HomeDatabankenBedevaarten

Amsterdam, Heilig Sacrament ('Sacrament van Mirakel')

Mail voor aanvullingen en commentaar
Cultusobject: Heilig Sacrament ('Sacrament van Mirakel')
Datum: Woensdag tot en met zondag volgend op 12 maart; in het bijzonder de nacht van zaterdag op zondag met de Stille Omgang
Periode: 1345 - heden
Locatie: Heilige Stede of Nieuwe Zijdskapel, tussen Kalverstraat en Rokin tot 1578; sinds het tweede kwart van de 17e eeuw de kapel van HH. Joannes en Ursula op het Begijnhof
Adres: R.K. kapel Begijnhof 30, 1012 WT Amsterdam; Gezelschap van de Stille Omgang, Zandvoorterweg 78, 2111 GZ Aerdenhout
Gemeente: Amsterdam
Provincie: Noord-Holland
Bisdom: Haarlem
Samenvatting: Het Amsterdamse hostiewonder van 1345 heeft in de late middeleeuwen een van de grote sacramentsbedevaartplaatsen van de Nederlanden doen ontstaan. De Amsterdamse mirakelverering in de Heilige Stede en de jaarlijkse sacramentsprocessies waren alom bekend. Sinds de reformatie is de devotie gedurende de 17e en de 18e eeuw op een beperkt niveau in stand gehouden. De katholieke herleving in de 19e eeuw gaf de verering vanaf 1845 nieuwe impulsen. Een in 1881 genomen particulier initiatief stuwde de verering op tot een nationale bedevaart. De Stille Omgang door de Amsterdamse binnenstad werd daarvan het kenmerk bij uitstek.
Auteur: Peter Jan Margry
Illustraties:
(Klik op afbeelding voor vergroting)
Topografie - De stad Amsterdam ontwikkelde zich vanaf de 13e eeuw aan weerszijden van de rivier de Amstel en vormde respectievelijk de wijken Oude (oost) en Nieuwe (west) Zijde. In de Oude Zijde stond de St. Nicolaaskerk, de parochiekerk van de stad, en na 1400 kwam daar de Nieuwe of Catharinakerk aan de Nieuwe Zijde bij. Het mirakel zou zijn gebeurd in een huis dat stond aan de Kalverstraat, bijna op de hoek met de Wijde Kapelsteeg aan de Nieuwe Zijde.
- Reeds in 1346 werd begonnen met de bouw van een kapel op de plaats van of naast het huis waar het sacramentswonder was geschied. In oktober 1347 werd deze kapel ingezegend. De kapel brandde bij de stadsbrand van 13 april 1421 geheel af. De herbouwde kapel brandde op 25 mei 1452 bij een nieuwe stadsbrand gedeeltelijk af. De 'derde kapel' was in ieder geval in 1456 weer in gebruik en werd in 1457 uitgebreid. De kapel nam toen al vrijwel de gehele ruimte tussen Kalverstraat, Rokin, Wijde Kapelsteeg en Enge Kapelsteeg in beslag. Het is het kerkgebouw, toen reeds 'Heilige Stede' genaamd, dat tot 1908 vrijwel onveranderd op die locatie heeft gestaan.
- De Heilige Stede was een hallenkerk met drie schepen van gelijke hoogte die in de west-oost richting waren gebouwd. Aan de westzijde, parallel met de Kalverstraat, lag het dwarsschip. Aan de noordzijde liep het transept door tot aan de plaats waar het mirakel had plaatsgevonden. Er was daar een min of meer separate kapel met een aparte toegang voor pelgrims die vanuit de Wijde Kapelsteeg binnenkwamen. In deze uitbouw vormde de 'heilige hoek' de plaats waar naar verluidt de oude mirakelhaard was ingebouwd. Er stond een speciaal sacramentsaltaar dat door middel van een hek van de bedevaartgangers was afgeschermd. Onduidelijk is of de oorspronkelijke mirakelhaard de stadsbranden en de kapelherbouwen daadwerkelijk heeft doorstaan. In ieder geval kreeg kapelmeester Gerrit Doodtshoofd in 1624 nog de opdracht de mirakelhaard 'gemaakt van roode steenen en boven den haart [...] een klijn schoorstientje tegen een pilaar aen' weg te breken.
- De Heilige Stede werd vlak na de alteratie op 29 mei 1578 gestormd en is kort daarna voor de katholieke eredienst gesloten om voor de gereformeerden als gebedshuis, spoedig ook Nieuwe Zijdskapel genoemd, dienst te doen, tot aan de sloop in 1908.
- Na de sluiting van de kapel in 1578 werden de (liturgische) objecten met betrekking tot het mirakel enkele jaren bij particulieren bewaard. Een huis en later de sacristie (van de oorspronkelijke Begijnhofkerk) op het nabijgelegen begijnhof functioneerden sinds het tweede kwart van de 17e eeuw als nieuwe huiskerk. In 1665 zijn de sacristie en het belendende pand tot een grotere schuilkerk omgebouwd. Daar vond de mirakelverering een nieuw onderdak.
- De sacrale stadtopografie werd en wordt bepaald door de locatie van de heilige plaatsen (de oude en de nieuwe Heilige Stede) en de route van de middeleeuwse sacramentsprocessie, de latere heimelijke ommegangen en de 19e/20e-eeuwse Stille Omgangen. Over deze route en de Heiligeweg, zie hieronder bij Verering.
Cultusobject - Het cultusobject werd gevormd door een miraculeuze hostie die in 1345, na in een haardvuur te zijn geworpen, niet door het vuur werd aangetast. Opmerkelijk is dat de hostie in een oorkonde van een wijbisschop van Utrecht van 30 november 1346 reeds als 'aangetast' werd beschreven en dat de parochie het privilege verkreeg om voor de continu�teit van de verering nieuwe hosties te mogen wijden. Het materi�le cultusobject is dus mogelijk ��n of meerdere malen vervangen. Het 'laatste exemplaar' moet tijdens of vlak na de storming van de kapel, op 29 mei 1578, verloren zijn gegaan.
- Als miraculeuze reliekstof werd de as beschouwd die van het wonderbare houtvuur uit 1345 bewaard was gebleven en die, volgens het dagboek van broeder Wouter Jacobsz, in 1578 nog steeds verkrijgbaar was.
Verering Het mirakel
- De oudste en waarschijnlijk ook meest oorspronkelijke versie van het mirakelverhaal komt voor in een oorkonde van de Hollandse graaf Albrecht uit 1378:
In Amsterdam, gelegen binnen het bisdom Utrecht, was een man zwaar ziek en vreesde te sterven. Om hem de laatste sacramenten toe te dienen werd een priester geroepen. Deze gaf hem na de biecht het heilig sacrament van de eucharistie. Echter, na het eten van de geconsacreerde hostie kon de zieke een braakneiging niet onderdrukken. Hij ging naar de brandende haard van zijn kamer en braakte het sacrament daarin uit. Daarop bleek dat de zieke niet alleen de hostie onbeschadigd had uitgebraakt, maar dat bovendien het brood niet door het hoogopvlammende vuur werd aangetast.
Dit verhaal is in verschillende varianten en vooral met grote (soms gefantaseerde) uitweidingen in diverse (latere) bronnen en literatuur terug te vinden (zie o.m. Lautensch�tz in Het Vierenswaardig Wonder uit 1946). Het is niet bekend wie de man in kwestie was (ni�t Ysbrant Dommer, zoals J.A. Alberdingk Thijm suggereerde) en ook weet men niet of deze persoon dankzij het mirakel in leven is gebleven.
De hostie zou vervolgens door de echtgenote van de man in een kistje zijn geborgen en de volgende dag door een priester van de Oude Kerk zijn meegenomen. De hostie keerde daarop bij herhaling op miraculeuze wijze weer naar het huis van de man terug. Dit refrein stemt overeen met een uit de bedevaartliteratuur bekend 'terugkerings'-topos. Het was een indicatie voor het feit dat het 'heilige plaats' betrof die in ere gehouden diende te blijven. Het vervolg van deze gebeurtenissen was de spoedige bouw van een devotiekapel en het ontstaan van een belangrijk bedevaartoord in het centrum van Amsterdam.
- De devotionele geschiedenis van de Heilige Stede is relatief goed in de historische bronnen vastgelegd. Het wonder zou op 15 maart hebben plaatsgevonden en reeds op 31 maart 1345 bevestigden baljuw van Amstelland en stadsbestuur van Amsterdam in een oorkonde dat het verhaal dat over het wonder in de stad de ronde doet 'waar' is.
- Met deze mededeling van de toenmalige bestuurders raken we ook aan de datering van het mirakel. Hoewel in enkele middeleeuwse bronnen 1342 als het mirakeljaar wordt genoemd, heeft de kerkhistoricus R. Post in 1955 aangetoond dat het nagenoeg zeker is dat het wonder in 1345 heeft plaatsgevonden.
Er vond na 1345 een snelle consolidering van de verering plaats. Reeds in 1346, binnen een jaar, werd het huis door 'pelgrims' bezocht en schonk de Utrechtse bisschop Jan van Arkel op 19 oktober een aflaat van 40 dagen bij een bezoek aan de 'Heilige Stede', het geheiligde woonhuis (of 'haardstede'). Dat jaar werd nog met de bouw van een kapel 'ter Heiligher Stede' begonnen. Later zou de kapel zelf de naam van Heilige Stede gaan dragen. De toeloop van bedevaartgangers gaf ook een nieuwe benaming aan een van de toegangsroutes tot de stad: de Heiligeweg. Het was de route die bedevaartgangers vanuit het zuidwesten van Holland, vanaf het dorp Sloten plachten te nemen. De bisschop verbond tevens een aflaat aan het offeren voor het onderhoud van de kapel en de Heiligeweg.
- De institutionalisering van de cultus had eveneens tot gevolg dat er een vaste kapelaan aan de Heilige Stede werd verbonden en dat een speciale broederschap, het Sacramentsgilde, de devotie ging stimuleren en ondersteunen.

Feestdag en mirakelen
- De verering van de mirakelhostie en de devotie rond de mirakelhaard gingen gedurende het gehele jaar door. De hoogtijdagen waren de jaarlijkse feestdagen rond het sacrament. In de eerste plaats de dag ter herdenking van het mirakel zelf, jaarlijks gehouden op de woensdag na de feestdag van paus Gregorius I (12 maart) ofwel de 'sacramentsdag in de vasten'. De tweede hoogtijdag was het algemeen kerkelijke feest van Sacramentsdag (Corpus Christi), de tweede donderdag na Pinksteren oftewel 'sacramentsdag in de zomer'.
