Haastrecht, O.L. Vrouw van Foy (ter Weghe/ van Haastrecht)

Cultusobject: O.L. Vrouw van Foy (ter Weghe/ van Haastrecht)
Datum: 18 oktober
Periode: 1647 - heden.
Locatie: Parochiekerk van St. Barnabas
Adres: Grote Haven 10, 2851BM Haastrecht
Gemeente: Vlist
Provincie: Zuid-Holland
Bisdom: Rotterdam
Samenvatting: De verering van Maria ter Weghe te Haastrecht richt zich op een Mariabeeld dat in 1647 naar Haastrecht werd overgebracht en dat een kopie is van het te Foy bij Dinant (B) in een eik gevonden wonderdadige beeldje. Aan de bevordering van de cultus hebben de jezuïeten, die de statie Haastrecht bedienden, een werkzaam aandeel gehad. Ook aan het beeldje te Haastrecht werden al in de 17e eeuw wonderen toegeschreven en vanuit de omgeving ondernam men bedevaarten naar Haastrecht. Over de devotie in de 18e eeuw is niet veel bekend, maar in de 19e eeuw bestond zij nog, zij het waarschijnlijk op bescheiden en individuele schaal. Vanaf de Eerste Wereldoorlog is de cultus weer opgebloeid. Het Mariabeeldje (sinds 1962 een kopie) wordt soms voor een beperkte tijd aan zieken uitgeleend, is dus 'ter Weghe'. Inmiddels heeft de devotie ook officiële kerkelijke erkenning gekregen met een feestdag op 18 oktober.
Website van de parochie met informatie over Maria ter Weghe: www.parochiedeblijdeboodschap.nl
Auteur: Koen Goudriaan
Illustraties:
Topografie - Vanaf 1641 was de statie Haastrecht gevestigd in een huis dat een pater jezuïet huurde van een particulier, Jacob Leendertsz. Volgens de hofraad Sebastiaan Francken, die het huis in 1643 inspecteerde, was het geschikt om enkele priesters en een aantal kloppen te huisvesten, terwijl de zolderruimte ingericht was als schuilkerk met verplaatsbaar kerkmeubilair. Vermoedelijk stond dit huis aan de Hoogstraat.
Waarschijnlijk is het beeld van O.L. Vrouw van Foy na aankomst in 1647 eerst neergezet in de schuilkerk in het huis van Jacob Leendertsz. Vanaf 1648 spreken de bronnen echter van een 'sacellum' (een kapel) of een 'sacellum domesticum' (huiskapel); wat later heet het ook een 'oratorium' (bedehuis). Op de achterzijde van de oorkonde die het eerste aan Maria van Haastrecht toegeschreven wonder registreerde stond te lezen dat dit wonder geschied was 'per imaginem sacelli hujus' (door het beeld van deze kapel). De kapel was een bouwsel naast het al genoemde woonhuis. Het staat wel vast dat het hier al gaat om de kapel in de Hoogstraat (naast herberg 'De Keijser'), waarin het Mariabeeld tot 1877 werd bewaard.
- Toen de kapel te klein werd, ging men onder pater Jacobus Claerens in 1682 over tot de bouw van een kerk van het type schuurkerk. Deze kerk stond aan de benedenloop van de Vlist, vrijwel op de plaats van de huidige Barnabaskerk. Dit gebouw werd het nieuwe centrum van de statie, maar het Mariabeeld werd er niet naar overgebracht. Omdat de schuurkerk veel van vocht te lijden had, overwoog men omstreeks 1820 het gebouw af te breken en door een nieuw te vervangen. Tot die vervanging is het toen echter niet gekomen, maar wel werd omstreeks deze tijd de kapel in de Hoogstraat gerestaureerd en bouwde men naast de kapel een nieuwe pastorie.
- Pas in de jaren 1851-1854 werd de schuurkerk vervangen door het kerkgebouw dat nu nog dienst doet. Het werd ontworpen door architect D. van Vogelpoel in neoclassicistische stijl en is in 1855 geconsacreerd.
Intussen was men met de bouwkundige toestand van de kapel in de Hoogstraat niet zeer tevreden. In 1861 noemde het kerkbestuur het een 'akelig' kapelletje, een koestal. In 1870/1871 ging men opnieuw over tot herstelwerkzaamheden, tegelijk met een restauratie van de pastorie in de Hoogstraat. Het was echter de wens van het kerkbestuur dat de pastoor bij de Barnabaskerk aan de Grote Haven zou komen te wonen. In 1877 waren de financiën van de kerk zodanig dat de nieuwe pastorie kon worden gebouwd. Toen stootte men de oude pastorie en de kapel in de Hoogstraat af. Bij de veiling van de twee gebouwen lieten de katholieken merkwaardigerwijs verstek gaan. Op 21 september 1877 werd het beeld van O.L. Vrouw naar de Barnabaskerk overgebracht.
- Dit kerkgebouw herbergt het miraculeuze beeld tot op heden (sinds 1962 een kopie). Sinds de bouw in 1854 zijn overigens aan de Barnabaskerk nog herhaaldelijk wijzigingen aangebracht: versterking van de verkapping in 1887, een grondige renovatie in 1950 met versteviging van de fundamenten en opnieuw een restauratie in 1966. Bij deze verbouwingen onderging het interieur bovendien ingrijpende versoberingen. In 2016 moest de kerk grondig restaureert worden, teneinde het heiligdom in stand te kunnen houden.
- Sinds de komst naar Haastrecht heeft het Mariabeeld dus de volgende drie onderkomens gehad: kortstondig het huis van Jacob Leendertsz, daarna bijna tweeënhalve eeuw de kapel aan de Hoogstraat, sinds 1877 de huidige parochiekerk.
