HomeDatabankenBedevaarten

Aardenburg, O.L. Vrouw; vanaf ca. 1875 O.L. Vrouw met de Inktpot

Mail voor aanvullingen en commentaar
Cultusobject: O.L. Vrouw; vanaf ca. 1875 O.L. Vrouw met de Inktpot
Datum: Week na Pinksteren; vanaf ca. 1875 de meimaand
Periode: 1273 (?)-1604 / ca. 1875 - heden
Locatie: Parochiekerk van O.L. Vrouw ten Hemelopneming
Adres: Weststraat 84, 4527 BV Aardenburg
Gemeente: Aardenburg
Provincie: Zeeland
Bisdom: Breda
Samenvatting: Vanaf het laatste kwart van de 13e eeuw ontstond in de O.L. Vrouwekerk van Aardenburg een Mariadevotie. De verering kende haar jaarlijkse hoogtepunt in de week na Pinksteren die als 'den Ommeganck' bekend stond. Als bedevaartoord kende Aardenburg zijn grootste bloei waarschijnlijk in de eerste helft van de 15e eeuw. Het is opvallend dat een aantal overleveringen omtrent bijzondere kenmerken van de Aardenburgse verering (met name over het cultusobject en de zich in Brugge afspelende devotie voor O.L. Vrouw te Aardenburg) uit veel later tijd stammen. Nadat de parochie in 1804 opnieuw was opgericht, werd geprobeerd de oude verering nieuw leven in te blazen. Het succes hiervan is beperkt gebleven.
Auteur: Jan van Herwaarden
Illustraties:
(Klik op afbeelding voor vergroting)
Topografie - De O.L. Vrouwekerk van Aardenburg stond aan het einde van de Oude Kerkstraat net voorbij de huidige Bogaardstraat en tegenover de Landstraat. Volgens de overlevering zou de oudste kerk ter plekke in de 7e eeuw door Eligius (St. Eloi) zijn gebouwd. Het is waarschijnlijker dat de kerk in de 9e of 10e eeuw op een koninklijk domein is gesticht; wellicht is de stichting van de kerk aan de Vlaamse grafelijkheid en dan met name aan graaf Arnulf I te danken. In ieder geval blijkt de kerk volgens een oorkonde van de Frankische koning Lotharius in 966 tot het bezit van de Gentse St. Baafsabdij te behoren. De kerk was vanouds een kapittelkerk die sedert 1167 16 kanunniken telde. Na de verovering van Aardenburg door prins Maurits in 1604 kwam de al danig gehavende kerk in protestantse handen, waarna zij in 1625 werd afgebroken; op dat moment bevond de kerk zich buiten de vestingwerken van de nieuwe stad. De kerk was waarschijnlijk een omvangrijk bouwwerk met twee kloeke torens, zoals de afbeelding op de omstreeks 1550 dateerbare plattegrond van Jacob van Deventer laat zien.
- Na het herstel van de parochie in 1804 werd in de jaren 50 van de vorige eeuw een nieuwe kerk gebouwd, gewijd aan O.L. Vrouwe ten Hemelopneming.
Cultusobject - De verering was naar alle waarschijnlijkheid geconcentreerd op een Mariabeeld. Het is echter onbekend wat voor een beeld dat was. De in de literatuur bekende omschrijving van de Maria met de inktpot is een product van latere verbeelding en zegt niets over de oorspronkelijke Mariaverering te Aardenburg. Het enige iconografische houvast wordt geboden door bewaard gebleven pelgrimstekens, waarvan twee typen kunnen worden onderscheiden. Deze tonen een tronende Maria met kind op de linkerarm (waarschijnlijk het oudste type) of op de rechterarm, aan weerszijden geflankeerd door een staande toorts, op het jongere type elk door een engel gedragen.
- In de loop van de 18e eeuw eeuw werd de Aardenburgse verering gekoppeld aan het Mariabeeld in de pui van het stadhuis van Brugge (zie hieronder bij verering). Het was een beeld van een staande Maria met een inktkoker en het kind met een pen in de hand: attributen ontleend aan een wonderverhaal dat tegen het einde van de 18e eeuw zijn vorm had gekregen. Volgens dezelfde overlevering was het Aardenburgse beeld in Brugge beland en in een hoek van de gevel van het stadhuis geplaatst. Daar zou het beeld voortaan als O.L. Vrouw van Aardenburg of O.L. Vrouw met de inktpot onder andere met openbare processies zijn vereerd - met name de jaarlijkse 'knikprocessie' op de woensdag na Pinksteren - tot de Oostenrijkse keizer Jozef II, die tevens de Zuidelijke Nederlanden bestierde, dat soort openbare geloofsuitingen in 1786 verbood. Op 30 december 1792 werd het beeld door Brugse aanhangers van de Franse Revolutie ('clubisten') vernield, waarna devote Brugse burgers uit de stukken kleine beeldjes van O.L. Vrouw met de inktpot zouden hebben vervaardigd.