Aan het feest in maart was tevens een belangrijke 'sacramentsmarkt' van twee weken verbonden. Marius was de eerste in de (katholieke) historiografie die de opkomst en uitgroei van Amsterdam relateerde aan het mirakel en de komst van bedevaartgangers. De stelling dat de groei van Amsterdam voornamelijk te danken zou zijn geweest aan de economische kracht van het bedevaartoord is sterk overdreven.
- Op de hoogtijdagen werd de hostie in een kristallen monstrans uitgesteld. De wonderen die de mirakelhostie bij bezoekers bewerkstelligde, waren wijd en zijd bekend. Dagelijks werden genezingen gemeld en in een mirakelboek opgetekend; een document dat verloren is gegaan.
Grafelijk hofdichter Willem van Hildegaersberch schreef over Amsterdam: 'Soe wye mit siecten wort bevaen, die roeptet aen in sijnre noot'. Velen gaven geschenken als dank of om genezing of andere gunsten te verkrijgen. De kerkhistoricus Petrus Opmeer noteerde:
'[...] sommigen vereerden daar oogen of ooren, handen of voeten, van zilver of andere stoffe gemaakt. Anderen wederom offerden diergelyke beeltenissen of figuren, van half verbrande huizen of van schepen, die tegen de klippen als aan stukken gestoten waren; welke beeltenissen en figuren rondom aan de muuren opgehangen wierden'.
- De bijzondere relatie van de graven van Holland met de Heilige Stede was duidelijk: zij waren beschermers en begunstigers van de verering. Door hun toedoen kwam ook het patronaatsrecht van de kapel in handen van het Haagse Kapittel van St. Marie. Ook van Maximiliaan van Oostenrijk wordt gezegd dat hij in 1484 wegens een ziekte naar de Heilige Stede is gegaan. Een beschilderd venster met zijn beeltenis dat tot in de 17e eeuw in de kapel aanwezig was, getuigde daarvan. De (katholieke) overlevering dat hij als dank voor zijn genezing Amsterdam het recht zou hebben geschonken om het stadswapen met zijn kroon te mogen bekleden, steunt niet op de bronnen.
- De jubelaflaat van het heilig jaar 1500 te Rome kon dat jaar voor de inwoners van Holland en Zeeland plaatsvervangend ook in de Heilige Stede worden verkregen.
- Uit de 16e eeuw dateert het oudst bekende drukwerk voor bedevaartgangers. In 1518 maakte Van Oostsanen het bekende devotieprentje en rond 1555-1556 verschenen in het Latijn en het Nederlands twee bedevaartboekjes.

Processies
- De omvangrijkste rituelen rond de mirakelhostie waren de processies op de sacramentsdagen, in de vasten en in de zomer. Beide ommegangen volgden ongeveer dezelfde route door de stad. De stedelijke keuren bevatten vele bepalingen die ervoor moesten zorgdragen dat er geen problemen ontstonden tijdens deze grote manifestaties: het vuil moest uit de straten zijn verwijderd en er mochten zich geen obstakels op de openbare weg bevinden.
- Aanvankelijk werd de mirakelhostie vanuit de Heilige Stede eerst naar de oude parochiekerk van St. Nicolaas gebracht om vandaaruit de processie te laten beginnen. Toen er voor de Nieuwe Zijde een eigen parochie kwam (kort na 1400) werd de Nieuwe Kerk het vertrekpunt. Maar sinds de vergrotingen van de kapel in 1498 vertrok de processie vanaf de Heilige Stede zelf.
- Dankzij de verklaring die door de 91-jarige Agatha Loen op 16 december 1651 werd afgelegd, is de route van de processies bekend gebleven. Men trok door de ingang van de Heilige Stede aan de Kalverstraat via de Kalverstraat naar de Dam (alwaar een zegening met en aanbidding van het sacrament plaatsvond), via de Nieuwendijk, door de Ra(a)mskooi, over de Nieuwebrug (met zegening van de schepen op het IJ) en door de Nieuwebrugsteeg naar de Warmoesstraat. Van de Warmoesstraat naar de Nes, door de Langebrugsteeg, over de Langebrug, door de Taksteeg weer naar de Kalverstraat en de Heilige Stede weer in, alwaar het sacrament weer in het tabernakel werd geplaatst.

De 17e en de 18e eeuw
- Leonardus Marius, sinds 1631 pastoor van het Begijnhof, zorgde er persoonlijk voor dat de mirakelverering op een nieuwe locatie, in de schuilkerk van het Begijnhof, spoedig de nieuwe Heilige Stede genaamd, een voortzetting kreeg. Via zijn bekende boek Amstelredams eer ende opcomen etc. uit 1639 zorgde hij voor een historisch-theologische onderbouwing van de verering. In de geest van het Concilie van Trente (1545-1563) legde hij een gering accent op het locale karakter van het Sacrament van Mirakel en besteedde hij veel aandacht aan de algemene betekenis van de liturgie en het sacrament voor het katholieke geloof. Bovendien bleven dankzij hem bijzondere middeleeuwse liturgische voorwerpen met betrekking tot de mirakeldevotie behouden.
- De eeuwfeesten in 1645 en 1745 werden nadrukkelijker gevierd dan de gewone jaarlijkse vieringen. De tot het katholicisme bekeerde dichter Joost van den Vondel stond in contact met Marius en dichtte voor het jubileum van 1645 het Eeuwgety der Heilige Stede t' Amsterdam. Naast de meer 'spirituele' viering in de Begijnhofkapel bleven katholieken de geprotestantiseerde Nieuwezijds kapel bezoeken, waar zij ondanks klachten van de hervormde gemeente nog rituelen en gebeden verrichtten. Ook de oude processies werden op individuele wijze, al dan niet heimelijk, via 'ommegangen' voortgezet, zoals duidelijk is geworden uit een notitie van Cornelia Occo uit het begin van de 18e eeuw.
- In de 18e eeuw werd het mirakelfeest (nog) jaarlijks in de kapel gevierd. Over de praktijk zijn echter nauwelijks gegevens bekend. De dag stond op de kerkelijke kalenders van de Hollandse Zending en gold ook als een hoge feestdag voor de andere Amsterdamse kerken. Men beschikte over eigen getijden die door Marius in 1640 waren gebundeld. Vooral in de tweede helft van de 18e eeuw hielden pastoors uit Amsterdam en omgeving bij die gelegenheid speciale preken in de nieuwe Heilige Stede. Uit de teksten komt een sterk theologisch-spiritueel en sacramenteel geaarde viering naar voren.
- Op institutioneel niveau werd er in de 17e eeuw een nieuwe 'Broederschap van het Alderheyligste Sacrament des Autaers' opgericht, waarvan de leden die de kapel bezochten een aflaat konden verwerven. Daarnaast was er het 'muzikale' St. Caeciliacollegie dat eveneens in de 17e eeuw ontstond en dat in het 'mirakelhuis', schuin tegenover de Nieuwezijds kapel in de Kalverstraat, wekelijks het H. Sacrament bezong en vereerde.
- Nadat in 1762 de stadsgeschiedschrijver Jan Wagenaar de 'mirakelkist' in het burgerweeshuis had getraceerd, rakelde hij de mirakelhistorie weer in bredere kring op. Deze kist was sinds 1579 in het bezit van het weeshuis. Wagenaar schreef dat er toen nog steeds katholieken kwamen om de kist te bekijken en dat koortsige weeskinderen er nog ter genezing bovenop werden gezet.

De 19e eeuw
- Na 1800 werd de mirakelverering nog maar op een beperkt niveau door de Amsterdamse katholieken voortgezet. De jaarlijkse vieringen in het Begijnhof zoals die in de 18e eeuw werden gehouden, zijn in de 19e eeuw gecontinueerd. Een enkele keer, zoals in de jeugdtijd van C. Broere omstreeks 1810, zijn er berichten over het lopen van een omgang door de stad. Pas de aanstelling in 1840 van de Begijnhofpastoor N.J.A. Steins Bisschop bracht een nieuwe impuls. Hij realiseerde zich dat het vijfde eeuwfeest van 1845 aanstaande was. Gesterkt door het succes van de bedevaart naar de H. Rok in Trier in 1844, besloot hij tot een uitgebreide herdenking. Voor een succesvolle viering verkreeg hij al op 23 juni 1844 van de paus het recht tot de verlening van een volle aflaat. Daarnaast gaf hij de aanzet tot nader historisch onderzoek door de katholieke hoogleraar A.J. Pluym. Deze verichtte als eerste wetenschappelijk onderzoek naar het mirakel en droeg zo bij aan een historische fundering en legitimatie van de devotie. Zijn studie verscheen op een belangrijk moment (1845) omdat toen net een felle pamflettenstrijd gaande was over de authenticiteit van het mirakel tussen voor- en tegenstanders, tussen katholieken en protestanten. De burgerlijke overheid hield een en ander, in verband met de openbare orde, scherp in de gaten.
- Een van de overigens weinige gegevens over de 19e-eeuwse vereringspraktijk is dat er in 1871 in aanwezigheid van mgr. Wilmer 14.000 hosties op de feestdag werden uitgereikt. Dit hoge aantal duidt erop dat deze feestdag bij uitstek gold als een dag om te communie te gaan.
- In 1877 werd, ge�nspireerd op de situatie in de middeleeuwen, opnieuw een sacramentsgilde opgericht. Binnen enkele jaren waren er zo'n 5000 leden. Daarnaast kwam er in 1878 ook een kleinschalig processiegilde (ca. 30 leden) dat zich met de processies op het Begijnhof of in de kerken moest bezighouden.
- Rector B.H. Kl�nne van het Begijnhof gaf in de jaren tachtig een nieuwe impuls aan de verering. Hij zag zichzelf geheel in de directe traditielijn met Marius staan en voelde zich geroepen om de mirakelverering te continueren. Hij werd bij zijn streven ook gestimuleerd door de revitalisatie van diverse heilige plaatsen elders in Nederland. Hij beijverde zich sterk voor teruggave van de Nieuwezijds kapel en de mirakelkist. Ook wenste hij weer sacramentsprocessies te zien trekken. Symbool daarvoor stond de in 1884 gegeven opdracht aan A. Derkinderen om de middeleeuwse sacramentsprocessie groots uit te schilderen (zie hierover Brom in Het Vierenswaardig Wonder uit 1946 en Roodenburg in Goede en slechte tijden uit 1995). Mogelijk zag hij de Stille Omgang als een eerste aanzet daartoe (zie hieronder). Hij ondersteunde het initiatief effectief door de organisatoren onder meer aan de middeleeuwse routebeschrijving van de processies te helpen. Kl�nne wenste verder een eigen sacramentsbroederschap, hetgeen resulteerde in de oprichting van het Mirakelgilde (zo'n 700 leden) in 1892.