Cultusobject - In 1609 was te Foy, een plaatsje op de pelgrimsweg naar O.L. Vrouw van Dinant, een dikke eik gekapt. Toen men deze tot blokken wilde verhakken, vond men binnenin een hoeveelheid kleine steentjes en een pijpaarden Mariabeeldje, neergezet achter een tralie van drie staven. Eeuwen tevoren moet dit beeldje in een holte van de eik zijn gezet, als een wegwijzer naar het pelgrimsoord te Dinant, waarna het door de boom was omgroeid. Van de dorpsbewoners kon niemand zich nog herinneren dat dit beeldje bestond. Aanvankelijk werd het beeldje op bevel van de heer van het bos, de heer van Celles, geplaatst in een eik naast de boom waarin het was gevonden. Maar weldra gebeurden er wonderen, waarna de toeloop van pelgrims groeide, zodat men een aparte kapel liet bouwen. De belangrijkste ijveraars voor de devotie tot O.L. Vrouw van Foy waren de jezuïeten, die in Dinant een college hadden. Zij lieten uit het hout van de eik waarin het beeldje oorspronkelijk was gevonden en van de eik waarin het daarna was geplaatst, getrouwe kopieën van het pijpaarden beeldje vervaardigen en zonden deze naar alle windstreken. Het Haastrechtse exemplaar werd door Florentius de Montmorency in 1647 vanuit Douai, waar de jezuïeten eveneens een college bezaten, naar het plaatsje aan de Hollandse IJssel.
- Andere kopieën van het beeld van O.L. Vrouw van Foy werden vereerd te ⟶ Oudewater, ⟶ Rotterdam, ⟶ Breda en ⟶ Maastricht.
- Het eikenhouten Mariabeeldje was ongeveer 22 cm hoog: Maria, gesluierd, draagt het kind Jezus op haar rechterarm en houdt met haar linkerarm zijn voetje vast. Het kindje rust met de linkerhand op de hals van Maria en houdt een appel in de andere hand. Na diefstal in 1962 is het vervangen door een houten kopie.
- Na de komst uit Douai werd het beeldje, misschien na een kort intermezzo in het op naam van Jacob Leendertsz staande huis, in de kapel aan de Hoogstraat opgesteld, waar het tot 1877 is gebleven. Over de manier waarop het beeld vanouds in de kapel was geïnstalleerd is geen bericht bewaard. Pas in 1854, ten tijde van de ingebruikneming van de huidige Barnabaskerk, vernemen we hierover meer. Er kwamen toen verschillende giften voor het beeld binnen: een zilveren kroon en een scepter, een nieuwe stenen troon, en geld bestemd voor het beschilderen van beeld en troon. In datzelfde jaar blijkt ook dat er zilveren plaatjes (ex-voto's) aan het beeld waren bevestigd.
Op 21 september 1877 bracht men, na de verkoop van de kapel en de ernaast gelegen oude pastorie, het beeldje over naar de nieuwe Barnabaskerk aan de Grote Haven. Daar werd het in 1881 op het Mariaaltaar geplaatst, dat zich links voor in de kerk bevindt.
- In 1912 liet pastoor Van Heeswijk door de edelsmid Jan Brom te Utrecht voor ⨍1000,- een koperen troon vervaardigen. Omdat het beeldje nu vaak uithuizig was, werd een lederen koffertje vervaardigd om het te vervoeren. Het koffertje had een raampje zodat men Moeder en Kind erdoorheen kon zien en droeg als opschrift 'Hulp der christenen'. Als het Mariabeeld was uitgeleend, diende een foto in een zilveren lijst ter vervanging.
In de jaren van de Eerste Wereldoorlog maakte de devotie tot Maria van Haastrecht een hausse door, zodat vele gaven van gelovigen werden ontvangen. Pastoor Waterreus vermeldt ex-voto's in goud, zilver, juwelen en brokaat. Achter het miraculeuze beeldje stond in deze tijd op het altaar nog een groot beeld van O.L. Vrouw, voorzien van een kostbaar hoofdsieraad en een gouden ketting met medaillon. De uitgestalde rijkdommen trokken echter ook vandalen aan: op 24 februari 1916 werd de troon van het wonderdadige Mariabeeldje in elkaar getrapt en het hoofdsieraad en de ketting van het grote Mariabeeld geroofd. Maar binnen enkele dagen maakten gaven van de gelovigen het mogelijk dat Maria van een nieuwe troon werd voorzien.
- Tijdens de Tweede Wereldoorlog wist pastoor Clarijs medeneming van de koperen kronen van Maria naar Duitsland te voorkomen. Ter gelegenheid van het eeuwfeest van de kerkwijding in 1955 werd het Maria-altaar vernieuwd. De kunstenaar P. Biesiot kreeg opdracht tot de vervaardiging van een houtreliëf dat de ontstaansgeschiedenis van de devotie tot Maria van Haastrecht verbeeldt. Het reliëf stelt de eik van Foy voor in de vorm van een opengewerkte boomstronk met een vergrote versie van het daarin gevonden beeldje. Tevens zijn de kerken van Foy en van Haastrecht afgebeeld, de beide gemeentewapens en een hoek van het stadhuis van Gouda, dit laatste ter herinnering aan het eerste wonder dat zich op enkele meters van dat stadhuis had afgespeeld. Ook een inscriptie, links beneden, verwijst hiernaar. Het Mariabeeld zelf werd geplaatst onder een zilveren baldakijn voor het reliëf. Een uitvergroting van de oorkonde van de Romeinse kroning als Maria Viatrix, die eveneens plaats vond in 1955, is onder het houtreliëf aangebracht.
