Hasselt, Heilig Sacrament

Cultusobject: Heilig Sacrament
Datum: Zondag na Sacramentsdag (tweede zondag na Pinksteren)
Periode: 13e/14e eeuw - 21e eeuw.
Locatie: Parochiekerk van St. Stephanus
Adres: Eiland 24, 8061 HT Hasselt
Gemeente: Hasselt
Provincie: Overijssel
Bisdom: Utrecht
Samenvatting: De cultus van het H. Sacrament op de H. Stede te Hasselt kent op zijn minst sinds de 14e eeuw twee bestanddelen: een liturgische component (het H. Sacrament) en een element van sacrale topografie (de Heilige Stede). In de loop van de tijd zijn beide componenten op wisselende wijze met elkaar vervlochten geweest en zijn de hoofdaccenten verschillend gelegd. De heilige plaats vormt daarbij duidelijk het continuïteitselement. Terwijl de middeleeuwse cultus sterk met de stedelijke identiteit verbonden was, stond bij de institutionele herleving in 1891 de identiteit van de (diaspora)parochie op de voorgrond. Van de middeleeuwen tot ver in de 20e eeuw komt Hasselt naar voren als een gewestelijke bedevaartplaats, met uitlopers in het Duitse achterland. De cultus, sinds de jaren 1950 steeds meer verflauwd, kent sinds 1995 een lichte herleving.
Auteur: Willem Frijhoff
Illustraties:
Topografie - De heilige plaats, Heilige Stede genaamd, was gelegen op de grens van de middeleeuwse stadskern van Hasselt, bij de Enkpoort en het oude Zuiderzeeveer. De bedevaartkapel heet in de oudste oorkonden van bisschop Jan van Arkel (1355-1357) 'capella S. Sacrament', naar het liturgisch cultusobject, maar de sacrale plaats, de H. Stede, vormde vanaf het allereerste begin de enige benaming in de volkstaal. De naam van de straat waaraan zij ligt, het Eiland, is later wel als een verbastering van 'Heilig land' geduid. Na enkele decennia verschijnt ook in Latijnse akten de naam van de cultusplaats ('capella [nostra] in Hasselt 'ter heiliger Stede' vulgariter nuncupata', 1389). De twee bestanddelen van de cultus (de gewijde plaats en het H. Sacrament) moeten geleidelijk aan zijn versmolten. Ook de kapel heet later steeds 'de Hillighe Stede'.
- De opgravingen die na 1893 op het terrein werden verricht met het oog op de reconstructie van de oude bedevaartkapel brachten resten van funderingen van twee opeenvolgende bouwsels aan het licht, alsmede een steen uit een romaanse gordelboog en enkele in Bentheimer zandsteen gehouwen stukken van gotische gewelfribben. De romaanse resten lijken veel ouder dan de oudste akte (1355), de gotische jonger. Er is een gewelfbreedte van 6 (romaans), resp. 9 meter (gotisch) uit afgeleid. Tezamen suggereren de schriftelijke en archeologische bronnen dat een oudere kapel, niet zonder meer aan het H. Sacrament gewijd, voorafging aan die welke ten tijde van Jan van Arkel werd herbouwd en in later jaren vergroot. De reeds in 1356 gangbare aanduiding 'Heilige Stede' zou erop kunnen wijzen dat het terrein, dat tot de stadsuitbreiding van 1397/1404 buiten de muren lag, als cultusplaats veel ouder is dan de akte van 1355 suggereert. Misschien was de H. Stede, op een oeverwal gelegen, de locatie van de oorspronkelijke parochiekerk en was daar, zoals ook te Nijmegen was gebeurd, een kerkhof van overgebleven.
- Bij de reformatie werd de cultusplaats onteigend en de kapel afgebroken. De herinnering aan de geprofaneerde H. Stede bleef echter voortleven. In 1891 werd perceelsgewijs het belangrijkste deel van het oorspronkelijke terrein door de r.k. parochie teruggekocht, omheind en als sacrale ruimte heringericht. In het 19e-eeuwse huisje dat ongeveer op de plaats van de oude kapel stond, werd een noodkapel ingericht die tot de herbouw van de kerk in 1933 bleef bestaan. De terugkoop van het laatste perceel van het oude terrein in 1910 bracht een nieuwe golf van belangstelling voor de H. Stede. Vanaf dat ogenblik werd herbouw van de oude bedevaartkapel het hoofddoel. Architect Wolter te Riele vervaardigde een op de middeleeuwse situatie geïnspireerd ontwerp (afgebeeld op het devotieprentje van 1910), waarvan de realisatie door geldgebrek verhinderd werd. In tegenstelling tot de middeleeuwse situatie zou de kapel nu ook als parochiekerk moeten dienen. Toen herbouw van de oude parochiekerk zelf omstreeks 1930 onvermijdelijk bleek, werd de gelegenheid aangegrepen om het liturgisch parochiecentrum naar het terrein van de H. Stede te verplaatsen. Het noodkapelletje dat de nieuwbouw in de weg stond, werd afgebroken. De nieuwe kerk, onder een eigentijdse baksteenarchitectuur van G.Th. Ruberg uit Zwolle, met enige gotische reminiscenties, werd ingewijd op 24 oktober 1933. Aan de kerk werd een grote pastorie gebouwd met slaapgelegenheid voor priesters die op bedevaart kwamen, alsmede een fietsenstalling en een winkeltje van devotionalia. Boven de nieuwe toegangspoort tot het oude processiepark, waarop het H. Hartbeeld en het overdekte buitenaltaar stonden, werd een Latijns opschrift aangebracht: 'Miserorum et afflictorum asylon' (naar Lindeborn, 1670; 'toevluchtsoord van bedrukten en hopelozen').
Cultusobject - Sinds 1355 staat de verering van het H. Sacrament centraal, maar het oorspronkelijk cultusobject is niet met zekerheid aan te wijzen.