- Kl�nne's optreden en de snelle groei van de Stille Omgang leidden binnen de Amsterdamse religieuze verhoudingen tot spanningen. Toen bleek dat de hervormde gemeente de Nieuwe Zijdskapel niet meer kon onderhouden, koos zij liever voor afbraak van dit middeleeuwse monument dan misschien ooit te worden geconfronteerd met een 'heropende' Heilige Stede. In 1908 kwam het tot afbraak.

Stille Omgang
- In 1880 was de Amsterdamse vrijgezel Joseph Lousbergh in het bezit gekomen van een oude tekst waarin de middeleeuwse route van de sacramentsprocessie was beschreven. Hij ging daarop met het idee om de route van de middeleeuwse Sacramentsprocessie na te lopen naar zijn vriend de textielhandelaar Carel Elsenburg. In 1881 kwamen de twee mannen, beiden lid van de derde lekenorde van St. Franciscus, samen in de Mozes- en A�ronkerk aan het Waterlooplein en besloten daar om voortaan een jaarlijkse ingetogen bedetocht te ondernemen op de zondag onder het octaaf van het Amsterdamse mirakelfeest. Via de eigen kennissenkring en met behulp van circulaires probeerden zij meer Amsterdamse katholieken voor de oude mirakeldevotie te interesseren. In 1884 sloot een tweede vriend van Lousbergh, de tekenleraar Adriaan Apol, zich als mede-organisator aan. Henri de Veer, oprichter en tevens voorzitter van de algemene 'Vriendenkring ter eere van het Allerheiligst Sacrament', kwam in 1889 het drietal verder versterken. Langzaamaan ontstond een min of meer vaste groep van enkele tientallen deelnemers, allen mannen. Niet alleen onder leken sprak het initiatief aan, ook rector Kl�nne van het Begijnhof had in 1887 openlijk zijn ondersteuning aan de jaarlijkse omgang gegeven.
- Tot in 1892 werd deze rituele uiting van de verering van het sacramentsmirakel simpelweg 'den omgang' genoemd. Daarna kwam, vanwege het nadrukkelijk zwijgen door de deelnemers, de term 'stille omgang' in zwang en is de leidende groep zich het 'Gezelschap van den Stillen Omgang' gaan noemen. Lousbergh was toen de centrale figuur van het viertal, hij verenigde in de praktijk de functies van voorzitter, secretaris en penningmeester ineen. Na zijn overlijden in 1914 kwam er in februari 1915 een formeel bestuur.
- Het nieuwe bestuur beijverde zich in de eerste plaats, ter stimulering van de devotie, voor de verlening van een aflaat die door deelname aan de omgang kon worden verworven. Dit initiatief werd door Rome reeds op 13 januari 1917 gehonoreerd. De statuten van het Gezelschap zelf werden op 24 december 1917 door de bisschop van Haarlem goedgekeurd. Daarmee was het vrijblijvende Gezelschap een r.k. vereniging of broederschap naar kerkelijk recht geworden. Het Gezelschap kwam onder geestelijke leiding van de rector van de Begijnhofkerk te staan.
Vanaf het jaar 1915 (tot heden) zou het bestuur van het Gezelschap sterk bepaald worden door de aanwezigheid van telgen Elsenburg op verschillende functies. Daarbij bood na de Tweede Wereldoorlog ook de regelmatige inschakeling van een deel van de medewerkers van het eigen textielbedrijf ten behoeve van de organisatie van de omgang een grote ondersteuning. In De Tijd van 13 maart 1956 werd de familie de 'Stille-Omgangdynastie' genoemd.

Zustergezelschappen
- De Stille Omgang heeft vrij snel belangstelling gekregen van katholieken van buiten Amsterdam. Dit leidde tot het ontstaan van lokale groepjes ge�nteresseerden die gezamenlijk naar Amsterdam reisden om daar de omgang te lopen. De oudste groep kwam in 1886 vanuit Haarlem naar Amsterdam. Na verloop van tijd groeiden deze groepen zo sterk dat ze zich ook formeel gingen organiseren als 'Afdeling' (van het Amsterdamse Gezelschap) of als 'zustergezelschap'.
- In februari 1918 hield het bestuur van het Amsterdamse Gezelschap zijn eerste openbare bestuursvergadering, waarmee het zijn koepelfunctie voor het eerst gestructureerd en formeel gestalte kon geven. Men is niet overgegaan tot de oprichting van bijvoorbeeld een bond met afdelingen, maar heeft gekozen voor het behouden van de zelfstandigheid van iedere plaats met een afvaardiging in de stille omgang. Via de jaarlijkse algemene vergadering met de bestuurders van de zustergezelschappen en de jaarlijkse huishoudelijke vergaderingen kon het Amsterdamse Gezelschap sturend optreden, zonder de volledige organisatie en administratie voor de tientallen zustergezelschappen en de duizenden deelnemers op zich te hoeven nemen.
- Het grote en snelle succes van de (devotie van de) Stille Omgang was binnen de Nederlandse religieuze context ongekend. In 1881 liep een tweetal personen voor het eerst de route en in 1885 nam nog maar een twaalftal deel. Door het terugvinden van het document met de oorspronkelijke route en de verspreiding van circulaires (met routebeschrijving) groeide het aantal deelnemers vervolgens snel door. Telde men in 1887 al 100 deelnemers, door de officieuze goedkeuring van de omgang dat jaar door rector Kl�nne van het Begijnhof, kwamen er 500 deelnemers in 1888. Waren er tot 1905 jaarlijks zo'n 1500 deelnemers, daarna was er opnieuw sprake van een versnelde aanwas: in 1920 werden ruim 20.000 mannen geteld. Voortaan was de duur van de gehele nacht noodzakelijk om alle deelnemers te kunnen verwerken. Door de aanhoudende groei was het in 1928 zelfs nodig om de omgang gedurende twee nachten te houden. De Amsterdammers en de bedevaartgangers uit nabijgelegen plaatsen kwamen op de octaafzondag (de 2e zondag), alle anderen kwamen op de Triduum- of eerste zondag. Een uitbouw van de omgangsnacht was nodig omdat de smalle Kalverstraat de grote aantallen deelnemers niet meer kon verwerken. In 1933 reden er 45 extra treinen die over twee dagen 27.000 bedevaartgangers vervoerden (in 1922 was er nog maar 1 extra trein). Trams werden gehuurd voor het vervoer binnen de stad. In 1940 werd het voor het eerst noodzakelijk om de viering over drie nachten te spreiden. Per nacht werden voorafgaand aan de omgang voor de deelnemers tot wel vijftig missen gehouden in de bijna dertig katholieke kerken en kapellen in Amsterdam. Amsterdam was gedurende drie weekeinden geheel in de ban van de omgang.
Aantallen deelnemers: 1885: 12; 1887: 100; 1888: 500; 1892: 750; 1895: 1000; 1900: 1500. Na 1905 een snelle toename: in 1917 zijn er al 12.180 deelnemers geteld en in 1928 namen zo'n 29.000 mannen deel. Daarna zijn er alleen maar schatttingen van de aantallen deelnemers die veelal onbetrouwbaar (te hoog) zijn. Het hoogtepunt lag in de jaren vijftig: tot circa 60.000 deelnemers.

Nationale bedevaart: hoogtepunt, neergang, herstel en stabilisatie
- In de 20e eeuw groeide de Stille Omgang allengs uit tot een 'nationale' bedevaart. De organisatie van de omgang zelf werd door het Amsterdamse Gezelschap verzorgd. Daarnaast ontstonden er in de loop der jaren zo'n 300 zustergezelschappen verspreid door het gehele land. Een vergelijkbare nationale spreiding van deelname heeft geen enkele Nederlandse bedevaartplaats gekend. Het feit dat de verering in het centrum van 's lands hoofdstad plaatsvond, droeg nog aan het nationale karakter bij.
- Het 27e internationale eucharistische congres dat in 1924 te Amsterdam werd gehouden, stond voor een belangrijk deel in het teken van het mirakel.
- Het hoogtepunt van de Stille Omgangen en de functie van nationale bedevaart bleef, ondanks de Tweede Wereldoorlog (geen ommegang van 1941 tot en met 1945), tot het begin van de jaren zestig in stand. Een in ieder geval kwantitatief hoogtepunt was het zesde eeuwfeest dat vanwege de oorlog een jaar was uitgesteld en in 1946 met een grootse manifestatie in het Olympisch Stadion (56.000 aanwezigen en een processie van 4000 personen in aanwezigheid van het gehele Nederlandse episcopaat) werd gevierd. Het was in feite een nationaal katholiek bevrijdings- en een religieus vernieuwingsfeest onder de paraplu van het Amsterdamse mirakel.
- In de jaren zestig liep de belangstelling voor de omgang snel terug. In 1965 werd het aantal omgangsnachten van drie naar twee (20.000 deelnemers) teruggebracht en in 1968 van twee naar ��n (10.000 deelnemers). Een verdere terugloop deed de omgang afnemen tot slechts enkele duizenden deelnemers. In 1966 was Voorschoten een van de eerste van de vele zustergezelschappen dat zich ophief of een stille dood stierf. Een marktonderzoeksbureau (Veldkamp) werd ingeschakeld om de motivaties van de deelnemers en misschien daarmee de oorzaken van de teruggang te achterhalen. De belangrijkste reden tot deelname bleek - volgens het onderzoek - de persoonlijke intentie tot het afsmeken van genade. De conclusie van het rapport luidde dat de omgang 'onvoldoende aanknopingspunten biedt voor een maatschappelijk engagement'. Hierdoor zouden de jongeren afvallen en de afval van ouderen niet meer worden aangevuld. Meer in het algemeen kon de afkalving verklaard worden vanuit de verschijnselen van secularisatie en deconfessionalisering.