- De opstelling van het beeld anno 1996 is nog die van 1955. De versobering van het interieur van de kerk, die vooral bij de restauratie van 1966 zijn beslag kreeg - bij die gelegenheid werden veel beelden op zolder gezet - liet Maria van Haastrecht onverlet. Intussen is die versobering gedeeltelijk weer teruggedraaid. In 1980 werden een rijk bewerkt 19e-eeuws hoofdaltaar, afkomstig uit de St. Bonifatiuskerk te Dordrecht, en een uit 1859 daterende preekstoel, vervaardigd door G. Lucius uit Den Bosch en afkomstig uit de kerk van de H. Nicolaas Pieck en gezellen te Gorinchem, in de kerk geplaatst. De schilderijstaties die in 1966 waren verwijderd, kregen in 1980 opvolgers in de vorm van een reeks kruiswegstaties in reliëf, afkomstig uit Noord-Frankrijk.
- Het Mariabeeld dat onder het baldakijn tegen de achtergrond van het houtreliëf prijkt, is niet meer het originele beeldje van 1647. Dat werd in 1962 gestolen en is nooit meer teruggevonden. Men verving het toen eerst door een foto, maar men kocht later een kopie in Foy. Ook dit Mariabeeld is vaak 'ter Weghe': in dat geval neemt een foto zijn plaats in. Men houdt tegenwoordig op 18 oktober lichtprocessies door de kerk. Bij die gelegenheid draagt men niet het 'echte' beeldje van Maria ter Weghe om - dat is door de bloemenzee rondom het Maria-altaar dan nauwelijks bereikbaar - maar een replica, die zich normaliter in de pastorie bevindt.
Verering De jezuiëten in Haastrecht
- De komst van het beeld van O.L. Vrouw van Foy naar Haastrecht speelde zich af tegen de achtergrond van twist tussen de jezuïeten en de seculieren om de statie Haastrecht. Na de reformatie werden de katholieken van Haastrecht en omgeving hoofdzakelijk bediend door jezuïeten, eerst door die te Gouda (Petrus Maillard was één van hen), later vanuit Oudewater. In 1636 werd, met het oog op de bediening te Haastrecht, Johannes Dobbius toegevoegd aan Lodewijk Sothieu te Oudewater. Deze vestigde zich al in 1637 enige tijd te Haastrecht, maar eind 1641 betrok hij er definitief een huis en vierde daar ook de mis. Dit leidde in 1642 tot verzet bij apostolisch vicaris Rovenius en de seculieren, die klaagden dat de jezuïeten zich Haastrecht hadden toegeëigend. De Societas Jesu antwoordde daarop dat jezuïeten deze statie vanaf het begin hadden bediend. Nadat Dobbius eind 1642 was overleden, bleven er dan ook jezuïeten naar Haastrecht komen, al was hun positie voorlopig nog precair. De pater die O.L. Vrouw van Foy zou introduceren was Nicolaas de Jonge, die in het voorjaar van 1643 in Haastrecht arriveerde. Vanaf 1646 werd zijn positie betwist door de seculiere priester Nicolaas van Erckel, die ook naar Haastrecht werd gezonden maar er geen voet aan de grond kreeg.
- In 1647 zond Florentius de Montmorency, oudprovinciaal en visitator van de Vlaamse provincie der jezuïeten, namens de toenmalige provinciaal De Waal van Vronesteyn een Mariabeeld, gemaakt van de eerste eik van Foy, vanuit Douai naar Haastrecht. Wie tot deze zending het initiatief heeft genomen, en met welk motief, is niet duidelijk. Dat het de bedoeling kan zijn geweest aan Haastrecht, dat al in de middeleeuwen bedevaartoord was geweest, deze status terug te geven blijkt niet uit de bronnen. Wel kan men vermoeden dat de jezuïeten, die vanuit hun college te Dinant de belangrijkste verbreiders van de cultus van O.L. Vrouw van Foy waren, de bedoeling hebben gehad hun aanspraak op Haastrecht te versterken.

De genezing van Geertrui Bik
- Krachtige steun ontving de nieuwe devotie aanvankelijk in het bijzonder vanuit Gouda. Het eerste wonder dat aan de Haastrechtse Maria wordt toegeschreven betreft de genezing van een 33-jarige verlamde vrouw te Gouda, genaamd Geertrui Bik. De vrouw, die al vanaf haar derde jaar ziekelijk was, kreeg door een ongeluk toen ze zeventien jaar was een aandoening aan haar rechterzijde. Vanaf 14 februari 1647 was ze aan die zijde zelfs geheel verlamd, zodat ze haar been niet bewegen kon. Maar op Lucasdag van dat jaar (18 oktober) genas Geertrui binnen een uur geheel. Nadat ze 's morgens had gebiecht en de hostie genuttigd, viel ze in een diepe slaap. In die slaap legde haar dienstbode het beeld van Maria van Foy tegen haar rechterzij. Toen ze weer wakker werd was ze genezen. De volgende dag liet Geertrui het gebeurde optekenen. Weer een dag later bekrachtigden zes getuigen het document met hun handtekening.
Geertrui Bik was een godgewijde, een klopje. Samen met haar zuster Elisabeth, eveneens een klopje en één van de in het document genoemde getuigen, bewoonde ze een huis in de Wijdstraat in Gouda (huis 'De Vier Heemskinderen', tegenwoordig Wijdstraat 2) waarvan de bovenverdieping als schuilkerk dienst deed: de eerste gang van Geertrui na haar genezing was de 34 treden op naar deze bidplaats. Geertrui en haar zuster, dochters van de lakenkoopman Gerrit Gerritsz Bik, behoorden tot een vooraanstaande katholieke familie, die in het bijzonder met de jezuïeten goede relaties onderhield.