Verering Legende
- De middeleeuwse ontstaansgeschiedenis, zoals die na het herstel in 1891 werd beschreven en officieel gepropageerd, vormt een samenraapsel van (deels onaannemelijke) veronderstellingen. Er is een oorsprongslegende aan toegevoegd die - ondanks onmiddellijke twijfel bij de betrokken kerkhistorici zelf - sindsdien hardnekkig is blijven voortleven. Ze steunt op een exemplum van Caesarius van Heisterbach dat ten tijde van de Marcellusvloed van 1219 speelt. Een dronken Friese kampvechter sloeg met zijn bierkan tegen de ciborie van een priester, zodat de hosties op de grond vielen. Kort daarop werd de ontwijde grond door een watersnood getroffen. In een verschijning beval Maria vervolgens een verzoeningskerk te bouwen die moest worden vereerd als het graf des Heren. Dit exemplum is in 1893 door de Kamper kapelaan B.P. Velthuijsen aarzelend op de H. Stede van Hasselt toegepast, maar bijna onmiddellijk (1894) door de pastoor van Hasselt, J.R. van Groeningen, als een authentiek oorsprongsverhaal van 'zijn' bedevaartplaats door het land verspreid. Het verklaarde immers het gewijde karakter van de grond. Bovendien lag in het verzoeningsaspect een duidelijke parallel met de moderne tijd, waarin eerherstel moest worden gebracht voor de heiligschennis die de hervorming jegens het H. Sacrament had gepleegd.
- In de middeleeuwse bronnen is tot nu toe geen bewijs gevonden dat dit exemplum met Hasselt in verband staat, al sluit de voorstelling van het teruggevonden pelgrimsinsigne (zie hieronder) zo'n band niet uit, en kan het heiligdom zeker tot die tijd teruggaan. Uit andere bron is helaas geen spoor van een middeleeuws oorsprongsverhaal bekend. We weten slechts dat er een middeleeuws mirakelboek heeft bestaan. Een van de wonderverhalen (genezing van een lamme jongeman uit Twente) is door de predikanthistoricus Arnold Moonen in de 17e eeuw uit Lindeborns (thans verloren) afschrift van het mirakelboek overgeschreven. In 1999 stelden Westerhof en Rademaker in een artikel dat de legende toch op Hasselt betrekking zou hebben.

Uitbouw tot bedevaartplaats
- De oudst bekende oorkonde waarvan de echtheid vaststaat, is de akte van 19 mei 1355, waarbij bisschop Jan van Arkel het wijdingsfeest van de kapel ('capelle Sacramenti in Hasselt'), tot dan toe gevierd op zondag na St. Margriet (20 juli), officieel naar zondag na Sacramentsdag verplaatst en een aflaat van 40 dagen verleent. De bisschop voegt hieraan toe dat die verplaatsing al eerder was verordend, doch nu definitief van kracht wordt. Aldus ontstond de Hasselter Aflaat, een bedevaart op een verspringende datum, gekoppeld aan een zomers stadsfeest met markt en kermis, dat onder die naam tot in de 20e eeuw zou voortleven.
- Het lijkt aannemelijk dat het begin van de sacramentsbedevaart niet ver vóór 1355 moet worden gedateerd. Vanaf dat ogenblik wordt de H. Stede namelijk ook formeel als cultusplaats ingericht door de bisschop, die zich uitdrukkelijk de stichter van de kapel noemt en ook door zijn opvolgers steeds als zodanig wordt aangemerkt. Reeds op 25 januari 1356 komen in een akte van de drost van Salland vier 'berader (kerkmeesters) der heiligher Stede' voor. Ze kopen dan voor 380 oude schilden het Amelongsgoed te Wijhe ten behoeve van de kapel, die kort daarvóór dus al aanzienlijke inkomsten moet hebben gehad. De 'capella in honorem Ejusdem Sacramenti' - die in een bisschoppelijke akte van 23 juni 1357 gereed heet en waar toen op grond van de talrijke wonderen een grote toeloop van volk plaatsvond - blijkt vanaf het begin een eigenkapel van de bisschop van Utrecht te zijn geweest, met een eigen rector (later: vier vicarissen). De rechtsopvolger van de bisschop, de koning van Spanje, was bij de visitatie van 1575 dan ook collator van alle vicarieën. Voorts is bekend dat bij de plundering van de kapel op 28 oktober 1582 veel 'metalen van landfursten en andere heren tot eene gedachtenisse daer ingegeven' (dus landsheerlijke wijgeschenken) verdwenen.
- Achtereenvolgens stichtten vier Utrechtse bisschoppen een vicarie in de kapel (in 1357, 1368, 1396 en 1500). De aflaat van Jan van Arkel werd vernieuwd in 1368, 1374, 1389 en 1435, terwijl andere eraan werden toegevoegd. Kardinaal Nicolaus Cusanus verleende in 1451 als pauselijk legaat nog een aflaat van 100 dagen. De Hasselter broederschap van het H. Sacrament kreeg op 20 juli 1408 statuten waarin werd bepaald dat de diensten in de kapel ter H. Stede zouden worden gehouden. Uiteindelijk waren daar 16 gefundeerde weekmissen (vier per vicarie), maar bij de visitatie van 1575 bleken er door de plaatsvervangende vicarissen slechts zes te worden gelezen. Hoewel er nauwelijks gegevens over de bedevaart zelf zijn bewaard, suggereren de stichtingen en legaten dat de grootste bloei in de tweede helft van de 14e eeuw lag, toen de bisschop en zijn ambtenaren de H. Stede herhaaldelijk begiftigden. De burgers van Hasselt bedachten het heiligdom vooral in de 15e eeuw. In 1449 bezat de H. Stede 16 erven of landerijen in eigendom, terwijl ze uit 18 huizen in Hasselt en een hofstede in Genemuiden jaarrenten genoot. In 1587 beliepen de inkomsten in totaal tenminste 286 herenponden. In Zwolle is in de jaren 1980 een vroeg 15e-eeuws pelgrimsinsigne van de H. Stede gevonden met een ciborie of monstrans in het midden, rechts een priester, en eronder het opschrift 'hoc [est] corp[us] xps [Christi] hasselt'. Er zijn echter geen aanwijzingen dat de cultus verder reikte dan het gewest Overijssel en zijn onmiddellijke achterland. Slechts uit Kampen (1495) is een strafbedevaart 'toe Hasselt ther Hilliger Stede' bekend.