- In 1965 waren wegens de terugloop - de jongeren bleven massaal weg - voor het eerst ook vrouwen toegelaten om 's nachts mee te lopen. Voordien had er zich sinds eind jaren veertig een aparte vrouwenomgang ontwikkeld die in de vroege ochtend plaatsvond.
- Eind jaren zeventig trok de belangstelling weer enigszins aan en stabiliseerde het deelnemeraantal zich tussen de 8.000 en 10.000. De moderniseringsgedachten van de Amsterdamse geestelijkheid (citypastoraat) eind jaren zeventig betekenden een bedreiging van het voortbestaan van de omgang. De verering van een middeleeuws hostiewonder werd niet meer sporend met moderne pastorale opvattingen geacht. Uitgesproken werd om niets meer aan de omgang te doen en de zaak vanzelf te 'laten uitsterven'. Het Gezelschap kon zich daar wegens de lange traditie niet bij neerleggen en hield de omgang overeind. Men werkte met de conclusies van het Veldkamprapport in gedachten aan een inhoudelijke vernieuwing. Door de aan de omgang verbonden intenties steeds meer een maatschappelijk relevant karakter te geven, hoopte het bestuur nieuwe en jongere deelnemers aan te trekken. Ook stelde het bestuur van de Omgang in 1985 een beleidsnotitie op: 'De Stille Omgang na het jaar 2000'. De daarin neergelegde uitgangspunten gelden sindsdien: de Stille Omgang moet een moderne gebedsvorm zijn, met een sterk persoonlijk, meditatief karakter. Bovendien zou het oecumenische accent erin moeten worden gestimuleerd.
- In 1981 vond het historisch belang van de mirakelverering voor de stad bevestiging via de permanente tentoonstelling over het mirakel en de stille omgang in het Amsterdams Historisch Museum. In het verlengde van dat historisch besef was ook het initiatief gerezen om bewaarde fragmenten van de Nieuwezijds kapel te gebruiken voor de oprichting van een zuil op het Rokin. De 'mirakelkolom' werd in 1988 op het Rokin, nabij de voormalige Heilige Stede, opgericht. Hij vormt een historisch (en devotioneel) belangrijk element dat op de route van de Stille Omgang werd geplaatst.
- In 1995 werd, in de traditie van de hele en halve eeuwfeesten, het 650-jarig jubileum gevierd. het was in die zin vernieuwend dat er een sterk oecumenisch karakter aan werd gegeven: dit gold zowel voor een gemengde Stille Omgang als voor een gebedsbijeenkomst in de hervormde Oude Kerk onder leiding van de predikant van de kerk en de bisschop van Haarlem.
- Jaarlijks telde de omgang toen zo'n 8000 deelnemers, voornamelijk afkomstig van de nog circa 50 actieve zustergezelschappen in het land. De 'mirakelweek' loopt van woensdag tot en met zondagnacht, na 12 maart. Dagelijks zijn er uitstellingen van het Allerheiligste en missen in de Begijnhofkerk of Heilige Stede. De omgang zelf begint iets na 23.30 uur en duurt tot circa 3.00 uur. De meeste deelnemers van buiten de stad worden met touringbussen gehaald en gebracht. Door enkele zustergezelschappen is, op basis van de 'traditie' en de populariteit van voetbedevaarten, besloten weer lopend en fietsend naar Amsterdam te trekken. Deze initiatieven zorgen voor een zekere vernieuwing en verjonging van de mirakelviering en de Stille Omgang.
- Anno 2010 is de deelname aan de omgang kwantitatief afgenomen tot zo'n 5000 � 6000 per jaar, maar heeft de deelnemersgroep wel een verbreding gekregen door de introductie van een jongerenprogramma (van 14 tot 30 jarigen), dat meer jongeren doet deelnemen aan de omgang en de voor hun georganiseerde activiteiten.
Materiële cultuur - Algemeen: van de materi�le cultuur en kunst in relatie tot het mirakel en de Stille Omgang is relatief veel overgebleven. Daarom is niet gepoogd hieronder een volledige beschrijving te geven. De oudste, middeleeuwse objecten bevinden zich in het Amsterdams Historisch Museum in een vaste opstelling rond het mirakel (twee processievaandels uit 1555, mirakelkist uit circa 1500, schilderingen van J.C. van Oostsanen, pelgrimsinsigne; bouwelementen uit de Heilige Stede, zie hierover J. van Breen in Het vierenswaardig Wonder uit 1946: elementen van de middeleeuwse H. Stede zijn o.m. in de collectie van het Rijksmuseum te Amsterdam terecht gekomen. Het Begijnhof, zowel de pastorie als de kerk, beschikt nog over schilderijen (o.m. de grote doeken van Derkinderen en Phlippeau, tekeningen, zilver en paramenten). Museum Amstelkring beschikt over tekeningen (o.m. Jacob de Wit), zilver en paramenten. Het Gezelschap van de Stille Omgang bezit ook enige objecten. Vooral in de 20e eeuw zijn veel liturgische voorwerpen (vaandels, kelken etc.) met verwijzingen naar of afbeeldingen van het mirakel vervaardigd in de parochies die jaarlijks aan de omgang deelnamen. Hier moge een verwijzing volstaan naar de Amstelkringcatalogus uit 1995 die een eerste overzicht biedt van dit materiaal. Verder hebben verschillende kerken muurschilderingen over het thema (bijvoorbeeld de nieuwe St. Nicolaaskerk met de fresco's van Jan Dunselman).
- Pelgrimsinsignes: drie in Amsterdam en Schiedam gevonden insignes uit de tweede helft van de 15e eeuw worden door Van Beuningen en Koldeweij toegeschreven (1993) aan Amsterdam. Gezien de iconografische uitbeelding (twee engelen die een monstrans met de hostie vasthouden) lijkt dat inderdaad waarschijnlijk.
- Penningen: 1 zilverkleurige penning (? 3 cm) met oog, ene zijde Heilige Stede naar 18e-eeuwse voorstelling en de tekst 'Capel de H. Stede' en andere zijde sc�nes van het mirakel en de tekst 'H. Sacrament van Mirakel te Amsterdam anno 1345', aangemaakt in 1946; 2 Gedenkpenning ter gelegenheid van 650 jaar mirakel en de oecumenische gebedsdienst, zilverkleurig metaal, aangemaakt in 1995.
- Drieluikje van beschilderd glas en metaal, met drie sc�nes uit het mirakelverhaal uit 1946 (15x40 cm).

Devotioneel drukwerk
N.B. GvdSO = Gezelschap van de Stille Omgang
- Bedevaartboekjes, preken en gebeden: Succincta enarratio miraculorum quae gloriose operatur est dominus per venerabile Sacramentum in Sacello Sacri Loci in Amstelredam (...) (Amsterdam: G. Jacobi, ca. 1555; 28 p.; er bestaat ook een door B.H. Kl�nne in een oplage van 100 exemplaren uitgebrachte en in perkament gebonden facsimile uit 1900); [Leonardus Marius], Getyden van het H. ende Hoogh-waerdigh Sacrament der Altaers soo in 't gemeyn als voor de stadt Amsterdam (Antwerpen: H. Aertssens, 1640); J. v[an] V[ondel], Altaergeheimenissen ontvouwen in drie boecken (Keulen 1645); Broederschap van het Alderheiligste Sacrament des Autaers vergunt door Clemens de X. Paus van Romen, den 9. Augusti, 1671. Aen de Bidt-plaets van het Beggijnhof tot Amsterdam (Antwerpen: Frederick van Metelen, 1685) vouwblaadje met gebeden; Getyden van het Heylig ende Hoogh-waerdigh Sacrament des Altaers, soo in 't gemeyn, als voor de Stadt van Amsterdam (Amsterdam: Gerardus Bloemen, 1717); Memorie volgens het origineel van de Processie van 't H.H. Sacrament van Mirakel uyt de H. Stede tot Amsterdam (Amsterdam: Gerardus van Bloemen, 1737; 4 p.); J. Nanning, Twee predikati�n op den jaarlijkschen gedenkdag van het Wonder der H. Stede (Amsterdam: Th. Crajenschot, 1750; 60 p.); T[h]. H[ellinx], Predikatie gedaan ter gelegenheid van het vieren van 't Amsterdammer Mirakel, 13 Maert 1754, in de kerk van J. de Roeper, op het Begynhof (Alkmaar 1754); [Th. Hellinx], Predikatie, ter gelegenheid der vieringe van het Amsteldamsche wonder den 13. Maart 1754, p. 239-261, met een gedicht van J.F. Delsing (T. Crajenschot) in bundeling predicaties, herdr. in bundeling; [Luc van Dole], Geestelyke wandeling na den geheimryken put des leevenden en des zienden; dat is: lof- en dank-predicatie ter eere en waarheid van het Allerheiligste en in Amstelstad eertyds miraculeus altaars-sacrament uitgesprooken te Amsteldam den 4den maart in het jaar 1762 in de kerk van Jacobus de Roeper op het Begyne hof (Brussel 1761; 34 p.); W. v[an] W[etering], Leer- en Lofrede op het Sacrament des Altaars, gepredikt op het Begijnhof, bij de feestviering van het Amsterdamsche Wonder-Sacrament (Amsterdam 1773); W.J. Walree, Predikatie op den feestdag van het Heilig Sacrament van Mirakel op het Beggynhof te Amsterdam, 1774 (Amsterdam: T. en J.A. Crajenschot, 1774; 30 p.) ; Joannes Gerardus Moolenaer, Predicatie ter gelegenheid van den vier honderd en negen-en-dertigsten gedenkdag van Amstels Wonder, uitgesproken den 17. Maart 1784, op 't Bagynhoff derzelver stad (Amsterdam: z.n., 1785; 46 p.); S. Utberg, Leerrede op den jaarlijksche