Van de overige getuigen van de oorkonde van 1647 kunnen we er nog vier thuisbrengen: Gijsbert Jansz Roloos (een oom van Geertrui Bik), Emerentia Verwerff, een klopje met wie de zusters Bik nauwe betrekkingen onderhielden; Egbertina Lodewijks, de al genoemde dienstbode; en pater Nicolaas de Jonge. De rol van deze laatste in het geheel was opmerkelijk. Het stuk vermeldt, dat Geertrui Bik om het beeld van Maria van Foy gevraagd had aan haar biechtvader, bij wie het berustte. Vermoedelijk was De Jonge zelf dus haar biechtvader, maar dat roept wel de vraag op waarom deze rol niet was toebedeeld aan de te Gouda gestationeerde jezuïeten. Ook krijgt men de indruk dat het beeldje op dat moment te Gouda verbleef. Was het nog op doorreis vanuit Douai?

Wonderen en bedevaarten in de 17e eeuw
- In de decennia die volgden werden enkele tientallen wonderen van O.L. Vrouw van Foy opgetekend. Zij deden zich in de grootste frequentie voor in de jaren waarin pater Nicolaas de Jonge de statie bediende (hij overleed in 1665). Een kleinere reeks van wonderen werd opgetekend tijdens het pastoraat van Jacobus Claerens (1673-1691). De jaren ertussen worden gekenmerkt door frequente wisseling van de bediening van de statie Haastrecht en vooral door strijd tussen regulieren en seculieren.
- Onder de wonderen die O.L. Vrouw van Haastrecht deed, namen de genezingsmirakelen, waaronder de hulp aan kraamvrouwen en de genezing van epilepsie, een opvallende plaats in. Een genezing van laatstgenoemde aard vond plaats nadat de predikant een exorcisme had geweigerd (1650). Daarnaast en niet zelden als gevolg van deze genezingen bracht zij vooral in de eerste jaren vele bekeringen op haar naam, zowel van protestanten die tot het katholieke geloof overgingen (éénmaal zelfs van twee belijdende lidmaten) als van katholieken die van hun geloof nog weinig ernst hadden gemaakt. Unieke wonderen betreffen het tot rust brengen van een razende stier, de reiniging van een koestal waarin de koeien alleen bedorven melk gaven, de genezing van runderen met behulp van gewijd water, de bewaring van een slordige Haastrechtenaar voor al te grote schade bij een inbraak, het mild stemmen van een baljuw die de katholieken vijandig gezind was en de snelle bevrijding van de Krimpenerwaard van wateroverlast na een dijkdoorbraak van de Lek. Af en toe is Maria van Haastrecht ook al in de 17e eeuw 'ter Weghe' geweest: zo althans zou men een niet-verifiëerbare mededeling over hulp aan een kraamvrouw te Oudewater kunnen opvatten. Ook de reiniging van de koestal gebeurde door aanraking met het beeldje, hetgeen verplaatsing impliceert. Bij sommige wonderen kreeg Maria van Haastrecht overigens hulp van relieken van St. Ignatius. Vaker zien we dat het wonder zich voltrekt hetzij na het doen van een gelofte aan Maria, hetzij door aanraking van het beeld in de kapel. Soms werd hierbij vermeld dat de begunstigde eerst gebiecht en gecommuniceerd had. Het staat vast dat Maria van Haastrecht in deze jaren als doel van pelgrimage een regionale aantrekkingskracht had: niet alleen van binnen het toch al uitgebreide ressort van de statie Haastrecht, maar ook van daarbuiten kwam men haar hulp zoeken: Gouda, Schoonhoven, Oudewater, Bodegraven en Kamerik worden genoemd.

De verering in de 18e en 19e eeuw
- Hoe het de devotie tot O.L. Vrouw van Haastrecht in de 18e eeuw verging is bij gebrek aan bronnen onbekend. Ook over de eerste helft van de 19e eeuw zijn slechts weinig gegevens bewaard, een aanwijzing dat de cultus, gesteld dat ze op dat moment nog voortduurde, toch van de kerkelijke leiding weinig aandacht kreeg. Een ongedateerde lijst van kerkelijke juwelen uit omstreeks 1800 vermeldt als inventaris van de kapel behalve een kelk en een pateen ook twee zilveren bussen 'om bij de sieke te gaan', maar dat bewijst nog niet dat men toen het Mariabeeldje bij de zieken bracht. Kasboeken van de kerkmeesters uit deze periode vermelden geen bijzondere inkomsten in verband met de Mariadevotie.
- Dit wordt anders in 1854, ten tijde van de herbouw van de kerk aan de Haven: behalve de al eerder genoemde zilveren kroon, scepter en stenen troon werden er ook geldbedragen gegeven, in de maand oktober alleen al 59 gulden. In 1861 ontving de kapel een klein ijzeren tabernakel ten geschenke. Aan het Mariabeeld waren in deze periode ex-voto's bevestigd. Dat is een indirect bewijs dat men aan Maria toen genezingen toeschreef; opgetekend werden deze echter niet.
Andere gegevens uit de tweede helft van de 19e eeuw sluiten goed aan bij de katholieke herleving na het herstel van de kerkelijke hiërarchie. In 1876 bezocht Schaepman de parochie Haastrecht en haar O.L. Vrouw. In dezelfde periode werden verschillende Mariabroederschappen opgericht: die van Maria Bijstand in 1863, die van de Levende Rozenkrans in 1873 en die van de Allerheiligste Rozenkrans in 1884. Toch is het nog maar de vraag of de devotie tot O.L. Vrouw van Foy, na de kortstondige opleving circa 1854, bleef bloeien.