Heilige plaats en ritueel
- Kort voor 1356 moet er iets zijn gebeurd dat nieuwbouw van de kapel, de toewijding aan het H. Sacrament en de verplaatsing van het kerkwijdingsfeest rechtvaardigde, en dat zowel de grote giften verklaart als de wonderen en de toeloop die Jan van Arkel in zijn oorkonde van 23 juni 1357 als motieven noemt om in de kapel een vicarie te stichten. Misschien was er vanouds al een cultus van het H. Graf, want de H. Stede blijkt in 1374 tot begraafplaats te dienen. Ook de begraafbroederschap van 1408 wijst in die richting. Bij de afbraak van de kapel in 1590 werden er grafzerken uit gesloopt. De kapel heeft vermoedelijk een kruisvorm gehad, met een vieringstorentje waaronder wellicht het vrijstaande hoofdaltaar stond. De sporen van pelgrimsritueel die we in de middeleeuwse akten terugvinden wijzen op een H. Grafcultus geassocieerd met het H. Sacrament, want de geconsacreerde hostie werd reeds in 1374 onder het altaar, als in een graf, bewaard. Om dat vrijstaande altaar heen vond een ommegangsritueel plaats op grond waarvan de aflaten konden worden verdiend ('tociens quotiens altare, sub quo Corpus Christi ibidem est reconditum [reclusum], humiliter et devote circuiverint [...]'. ('opdat zij dikwijls, met een nederige en vrome houding, om het altaar konden heenlopen waaronder het lichaam van Christus was weggeborgen [...]')). Beeld en opschrift van het pelgrimsinsigne suggereren het bestaan van een wonderdadige hostie, zoals te Amsterdam. Maar andere sporen zijn daarvan niet gevonden.
- Uit de stadsrekeningen van Hasselt blijkt dat op de zondag van Hasselter aflaat in de stad een sacramentsprocessie met passieprediking plaatsvond die veel volk van buiten trok, pelgrims zowel als markt- en kermisgangers. Markt en feestelijkheden duurden een week. De omliggende kerspelen Staphorst en Rouveen (vroeger van Hasselt afgescheiden) waren verplicht een bijdrage te leveren aan de werkzaamheden, en vermoedelijk aan de opvoering van het passiespel. De religieuzen en de bevolking van de nabuursteden Kampen, Zwolle en Vollenhove werden actief bij het feest betrokken. Naar de verschijningsvorm lijkt de sacramentsprocessie een typisch stedelijk ritueel, maar haar organisatie wijst opnieuw in de richting van de bisschop. Zo droeg niet de pastoor, maar de abt van Dickninge of de proost van Zwartewater het H. Sacrament.
- De oprichting van de Sacramentskapel als bisschoppelijke eigenkapel op een oudere cultusplaats staat wellicht in verband met een Sacramentswonder op de oude begraafplaats (in de pestjaren van het voorafgaande decennium?), in de spirituele conjunctuur waaraan ook het ⟶ H. Sacrament van Mirakel van Amsterdam (1345) zijn opkomst dankte. Jan van Arkel stimuleerde welbewust de devotie tot het H. Sacrament, als beschermend symbool van leven en levenskracht, met een maatschappelijke betekenis. De Sacramentsverering was de logische geestelijke en culturele tegenhanger van zijn politieke offensief als kerkvorst. De plaatsing daarvan in Hasselt, de begiftiging van de kapel en de actieve bevordering van de cultus hebben wellicht te maken met de steun die de bisschop zocht bij de steden, waaraan hij een actieve rol bij de verdediging van zijn gebied toedacht. Hasselt was een toegangspoort, zowel tot het Noorden (Friesland) als tot de Zuiderzee, en daarmee overzee tot Holland. Bovendien waren de ontginningen rond Hasselt op dat moment in volle gang. Ook de H. Stede investeerde daarin. Naast de H. Stede bevoorrechtte de bisschop de omliggende kloosters (Ruinen-Dickninge, Zwartewater) en stichtte hij een convent in Hasselt zelf.

Afbraak en continuïteit
- Na de inname van Hasselt door de Staatse troepen werd de H. Stede (in 1581 reeds als leprozenhuis ingericht) op 28 oktober 1582 geplunderd; de beelden en wijgeschenken werden ontvreemd, de altaren afgebroken, zeker 'schoon beschot' vernield. Een deel van de inkomsten werd in 1584 aan de nieuwe predikant toegewezen, het archief in 1587 aan de stad overgedragen, de kerkhofmuren te zelfder tijd geslecht. De vermoedelijk reeds bouwvallige kapel, die nu onvoldoende inkomsten voor het onderhoud had, werd in juli 1590 volledig gesloopt. Van een deel van de stenen werden door de stad nieuwe huisjes gebouwd; de rest werd verkocht. Daarnaast werd de bedevaartpraktijk op de H. Stede door de magistraat formeel verboden.
