Groningen, H. Jan (Johannes) de Doper

Cultusobject: H. Jan (Johannes) de Doper
Datum: Onbekend (24 juni ?)
Periode: 13e/14e eeuw - eind 16e eeuw
Locatie: Parochiekerk van St. Maarten (Martinikerk; thans N.H.)
Adres: Martinikerkhof 3, 9712 Groningen
Gemeente: Groningen
Provincie: Groningen
Bisdom: Groningen
Samenvatting: De St. Maartenskerk te Groningen bezat sedert circa 1220 een reliek van de arm van St. Jan de Doper, bewaard in een kostbare reliekhouder. In 1360 werden aflaten in het vooruitzicht gesteld aan hen die de arm bezochten om redenen van devotie, gebed of bedevaart. Een pauselijke aflaatverlening uit 1399 gewaagt van een grote publieke toeloop telkens wanneer de arm in de kerk wordt getoond, en beoogt deze devotie te bevorderen. De bediening van het altaar, waarop deze reliek werd bewaard, was - aantoonbaar vanaf 1372 - volledig in handen van het Groninger stadsbestuur, dat hiermee zijn stadssecretarissen en/of juridische adviseurs aan zich pleegde te binden. Deze relatie is nog tot ver in de 15e eeuw bekend. De reliek werd tot zeker in het derde kwart van de 16e eeuw in de St. Maartenskerk bewaard.
Auteur: Remi van Schaïk
Illustraties:
Topografie - De 15e-eeuwse Martinikerk van Groningen is gelegen in de oude stad, op de hoek van de St. Jansstraat en de noordoostzijde van de Grote Markt.
- De plaats van het St. Jansaltaar, waarop de reliek van een arm werd bewaard, is uit directe gegevens niet bekend, maar waarschijnlijk heeft het altaar gestaan aan de zuidzijde van de St. Maartenskerk, aangezien de Sint Jansstraat langs de zuidzijde loopt.
Cultusobject - Volgens het Nieuwe Testament was Jan de Doper een verwant van Christus en tevens diens 'voorloper'. Omstreeks 27 na Christus begon hij met preken over de komst van de verlosser en het dopen van bekeerlingen in de rivier de Jordaan. Jan werd onthoofd op bevel van koning Herodes, waarna zijn hoofd op een schaal werd getoond aan Herodes' dochter, die om de executie had gevraagd.
Jan was uiterst populair als heilige gedurende de middeleeuwen. Hij wordt meestal afgebeeld als profeet of doper, gekleed in een dierenhuid.
- Het betrof een reliek van de arm van Johannes de Doper, verworven omstreeks 1220, geborgen in een zilveren en vergulde reliekhouder, met juwelen bezet en in de vorm van een arm, destijds bewaard in de St. Maartenskerk te Groningen. In 1588 of kort daarvóór zou deze relikwie zich volgens de kroniekschrijver Cornelius Kempius nog te Groningen bevonden hebben, na 1588 is ze voorgoed verloren gegaan.
Verering - Caesarius van Heisterbach vermeldt de reliek als eerste in zijn Dialogus miraculorum (begin 13e eeuw). Hij verhaalt hoe een reliek van de arm van Johannes de Doper in de St. Maartenskerk te Groningen terecht was gekomen en voortaan in een kostbare houder werd bewaard. De burgers van de stad zouden dit hebben bekostigd. Tot 1360 zijn er geen nadere berichten over deze reliek. In dat jaar evenwel verleende een vijftiental bisschoppen een aflaat waarin de arm speciaal genoemd werd. De aflaat werd gegeven aan hen die op alle St. Maartens- en Mariafeesten aanwezig zijn en op meer dan dertig andere feestdagen en zelfs de octaven daarvan. Hier wordt gesproken over de aanwezigen 'causa devotionis, orationis et peregrinationis'. De vermelding van 'bedevaart' in verband met reliekenverering is in de Groningse context overigens uniek. Van andere relieken, zoals die van St. Otger in dezelfde kerk en van het H. Kruis in de Dominicanenkerk, is zulks niet bekend. Een aflaatverlening door paus Bonifatius IX uit 1399 spreekt over het tonen van de arm:

'in eadem ecclesia populo publice ostendatur ad quod videndum magna populi conflerit multitudo. Nos cupientes ut Christifideles eo ferventius ad ostentationem huiusmodi confluant ipsumque sanctum eo devocius venerentur [...]'. ('In deze kerk wordt [de arm] publiekelijk aan het volk getoond en een grote volksmenigte stroomt toe om deze te zien. Wij verlangen dat de gelovigen met nog meer ijver naar de toning komen en de heilige met nog meer devotie vereren [...].')