gedenkdag van het Mirakel te Amsterdam, uitgesproken den 13 Maart 1822 in de R.K. Kerk, op het Begynhof aldaar (Amsterdam: A. Schievenbus, 1822; 32 p.); F.J. Hoppenbrouwers ed., Joost van den Vondel, Altaargeheimnissen. Opnieuw uitgegeven met ophelderende noten en toelichtende aanteekeningen ('s-Hertogenbosch 1825); Dagelijksche oefeningen gedurende het vijfhonderdjarig jubelfeest van het Mirakel van Amsterdam, plegtig gevierd op den 5den Maart 1845. In de R.K. kerk het Beggijnhof. Voorafgegaan van de bepaling, om den aflaat van het jubil� te verdienen (z.p.: z.n., [1845]; 19 p.); J.J. Burgmeijer, Gebeden bij het plegtig vieren van het vijfde eeuwfeest van het Mirakel van Amsterdam (...) te Amsterdam, van 4 tot 12 Maart 1845 (Amsterdam: H.A. Zweers, 1845; 29 p.; goedk. P.A. Kervel, Leiden 8 februari 1845); [N.J.A. Steins Bisschop], Gebeden (...) bij het 500 jarig jubelfeest van het Mirakel (Amsterdam 1845); Overwegingen bij het H. Sakrament des Altaars, gedurende het octaaf van het vijfde eeuwfeest van het Mirakel van Amsterdam, mede geschikt voor het jaarlijksche feest van Mirakel en andere uren van aanbidding. Met eene voorrede van P.J. Hesseveld (Amsterdam: J.H. van Spanje en J.S. de Haas, 1845; 76 p.; impr. I. Ferrieri, Den Haag 17 februari 1845); C. Broere en P. van der Ploeg, Gedichten, bij het vijfde eeuwgetij van het Mirakel van Amsterdam. Voorafgegaan door Het Eeuwgety van J. van Vondel (Amsterdam: J.H. Laarman, 1845; 78 p.); [P. van der Ploeg], Getijden van het H. Sakrament der altaars en het Sakrament van Mirakel te Amsterdam (Den Haag 1869); Het Mirakel van Amsterdam. Met gebeden en litani�n. Benevens 10 afbeeldingen naar de aloude voorstellingen van het Mirakel (Amsterdam: C.L. van Langenhuysen, 1895; impr. H.J.H. Ruscheblatt, Amsterdam februari 1895; 79 p.); H.J.A.M. Schaepman, Van het Sacrament van Mirakel tot Amsterdam (Utrecht 1895; 29 p.); B.H. Kl�nne, Het Mirakel van Amsterdam. Met gebeden en litani�n. Benevens 10 afbeeldingen naar oude voorstellingen (Amsterdam: parochie Begijnhof, 1902; impr. 25 februari 1902; 80 p.); Leonardus van den Broeke, De Stille Omgang ter vereering van het HH. Sacrament van Mirakel (Amsterdam: GvdSO, 1917; 32/39 p.; evulg. dr. H. van Aarsen, Amsterdam 10 maart 1917; 25 drukken); Leonardus van den Broeke, Stille Omgang Herdenking 1881-1931 (Amsterdam: GvdSO, 1931; 44 p., met inlegvel van 1938); Be�vaartboekje De Stille Omgang (Amsterdam: GvdSO, 1923; 18 drukken bekend; 48 p., deze drukken zijn niet dezelfde als de uitgaven uit de jaren vijftig); Leonardus van den Broeke, Taciturnus Circuitus. La Processi�n Taciturna (Amsterdam: GvdSO, 1934; 16 p.); br. Christoforus, Mirakelspel der heilige stede [in vijftien taferelen over vier bedrijven] (Oudenbosch: Instituut St. Louis, 1937; 37 p.); br. Theophile, Pelgrimage naar Amsterdam. Tooneelspel in drie bedrijven ([Oudenbosch: Instituut St. Louis?], z.j.; 30 p.); Anton van Duinkerken, Het Vierenswaardig Wonder (Amsterdam: Urbi et Orbi, 1946; 35 p.), gedicht; B. Voets, De Stille Omgang en het Begijnhof. Gids voor de Pelgrims naar de Heilige Stede (Amsterdam; 1948; 55 p.); Be�vaartboekje Stille Omgang (Amsterdam: De Tijd/GvdSO, 1950/1953; 17 drukken bekend; is een andere serie dan de drukken uit de jaren twintig; 48 p.); B. Voets, Bedevaartboekje voor de Stille Omgang (Amsterdam: Gooi & Sticht, 1954; 2e dr. 1955; 48 p.); Evert Verkerke en Frans Lammers, Amsterdam Mirakelstad. Van heilige stede en stille omgang (Amsterdam: GvdSO, 1959; 29 p.) speciale uitgave voor kinderen.
Sinds de jaren zestig zijn er geen nieuwe bedevaartboekjes e.d. meer gedrukt en worden er gestencilde en later gefotokopieerde misboekjes en vouwbladen gemaakt met de mis en/of historische teksten. Bij het jubileum van 1995 werden wel weer twee informatiebrochures uitgegeven: Amsterdam Mirakelstad; over het Sacrament van Mirakel anno 1345 en de Moderne Stille Omgang (Aerdenhout: GvdSO, 1995; 8 p.) en in vertaling onder de titel: Amsterdam Miracle City. The Miracle of the Blessed Sacrament in the year 1345 and the modern Silent Procession.
- Uit de 18e eeuw zijn voornamelijk preken overgeleverd, terwijl in de eerste helft van de 19e eeuw verschillende pamfletten het licht hebben gezien. Pas sinds het ontstaan van de Stille Omgang en nieuwe verbreiding tot nationale bedevaart is er door het Amsterdamse Gezelschap beperkt weer devotioneel drukwerk aangemaakt. Maar vanwege het ingetogen karakter is er nooit een grote diversiteit van gemaakt, net zo min als van devotionalia. Enerzijds liet het Gezelschap van de Stille Omgang te Amsterdam de algemene bedevaartboekjes, brochures, affiches, kaartjes e.d. drukken, anderzijds voorzagen de zustergezelschappen in het land de leden regionaal van prentjes, affiches en brochures. Ten aanzien van deze laatste is vanwege de omvang nauwelijks een opgave mogelijk, te meer daar dit materiaal weinig bewaard is gebleven.
- Devotieprentjes (Amsterdamse): 1 uit de middeleeuwen is ��n bedevaartprentje (houtgravure van J.C. van Oostsanen uit 1518) overgeleverd; 2 deze gravure is aan begin 20e eeuw door het gezelschap nog eens op groot formaat herdrukt en verspreid, met in een breed kader de tekst 'Ter gedachtenis aan het H.H. Sacrament van Mirakel van Amsterdam anno 1345' (16,5x21 cm), later (ca. 1975?) een uitsnede ook als ansichtkaart; 3 machinale kantprent/chromolithografie van de hostie in de vlammen, geflankeerd door twee engelen, met op de achterzijde een gebed en enkele teksten met betrekking tot het sacrament (eind 19e eeuw, 8x12 cm; Breda's Museum inv.nr. BT3242); 4 vouwprentje 'XXVIIste Internationaal Eucharistisch Congres Amsterdam 22-27 Juli 1924', met een nadruk van de gravure van Van Oostsanen op de voorzijde en een gebed en een toelichtende tekst over het mirakel (evulg. P. Stroomer, Amsterdam 15 mei 1924; 6x15,8 cm; Breda's Museum inv.nr. BT 3342); 5 tekening in blauw-rood met drie sc�nes rond het mirakel met op de voorzijde een fragment van het gedicht van dr. Schaepman en op de achterzijde een fragment uit Altaer Geheimenissen en de tekst 'By tegenspoed en krygsgeweld, blyft Neerlands hoop op U gesteld' (Utrecht: druk Van Rossum, 1941; 7x11 cm); 6 vouwprentje in het Mariajaar 'Stille Omgang 1954' met intentieteksten en plattegrond (Amsterdam: dr. Van Steyn, 1954; 8x12,5 cm); 7 'Herinnering aan het zesde eeuwfeest', met op de voorzijde een afbeelding in kleur van het knielkussen dat bij het zesde eeuwfeest werd aangeboden en op de achterzijde een gebed uit de mis van het Sacrament van Mirakel (z.p.: St. Jacobs Godshuis, 1946; 6,5x10 cm); 8 zwartwit prent met een voorstelling van het mirakelverhaal, ter herinnering aan het vijfenhalve eeuwfeest op 13 maart 1895;
- Liederen: 1 L.v.R., Lofzang ter eere der hooggedenkwaardige Mirakelen, geschied aan en door het H. Sacrament te Amsterdam in 1345 en 1452 (Amsterdam: F.J. van Tetroode, {1785?}; 4 p.); 2 Liedeken en Lofzang ter eeren van de lofwaardige mirakelen geschiet aan en door het Heylig Sacrament tot Amsterdam, in den jaere 1345 en 1452 (Amsterdam: Gerardus van Bloemen, [ca. 1800?]; 8 p.); 3 [P. van der Ploeg], Lied op het vijfde Eeuwfeest van het Mirakel van Amsterdam 5-12 Maart 1845 (Amsterdam 1845; 7 p.); 4 Gezangen ter eere van het H.H. Sacrament des Altaars (Amsterdam: F.A. de Jong, 1888, 1889); 5 Liederen ter gelegenheid van het Vijfenhalve Eeuwfeest van het Mirakel van Amsterdam 13-20 Maart 1895 (Amsterdam: C.F. van Steijn, 1895; 15 p.; impr. B.H. Kl�nne, Amsterdam 20 februari 1895); 6 Processie-Lied ter eere van het Allerheiligste Sacrament van Mirakel in de Heilige Stede te Amsterdam (Amsterdam: C.F. van Steijn, 1895; 4 p.); 7 'Jubellied ter eere van het Heilig Sacrament van Mirakel', met tekst van mevr. Bonbartz-Smeets en op muziek van Joh. H. L�ser, 1895 en 1918 (impr. 9 maart 1895; 6 maart 1918); Amsterdam: dr. 't Kasteel van Aemstel Amsterdam, z.d.; 9x13,5 cm, alsook op grotere formaten uitgegeven); 8 'Missa Lauda Sion ad 6 voces inaequales cum organo', gecomponeerd door Hendrik Andriessen in opdracht van het Gezelschap, 1944; 9 'Lied van de Heilige Stede te Amsterdam', met een tekst van dr. Schaepman en op muziek van Theo van de Bijl, uitgegeven te Amsterdam door Heuwekemeijer in 1945 (evulg. Haarlem, 11 november 1945; 10 'De Heilige Stede', met tekst van dr. Pieter Steur en op muziek van I.Th. van de Wiel (z.d.); 11 'Mijn vaderstad', [ca. 1967?].