- Daarmee kwam echter geen einde aan de bedevaart. Jaar in jaar uit verbood de magistraat de rondgang over de stadswallen (d.w.z. de bedevaart rond het terrein van de aanpalende H. Stede), giften aan de burgers in dat verband, en gebruik van speciale boetekleding ('dat bedevaerts luijden haar in hare [nl. van de burgers] huijsen ontcleden ofte weeder ancleden sullen', plakkaat van 2 juni 1621), op straffe van een forse boete of van beslaglegging op het bovenste kleed. De synode beklaagde zich er nog in 1638 over, de Staten vaardigden op 17 juni 1641 een plakkaat tegen Hasselter aflaat uit. Bij de aflaat van 1659 zou zelfs een strafwonder hebben plaatsgevonden: de stad had de bewaking verscherpt, maar een plotselinge brand bij het stadhuis had de wachten gemobiliseerd zodat ruim 100 pelgrims de H. Stede op konden. De cultus verplaatste zich nu duidelijk van het cultusobject (de eucharistie, niet langer op de cultusplaats aanwezig) naar de cultusplaats zelf, het kerkhof of de H. Stede in eigenlijke zin, waar de pelgrims op hun knieën over rondkropen (niet duidelijk is in hoeverre hier middeleeuws ritueel werd voortgezet). Volgens de Zwolse aartspriester Waeyer (formeel tevens pastoor van Hasselt) had de magistraat met het oog daarop 'soldatenhutten' op het terrein laten zetten (1612), er een vaalt van gemaakt en ter afschrikking een galg opgericht (1616). Op Blaeu's stadsplattegrond (1649) is de H. Stede dan ook een onbebouwde plek.
- Behalve door de geleerde traditie (Waeyer, Lindeborn, Van Heussen, Dumbar, Van der Aa, Ebbinge Wubben), is de herinnering aan het sacraal karakter van de geheel ontwijde en lege cultusplaats overgedragen door de bedevaartgangers zelf. Het bijzondere karakter van de H. Stede is hieraan debet. Hoewel er geen concrete gegevens over bestaan, moet de H. Stede al vóór de reformatie bezocht zijn door seizoenarbeiders (hannekemaaiers) uit de Duitse grensgebieden die te Hasselt bij de Enkpoort, tegenover de H. Stede, scheepgingen naar Holland. Vermoedelijk ging het hier om een smeekritueel voor een veilige overtocht over de Zuiderzee. Alleen zo valt te verklaren dat, ondanks de verdwijning van het katholieke leven uit de stad in de 17e en 18e eeuw, juist in die periode de herinnering aan de H. Stede werd levend gehouden in de kringen van de seizoenarbeiders (8000 à 10.000 per jaar) die van vader op zoon voor de overtocht een kniebuiging op de verder onherkenbare cultusplaats maakten of er een kruis sloegen. Hun geregelde doorkomst vormde in 1811 trouwens het hoofdmotief voor de wederoprichting van de parochie Hasselt. Waarschijnlijk heeft de vestiging van hun nazaten als turfstekers en veenarbeiders in en rond Hasselt, in de 19e eeuw, ook de H. Stede weer in herinnering gebracht bij de gelovigen van de zich langzaam herstellende parochiegemeenschap. De prominente rol van enkele families van Duitse herkomst (Gloerich, Wilke) bij het herstel van de H. Stede en de duurzaamheid van de bedevaarten uit Westfalen en Oldenburg, tot in de 20e eeuw, maken dit aannemelijk. Voor de seizoenarbeiders zou het dus om een 'bedevaart uit herinnering' gaan, zonder herkenbaar cultusobject.

Institutioneel herstel
- Hoewel pastoor Van Groeningen het herstel van de bedevaart in 1891 om pastorale redenen als een nieuw begin aankondigde, ging het in feite om een herstel in stappen, met een steeds fijnmaziger geactiveerde herinnering. Daarbij mag de oprichting van een Broederschap van de Eeuwigdurende Aanbidding (28 april 1832) door pastoor H.A. Nieuwentap, met uitdrukkelijke verwijzing naar de oude Sacramentsverering op de H. Stede en naar Hasselter aflaat, als een mijlpaal in de herleving van de eucharistische devotie te Hasselt gelden; het ledenregister (thans onvindbaar) heeft meer dan 2000 namen geteld. Reeds onder pastoor C.A. Alferink (1852-1876) werd het herstel van de H. Stede welbewust tot een collectief doel van het parochieleven gemaakt, en vanaf 1873 werd Hasselter aflaat opnieuw in de parochiekerk gevierd. Na de terugkoop van de H. Stede in 1891 werd het terrein omheind en als sacrale ruimte heringericht met een groot houten kruis in het midden en een buitenaltaar tegen een zijmuur; een bestaand huisje op het terrein, dat ongeveer op de plek van de voormalige kapel stond, werd als noodkapel ingericht en bleef tot de herbouw van de kerk in 1933 dienstdoen. Op 19 juni 1892 werd onder de oude naam Hasselter Aflaat de publieke bedevaart naar de cultusplaats hersteld. Hoewel de H. Stede formeel aan het H. Sacrament was gewijd, nam de devotie tot het H. Hart (1892) onmiddellijk een grote plaats in, waarbij even later O.L. Vrouw van Lourdes werd gevoegd (1894). Ook het oudste devotieprentje toont een H. Hartbeeld. Eerst het prentje van 1910 was geheel op de eucharistische cultus geënt. In dat jaar werd ook een 35 meter hoge standaard met eucharistische banier op het terrein opgericht. Nog geen jaar later werd zij door blikseminslag vernield. Het grote houten kruis in het processiepark werd overigens nog in 1918 door een H. Hartbeeld vervangen. Rondom dat beeld werd op Hasselter Aflaat de slotakte van eerherstel gehouden.