Opbloei in de 20e eeuw
- In de 20e eeuw daarentegen maakte de belangstelling voor O.L. Vrouw van Haastrecht een buitengewone opleving door. De devotie was het sterkst gedurende de beide wereldoorlogen. Maar ook tijdens het interbellum en in de jaren vijftig van de 20e eeuw stond O.L. Vrouw van Haastrecht in het middelpunt van de aandacht. En na een periode van verflauwing in de jaren zestig en zeventig is vanaf omstreeks 1980 de devotie opnieuw opgebloeid. In de 20e eeuw zijn opnieuw wonderen opgetekend die aan O.L. Vrouw van Haastrecht worden toegeschreven; bedevaarten, zowel individueel als collectief, kwamen op gang; het Mariabeeld zelf werd vele malen uitgeleend om zieken op hun eigen adres bij te staan: Maria 'ter Weghe'. Ook van officiëel-kerkelijke zijde vond de Haastrechtse Mariacultus erkenning.
- De eerste tekenen van deze opleving dienden zich aan onder pastoor J. van Heeswijk (1910-1915). Deze liet in 1911 twee bezoekende redemptoristen aan zijn parochianen de geschiedenis van het Mariabeeld verhalen. Pater Kronenburg, ook een redemptorist, meldde in datzelfde jaar dat de Haastrechtenaren het beeldje bij zich thuis lieten bezorgen. In deze jaren werd dan ook een leren foedraal voor het Mariabeeld gemaakt. Toen Van Heeswijks opvolger, pastoor Waterreus, op 30 april 1915 zijn ambt aanvaardde, duurde het drie maanden voordat hij het beeld, dat weer eens 'ter weghe' was, te zien kreeg. Van Heeswijk zorgde voor de vervaardiging van een koperen troontje en herstelde de feestdag van 18 oktober in ere: voortaan werd deze met een processie gevierd waarbij kinderen het beeldje op een baar meevoerden. Het is overigens de vraag hoeveel Van Heeswijk zelf voor deze devotie voelde: de door hem bijgehouden pagina's in het 'Registrum Memoriale' getuigen van zijn levendige interesse in het wel en wee van het dorp Haastrecht, maar maken nooit melding van voorvallen die met het Mariabeeld samenhingen. De cultus lijkt eerder te zijn uitgegaan van het gelovige volk van Haastrecht.
- De eigenlijke organisator van de Haastrechtse Mariadevotie werd pastoor A. Waterreus (1915-1939). Waterreus stond in nauw contact met de Goudse kapelaan B. de Jong, die in 1916 in de Nieuwe Zuidhollander, het katholieke blad voor Gouda en omstreken, een reeks artikelen over de geschiedenis van de Haastrechtse O.L. Vrouw plaatste. Waterreus vulde de reeks aan met twee bijdragen over de eigentijdse verering. Daarin deed hij mededelingen over de cultusgebruiken die toen in zwang waren: verering van het Mariabeeld met licht en bloemen, schenking van ex-voto's, gezamenlijk bidden van de Rozenkrans en zingen van Marialiederen op de zaterdagavond. Hij deelde ook enkele wonderen mee (twee genezingen, waaronder die van een kind, en de voorkoming van een ontijdige bevalling). Bovendien stelde hij regels op om de uitlening van het beeldje onder controle te krijgen: de uitleentermijn wordt beperkt tot negen dagen (een noveen); in die tijd gaan de familieleden van de zieke zo vaak mogelijk te communie; het beeldje mocht Haastrecht niet verlaten, behalve op uitdrukkelijk schriftelijk verzoek van de geestelijken te Gouda en dan nog voor ten hoogste drie dagen.
Waterreus spande zich ook bijzonder in om voor de Haastrechtse Mariadevotie kerkelijke goedkeuring te krijgen, met gedeeltelijk succes. Eind 1926 verkreeg hij pauselijke erkenning van het miraculeuze karakter van het beeld met het verlof voor de tijd van tien jaar om telkens op 18 oktober een votiefmis voor Maria op te dragen. Zijn verzoek had hij mede gemotiveerd met het feit dat het Mariabeeld vaak door de Haastrechtenaren thuis werd gevraagd. Het verlof tot de votiefmis werd in 1937 met tien jaar verlengd.
Hiermee was Waterreus echter niet tevreden: in 1933 ondernam hij ook een poging om het patrocinium van de parochie Haastrecht te wijzigen en 18 oktober tot het patroonsfeest te maken. In de middeleeuwen had Haastrecht Maria Lichtmis (2 februari) als patroonsfeest maar - aldus Waterreus - tussen 1700 en 1800 was de viering van Maria Lichtmis geheel in onbruik geraakt. Hijzelf probeerde aan dit kerkelijk feest weer glans te geven door op die dag het Mariabeeldje te kronen en in processie rond te dragen. Intussen had de parochie St. Barnabas als patroon - deze was ook voor de reformatie al een van de patronen van Haastrecht geweest, gezien het feit dat toen de kermis en de paardenmarkt op Barnabasdag (11 juni) gehouden werden. Maar Waterreus wilde graag O.L. Vrouw van Haastrecht tot patrones laten verheffen. Bisschop Aengenendt van Haarlem was geïnteresseerd en bezocht Haastrecht, maar van inwilliging van dit verzoek is het toch niet gekomen. In Rome wilde men niet toestemmen, omdat de verering van O.L. Vrouw van Haastrecht slechts lokaal was en niet algemeen verbreid.