- Ansichtkaarten: 1 zwartwit foto van het paneel met negen schilderstukken betreffende de mirakelgeschiedenis in de Begijnhofkapel (Amsterdam: fotogr. Joh. Bickhoff, [ca. 1920?]; 9x14 cm); 2 kaart met vijf tekeningen in bruin/chamois van de stille omgang en het mirakel en de tekst 'Gedachtenis aan den Stillen Omgang ter vereering van het hoogheilig Sacrament van Mirakel van Amsterdam (Amsterdam: GvdSO, typ. 't Kasteel van Aemstel, ca. 1935?; 9x14 cm); 3 uitsnede van de gravure van Van Oostsanen uit 1518 in bruin en chamois (Amsterdam: GvdSO, [ca. 1975?]; 10x15 cm).
Bronnen en literatuur N.B. GvdSO = Gezelschap van de Stille Omgang
Archivalia: Amsterdam, gemeentearchief: archief van de kapel der Heilige Stede, 1361-1578 (nr. 740; inv.nrs. 1201-1225); archief van het Begijnhof, 1389-1955 (nr. 740); archief van het St. Caeciliacollegie (nr. 767), 1651, 1675-1978; archief van het Gezelschap van de Stille Omgang, 1881-1990; 'persdocumentatie': cat. nr. 398 en voor de periode na 1980 cat.nr. 392/400 (knipsels); collectie Hartkamp 1840-1915, portefeuille 27, bladnummers 7200-7230 (krantenknipsels einde 19e-begin 20e eeuw.); collectie T.A. Haijen, doos nr. 132 (afbeeldingen [repro's], boeken knipsels over mirakel, daarnaast in de bibliotheek van het archief verschillende portefeuilles (zoals 0.938.001 t/m .008 met knipsels, drukwerk en ander materiaal (Mirakel Stille Omgang/Nieuwe Zijdskapel). Amsterdam, archief van de rector van het Begijnhof, 1869-heden. Amsterdam, museum Amstelkring, archiefmateriaal van B.H. Kl�nne, L. van den Broeke en B.J.M. de Bont en een collectie m.b.t. Mirakel. Den Haag, Algemeen Rijksarchief, archief van het kapittel van St. Maria op het Hof te 's-Gravenhage, inv.nrs. 166-170. Haarlem, Rijksarchief in Noord-Holland, archief van het bisdom Haarlem, codenr. 333, Amsterdam, 1915-1981. Amsterdam, Universiteitsbibliotheek: Begijnhofcollectie (vgl. Catalogus van het bruikleen van de Stichting Het Begijnhof te Amsterdam 1981 (Amsterdam: UvA, 1984), een belangrijke boekenverzameling met betrekking tot het mirakel en de Stille Omgang; [A.M. van der Waal?], Het Mirakel van Amsterdam. Proef voor eene bibliografie, 2 dln. (ongepubliceerd), bevat een uitgebreide opgave van boeken etc., ca. 1930-1946, sinds 1970 bewaard in de UB, afd. hss/zkw. De collecties van het Katholiek Documentatie Centrum in Nijmegen en Museum Catharijneconvent te Utrecht. Den Haag, Koninklijke Bibliotheek: hs. nr. 128 E 6 (ca. 1460) folio 86v e.v. 'Vanden Sacramente van Aemsterdam', zie over de handschriften: M. Carasso-Kok, Repertorium van verhalen de historische bronnen uit de middeleeuwen ('s-Gravenhage: Nijhoff, 1980) p. 46-47.

Tekstedities: P. Leendertz Wz. ed, Van den Sacramente van Amsterdam. Gedicht van Willem van Hillegaersberch; met ophelderende aanteekeningen (Sneek: J.F. van Druten, 1845; 30 p.); A.J. Pluym, Willem van Hildegaersberch en zijn gedicht: Van den Sacramente van Amsterdam; met eenige aanteekeningen (Den Haag, 1845; 33 p.) zie voor andere edities en handschriften: M. Carasso-Kok, Repertorium van verhalen de historische bronnen uit de middeleeuwen ('s-Gravenhage: Nijhoff, 1980) p. 46; J. de la Torre, 'Relatio seu descriptio', in: Archief voor de Geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht 11 (1883) p. 134-135; J. de la Torre e.a., 'Descriptio status', in: Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht 12 (1884) p. 417; J.C. Breen ed., Rechtsbronnen der stad Amsterdam (Den Haag 1902) passim; I.H. van Eeghen ed., Het dagboek van broeder Wouter Jacobsz (Gualtherus Jacobi Masius) Amsterdam 1572-1578 en Montfoort 1578-1579, 2 dln. (Groningen 1960) passim; A.J.C. R�ter, Rapporten van de Gouverneurs in de provinci�n 1840-1849, dl. 3 (Utrecht: Kemink en zoon, 1950) p. 310-311, 341; P. Polman, Romeinse bronnen voor de kerkelijke toestand der Nederlanden onder de apostolische vicarissen 1592-1727, dl. 3 (Den Haag: Nijhoff, 1952) nr. 350, sacramentsbroederschap 28/2/1692; P.H.J. van der Laan, Oorkondenboek van Amsterdam tot 1400 (Amsterdam: N. Israel, 1975) passim; H. Bruch (ed.), Johannes de Beke, Croniken van den Stichte van Utrecht ende van Holland (Den Haag: Nijhoff, 1982) p. 186-187, met op p. xxiii-xxvi belangrijke notities over de relaties tussen de verschillenden handschriften en de datering van het mirakel.

Literatuur: [Leonardus Marius], Amstelredams eer ende opcomen, door de denckwaerdighe miraklen aldaer geschied, aen ende door het H. Sacrament des Altaers. Anno 1345 (Antwerpen: H. Aertssens, 1639); O. Dapper, Historische Beschryving der Stadt Amsterdam (Amsterdam 1663); W.S. [= Walich Syvaertsz.], Roomsche Mysterien ontdeckt in een cleyn tractaetgen (Amsterdam 1604) een belangrijke bron voor de middeleeuwse processies, door deze calvinistische ouderling opgetekend; I. Commelin, Beschryvinge van Amsterdam etc. (Amsterdam: M.W. Doorninck, 1665) p. 67-75; Matthias Pauli, Acht historien van het H. Sacrament van Mirakel (Gent: Maximiliaen, 1655) p. 49; Isaak Le Long, Historische Beschryvinge van de Reformatie der stadt Amsterdam etc. (Amsterdam: Joh. van Septeren, 1729) vooral p. 196-211, 325-335, 390-398, 416-417, 446-449, 493-495, 519, 558-559, 569; Jan Wagenaar, Amsterdam in zyne opkomst, aanwas, geschiedenissen etc. (Amsterdam: I. Tirion, 1760-1767); [J.G.F. Estr�], Beknopt geschiedkundig verhaal van het beroemd Mirakel, waarmede God de Stad Amsterdam heeft vereerd en verheven ('s-Hertogenbosch: gebr. Langenhuysen, 1832; 2e en 3e dr.: Amsterdam: C.L. van Langenhuysen, 1841, 1845; 32 p.); M.A. van Steenwijk, Beknopt verhaal van het Mirakel te Amsterdam, met bijlage van den brief ter uitschrijving van het jubil� (Amsterdam: A. Zweesaardt en zn., [1845]; zes drukken uit 1845 ervan bekend; 14 p.); A.J. Pluym, Het H. Sacrament van Mirakel en de H. Stede te Amsterdam. Historisch-kritische proeve, ter gelegenheid van het vijfde eeuwfeest (Amsterdam: H.A. Zweers, 1845; 2e en verm. dr. met een voorwoord van J.A. Alberdingk Thijm van 1869; 197 p.); A.J. Pluym, Het H. Sacrament van Mirakel te Amsterdam; Antwoord aan den schrijver der recensie in den Algemeene konst- en letterbode van 4 en 11 April 1845 (Den Haag: A.P. van Langenhuysen, 1845; 19 p.); 'Boekaankondiging', in: De Katholiek dl. 7 (1845) p. 180-220, (o.m.) bespreking van de studie van A.J. Pluym; S.R., Wat moet ik gelooven van het Mirakel van Amsterdam? Eene vraag van een Roomsch Katholiek aan Roomschen en Onroomschen, na het lezen van hetgeen over dat Mirakel door Isaak Le Long in zijne Historische Beschrijvinge van de Reformatie der Stadt Amsterdam, beschreven is (Amsterdam: G.J. D'Ancona, [1845]; 2e dr., 16 p.); H. van Lottum, Het Mirakel van Amsterdam, in den jare 1345; bij gelegenheid van het vijfde eeuwfeest, verhaald en toegelicht (Amsterdam: J.H. Laarman, 1845; 2e dr., 32 p.); 'De Christelijke kerk in Nederland 1345 en 1845. Het Mirakel van Amsterdam en de negentiende eeuw', in: Tijdspiegel 1845, p. 131-143, 163-170.
- In 1845 verschenen in reactie op de r.k. publicaties ook verschillende Protestantse uitgaven: Historie van het Amsterdamsch Mirakel, voor hen, die zelf willen onderzoeken en oordeelen (Amsterdam 1845; 39 p.); D. Buddingh, Mirakel-geloof en mirakelen in de Nederlanden. Historisch-letterkundige proeve, naar aanleiding van het vijfde eeuwfeest van het H. Sacrament van Mirakel (Den Haag: H.C. Susan, C.Hz., 1845; 128 p.); 'Een lid der Hervormde Kerk', Een woord aan alle protestanten in Nederland bij gelegenheid der afgodische viering van zeker jubil� over het gewaand mirakel eener hostie (Zwijndrecht: J. Boden, 1845; 11 p.); Echt protestantsche tegenzang op het Lied bij het vijfde eeuwfeest van het Mirakel van Amsterdam (Amsterdam: G. Portielje, 1845; 7 p.); J.P.H[eukelom], Het feest der dwaasheid, gevierd op het vijfde eeuwgetijde van het Mirakel te Amsterdam van 5 tot 12 Maart 1845. Dichterlijke ontboezeming (Amsterdam: J. Tak, 1845; 15 p.); God laat zich niet bespotten. Opgekomene gedachte bij gelegenheid van het aangekondigde jubil� van het zoogenaamde Mirakel van Amsterdam, en hoofdzakelijk gerigt tegen eenen gedrukten brief ten name van den heer Innocentius Ferrieri etc. (Den Haag: Erven Doorman, 1845; 13 p.); Vervolg op de brochure: God laat zich niet bespotten (...) of repliek op het mede zoogenaamde critisch antwoord van den heer W. van Houten Roomsch Katholijk pastoor te Beverwijk (Den Haag: Erven Doorman, 1845; 24 p.); Zal er in Nederland geen Ronge opstaan? Een woord aan Roomsch-Katholijken en Roomsch-Katholijke geestelijken na den afloop van het Amsterdamsche Jubelfeest (Den Haag: Erven Doorman, 1845; 12 p.); 'Het vijfde eeuwfeest van het Amsterdamsche Mirakel. Te vieren den 5den Maart en volgende dagen', in: De Evangelische Kerkbode, 28 februari 1845; 'De H. Rok te Trier en het Amsterdamsch Mirakel', in: De Protestant 3 (1845) p. 372-182; 'Het H. Sacrament van Mirakel en de H. Stede te Amsterdam', in: De Protestant 11 (1853) p. 65-75.