- Het doel dat Van Groeningen met het herstel van bedevaart voor ogen stond was de wederopbouw van de lokale katholieke gemeenschap, tot dan toe als diaspora over een groot gebied verspreid, en de emancipatie van de katholieke parochies in de regio. Om de continuïteit tussen de oorspronkelijke middeleeuwse christenheid en de herlevende katholiciteit van de late 19e eeuw te illustreren en haar in dienst van de pastoraal te stellen, streefde Van Groeningen naar een zo nauwkeurig mogelijke aansluiting tussen de middeleeuwse H. Stede en de herwonnen cultus: herleving van de H. Stede betekende wederopleving van de lokale katholieke gemeenschap, maar beloofde ook herstel van de bloei van Hasselt als stad, ja van heel de regio Noord-West Overijssel, mits stad en regio zich in het teken van de oude, katholieke waarden stelden. Het aan Caesarius ontleende oorsprongsverhaal met zijn boodschap van ontwijding en verzoening kwam daarbij uitstekend van pas: herstel hield tevens eerherstel in, zowel toen als nu. Rome was en bleef echter het blikpunt. Niet voor niets vormden twaalf oudzouaven in november 1892 de eerste groepsbedevaart, en werd het baldakijn tijdens de processie van 1893 door vier oudzouaven gedragen. De pastoors werkten systematisch aan een nauwkeurig herstel van de middeleeuwse bedevaart: het herstel van de aflaatpraktijk (1898) en de verschillende liturgische initiatieven (mis, processie, enz.) werden als evenzoveel stappen in die richting geduid, tot en met de terugkoop van het laatste perceel van het oude terrein in 1910. Geleidelijk werd heel het parochieleven door de pastoors rondom de sacrale plaats geconcentreerd. De aartsbisschop weigerde daarbij lange tijd zijn medewerking: slechts bij uitzondering mocht een mis op het terrein worden gelezen, een broederschap werd niet toegestaan, supplieken aan Rome werden tegengehouden of vertraagd. Van Groeningen sloot echter herhaaldelijk het verzet van de bisschop kort door een rechtstreekse interventie bij de Romeinse autoriteiten. Hij kon bovendien rekenen op de actieve steun van de geestelijkheid uit een wijde omgeving. Priesters uit nagenoeg het hele land droegen in de jaren 1891-1899 tot de herinrichting van de H. Stede bij.
- De herbouw van de bedevaartkerk in 1933, nu als parochiekerk, ging enkele jaren lang met een derde golf van publiciteit en belangstelling voor de bedevaart gepaard. Desondanks nam haar aantrekkingskracht geleidelijk af, wellicht door de verminderde behoefte aan confessionele identificatie en de losweking van de katholieke gemeenschap uit het ultramontanisme: het herstel van de bedevaart was door de geestelijkheid immers vanaf het begin in het teken van die beide waarden geplaatst. Na 1955 werd Hasselter aflaat niet meer gevierd, de voorlopig laatste groepsbedevaart werd geregistreerd op 15 juli 1964. Sedertdien is een deel van het terrein weer verkocht, zij het dat een kwart van de parochianen in 1970 om emotionele redenen tegen opdeling van de H. Stede stemde. Sinds het eind van de jaren 1980 wordt op de tweede zondag na Pinksteren in de middag weer een bijzondere eucharistieviering gehouden, bij goed weer op het terrein. Op 21 juni 1992 is plechtig het eeuwfeest van het herstel gevierd. Buiten die zondag vindt bedevaart naar Hasselt anno 1995 voorzover bekend slechts op individuele schaal plaats.

De bedevaartgangers
Sedert het herstel in 1891 begon het bedevaartseizoen met het dauwtrappen op de ochtend van Hemelvaartsdag; het sloot op de laatste zondag van augustus. Daarbuiten kwamen er geen groepsbedevaarten en nagenoeg ook geen individuele bedevaartgangers. Onder leiding van de plaatselijke geestelijkheid werden jaarlijks lokale of regionale groepsbedevaarten ('processies') georganiseerd vanuit Kampen en Zwolle (1893), Noordwest-Overijssel en Friesland (dekenaat Heerenveen, 1898), en Twenthe (1899), sedert de Tweede Wereldoorlog ook uit de Noordoostpolder. Katholieke verenigingen als de Werkliedenvereniging St. Jozef, de St. Aloysius Jongelingenvereniging, de Mannencongregatie en de Mariavereniging (voor huismoeders), en na de oorlog de Algemene Boeren- en Tuindersbond, kwamen als organisatie groepsgewijs op bedevaart. Vanaf het begin was Hasselt het geestelijk trefpunt van arbeidersbedevaarten uit Kampen en Zwolle, die elkaar daar ontmoetten of er gezamenlijk op bedevaart gingen. Alfons Ariëns preekte er voor hen in mei 1894. Mede door de slechte staat van de wegen over de dijken werd aanvankelijk vaak per boot of met de tram gereisd, later ook wel met de autobus. Het zingend samenzijn op de boot bracht de bedevaartgangers al in de juiste stemming voor de groepsprocessie over de H. Stede. Tevens verwees ze plastisch naar de overgang tussen land en water die voor de seizoenarbeiders het vereringsmotief was geweest. Fietsbedevaarten vanuit de nabuursteden waren gebruikelijk (vanuit Zwolle groepsgewijs sedert ca. 1930), en Kamper scholieren kwamen wel te voet.
- Rond het bedevaartterrein waren geen cafés gelegen en het rechtzinnige Hasselt was 's zondags hoe dan ook uitgestorven. Bedevaartgangers konden echter terecht bij het (voormalige) hotel De Herderin, waarvan de eigenaar katholiek was. Uit getuigenissen van bedevaartgangers valt af te leiden dat de tocht heen en terug vaak een belangrijk deel van de dag in beslag nam en dat in Hasselt nauwelijks meer dan de tijd van de mis, een half uur stille aanbidding in de kapel of de kerk, een omgang door het processiepark (de H. Stede), en een picknick werd doorgebracht. Een uitzondering vormt de zondag van Hasselter Aflaat. Het dagprogramma bestond dan uit een plechtige mis, 's middags lof, een massale Sacramentsprocessie over de H. Stede en ter afsluiting een akte van eerherstel aan het H. Hart rondom het grote beeld in het processiepark; de aaneenschakeling van liturgische oefeningen werd onderbroken door de picknick van de pelgrims, tussen mis en lof.