- Een verband tussen de stichting van het Geertruidsgasthuis (ook wel Pepergasthuis) door Berneer Solleder en zijn zoon Albert op 25-7-1405 en de aflaat die paus Bonifatius in 1399 verleende, wordt door Van Herwerden (1961) gesuggereerd. Ellendige arme pelgrims mochten volgens de stichtingsakte twee of hoogstens drie nachten in het gasthuis verblijven. Er zijn echter geen gegevens dat het gasthuis inderdaad op deze wijze is gebruikt, laat staan voor pelgrims die specifiek de arm van St. Jan wensten te bezoeken. Dit laatste is zelfs onwaarschijnlijk omdat het altaar volgens Caesarius door de burgerij was 'geadopteerd'. Het blijkt op het einde van de 14e eeuw verbonden te zijn met de functie van stadsschrijver, later ook de juridische adviseur van de stad. De eerste keer blijkt deze verbinding in het jaar 1372 wanneer Frederik Tutekin 'der stat knecht ende scrivere van Groninghen' zijn testament maakt. Hij geeft een huis 'enen preystere de van der borghermeystere weghene sunte Johans altaer besingget ende vorwaret'. De stukken van dit altaar werden dan ook bewaard in het stadsarchief en niet in het archief van de St. Maartenskerk. De laatste keer dat het altaar genoemd wordt is 1513, maar zonder dat een verband met de schrijfkamer duidelijk is. De reliek zou nog op het eind van de 16e eeuw in Groningen bewaard zijn.

Bronnen en literatuur Archivalia: Groningen, gemeentearchief: archief parochiekerken inv.nr. 343 (reg. nr. 12: 1360); archief stad RvR nr. 873-880 (waaronder nr. 873 ao 1372 (olim RF 1372.02) en nr. 879 ao 1399 (olim RF 1399.09)). Groningen, Rijksarchief in Groningen: archief Farmsum, inv. nr. 23a (olim RF 1405.11).
A2 J. Strange ed., Caesarius van Heisterbach. Dialogus miraculorum, dl. 2 (Keulen: J.M. Heberle, 1851) p. 126-127; P.J. Blok e.a. ed., Oorkondenboek van Groningen en Drenthe (Groningen 1899) nrs. 486 (1360), 1046 (1399), 1216 (1405).
Literatuur: A.C.J. van der Kemp, 'De bedevaarten onzer landgenooten', in: Studiën en bijdragen op 't gebied der historische theologie 4 (1880) p. 1-103, aldaar 17; J. Reitsma, 'De arm van Johannes de Doper', in: Groningse volksalmanak (1892) p. 88-103; A. Pathuis, 'De arm van Johannes de Doper in de Martinikerk te Groningen', in: Nieuwsblad van het Noorden, 1-2-1958, p. 17; P.J. van Herwerden, 'Geschiedenis van het Geertruids- of Pepergasthuis te Groningen', in: Economisch-historisch jaarboek 28 (1961) p. 149-150; J.J. van Moolenbroek, 'Caesarius van Heisterbach op reis in Friesland en Groningen. De Dialogus miraculorum (1219-1223) als historische bron', in: Tijdschrift voor geschiedenis 98 (1985) p. 513-539, aldaar 530-532; G.J.C. Snoek, Eucharistie- en reliekverering in de Middeleeuwen. De middeleeuwse eucharistie-devotie en reliekverering in onderlinge samenhang (Amsterdam: VU Uitgeverij, 1989) p. 325, 338; F.J. Bakker, 'Heiligen en altaren in de stad Groningen tot 1594', in: G. van Halsema Thzn., Jos.M.M. Hermans en F.R.J. Knetsch ed., Geloven in Groningen. Capita selecta uit de geloofsgeschiedenis van een stad (Kampen: Kok, 1990) p. 73-98, aldaar 77, 85; F.J. Bakker, 'Een Groningse Johannesschotel', in: Bulletin Vereniging van Vrienden van het Groninger Museum nr. 41 (1994) p. 6.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Groningen-Jan

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<