- Pastoor Waterreus adstrueerde zijn verzoek tot wijziging van het patrocinium met mededelingen omtrent de krachtdadige werking van het Haastrechtse Mariabeeld. In 1932 zou hij niet minder dan 65 verzoeken uit het gehele land om toezending hebben verkregen. Hij tekent opnieuw enkele wonderen op: een aantal zware bevallingen die goed waren afgelopen, de genezing - 10 jaar eerder - van een kerkorganist wiens arm verlamd was geweest maar die sindsdien weer speelde, en de genezing van een aspirantpriesterstudent die vanwege zijn epilepsie niet voor de studie was aangenomen.
- Dat de bekendheid van O.L. Vrouw van Haastrecht de lokale begrenzing intussen was te boven gegaan, blijkt ook uit de herleving van de bedevaartpraktijk. Wanneer precies de eerste bedevaarten weer werden gehouden is niet meer na te gaan. In 1939, het laatste jaar van het pastoraat van Waterreus, was er een groepsbedevaart van vrouwelijke Mariacongregationisten uit Hillegom. Deze groep moest het het jaar daarop vanwege de oorlog wel laten afweten, maar voor het overige stonden de bedevaarten ook tijdens de Tweede Wereldoorlog niet stil. In ieder geval meldde zich enkele malen een groep uit Rotterdam; daarnaast waren er ook individuele bezoekers, die soms hun sporen nalieten in de vorm van een briefkaartje. Eveneens tijdens de oorlog werkte Pastoor Th. Bont, die Waterreus was opgevolgd, mee aan een initiatief van de O.L. Vrouw-ter-Noodstichting te Heiloo om zoveel mogelijk bedevaarten naar Mariaheiligdommen te bevorderen. Ook verzoeken om toezending van het beeldje bleven in deze jaren toestromen: uit Leiden en Alphen aan den Rijn, uit Utrecht, maar ook uit Aerdenhout en zelfs uit Groesbeek. Het verzoek uit Aerdenhout ging vergezeld van de melding van een wonder dat daar eerder dankzij de Haastrechtse Madonna had plaatsgevonden. Ook van kerkelijke zijde werd aan de bevordering van de devotie tot de Haastrechtse Maria meegewerkt: op 21 juni 1943 verleende mgr. Huibers, bisschop van Haarlem, een aflaat van 100 dagen voor het bidden van een noveengebed waarvan de tekst bij die gelegenheid werd vastgesteld.
- Ook na de oorlog behield de verering van O.L. Vrouw van Haastrecht nog enige jaren haar intensiteit. De pelgrimages werden voortgezet: in het Mariale jaar 1954 bezochten zo'n dertig groepen O.L.Vrouw van Haastrecht, meestal scholen en congregaties, vaak van dichtbij (Zuid-Holland), maar ook van verder weg (Noord-Brabant). 's Morgens vierden zij dan de eucharistie, 's middags was er gewoonlijk lof met processie. In 1947 werd het derde eeuwfeest luisterrijk gevierd, waarbij o.a. een spel in drie acten 'Virgo Foyensis' werd opgevoerd. Een laatste hoogtepunt was het jaar 1955. Eerst werd in dat jaar het eeuwfeest van de kerkwijding van 1855 gevierd: bij die gelegenheid werd het reeds besproken nieuwe Maria-altaar met het reliëf van Biesiot in gebruik genomen. Later in dat jaar, op 12 november, werd aan O.L. Vrouw van Haastrecht de Romeinse kroning verleend. Namens het Vaticaans kapittel werd deze kroning verricht door mgr. Huibers. Hiermee werd tot uitdrukking gebracht dat de Haastrechtse Mariaverering als oud en authentiek mocht gelden. De Haastrechtse Maria ontving bij deze gelegenheid de naam Maria Viatrix, een Latijnse weergave van de volkstalige benaming 'Maria ter Weghe' die in de voorafgaande decennia was opgekomen. Deze laatste benaming wordt nu voortaan ook als de officiële gehanteerd.
- Daarna werd het voorlopig stil rondom Maria ter Weghe - afgezien van de geruchtmakende diefstal van het beeldje op 2 mei 1962. Pas onder pastoor J.A.A.M. Wierts (aangetreden in 1975) werd de Mariacultus nieuw leven ingeblazen. De feestdag op 18 oktober (de dag van de miraculeuze genezing van Geertrui Bik) werd met een plechtige mis gevierd. In de Mariamaand mei was het altaar weer met bloemen versierd (pastoor Wierts kleedde de kerk ook opnieuw aan met beelden en kruiswegstaties, nadat eerder een ingrijpende versobering was doorgevoerd: zie hierboven). In mei arriveerde dan tevens een groepsbedevaart uit Delft, ter gelegenheid waarvan bijzondere missen werden gedaan.
- Deze nieuwe bloeiperiode van de Haastrechtse Mariacultus duurde anno 1996 nog voort. De 18e oktober werd gevierd met een plechtige eucharistie en met een lichtprocessie door de kinderen; daarin werd een replica van het Mariabeeld rondgedragen. Bij die gelegenheid was de kerk vol. Op die dag, maar ook op andere data in het jaar, komen er pelgrims, meestal individueel, soms groepsgewijs (bijvoorbeeld een groep Surinamers, de Invalidenbond enz.). Het Mariabeeld wordt regelmatig aan zieken gezonden. Van tijd tot tijd worden ook nog wonderen gemeld, al worden ze niet systematisch opgetekend. Ex-voto's in de vorm van kostbaarheden zijn er niet meer: ze zijn in het verleden gebruikt voor de aanschaf van de altaaraankleding van 1955 en voor kelken en dergelijke.