- Individuele bedevaartgangers kwamen vrijwel uitsluitend in de maanden juni, juli en augustus naar Hasselt. Hun herkomst sluit nauw bij die van de groepsbedevaarten aan: geheel Overijssel, Zuid-Friesland, en later de Noordoostpolder. Daarnaast kan worden gewezen op een relatief groot aantal pelgrims uit Utrecht, het Gooi en Amsterdam. Bij de eerste viering van Hasselter aflaat in 1892 waren ca. 1000 bedevaartgangers aanwezig, in 1901 rond de 3000. Het zwaartepunt viel daarbij op de processie, die gewoonlijk ruim 2000 pelgrims trok terwijl de missen slechts door een deel van hen werden bijgewoond. Op grond van de bezoekersregisters kan het jaarlijks aantal pelgrims, groepsbedevaarten incluis, op 4 à 5000 worden geschat. Het maximum lijkt rond 1910 met 5000 te zijn bereikt. Maar veel pelgrims tekenden alleen bij hun eerste bezoek, en voor de lokale bevolking was de drempel tot de H. Stede, midden in het stadje gelegen, heel laag. De in 1899 opgerichte Godvruchtige Vereeniging 'De Heilige Stede' (een substituut voor de door de aartsbisschop geweigerde broederschap), waarvan de administratie en het Doodenboek (tot ca. 1935) bewaard zijn gebleven, toont een breder recruteringsveld dan de bezoekersregisters. Heel het aartsbisdom is erin vertegenwoordigd. Vooral buiten loopafstand van Hasselt (de omgeving met een straal van 20 km) overweegt het aandeel van de vrouwen daarin zeer sterk, terwijl de bedevaart zelf juist overheersend door mannen lijkt te zijn volbracht. Onder de zelateurs(-trices) valt het aantal schippers(-vrouwen) op, evenals hun spreiding langs de grote rivieren. In het Archief van de H. Stede wordt een tiental brieven (1892-1902) met vermelding van gebedsverhoringen, genezingen of andere gunsten bewaard.
- Vanaf 2007 houdt het rooms-katholieke Platform 30plus een bedevaartstocht van Zwolle, via het monument voor Thomas a Kempis aan de Bergkloosterweg, naar Hasselt, teneinde in de H. Stede aan de mis en de sacramentsprocessie deel te nemen. Het is een nieuw signaal van een zekere herleving van het 'voormalige' heiligdom.
Materiële cultuur Devotioneel drukwerk
Devotieprentjes: 1 H. Hart-prentje [uitg. B. Kühlen, Mönchen-Gladbach, nr. 439,5] (10,9 x 7,3 cm; achterzijde door Drukkerij Thomas a Kempis-Vereeniging Zwolle). Voorzijde: Jezus met H. Hart op wereldbol, onderschrift 'Bemind zij overal het H. Hart van Jezus [100 d. afl.]', achterzijde: opschrift 'Heilige Stede' te Hasselt, waaronder opsomming van de aflaten verleend bij pauselijke breve van 10 december 1898, impr. P.H.T. Braam te IJselmuiden, 24 januari 1899; 2 H. Sacrament van Mirakel der H. Stede te Hasselt (10,5 x 62 cm, vouwprentje; Thomas a Kempis Drukkerij J.M.W. Waanders, Zwolle [1910]), voorzijde: monstrans met engelen, waaronder de nieuw ontworpen bedevaartkerk, geïnspireerd op de middeleeuwse kapel, en onderschrift, binnenzijde: historisch overzicht, opgave van aflaten verleend in 1898 en 1906, achterzijde: Bede voor den opbouw en het herstel der 'Heilige Stede' door W. van Nieuwenhoff s.j. impr. P.H.T. Braam te IJselmuiden, 31 maart 1910; 3 Een toevluchtsoord voor ongelukkigen en bedroefden, prentje uitg. ca. 1975 door pastoor J.W.J. Nieuwkamp s.m. (14,4 x9 cm, in drieën gevouwen), voorzijde: interieur kerk, in kleur, met onderschrift, binnen- en achterzijde: geschiedenis van stad, parochie, en H. Stede; aan het slot een eucharistisch gebed, geen opgave van drukker of impr.
Boekjes en liederen: 1 De Heilige Stede te Hasselt. Handboekje ten gebruike der pelgrims behelzende: de feestrede gehouden op Hasselter Aflaat 1892 door B.P. Velthuijsen, kapelaan te Kampen, en eenige gebeden (Zwolle: Stoomdrukkerij der Thomas a Kempisvereeniging, [1893?]; 48+[IV] p.) p. 3-7, inl. door pastoor J.R. van Groeningen; p. 8-35, feestrede; voorts gebeden; ongenummerd toegevoegd, processielied (1893); in de vm. bibliotheek van het Klein-Seminarie Apeldoorn een ex., sign. E 512/10; 2 Smeeklied ter Heilige Stede [tekst W. van Nieuwenhoff s.j., Hasselt, 14 februari 1893; muziek J.A.S. van Schaick] (13,1 x 7,8 cm, dubbelgevouwen; Stoomdrukkerij der Thomas a Kempis-Vereeniging te Zwolle [Waanders]); 3 Processie-lied der Heilige Stede te Hasselt (16,3 x 9,9 cm, plano) [auteur onbekend; muziek J.A.S. van Schaick, 1893]; 4 Bedevaart naar de H. Stede te Hasselt door de leden der St. Joseph-Vereeniging en der Mannen-Congregatie van Zwolle op Zondag, 11 Juli 1897 (22 x 14 cm, plano); 5 Bedevaart naar de H. Stede te Hasselt van Steenwijk, Steenwijkerwold en Omstreken op Woensdag 10 Augs. 1898 (Steenwijk: stoomdr. G. Hovens Gréve, z.j.; 12 p.) gebeden en liederen; 6 lidmaatschapsbewijs: Godvruchtige Vereeniging de H. Stede te Hasselt (149x92 mm, vouwbriefje; impr. P.H.T. Braam te IJselmuiden, 7 januari 1899); 7 gedrukte circulaire van pastoor J.R. van Groeningen, Hasselt, in festo St. Willibrordi [7 nov.] 1899 aan M. [zijn collega-pastoors?] over de oorsprong van het heiligdom (21,2 x 13,9 cm, vouwbrief; 4 p.); 8 Program der Bedevaart Delden-Hasselt 17 Juli 1902 (Stoomdruk Bruggeman & Verhaag, Oldenzaal; 17 x 10,6 cm, vouwbrief); 9 Bidden en zingen op Hasselt's H. Stede (n.i.d.h.; impr. A.C.M. Schaepman te Driebergen, 1 augustus 1909; [IV]+IV+[IV]+II+111 p.) geschiedenis van de H. Stede, aflaten, gebeden van Hasselt's parochianen op de H. Stede, algemene gebeden, smeeklied en processielied van Hasselt, algemene Nederlandse en Latijnse gezangen, gregoriaanse melodieën; 10 Mis- en gezangenboekje voor de processie van het dekenaat Heerenveen naar de H. Stede te Hasselt (z.pl. [na 1933]; 40 p.) in omslag, binnenzijde omslag: geschiedenis van de H. Stede, inhoud: bedevaartslied, eucharistische liederen, votiefmis van het Allerheiligste met gregoriaanse melodieën.