- 'Nog eene bijdrage tot de geschiedenis van het mirakel van Amsterdam', in: De Katholiek , dl. 25 (1854) p. 57-58; Jos. W[inkelmeyer], Geschiedenis van het H. Sacrament van Mirakel en van de Kapel de H. Stede, benevens het verhaal van de merkwaardige Wonderen geschied tot ao. 1578 (Amsterdam: G. Borg, 1886; impr. 25 februari 1886; 2e dr. in 1887, 3e dr. in 1895; 63 p.); J.A. van den Akker, Geschiedenis van het Begijnhof te Amsterdam ao 1346-1870 (Leiden 1866-1870); J.A. Alberdingk Thijm, 'Het Amsterdamsch geslacht der Dommers', in: De Dietsche Warande , dl. 8 (1869) p. 201-228, bevattende de onjuiste koppeling van Dommers aan het mirakel; Jan Veth, 'Derkinderen's Processie van het H. Sacrament van Mirakel', in: Nieuwen Gids 1 februari 1889, p. 1-10; A.J. Flament, Catalogus der bibliotheek van het Rectoraat des Beggijnhofs te Amsterdam (Amsterdam 1891), dit werk bevat tevens een belangrijke bibliografie betreffende het Mirakel; J.W. Brouwers, De Votief-kapel der Nederlandsche Katholieke dankbaarheid in de 19e eeuw (Vught 1891); 'Een hulde aan het H. Sacrament van Mirakel te Amsterdam', in: Katholieke Illustratie 27 (1893-1894) p. 387-390, over basreli�fs in de St. Nicolaaskerk; B.H. Kl�nne, Amstelodamensia (Amsterdam: F.H.J. Bekker, 1894; 294 p.); De vier altaarkussens der H. Stede te Amsterdam. Proeven van oud borduurwerk in vier lichtdrukken afgebeeld en uitgegeven bij gelegenheid van het Zesde-halve Eeuwfeest van het Mirakel van Amsterdam 1345-1895 (Amsterdam: z.n., 1895); Amstelodamum Sacrum. [Bibliografie van] Het Mirakel 1345; Kerkelijke geschiedenis v��r 1578 en later, Bulletin nr. 51 (maart 1895) van Oude en Nieuwe Boekhandel C.L. van Langenhuysen te Amsterdam, p. 1-6; 'Overzicht van geschriften en afbeeldingen, uitgegeven bij gelegenheid van het Zesdehalve Eeuwfeest van het mirakel van Amsterdam MDCCCXCV', in: Almanak voor Nederlandsche Katholieken 1896, p. 39-42; Bernard J.M. de Bont, Het H. Cecilia collegie; zijnde de broederschap van het Allerheiligste Sacrament; ter eere van het H. Sacrament van Mirakel van Amsterdam, met den aankleve van dien (Amsterdam 1895; 56 p.); B.H. Kl�nne, 'Boekaankondiging', in: De Katholiek , dl. 108 (1895) p. 216-235; Bernard J.M. de Bont, 'Antwoord op een bespreking door B.H. Kl�nne van zijn boek over het St. Caeciliacollegie', in: De Katholiek , dl. 108 (1895) p. 515-526; J.F.M. Sterck, 'Bibliographische aanteekeningen over L. Marius, Amstelredams Eer ende Opcomen', in: Jaarboekje van Alberdingk Thijm 1895, p. 274-305; J.F.M. Sterck, 'Jacob Cornelisz. en zijne schilderijen in de 'Kapel ter Heilige Stede', in: Oud-Holland van 1895; S, 'Uit de geschiedenis der H. Stede', in: Katholieke Illustratie 28 (1894-1895) p. 321-331; J.F.M. Sterck, De 'Mirakelkist' en de traditie. Een bijdrage tot de geschiedenis van het kerkelijk Oud-Amsterdam (Amsterdam: C.L. van Langenhuysen, 1896; 62 p.); J.F.M. Sterck, Uit de geschiedenis der Heilige Stede te Amsterdam (De 'Nieuwe-Zijds-Kapel'). Mededeelingen over hare kunstschatten, dienst en inrichting (Amsterdam: C.L. van Langenhuysen, 1898; 63 p.); Kappeyne van de Coppello, Aan wien is de eigendom der N.Z. Kapel? Aan de (...) wethouder voor de Publieke Werken (Amsterdam 1899; 46 p.); Processtukken inzake de Nederduitsch Hervormde Gemeente te Amsterdam contra de Gemeente Amsterdam (Amsterdam 1900; 18 p.); W. Zuideman, Het Wonder der Heilige Stede van Amsterdam (Amsterdam: G. van der Hoogt, 1900; 34 p.; 2e verm. dr. van 1925); A.C. Bertens, Het H. Hart en zijn Genade-Oorden of de Liefde, het Voorbeeld en de Wonderen van Jezus in zijn H. Sacrament (Cuyk aan de Maas: Jos. J. van Lindert, 1900) p. 177-180; 187-189; [G.J. Vos], Paganistische ouwel cultus of Godewaardig gebruik? (Rotterdam: z.n., z.j.; 61 p.) betreft de geschiedenis van de Nieuwe Zijdskapel; Catalogus van Zeldzame Boeken. Bevattende werken over het Mirakel van Amsterdam, Brussel en Brugge, voorafgegaan van eenige bemerkingen op de 'Bibliographische aanteekeningen over L. Marius, Amstelredams Eer ende Opcomen' van den heer J.M.F. Sterck etc. (Leiden: J.W. van Leeuwen, 1900; 42 p.); Jaarverslag Koninklijke Oudheidkundige Vereniging (1907/1908) p. 51-58 en (1908) p. 7-16, bevat correspondentie tussen KOG en de N.H. gemeente over de sloop van de kapel; A. W. Weissman, De Nieuwe Zijds Kapel (Amsterdam: L.J. Veen, 1908; 20 p.); Broere's Dithyrambe op het Allerheiligste, toegelicht door J.C. Alberdingk Thijm (Amsterdam: R.K. Boek Centrale, 1917; 2e dr.; 116 p.); W. Nolet, 'Het mirakel van Amsterdam en de rotulus van Albrecht', in: De Katholiek , dl. 157 (1920) p. 211-215; De Bedegang van Broere, verklaard door Gerard Brom ('s-Hertogenbosch: Geert-Groote-Genootschap, 1922; impr. 14 augustus 1922; 15 p.); Amstelredams eer ende opcomen, door de denckwaerdighe miraklen aldaer geschied, aen ende door het H. Sacrament des altaers. Herdruk van de in 1639 voor het eerst gedrukte prentjes, met een toelichting van J.F.M. Sterck (Leiden: Centraal Bureau Kath. Soc. Actie/Ars Catholica, 1924; 53 p.); Joh. C. Breen, 'Drie oorkonden betreffende de heilige Stede te Amsterdam', in: Historisch Tijdschrift 3 (1924) p. 1-7; J.F.M. Sterck, 'Drie vergeten oorkonden over het Mirakel van Amsterdam en de kapel Terheylighen Stede', in: Historisch Tijdschrift 3 (1924) p. 113-125; J.F.M. Sterck, 'Kunst van de oude H. Stede te Amsterdam', in: Het Gildeboek, juli 1924, p. 24-32; J.F.M. Sterck, 'De dichter van de versjes in Marius' 'Amstelredams eer ende opcomen'', in: De Katholiek, dl. 165 (1924) p. 329-334; Aug. de Vries, 'Amsterdams Eer ende Opcomen', in: Algemeen Nederlandsch Eucharistisch Tijdschrift 3 (1924) p. 9-14, 37-42, 57-61, 88-94, 117-124, 137-141, 159-166; 4 (1925) p. 28-32.