- De bid- en liturgische teksten die op O.L. Vrouw van Haastrecht betrekking hebben zijn de volgende: een 'Gebed tot Maria ter Weghe', het lied 'Laat ons voor Maria zingen'; het novenengebed uit 1943 (met enkele aanpassingen in verband met het voorbijgaan van de oorlog en de officiële naamswijziging in Maria-ter-Weghe), een tweede lied 'Laten wij Maria eren', een gebedstekst van de hand van Phil Bosmans; een Eucharistieviering op het feest van Onze Lieve Vrouw van Haastrecht / Maria ter Weghe (daarin het gebed en de twee liederen); een Feestelijk Lof voor Maria ter Weghe (met gebed en eerste lied).
Voor de bezoeker zijn ter beschikking: informatiefolders over de Barnabaskerk en over Maria ter Weghe, bidprentjes, ansichtkaarten en replica's van het beeldje.
- Op 18 oktober 2009 werd samen met de bisschop Van Luyn het jubileum van 400 jaar Maria ter Weghe in de St. Barnabaskerk gevierd. In processie werd het beeld in de kerk rondgedragen door Schoonhovense bruidjes die gewoon waren daar de processie bij de Lourdesgrot mee uit te voeren. De viering was speciaal gericht op jongeren en ook een groep uit Delft participeerde.
Materiële cultuur - In 1994 heeft men 150 replica's van het O.L. Vrouwebeeld laten maken, die tijdens een plechtig lof op 1 mei van dat jaar werden gepresenteerd en die voor de verkoop zijn bestemd.

Devotioneel drukwerk
- 1 vouwprentje met foto beeld en 'Gebed tot Onze Lieve Vrouw ter Weghe' (impr. Joannes Petrus bisschop van Haarlem, 13 februari 1953; 7 x 12 cm); kleurenfoto van beeld en troon met op de achterzijde het 'Gebed tot Maria ter Weghe' ( impr. R.P. Bär, Rotterdam 1 oktober 1987; 9 x 13 cm); 2 minstens een viertal prentbriefkaarten met zwart/wit foto's van beeld en/of altaar zijn in de jaren vijftig en zestig ter gelegenheid van de kroningsfeesten (in 1955, 1958, 1961) van het beeld uitgegeven; 3 vouwblad 'Maria ter Weghe te Haastrecht' (drukkerij Hooft & Overbeek, Oudewater, ca. 15 x 23 cm); 4 serie van vier prentbriefkaarten van kerk, altaar en beeld (Oudewater: druk. 'Heno', 1993).

Bronnen en literatuur Archivalia: Rome, archief van de Societas Jesu, 'Litterae annuae' (jaarbrieven) van de provinciaals van de Flandro-Belgische provincie der jezuïeten met o.a. de jaarlijkse werkzaamheden van de Hollandse Missie; verslagen van de visitaties der provinciaals. Excerpten uit de litterae annuae en de ermee samenhangende documenten zijn verwerkt door pater N. Aerts in zijn onuitgegeven 'Acta Missionis Hollandicae' (eind 17e eeuw). Wat Haastrecht betreft heeft pater A. van Lommel uit de handschriften van Aerts geput voor zijn 'Breve Chronicon' (1871), dat in kopie is bewaard in het Haastrechtse registrum memoriale. Onafhankelijk van Van Lommel ontleende ook Van Hoeck voor zijn artikel in Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem van 1940 veel gegevens aan de handschriften van Aerts. Enkele jaarverslagen zijn uitgegeven door Post in Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht van 1934 en 1935. Een visitatieverslag met informatie over Haastrecht is uitgegeven door Van Lommel in Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht van 1876. Brussel, Algemeen Rijksarchief: archief van de Flandro-Belgische Provincie der Societas Jesu, jaarverslagen van de staties der Hollandse Missie (dienden mede als bron voor pater N. Aerts). Brussel, Koninklijke Bibliotheek, Handschriften van pater Norbertus Aerts (einde 17e eeuw): 'Acta Missionis Hollandicae' (7 delen) en 'Chronica' van de afzonderlijke staties. Van der Gheyn, Catalogue, nr. 4084. Nijmegen, Collegium Berchmanianum: provinciaal archief der jezuïeten, excerpten en afschriften van het op Nederland betrekking hebbende gedeelte van he archief van de Flandro-Belgische provincie der jezuïeten. Haastrecht, archief Barnabasparochie: inv.nr. 11, voorlopig memoriale van pastoor H. Wolkemeijer; inv.nr. 12, registrum memoriale, aangelegd omstreeks 1870, met op f. 26-44 het 'Breve Chronicon Stationis Haastrechtanae' en de kopie van de oorkonde betreffende Geertrui Bik; inv.nr. 14: brief dd. 7 juli 1871 van A. van Lommel s.j. aan pastoor M. Bernsen; inv. 231-257, stukken over Maria van Haastrecht; inv. 355, 356, 719, 720, 724, 973 en 977, roerende en onroerende goederen van de parochie; inv.nr. 1276 vv., broederschappen. Gouda, streekarchief Hollands Midden: rechterlijke en notariële archieven (verspreide gegevens over de familie Bik; A.F. Römer, 'Het Goudse geslacht Bick tussen 1350 en 1990 op basis van genealogisch onderzoek gedaan door J.G.W.F. Bik', ongepubliceerd hs. Schoonhoven, streekarchief Krimpenerwaard: oudarchief gemeente Haastrecht, inv. 6, f. 158v-160v; inv. 167, 547, 586, 590 en 591, verpondingskohieren e.d. met gegevens over panden in de dorpskom van Haastrecht. Den Haag, Algemeen Rijksarchief: rechterlijk archief Haastrecht, inv.nr. 44, onroerend goed van de statie.