- Op 31 augustus 1853 werd op basis van een oude tekening een nieuw beeld in Brugge gemaakt. Het werd op dezelfde plaats in de stadhuisgevel opgesteld en in het bijzijn van koning Leopold I en de kroonprins plechtig gewijd; het model werd in de Brugse kathedraal opgesteld. De ironie van de geschiedenis wil dat, op grond van de overtuiging dat het Brugse beeld een getrouwe kopie van het oude Aardenburgse beeld zou zijn, dit Brugse beeld weer als voorbeeld diende voor een nieuw beeld dat in 1871 in Aardenburg in een nis in de voorgevel van de kort tevoren gebouwde kerk van O.L. Vrouw ten Hemelopneming werd opgesteld. Een houten replica werd in 1875 in die kerk geplaatst.
Verering Ontstaan
- Het is onduidelijk hoe de Mariaverering in Aardenburg is ontstaan. De eerste bewijzen van een specifieke Mariaverering stammen uit 1296. Op 31 maart 1296 vaardigde de bisschop van Doornik een oorkonde uit ten behoeve van de instelling van het kapittel in die kerk, waarin van 'menigvuldige mirakelen' wordt gerept. In een door de Engelse koning Eduard I op 13 november 1296 uitgevaardigde oorkonde wordt gerefereerd aan diens eigen Mariadevotie en de bijzondere Mariaverering te Aardenburg; de Engelse vorst zou de oorkonde hebben opgesteld na een bezoek aan Aardenburg. Zijn grote tegenstander, de Franse koning Philips IV de Schone, vereerde de plaats op 28 mei 1301 met een bezoek toen hij zich ter huldiging door de Vlaamse steden naar Vlaanderen had begeven.
Op grond van veel later geschreven teksten wordt 1273 genoemd als jaar waarin voor het eerst sprake is van met een Mariaverering in verband staande wonderen. De oudste vermelding van dat jaartal stamt uit 1561 en is te vinden bij Jacob Meyerus: 'MCCLXXIII [...] Apud Rodenburgium miracula in honorem Deiparae virginalis aedi coepta'. Hetzelfde jaartal werd een jaar later ook vermeld in de kroniek van Nicolaas Despaers, die het echter abusievelijk over Oudenburg had terwijl hij ongetwijfeld Aardenburg bedoelde: 'Anno XIIc LXXIII beghonste Onze Vrauwe t'Oudenburch [d.w.z.: Aardenburg] eerst haar uytnemende schoone tekenen ende miraclen te vertooghenen'.
- De verbreiding van de cultus blijkt uit het testament dat Pieter van Leiden, kanunnik te Utrecht en Middelburg en pastoor van Zoeterwoude, op 10 november 1316 opstelde. Daarin verklaarde hij van plan te zijn onder andere naar Aardenburg te reizen; in dat verband bepaalde hij echter dat er, zo bij zijn overlijden zou blijken dat hij tijdens zijn leven zelf niet in staat was geweest de bedoelde bedevaarten metterdaad af te leggen, uit zijn nalatenschap geldbedragen beschikbaar moesten worden gesteld om anderen in staat te stellen binnen een jaar na zijn dood naar de Mariaheiligdommen in Aardenburg, Aken, Boulogne en Rocamadour en naar Santiago de Compostela te gaan.
