vrouw ter Nood. Voorheen en Thans (Alkmaar: Van Putten & Oortmeijer, 1933; 143 p.); 'O.L. Vrouw ter Nood te Heiloo', in: Katholieke Illustratie 67 (1933) nr. 45, p. 982-983; A. Oeverhaus, Onze Lieve Vrouw ter nood. Voorheen en thans. Opnieuw verteld naar vroegere beschrijvingen van pater Kronenburg CssR en professor W. Nolet (Heemstede: De Toorts, 1947; 103 p.); J. Belonje, 'Iets over de kapel van O.L. Vrouw ter Nood', in: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem 60 (1948) p. 235; Rapport inzake toekomstige kerkelijke voorzieningen in de gemeente Heiloo / Commissie voor de situering van kerken en kerkelijke gebouwen in het R.K. Bisdom Haarlem (Den Haag: KASKI, 1954); Marie-José van Dun, 'De bedevaartplaats Heilo in de winter van 1713 op 1714', in: Archief voor de geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland 2 (1960) p. 245-298; Godfried Bomans en Michel van der Plas, In de kou. Over hun roomse jeugd en hoe het hun verder ging (Bilthoven: Amboboeken, 1969) p. 206-212 ('Naar Heiloo'); Oude ansichten van Heiloo (z.p. 1970) p. 149-158; Godfried Bomans, Beminde gelovigen (Bilthoven 1970) p. 9-12, 'Een bedevaart naar Heiloo'; Jan van Laarhoven ed., Het schetsenboek van Hendrik Verhees (Den Bosch: Merlijn, 1975) p. 216-217; H. Schoorl, 'De Kruip- en Kruisbergen onder Heiloo in 1768', in: Alkmaars Jaarboekje 9 (1973) p. 90-100; Joan Bertrand, De Runxputte en Onze Lieve Vrouw ter Nood een bekend bedevaartsoord te Heiloo (Schoorl: Pirola, 1980) 108 p.; J.J. Antier, De pelgrimage weer ontdekt. In het Nederlands vertaald, ingeleid en wat de Benelux betreft aangevuld door Th.G.A. Hendriksen, bisschop (Utrecht: Zaken die God raken, [1980]) p 338-339; Gerard Reve, Moeder en zoon (Amsterdam: Elsevier/Manteau, 1980); Henk Jellema, Alphons F.J. Leysen ed., Oude ansichten van Heiloo (2e dr., Schoorl : Pirola, 1986); P.J. Margry, 'Heiloo's heilige plaatsen: oude devoties, revitalisatie en cultusfiliaties', in: C. Streefkerk e.a. ed., Heiloo voor en na Willibrord. Opstellen over de geschiedenis van Heiloo (Heiloo: Gemeente Heiloo, 1995) p. 89-100; Pius jaarboek. Almanak katholiek Nederland (Houten: Bohn etc., 1996) p. 345; Guido Elias en Bert Stienaers, Bedevaarten. Voor pelgrim en toerist (Roeselaere-Baarn: Globe-De Fontein, 1997) p. 143-144; Ottie Thiers, 't Putje van Heiloo. Bedevaarten naar O.L. Vrouw ter Nood (Hilversum: Verloren, 2005); Paul Post en Ko Schuurmans (red.), Op bedevaart in Nederland. Betekenis en toekomst van de regionale bedevaartplaats (Kampen: Gooi & Sticht, 2006); Martin Bril, 'Put', in: Heimwee naar Nederland (Amsterdam: Prometheus, 2012) p. 270-272; Jan Peeters, 'Het gonst van de wonderverhalen rond Heiloo', in: Katholiek Nieuwsblad, 26 mei 2017, p. 18 [over hedendaagse 'wonderen'].
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Heiloo-O.L. Vrouw ter Nood; Meertens Instituut volkskundige vragenlijst 23 (1959), 64A+B (1993); Museum Catharijneconvent te Utrecht, collectie oude devotieprentjes, schilderij van de Mariakapel te Oesdom/Heiloo van G. de Jongh uit 1630 en 18e-eeuwse medailles; Regionaal Archief Alkmaar, prenten en kaarten; Hilversum, NOB-beeldbandarchief: aflevering Heiloo van 'Langs Heilige Huisjes', NCRV-TV op 31-8 en 3-9-1997; Collectie 'Heiloo' A.J. Bomans, opgenomen in BiN-dossier; 17 mei 2012 10.30-11.00 uur, uitzending Premtime vanuit rijdende studio op het processiepark gewijd aan Heiloo.
  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<