Ansichtkaarten: 1 zonder naam van uitgever: Noodkapel op de voormalige plaats der H. Stede van Hasselt, interieur; ca. 1900?; 2 Voorlopige Kapel op de H. Stede te Hasselt, interieur; ca. 1910? glanzend; 3 uitgegeven door H.J. van der Vecht (Hasselt, druk La Rivière & Voorhoeve, Zwolle, ca. 1910?): de Heilige Stede, buitenaltaar, no. 732; 4 idem, interieur noodkapel, no. 2827, ingekleurd; 5 uitgegeven door Jacob Drupsteen (Hasselt): H. Stede, eredienst op het terrein, ca. 1910?; 6 Eiland met ingang H. Stede, ca. 1900? ingekleurd; 7 uitgegeven door J.M.W. Waanders (Zwolle), ca 1910?: Buiten-Altaar op de H. Stede; 8 Processie op de H. Stede; Vogelvluchtopname van de H. Stede, waarop de Standaard met eucharistische vlag, 1910.

Bronnen en literatuur Archivalia: De meeste middeleeuwse bronnen bevinden zich in het archief van de gemeente Hasselt, waarin ook het in 1587 gedeponeerde archief van de H. Stede zelf wordt bewaard (alleen stichtingsakten, eigendomstitels e.d.). Zie W.J. Formsma, De oude archieven der gemeente Hasselt (Assen 1959), met name de inv. nrs. 336-345 (in nr 337: oude inventarissen van charters en brieven) en 1354-1376 (Archief van de H. Stede). Bijna alle middeleeuwse bronnen zijn integraal uitgegeven door H.W. van Soest, 'Het kerspel van den H. Stephanus te Hasselt en zijne H. Stede', in: Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht, 38 (1912) p. 17-71, 281-402; 39 (1913) p. 398-443; 40 (1914) p. 177-260; 41 (1915) p. 105-160, 202-256; G.A. Meijer, 'Boetevaarten', ibid., 38 (1912) p. 132-137. Zwolle, Rijksarchief in Overijssel: archief van de St. Stephanusparochie te Hasselt, archief en documentatie uit de herstelfase (vanaf 1891). Daarin ook het moderne archief van de H. Stede. Aanvullende documentatie, o.a. over de discussie rond de oorsprongslegende, bevindt zich in de papieren van pastoor J.H. Hofman [RA Utrecht, Collectie Rijsenburg, inv. nr 1080]. Al het in 1970 bekende bronnenmateriaal is verwerkt in de scriptie van W. Frijhoff, 1970 (zie literatuurlijst).
Tekstedities: R.E. Hattink ed., Acta visitationis dioecesis Daventriensis ad Aegidio de Monte factae (Zwolle: Tijl, 1888) p. 124-127, 208-209; J. Reitsman en S.D. van Veen ed., Acta der provinciale en particuliere synoden, dl. 5 (Groningen 1896) p. 297; Arnold Waeyer, 'Noopende het Aerts-Priesterschap van Swolle naer de beroerten deser Neder-landen', G.A. Meijer ed., in: Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht, 45 (1920) p. 1-193; 46 (1921) p. 193-361 [afz. uitg. Utrecht 1921]; aldaar p. 296-297.