- In 1330 blijkt er enige interesse van de Vlaamse graaf Lodewijk van Nevers voor de Mariaverering te Aardenburg. Nadat Aardenburg in 1328 onder druk van Brugge had gekozen voor de rebellen tegen de Vlaamse graaf, maar de opstand vervolgens was bedwongen, kwam Lodewijk van Nevers op 2 februari 1330 ook met Aardenburg tot een verzoening. Bij die gelegenheid werd onder meer bepaald dat er twaalf zilveren lampen en vier zilveren schalen ter ere van Maria in de kerk moesten worden opgehangen. Een tiental jaren later genoot het heiligdom wederom vorstelijke belangstelling toen de Engelse koning Eduard III op 25 juni 1340 het heiligdom bezocht om daar dank te zeggen voor de overwinning die hij de dag tevoren bij het Zwin op de Franse vloot had behaald. De populariteit van de verering omstreeks 1350 blijkt enigermate uit de discussie die Jan de Weert uit Ieper in zijn Die nieuwe Doctrinael of Spieghel van Sonden memoreert van twee vrouwen die twisten over de vraag of de Maria van Rozebeke meer vermocht dan die van Aardenburg of andersom, door de 'Ic'-figuur afgekapt met de opmerking dat er slechts één Maria is, 'even machtich overal'. De Vlaamse graaf Lodewijk van Male († 1384) bedacht de Aardenburgse madonna in zijn testament.

Aflaat en H. Bloed
- De oudste tot nu toe achterhaalbare gegevens verwijzen alle naar een Mariaverering 'tout court', maar in 1344 werd geprobeerd de kerk van Aardenburg extra aantrekkingskracht te verschaffen. Toen paus Clemens VI op 12 januari 1344 de O.L. Vrouwekerk van Aardenburg een bijzondere aflaat verleende, werd gerefereerd aan de aflaat die zijn voorganger Clemens V op 1 juni 1310 aan de deelnemers van de H. Bloedprocessie te Brugge had verleend. Aardenburg ambieerde een gelijkwaardige aflaat, immers: ook Aardenburg had wat van het Heilig Bloed; bovendien bevonden zich daar een kruisreliek, wat melk van Maria en talrijke relieken van apostelen, martelaren, belijders en maagden 'waarbij de Allerhoogste vele wonderen bewerkte'. De kerk trok volgens de suppliek een menigte gelovigen uit de omgeving, in het bijzonder op de dinsdag na Pinksteren als er een grote processie werd gehouden. Deelname aan dat evenement werd nu het onderwerp van de bijzondere aflaat; tevens kon gedurende het hele octaaf na die dag een aflaat worden verdiend.
Het H. Bloed van Aardenburg dat hier wordt vermeld, is naar alle waarschijnlijkheid afkomstig uit Brugge. Hier had zich een H. Bloedcultus ontwikkeld nadat de Vlaamse graaf Dirk van den Elzas na de tweede kruistocht omstreeks het midden van de 12e eeuw een reliek van het H. Bloed uit het Heilig Land naar Vlaanderen had meegenomen. Hij schonk het kostbaar kleinood aan Brugge, waar het in de Basiliuskerk werd bewaard. Misschien heeft Aardenburg zijn gedeelte van dat reliek ontvangen ter gelegenheid van de verzoening met Lodewijk van Nevers in 1330, onder andere om de goede verstandhouding tussen de steden gestalte te geven; een vermoeden dat enigermate wordt bevestigd door de Aardenburgse wens een aan Brugge gelijkwaardige aflaat te ontvangen.

Processie
- Een tweede belangrijk gegeven uit de oorkonde van 1344 is de vermelding van de processie op de derde dag - de dinsdag - na Pinksteren ('feria tertia post festum Penthecosten'), kennelijk op dat moment een al enige tijd bestaande traditie, die - gezien de aard van het verzoek om een gelijksoortige aflaat - wat Aardenburg betreft op een lijn mocht worden gesteld met de H. Bloedprocessie die jaarlijks op 3 mei in Brugge werd gehouden. De inderdaad verleende aflaat betrof de dag van de processie en het octaaf daarvan. In de kerkrekeningen van 1524 en 1561 staat een overzicht van de samenstelling van deze processie waaruit de bijzondere aandacht voor het H. Bloed blijkt; in de opsomming wordt noch van een Mariabeeld noch van andere 'heiligheden' gerept. In de stadsrekening van het laatst genoemde jaar staan bedragen genoteerd ten behoeve van de 'vier ordinen in Brugghe' (de Brugse bedelorden: franciscanen, dominicanen, augustijnen en carmelieten), de 'vier prochipapen in Ardemburch' en de 32 'prochipapen van der dekenie van Ardemburch' in verband met hun deelname aan de processie. Deze nadruk op het H. Bloedreliek zou kunnen wijzen op een afzonderlijke verering, los van de Mariaverering. De context van de processie zelf en het ontbreken van verdere gegevens over die eventuele bijzondere H. Bloedverering doen evenwel vermoeden dat de devotie voor het H. Bloed in Aardenburg geen zelfstandige waarde heeft vertegenwoordigd maar moet worden gezien als bijzonder onderdeel van een reeks plechtigheden gedurende de week na Pinksteren in het kader van de Mariacultus.