Tekstedities: F. van Hoeck, 'Haestrecht', in: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem 58 (1940) 255-267: editie van een Chronicon, bestaande uit excerpten uit de 'Acta Missionis Hollandicae' en de 'Litterae Annuae' van de Societas Jesu.
Literatuur: H.F. van Heussen, Batavia sacra, dl. 2 (Brussel: F. Foppens/Utrecht: H. & J. Besseling, 1714) p. 184-185; H.F. van Heussen, Historia episcopatuum foederati Belgii , dl. 1 (Leiden: Christian Vermey, 1719) p. 193; A. J. van der Aa, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, dl. 5 (Gorinchem: Noorduyn, 1844) p. 79-81; A.v. L[ommel], 'Relatio visitationis reverendi patris Thomae Dekens provincialis provinciae Flandro-Belgicae S.J. anno 1656', in: Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht 3 (1876) p. 60-61 over Haastrecht; A.v.L[ommel], 'Bouwstoffen voor de kerkelijke geschiedenis van verschillende parochien thans behoorende tot het Bisdom van Haarlem', in: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem 7 (1879) p. 350-364: verslag van de inspectiereis van Sebastiaen Francken met informatie over de toestand van de Goudse en Haastrechtse katholieken aan de vooravond van de introductie van O.L.Vrouw van Foy; J. van der Gheyn, Catalogue des manuscrits de la Bibliothèque Royale de Belgique, dl. 6 (Brussel: Lamertin, 1906) nr. 4084: handschriften van Norbertus Aerts; J.A.F. Kronenburg, Maria's heerlijkheid in Nederland, dl. 7 (Amsterdam: Bekker, 1911) p. 360-369: uitvoerige excerpten uit het 'Breve Chronicon' van Van Lommel; A. Waterreus [pastoor van Haastrecht], artikelen in De Nieuwe Zuidhollander van 29 juli en 4 augustus 1916; hiernaar wordt verwezen door kapelaan De Jong, Oude Mariadevoties in eere hersteld; B.P.M. de Jong [kapelaan in de kerk van O.L.Vrouw Hemelvaart aan de Kleiweg te Gouda], Oude Mariadevoties in eere hersteld. Onse Lieve Vrou ter Noot Gods in Gouda - Onze Lieve Vrouw van Waddinxveen - Onze Lieve Vrouw van Foy te Haastrecht (Gouda 1916) p. 77-113 (bewerking van artikelen datzelfde jaar verschenen in Nieuwe Zuidhollander): uitvoerige excerpten uit het 'Breve Chronicon' van Van Lommel, deels rechtstreeks, deels via Kronenburg; A.B., 'O.L.Vr. van Foy te Haastrecht', in: Carmelrozen 6 (1917) p. 167-168; M.P. Bekkers en E.H. Rijkenberg, Uit Hollands Paradijs. De eigen heiligen en heilige plaatsen van het Bisdom van Haarlem beschreven (Leiden: Sint Bavo, 1918) p. 131-135; F. van Hoeck, 'De gevangenschap van P. Petrus Maillard, s.j. 1622-1624', in: Bijdragen voor de gechiedenis van het bisdom van Haarlem 41 (1923) p. 236-255, over Gijsbert Roloos; R.R. Post, 'Zes verslagen over de werkzaamheden door de Jezuïeten der Hollandsche missie verricht', in: Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht 58 (1934) p. 1-89 en 59 (1935) p. 79-196: aldaar in het bijzonder 58 (1934) p. 41 en 59 (1935) p. 167; F. van Hoeck, Schets van de geschiedenis der Jezuieten in Nederland (Nijmegen: Dekker & Van de Vegt, 1940) p. 66, 142, 160, over de statie Haastrecht en het beeld van O.L.Vrouw van Foy; p. 179; 401-402, over de bronnen voor de geschiedenis van de 17e-eeuwse jezuïeten; V. Schrijvers, Mariahulde, dl. 2 (Grave: Le Sage Bibliotheek, 1946) p. 76-81, jeugdlectuur; A.J. Kölker, Haastrecht. Hoofdstukken uit het ontstaan en de ontwikkeling van die steede ende landen van Haestregt (Dordrecht 1974) p. 172-185, 197-201; J.G.M. van Sandt, Sint Barnabasparochie te Haastrecht (Gouda 1982) inventaris van het archief van de Barnabaskerk met waardevolle inleiding over de geschiedenis van deze kerk; Cor van Someren, Parochie H. Barnabas 350 jaar ([Haastrecht?] 1987); X. van Eck, Kunst, twist en devotie. Goudse katholieke schuilkerken 1572-1795 (Delft: Eburon, 1994) p. 88-89, 125, 208; Trouw en Gouds Dagblad van 18 oktober 1995; Pius jaarboek. Almanak katholiek Nederland (Houten: Bohn etc., 1996) p. 344-345; Guido Elias en Bert Stienaers, Bedevaarten. Voor pelgrim en toerist (Roeselaere-Baarn: Globe-De Fontein, 1997) p. 141-142; Koen Goudriaan, 'De verering van Onze Lieve Vrouw van Haastrecht', verschenen in Historische Encyclopedie Krimpenerwaard; Ted Konings, 'Haastrecht is dankbaar', in: Katholiek Nieuwsblad, 16 oktober 2009.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Haastrecht-O.L. Vrouw; Meertens Instituut volkskundige vragenlijst 64a (1993); P.J. Margry, Haastrecht als bedevaartoord (Amsterdam: ongepubliceerd paper, 1984); Collectie 'Haastrecht (prentjes)' van A.J. Bomans, opgenomen in BiN-dossier (acquisitie 2012).
Website: www.parochiedeblijdeboodschap.nl
  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<