- Publicaties i.v.m. de eucharistische congressen: Eucharistisch Congresboek. Eerste Eucharistisch Congres voor het bisdom Haarlem, Amsterdam 19, 20, 21 en 22 October 1922 (Amsterdam 1922; 128 p.); A. Slijpen, R. Welschen, Eduard Brom en L.A.P.M. van den Broeke ed., Congresboek officieel programma (Amsterdam 1924; 335 + xxvi p.); Rond het congres Amsterdam 22-27 Juli 1924 [info-magazine]; Gedenk-Album. Herinnering aan het XXVIIste Internationaal Eucharistisch Congres gehouden te Amsterdam 22-27 Juli 1924 (Haarlem-Leiden: Spaarnestad/Ars Catholica, 1924); Henry D'Yanville en W. van Dijk ed., Gedenkboek van het XXVIIe Internationaal Eucharistisch congres (Amsterdam: 't Kasteel van Aemstel, 1925; 808 p.);
- J.F.M. Sterck, 'Het boekje 'Amstelredams eer en opcomen, door de denckwaerdighe miraklen aldaer geschied ao 1345' en zijn schrijver (bibliografische aanteekeningen)', in: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem 43 (1925) p. 122-186; H. V[ermeulen], Bijdragen tot de Geschiedenis van het Allerheiligste Sacrament. Deel 1. De eerste zanger [Willem van Hilderergaertsberg] van de Heilige Stede van Amsterdam (z.p. 1926; 120 p.); H.J. Smit, 'De bloei van Amsterdam en het Mirakel van sacrament', in: Tijdschrift voor Geschiedenis 41 (1926) p. 295-298; J.F.M. Sterck, De Heilige Stede in de geschiedenis van Amsterdam (Haarlem: Bijdragen Haarlem, 1928; Hilversum: Gooi & Sticht, 1938; 208 p.) dit boek is voor de middeleeuwse geschiedenis van het mirakel nog steeds een fundamenteel werk; 'Der Kinderen's mirakelprocessie in het bagijnhof', in: Ge�llustreerd Zondagsblad (uitgave De Tijd en de Amstelbode) nr. 45, 10 november 1929, p. 353-360; H. Brugmans, Geschiedenis van Amsterdam van den oorsprong af tot heden (Amsterdam: uitg. Joost van den Vondel, 1930) p. 145-154, 230-237; S.E.S., 'Een halve eeuw gebedsnacht', in: Katholieke Illustratie 11 maart 1931, p. 564-565 en 18 maart 1931, p. 575; Leonardus van den Broeke, Stille Omgang Herdenking 1881-1931 (Amsterdam: GvdSO, 1931; 44 p., met inlegvel over 1938); C.S. Dessing, 'De Amsterdamsche processiekeuren', in: Jaarboek Amstelodamum 30 (1933) p. 53-78; 'Het H. Sacrament van Mirakel te Amsterdam', in: Katholieke Illustratie 67 (1933) nr. 24, p. 488-489; J.Z. Kannegieter, 'De weg der oude mirakelprocessie en de jaarlijksche stille omgang', in: Maandblad Amstelodamum 21 (1934) p. 34-35; Fr. X.P.D. Duijnstee, Jubelend Nederland rondom het H. Sacrament van Mirakel (Amsterdam: z.n., 1935; 48 p.); Stille-Omgangnummer van Zilveren Trompet 6 (7 maart 1936) p. 289 - 304; J.F.M. Sterck, De Heilige Stede. De slooping van een middeleeuwsch Amsterdamsch heiligdom in de twintigste eeuw. Geschiedkundige herinneringen (Hilversum: Gooi & Sticht, 1939; 102 p.); Jo M. Sterck-Proot, Dr Johannes Franciscus Maria Sterck, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1940-1941 (Leiden: Brill, 1941) p. 48-56; 'Gemeentelijke zorg voor de resten der H. Stede', in: Maandblad Amstelodamum 30 (1943) p. 19-21; br. Christofoor, Met Vondel ten Stillen Omgang. Een historische rondgang door Middeleeuws Amsterdam (Oudenbosch: Instituut St. Louis, 1944; 43 p.); Het Vierenswaardig Wonder. Gedenkboek uitgegeven ter gelegenheid van het zesde eeuwfeest van het H. Sacrament van Mirakel 1345-1945 (Amsterdam: Urbi et Orbi, 1946; 228 p.) jubileumboek met belangrijke bijdragen over het gebouw van de H. Stede en kunst en literatuur m.b.t. het mirakel; De Triomf van het Mirakelsacrament 1345-1945. Herinneringsalbum 19-23 juni 1946 (Amsterdam: Van Munster's uitgevers, 1946; 16 p.), een fotoboekje; Stille-Omgangnummer van De H. Eucharistie. Maandblad ter bevordering van het Eucharistisch Leven, 24 (maart-april 1948) p. 143-156; C. de Groot, Het heilig Sacrament van Mirakel te Amsterdam (z.p.: De Tijd, z.j.; 31 p.); H.W.A. Joosten, De verering van het H. Mirakel van Amsterdam (Amsterdam: GvdSO, 1955; 30 p.); R. Post, 'Het Sacrament van Mirakel te Amsterdam', in: Studia Catholica 30 (1955) p. 241-261, Post behandelt hierin op een overtuigende wijze de oudste historische bronnen; C. Kortekaas, Het heilig Sacrament van Mirakel en de Capel Terheylige Stede in de geschiedenis van Amsterdam (Amsterdam 1958; 51 p.); B. de Ridder, 'De mirakelkist', in: Maandblad Amstelodamum 50 (1963) p. 54-61; 'Het heilige sacrament van Amsterdam', in: Maandblad Amstelodamum 53 (1966) p. 51; Alfred Dekker, 'De lotgevallen van het orgel van de H. Stede te Amsterdam', in: Mens en Melodie 25 (1970) p. 247-250; F.J. Dubiez, 'Het mirakel van de nieuwezijds kapel. Stroom van literatuur over de heilige stede', in: Ons Amsterdam 26 (1974) p. 104-114; M.G. Emeis jr., 'Amsterdam in en om 1375: mirakelse groei en hartslag', in: Ons Amsterdam 27 (1975) p. 66-71; Stille Omgang Amsterdam 1930 - 1980, 50 jaar Kring Eindhoven en omstreken (Eindhoven: afd. Stille Omgang Eindhoven, 1980; 12 p.), een gestencilde geschiedenis van dit zustergezelschap; B. Voets en H. van Noord, 'Het verhaal van een honderdjarige', in: Ons Amsterdam 33 (1981) p. 34 - 45; J.J. Antier, De pelgrimage weer ontdekt. In het Nederlands vertaald, ingeleid en wat de Benelux betreft aangevuld door Th.G.A. Hendriksen, bisschop (Utrecht: Zaken die God raken, [1980]) p. 329-337; S.A.C. Dudok van Heel, 'Uit Goethe-Dante-Vondelen gaan'; opkomst van de katholieke Amsterdamse geschiedschrijving in de negentiende eeuw', in: Jaarboek Amstelodamum 78 (1986) p. 100-134, belangrijk voor de sociaal-economische context; Herman Roodenburg, 'Splendeur et magnificence. Processions et autres c�l�brations � Amsterdam au XVIe si�cle', in: Revue du Nord 69 (1987) p. 515-533; Peter Jan Margry, Amsterdam en het mirakel van sacrament. Van middeleeuwse devotie tot 20e-eeuwse stille omgang (Amsterdam: Polis, 1988) het enige overzichtswerk voor de gehele mirakelgeschiedenis; T. van Reen, In het donkere zuiden (Amsterdam 1988) met passage over de stille omgang in de jaren 1950-1960; Tijs Hakkert, 'Het geluid van een omgang. Een beschouwing over de Stille Omgang in de periode 1945-1988', in: Skript historisch tijdschrift 10 (1988) p. 131 - 142; Guus van den Hout, 'In verre streken zijn uw mirakelen wel bekend. Een middeleeuwse toeristische attractie', in: Ons Amsterdam 42 (1990) p. 170-174; Herman Roodenburg, Onder censuur. De kerkelijke tucht in de gereformeerde gemeente van Amsterdam, 1578-1700 (Hilversum: Verloren, 1990) p. 47-71, belangrijk voor de middeleeuwse sacramentsprocessies; Th. Meder, Sprookspreker in Holland. Leven en werk van Willem van Hildegaersberch (ca. 1400) (Amsterdam: Prometheus, 1991) belangrijke studie in verband met het middeleeuwse gedicht over het mirakel; J.E.A. Boomgaard, Misdaad en Straf in Amsterdam. Een onderzoek naar de strafrechtpleging van de Amsterdamse schepenbank 1490-1552 (Zwolle: Waanders, 1992) p. 15, 67, 112, 119, 139, 156, 167, 169, 175, 201, 226, 273, betreft opgelegde bedevaarten; Charles M.A. Caspers, De eucharistische vroomheid en het feest van Sacramentsdag in de Nederlanden tijdens de late middeleeuwen (Leuven: Peeters, 1992) p. 231-264; H.J.E. van Beuningen en A.M. Koldeweij, Heilig en profaan. 1000 laatmiddeleeuwse insignes uit de collectie H.J.E. van Beuningen (Cothen 1993) p. 142, W.Th.M. Frijhoff, 'Ritual action and city history: Haarlem, Amsterdam and Hasselt', in: Heidi de Mare en Anna Vos ed., Urban Rituals in Italy and the Netherlands (Assen 1993) 93-105; Peter Raedts, 'Le Saint Sacrement du Miracle d'Amsterdam: lieu de m�moire de l'identit� catholique', in: Pim den Boer en Willem Frijhoff ed., Lieux de m�moire et identit�s nationales (Amsterdam: AUP, 1993) p. 237-251; H.J. Auf der Maur, 'Feste und Gedenktage der Heiligen. Gottesdienst der Kirche', in: Feiern im Ryhtmus der Zeit (Regensburg 1994) dl. 2, I, p. 242; C. Caspers, 'Bedevaarten in de middeleeuwen', in: Jota 7 (1995) nr. 26, p. 26-28, over het gebruik van Marius' boek rond 1700; P.J. Margry, Inventaris van het archief van het Gezelschap van de Stille Omgang te Amsterdam, 1881 - 1990 (Aerdenhout: GvdSO, 1995); G. van den Hout, P.J. Margry en R. Schillemans ed., Het Mirakel: 650 jaar Mirakel van Amsterdam 1345 - 1995 (Aerdenhout: GvdSO, 1995) (kunst-)historische bijdragen en catalogus bij de tentoonstelling in museum Amstelkring; P.J. Margry ed., Goede en slechte tijden: het Amsterdamse Mirakel van Sacrament in historisch perspectief (Aerdenhout: GvdSO, 1995) bevat de voordrachten gehouden op het jubileumsymposium in 1995; Jan Verdonck, 'Une procession silencieuse sous la banni�re oecum�nique', in: Septentrion 24 (1995) p. 83-85; Pius jaarboek. Almanak katholiek Nederland (Houten: Bohn etc., 1996) p. 342; Suzette van 't Hof, Amsterdam in gebed. Religieuze monumenten (Amsterdam: Bas Lubberhuizen, 2005) p. 11-28; Anique C. de Kruijf, ‘Gods mirakel machmen sien’. Het mirakel van Amsterdam in woord en beeld in de veertiende en zestiende eeuw, in: Jaarboek van het Genootschap Amstelodamum, (2005)p. 49-83 Charles Caspers & Peter Jan Margry, Identiteit en spiritualiteit van de Amsterdamse Stille Omgang (Hilversum: Verloren, 2006); Peter Jan Margru, 'GedachteNis ter Heilige Stede'. De Stille Omgang in Amsterdam, in Jan Jacobs e.a. (eds), Aan plaatsen gehecht. Katholieke herinneringscultuur in Nederland (Nijmegen: Valkhof Pers, 2012) p. 90-105.

Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Amsterdam-Sacrament; divers beeldmateriaal is aan te treffen in de collecties van het Amsterdams Historisch Museum, de Historisch-topografische atlas van het gemeentearchief van Amsterdam (foto's en tekeningen) en Stichting Spaarnestad foto-archief te Haarlem (foto's); filmopnamen van het internationaal eucharistisch congres in 1924 te Amsterdam in het gemeentearchief van Amsterdam; tv-documentaire door AT5 Amsterdam over de Stille Omgang in maart 1996; Documentatie over 'Amsterdam-Mirakel' en de Stille Omgang, uit de collectie van J.A. Bomans, opgenomen in BiN-dossier (acquisitie 2012).
  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<