- Immers, de aflaat betrof dan wel de processie met het H. Bloed op de dinsdag, maar verder stond de week na Pinksteren geheel in het teken van de Mariaverering en werd mede gekenmerkt door de 'Mariale' connectie met Brugge. Op Pinkstermaandag kwamen jaarlijks de Brugse handschoenmakers ('meulenmeerschers') naar Aardenburg om het Mariabeeld met een nieuwe mantel te vereren. Uit een beschrijving van 1577 blijkt dat deze op zichzelf plechtige gelegenheid heel wel kon ontaarden in wat Kronenburg noemde 'een brooddronken pleiziertocht'. Overigens blijkt tweemaal (in 1432 en 1436) uit de betreffende gilderekeningen dat ook de Gentse vleeshouwers ter gelegenheid van hun bedevaart naar Aardenburg een kleed voor het beeld hadden meegenomen. Op de donderdag werd voorts een processie gehouden die buiten Aardenburg tot in Hanekinswerve voerde: 'den langhen ommeganck', waaraan de Brugse kapittels van de O.L. Vrouwekerk, de Sint Donaaskerk en de Sint Salvatorskerk en het 'college' van de St. Jacobskerk deelnamen; de oudste vermeldingen daarover stammen uit de 16e eeuw. Zowel deze processie in het bijzonder als de hele week na Pinksteren werden het 'Crepelfeest' genoemd, naar het Aardenburgse O.L. Vrouwe-Crepelgilde dat de processie van die donderdag organiseerde. Volgens de door Kronenburg geciteerde beschrijving uit de Aardenburgse kerkrekening van 1524 werd het Mariabeeld, gekleed in de nieuwe mantel die het beeld de maandag tevoren van de Brugse handschoenmakers had ontvangen, tijdens de processie in een glazen schrijn ('Onser Vrouwen rive') rondgedragen, volgens de Aardenburgse rekening van 1595 door de deken en gildebroeders van het Aardenburgse O.L. Vrouweschippersgilde. Dat gilde offerde bovendien twee toortsen - men denke aan de beide toortsen op het pelgrimsteken - en de deken en leden van het Crepelgilde zorgden voor een kaars van groene was. De processie trok grote belangstelling en was dan wel ter ere van Maria, maar beoogde evenzeer het afsmeken van een goede oogst, zoals blijkt uit een geuzenliedje van 1612 dat ook door Kronenburg werd geciteerd: 'Men droechse op de pach-goen, wilt hooren, / Om vlas, boter en kooren; / Veel volcx liep mee / Uut dorpen en stee, / Ende songen'.
- Het kapittel van de O.L. Vrouwekerk te Brugge was van de Brugse deelnemers begrijpelijkerwijs het meest bij de processie (ter ere van Maria immers) betrokken: het 'koorgilde' van dat kapittel telde twee dekens waarvan de ene 'de deken van het Crepelfeest' heette, met als taak de regeling van die processie. Ten behoeve van die processie werd elk jaar een speciale mis gecomponeerd, voorzover bekend door de 'cantor' van de O.L. Vrouwekerk of die van de Sint Salvatorskerk. In de Aardenburgse kerkrekening van 1595/6 staat de laatste ommegang vermeld; tevens blijkt uit die rekening dat de Aardenburgse 'terminaris' op die dag in Hanekinswerve had gepreekt. De Brugse connectie met Aardenburg werd voorts inhoud gegeven door de jaarlijkse tocht die de Brugse magistraat in september naar het heiligdom ondernam ter gelegenheid van de vernieuwing van de schepenbank, een traditie waarover de oudste bewaard gebleven vermeldingen eveneens uit de 16e eeuw stammen.

Belang en uitstraling
- Het belang van de pelgrims voor de stedelijke economie blijkt uit de oorkonde die Philips de Goede op 30 mei 1421 heeft uitgevaardigd. Rechterlijke autoriteiten hanteerden de bestaande regels tegen het dragen van wapens in het nadeel van pelgrims. Zij hadden immers dikwijls een stok of een ander wapentuig bij zich dat zij niet bij binnenkomst van de stad afgaven, wat aanleiding gaf hen te arresteren of weg te sturen. Daartegen protesteerde de Aardenburgse magistraat met als argument dat het optreden tegen de pelgrims Aardenburg zeer benadeelde omdat de stad haar bestaan voornamelijk dankte aan het profijt dat zij had van de pelgrimage. Het protest had succes: Philips de Goede bepaalde dat de pelgrims voortaan geen haar mocht worden gekrenkt.