Literatuur: J. Lindeborn, Historia sive notitia Episcopatus Daventriensis (Keulen 1670) p. 385, herdr. in H.F. van Heussen, Historia Episcopatuum Foederati Belgii (6 dln. in 1 bd.; Leiden 1719; 2e dr. Antwerpen, 1733) dl. 3, p. 145; Hedendaagsche Historie, of Tegenwoordige Staat van alle volkeren [...] en wel in 't byzonder van Overyssel [door G. Dumbar] (Leiden: Luchtmans, 1803) dl. 4, 1, p. 207-208; F.A. Ebbinge Wubben, 'De Sacramentskapel te Hasselt', in: Overijsselsche Almanak 15 (1850) p. 30-62; idem, 'Stukken uit het Archief der stad Hasselt betreffende de broederschappen des hilighen Sacraments en van de Heilige Maagd Maria te Hasselt', in: Verslagen en mededeelingen van de Vereeniging tot Beoefening van Overijsselsch regt en Geschiedenis 5 (1870) p. 52-59; idem, 'Onderzoek omtrent de Reformatie te Hasselt', ibid., 7 (1872) p. 19-27; A.C.J. van der Kemp, 'De bedevaarten onzer landgenooten', in: Studiën en bijdragen op 't gebied der historische theologie 4/1 (1878) p. 24-25; B.P. Velthuijsen, 'Hasselter aflaat voor en na de Hervorming', in: Nederlandsche katholieke stemmen, 15, nr 23 (4 juni 1893) p. 3-4; B.P. Velthuijsen, 'De Heilige Stede te Hasselt', in: Nieuwe IJselbode, 22 juli 1892; J.R. van Groeningen, 'De Heilige Stede te Hasselt (bij Zwolle)', in: De Tijd, maandag 4 juni 1894, tweede blad, p. 2-3; J.R. van Groeningen, 'De "Heilige Stede" te Hasselt in Overijsel', in: St. Michaels Almanak [Steyl] (1896) k. 175-178; J.R. van der Lans, 'De Heilige Stede van Hasselt', in: Katholieke Illustratie 32 (1898-1899) p. 381-384; B.P. Velthuijsen, 'Het kerspel van de H. Stephanus te Hasselt en zijne H. Stede', in: Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht 26 (1900) p. 1-59; A.C. Bertens, Het H. Hart en zijn Genade-Oorden of de Liefde, het Voorbeeld en de Wonderen van Jezus in zijn H. Sacrament (Cuyk aan de Maas: Jos. J. van Lindert, 1900) p. 169-171; F. Pijper, Middeleeuwsch Christendom. De vereering der H. Hostie. De Godsoordeelen (Den Haag: Nijhoff, 1907) p. 55; H.W. van Soest, 'Het kerspel van den H. Stephanus te Hasselt en zijne H. Stede' (zie de bronnenlijst hierboven); H.W. van Soest, 'Hoe oud is de 'Heilige Stede' van Hasselt?', in: Het Centrum, 10 februari 1912; H.J.M. Pot, 'De heilige Stede te Hasselt', in: Katholieke Illustratie 67 (1933) nr. 52, 27 september 1933; P. Browe, Die eucharistischen Wunder des Mittelalters (Breslau: Müller & Seiffert, 1938) p. 158-159, strafbedevaart 1495; P. van Loon, Het ontstaan der H. Stede te Hasselt: een kritiek op de studie van B.P. Velthuysen (ongepubl. scriptie geschiedenis Nijmegen, o.l.v. R.R. Post, 1947) 50 p. [ex. in Parochiearchief Hasselt]; C.A. Rutgers, Jan van Arkel, bisschop van Utrecht (Groningen: Wolters-Noordhoff, 1970); Willem Frijhoff, Le pèlerinage dans la vie religieuse des Pays-Bas, forme de continuité religieuse: l'exemple du Lieu-Saint de Hasselt (O.) (mémoire de maîtrise, Faculté des Lettres, Université de Paris, o.l.v. Alphonse Dupront, 1970; XII + 336 p., geïll. [ongepubl.; ex. in Zwolle, Rijksarchief in Overijssel: parochiearchief Hasselt en Meertens Instituut]; W. Frijhoff, 'Valeurs et valorisation. Réflexions à propos d'un pèlerinage [Hasselt]', in: Spiritus. Expérience et recherche missionnaires 15. 55 (janvier 1974) p. 75-89; W. Frijhoff, 'De Heilige Stede van Hasselt (Ov.). Gestalte, waarden en functies van een herleefde bedevaart in een diaspora-parochie', in: Jaarboek van het Katholiek Documentatie Centrum 7 (1977) p. 14-54 [ook in: Archief voor de geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland 20.1 (1978) p. 31-71]; W. Frijhoff, 'Geloofsleven, politiek en maatschappij. Hypothesen over de middeleeuwse oorsprong van de Heilige Stede van Hasselt (Ov).', in: Volkskundig bulletin 6.1 (juni 1980) p. 1-25, geïll.; W. Frijhoff, 'De Heilige Stede', in: Freek Pereboom, Roel Bosch & J.J.P. Boezeman ed., Uit de geschiedenis van Hasselt (Kampen: IJsselakademie, 1982) p. 17-30; W. Frijhoff, 'Ritual acting and city history: Haarlem, Amsterdam and Hasselt', in: Heidi de Mare & Anna Vos ed., Urban rituals in Italy and the Netherlands. Historical contrasts in the use of public space, architecture and the urban environment (Assen: Van Gorcum, 1993) p. 93-106, geïll.; J.J. van Moolenbroek, 'Caesarius van Heisterbach op reis in Friesland en Groningen', in: Tijdschrift voor geschiedenis 98 (1985) p. 513-539, vooral p. 532-537 (oorsprongslegende); 'De Heilige Stede', in: Devotionalia 41 (1988) p. 142-145; Ben Wasser, 'Hasselt. Heilig Sacrament van Mirakel aan het Zwartewater', in: idem, Pelgrimages. Bedevaartplaatsen van de westerse christenheid (Nijmegen: SUN, 1993) p. 126-130; [Hanny Becker], 'De Heilige Stede, toevluchtsoord voor ongelukkigen en bedroefden', in: Hasselt Historiael 10, nr 4 (1993) p. 21-23; 11, nr. 3 (1994) p. 17 - 22, geïll.; H.J.E. van Beuningen en A.M. Koldeweij, Heilig en profaan. 1000 laatmiddeleeuwse insignes uit de collectie H.J.E. van Beuningen (Cothen: Stichting Middeleeuwse Religieuze en Profane Insignes, 1993) p. 144, afb. 125; D. Westerhof en P.C.M. Rademaker. De heilige Stede en haar oorsprong. Deel I. In: Hasselt historiael 16:3 (1999) 10-14; 'De Heilige Stede in Hasselt. Een bedevaart van herinnering en herstel', in: RKKerk.nl 8, 10 (25 juni 2010) p. 27.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Hasselt; Meertens Instituut volkskundige vragenlijst nr. 33 (1967), 64b (1993); De middeleeuwse bedevaartkapel met torentje is afgebeeld op Jacob van Deventers plattegrond van Hasselt (ca. 1550), alsmede op een ets met panorama van Hasselt uit 1559. Op de plattegrond van Hasselt in Joan Blaeu, Toonneel der Steden van de Vereenighde Nederlanden (Amsterdam, 1649) staat de H. Stede aangegeven als een onbebouwde plek; Televisiedocumentaire in de uitzending Van Gewest tot Gewest (onder redactie van Thijs Zijda) van 12 januari 1983, te raadplegen bij Stichting Avac, Hilversum.
  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<