Vier jaar later zou deze landsheer vanuit Rijsel in een fraaie stoet naar Aardenburg reizen om daar het Mariaheiligdom te bezoeken. Ook zijn zoon, Karel de Stoute, zou het heiligdom bezoeken en wel in april 1466. Een paar maanden later zou de Zeeuwse edelman Adriaan van Borselen Aardenburg in zijn testament gedenken. Op 27 december 1470 bezocht de Engelse koning Eduard IV Aardenburg op grond van een gelofte.
- Als doel van opgelegde bedevaarten werd Aardenburg al in de 14e eeuw vermeld. Een Utrechtse ordonnantie van 1379 laat zien dat bedevaarten naar Aardenburg daar gangbaar waren, wat evenzeer geldt voor Maastricht, waar Aardenburg als doel van een opgelegde reis vanaf 1380 herhaaldelijk in de stedelijke ordonnanties werd opgenomen. Ook elders werd Aardenburg frequent genoemd en herhaaldelijk opgelegd, maar minder opvallend dan bijvoorbeeld de Mariaheiligdommen in ⟶ 's-Hertogenbosch (dl. 2) en Halle (B), of ⟶ 's-Gravenzande en ⟶ Amersfoort.
- De grote betekenis van de bedevaart voor de stad blijkt onder andere uit een oorkonde van hertog Philips de Schone uit 1502. Daarin wordt vermeld hoe herbergiers en andere neringdoenden in de stad werden beconcurreerd door lieden die de pelgrims langs de weg buiten de stad hun waren en onderdak offreerden, uiteraard tegen lagere kosten omdat zij niet aan de stedelijke belastingen waren onderworpen.

Beeldvorming in de 18e en 19e eeuw
- Merkwaardigerwijs heeft de Aardenburgse Mariaverering na haar ondergang omstreeks 1600 - in 1604 kwam, zoals gezegd, de kerk in protestantse handen - aanleiding gegeven tot de meest karakteristieke verhalen over de aard en hoedanigheid daarvan. De gehoopte dan wel veronderstelde bijstand van Maria werd in de legendevorming geconcretiseerd in de ballade van de speelman die ter dood was veroordeeld vanwege zijn omgang met een koningsdochter. De speelman bleef trouw in zijn verering voor Maria door ter ere van haar een lied te zingen waarvoor hij werd beloond want, nadat hij was gehangen, werd hij door Maria ondersteund zodat de koningsdochter hem na drie dagen nog levend vond. Hoewel het lied inhoudelijk best in een middeleeuwse overlevering zou kunnen wortelen, werd het pas in 1740 op schrift gesteld.
Van nog jonger datum is het verhaal over het wonderdoende Mariabeeld van Aardenburg dat in verschillende versies bewaard is gebleven. In de ene versie, te vinden in een te Brugge bewaard handschrift uit de laatste decade van de 18e eeuw, is er sprake van een ter dood veroordeelde man die, na Maria te hebben aangeroepen, dankzij een knikje van het Mariabeeld van een wisse dood werd gered. In een uitgebreidere versie wordt verteld hoe iemand uit Aardenburg, beschuldigd van moord en tot de galg veroordeeld, in de nacht voor zijn terechtstelling een visioen krijgt waarin hem door Jezus een brief werd overhandigd die hij de volgende dag aan de baljuw moest geven. Op weg naar de terechtstelling wist de veroordeelde de baljuw de brief te overhandigen, waarna hij onmiddellijk werd vrijgelaten. Het visioen had engelen met een inktpot, pen en perkament getoond; terwijl Maria de inktpot vasthield, had het kind Jezus pen en perkament gehanteerd. In de jongere historiografie diende dit verhaal als extra argument voor het bestaan van de Aardenburgse Mariaverering omstreeks 1300. Tevens zou het de iconografische ingrediënten hebben geleverd voor wat werd gezien als het typische Aardenburgse Mariabeeld: Maria met de Inktpot. De in de latere beschrijvingen zo karakteristiek genoemde voorstelling van het Aardenburgse Mariabeeld is evenzeer op drijfzand gebouwd als het verhaal over de lotgevallen van dat beeld na de protestantisering van de stad rond 1600. De Brugse geestelijke English heeft dat alles in 1926 overduidelijk aangetoond, waarbij hij ook nog een aantal historiografische misverstanden rechtzette.
- Na de protestantisering verdween de Aardenburgse Mariaverering, maar wat Brugge betreft werd de vroegere deelname aan de processie elk jaar op de donderdag na Pinksteren symbolisch voortgezet met plechtige missen (overigens zonder processie) in de St. Donaas, de St. Salvator en de O.L. Vrouwekerk ter herinnering aan het aloude 'creupelfeeste'. De historiografische verwarring begint dan met het door elkaar halen van deze plechtigheid met die op de dag daarvoor, de Brugse 'knikprocessie', een verwarring die ook Kronenburg parten heeft gespeeld. Die processie dankt haar naam aan het moment dat de deelnemers, bij de Heilig Bloedkapel aangekomen, op straat het H. Bloed een kort moment geknield begroetten. De oudste bewaard gebleven vermelding van deze gewoonte stamt uit de 16e eeuw. In de loop der tijd blijkt de plechtigheid van karakter te zijn veranderd, want in 1634 is er geen sprake meer van een verering van het H. Bloed tijdens deze processie, maar wordt de 'knik' toebedeeld aan het wonderdoende Mariabeeld dat in de muur van het stadhuis is aangebracht, een gewoonte die men ook in de 18e eeuw blijkt te volgen. Dat Mariabeeld bevond zich al in 1429 op die plaats. De 'knikprocessie' in deze nieuwe vorm had dus in oorsprong niets te maken met de Mariaverering van Aardenburg.
Hoe hier de fantasie heeft gewerkt is niet meer precies na te gaan, maar het is duidelijk dat het Mariabeeld in de pui van het Brugse stadhuis op een gegeven moment werd geïdentificeerd met het oude Mariabeeld van Aardenburg. Die samenhang wordt voor het eerst gesuggereerd in het hierboven al even aangehaalde Brugse handschrift uit het laatste decennium van de 18e eeuw. De identificatie leidde logischerwijs tot een nadere uitwerking van de iconografie van het Brugse Mariabeeld, dat een staande Maria weergaf met een inktkoker in de hand en het kind op de linkerarm met een pen in de hand. Een tekening in het bedoelde handschrift diende als weergave van het Brugse beeld. Via het Brugse beeld kreeg dientengevolge ook Aardenburg eeuwen achteraf de verering van Maria met de inktpot toebedeeld.
- Opvallend is dat het Brugse beeld een staande Maria toonde met het Christuskind op de rechterarm, een 'fout' die in 1926 kon worden hersteld nadat was gebleken dat het beeld van 1853 van ondeugdelijk materiaal was vervaardigd, en toen - conform de tekening uit het genoemde Brugse handschrift - door een 'correct' vervaardigd beeld kon worden vervangen. Aangezien het Aardenburgse beeld naar het voorbeeld van het Brugse beeld van 1853 is vervaardigd, toont dat beeld ons ook een staande Maria met het Christuskind op de rechterarm.

Bedevaarten sinds het vierde kwart van de 19e eeuw
- Tot aan de Eerste Wereldoorlog kwamen herhaaldelijk groepen Vlaamse pelgrims naar Aardenburg, een gewoonte die na die oorlog verliep. In 1937 werd aan de Westmolenstraat te Aardenburg een kapel gebouwd die was gewijd aan de O.L. Vrouw van Aardenburg; deze kapel is inmiddels weer gesloopt. Een 'Gebed tot O.L. Vrouw van Aardenburg', waaraan aflaten waren verbonden, werd op 17 mei 1906 door de bisschop van Breda goedgekeurd. Enige jaren later werd ook een lied ter ere van haar gecomponeerd. Ter gelegenheid van een missie door de capucijnen die van 29 januari tot 7 februari 1932 in de kerk plaatsvond, werd een prentje uitgegeven met een fictieve afbeelding van de Lieve Vrouw en de tekst 'O.L. Vrouw van Aardenburg verkrijg voor ons de volharding in het goede tot aan den dood.'
- Na de Tweede Wereldoorlog werd in de parochiekerk een tweetal gebrandschilderde ramen geplaatst, het ene met een voorstelling van het visioen met de inktpot, het andere met de Engelse koning Eduard III als pelgrim naar Aardenburg. In de jaren vijftig waren er nog een paar maal jongerenbedevaarten naar Aardenburg en in 1987 vormde een bezoek van Engelse adel een hoogtepunt in de na-oorlogse vereringsgeschiedenis. In 1996 kozen de plaatselijke afdelingen van 'De Zonnebloem' in West-Zeeuws-Vlaanderen Aardenburg uit voor hun jaarlijkse bedevaart. Weliswaar wordt de O.L. Vrouw van Aardenburg nog steeds in ere gehouden en zorgen de parochianen ervoor dat het beeld nooit zonder bloemen of brandende kaarsen staat, maar Aardenburg is nooit meer het regelmatig bezochte bedevaartoord geworden dat het in de middeleeuwen was geweest.

Materiële cultuur - Bedevaartinsigne: uit de 16e eeuw zijn enkele gegevens bewaard gebleven over de verkoop van devotionalia en dan in het bijzonder van 'vergulde ende zilveren teeckenen van der prente van onsz liever Vrouwen beelde' in drie verschillende afmetingen (zonder aanduiding, middel en klein). Daarnaast waren er loden medailles te koop (deze vonden verreweg het meest aftrek) en kon men bij de 'wasvrouwe van deser kerck' wassen Mariabeelden kopen. Hierboven (zie onder cultusobject) zijn naar aanleiding van het mogelijke uiterlijk van het Aardenburgse Mariabeeld de beide types van Aardenburgse pelgrimstekens al even aan de orde geweest. In het randschrift van wat wellicht het oudste type was staan de letters AR DEN met een pictogram van een burcht: Aardenburg; op het tweede type staat voluit ARDENBUERCH. Boven het ronde gedeelte met de afbeelding van Maria zat op beide tekens een gestileerde weergave van de kerk, waarvan op het tweede type duidelijk twee torens kunnen worden onderscheiden, een aanwijzing te meer dat de Mariakerk van Aardenburg inderdaad twee torens heeft bezeten. De achteruitgang van de bedevaart in de loop van de 16e eeuw wordt geïllustreerd door de verkoopcijfers van de insignes: het aantal verkochte pelgrimsinsignes bedroeg volgens de kerkrekening van 1523/1524 1737 (waarvan slechts 45 verguld-zilveren tekens in de diverse afmetingen); in 1569/1570 werden nog maar 525 insignes verkocht, terwijl er volgens de rekening van 1589/1590 geen enkel pelgrimsinsigne werd verkocht.

Devotioneel drukwerk
- Ansichtkaart met een kleurenfoto van O.L. Vrouw met de inktpot (Sluis: Combi de Milliano, 1996?).


Bronnen en literatuur Literatuur: Jacobus Meyerus, Commentarii sive annales rerum Flandricarum (Antwerpen: Johannes Steelsius, 1561) p. 80 (1273) p. 141, Eduard III en Aardenburg (1340); H.L. van Heussen, Oudheden en gestichten van Zeeland etc. (Leiden: C. Vermey, 1722) p. 248; J. Ab. Utrecht Dresselhuis, 'Oud-Aardenburg en deszelfs handel in het begin der xivde eeuw', in: Nieuwe werken van de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde 6 (1844) p. 35-102, 223-289, 262-266; H.Q. Janssen en J.H. van Dale, Bijdragen tot de oudheidkunde en geschiedenis inzonderheid van Zeeuwsch-Vlaanderen , dl. 1 (Middelburg 1856) p. 108-109, Heilig Bloed te Aardenburg, stadsrekening 1561, p. 321-322 (vgl. 329-331), oorkonde Philips de Goede van 1421; Guido Gezelle, 'De wonderbare legende van O.L. Vrouwe met den inktpot vroeger tot Aardenburg, nu tot Brugge', in: Rond den Heerd, een leer- en leesblad voor alle lieden dl. 5, p. 28 en 29 (Brugge: De Zuttere, 1870) legende en (gefingeerde) lotgevallen Mariabeeld van Aardenburg; L. Gilliodts-van Severen, Inventaire des archives de la ville de Bruges, Section première: Inventaire des chartes, Première série: Treizième au seizième siècle (Bruges: Gailliard, 1871-1876) dl. 1, p. 303, nr. 239, aflaat H. Bloedprocessie te Brugge van 1310, dl. 5, p. 334 nrs. 4-8, Mariabeeld in Brugse stadhuis in een ijzeren huisje met traliën geplaatst.; Joannes Baptista Krüger, Kerkelijke geschiedenis van het bisdom Breda, 4 dln. (Roosendaal: Van Leeuwen / Bergen op Zoom: Jan Juten, 1872-1878) dl. 4, p. 375-383, 398; G.A. Vorsterman van Oyen, Het archief van Aardenburg (Middelburg 1889); G.A. Vorsterman van Oyen, 'Geschiedenis van Zeeuwsch-Vlaanderens westelijk deel etc.', in: Weekblad voor Zeeuwsch-Vlaanderens westelijk deel (1903-1904); J.A.F. Kronenburg, Maria's Heerlijkheid in Nederland (Amsterdam: Bekker, 1904-1914) dl. 4, p. 156, strafbedevaarten, dl. 6, p. 68-87, O.L. Vrouw van Aardenburg; Frantz Funck Brentano, Philippe le Bel en Flandre (Paris: Champion, 1907) p. 358, bezoek Filips IV de Schone aan Aardenburg (1301); A.C., 'Een oude bedevaartplaats', in: Sancta Maria 1 (1923-1924) p. 268-270; 284-285; 292-293; 300-301; 324-325; M. English, 'Het O.L.V.-beeld aan het stadhuis te Brugge', in: Annales de la Société d'Émulation de Bruges 69 (1926) p. 164-202; K.L. Reepmaker, Bijdrage tot de geschiedenis van de Aardenburgsche Onze Lieve Vrouwe- of Mariakerk, 643-1625 (Oostburg: Bronswijk, 1927); H.V., 'Iets onbekends omtrent O.L. Vrouw van Aardenburg', in: Sancta Maria 13 (1936) p. 349: Aardenburgs beeld naar Brugge, vernield in 1792; H.V., 'Zeeland. Aardenburg', in: Sancta Maria 14 (1937) p. 93, 110, 115-117 (H. Bloed te Aardenburg), 133-134; L. Voet, De brief van abt Othelbold aan gravin Otgiva over de relikwieën en het domein van de Sint-Baafsabdij te Gent, 1019-1030 (Brussel: Kon. Commissie voor Geschiedenis, 1949) p. 99 n. 1, de kerk van Aardenburg uit de 'hereditas' van Arnulf I; H. Stalpaert, 'De speelman van Aardenburg', in: De Biekorf 62 (1961) p. 321-335: het speelmanslied van 1740; Frans de Potter, Gent van de oudste tijd tot heden , dl. 2 (Handzame: Familia et Patria, 1972 [= Gent 1887-1901) p. 371: Gentse vleeshouwers en Aardenburg (1432, 1436); J. van Herwaarden, Opgelegde bedevaarten (Assen-Amsterdam: Van Gorcum, 1978) p. 4, Utrecht (1379) p. 120, 128, Maastricht (1380) p. 410-414, elders; B.R. de Melker, De ontwikkeling van de stad Aardenburg en haar bestuurlijke instellingen in de middeleeuwen (Middelburg 1987) p. 52-53, 170: ouderdom kerk; vgl. 77-79: de ligging van de kerk; A.M.J. Schutijser, De lieve vrouwtjes van Zeeland. Bedevaartplaatsen in Zeeland (Koudekerke: eigen beheer, 1988) p. 9-21; R.M. van Heeringen en H. Hendrikse, 'Nieuw licht op de Maria-verering te Aardenburg in de middeleeuwen', in: Zeeuws Tijdschrift 41 (1991) p. 97-103; G. Verhoeven, Devotie en negotie. Delft als bedevaartplaats in de late middeleeuwen (Amsterdam: VU-Uitgeverij, 1992) p. 75, op weg naar Rome verdwaalde pelgrim roept onder andere O.L. Vrouw van Aardenburg aan (1384); J.E.A. Boomgaard, Misdaad en Straf in Amsterdam. Een onderzoek naar de strafrechtspleging van de Amsterdamse schepenbank 1490-1552 (Zwolle: Waanders, 1992) p. 156, 158, opgelegde bedevaarten; 'Bedevaart De Zonnebloem', in: De Sincfalbode 7 mei 1996; Guido Elias en Bert Stienaers, Bedevaarten. Voor pelgrim en toerist (Roeselaere-Baarn: Globe-De Fontein, 1997) p. 135-136; Jan Peeters, 'Ook Maria worstelt...', in: Katholiek Nieuwsblad, 10 juni 2011, p. 16-17.

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<