Egmond-Binnen, H. Adalbert (Adelbertus)

Cultusobject: H. Adalbert (Adelbertus)
Datum: 25 juni (zondag na); (middeleeuwen ook 15 juni)
Periode: Na ca. 750 - heden
Locatie: St. Adalbertabdij; St. Adalbertakker
Adres: Abdijlaan 26, 1935 BH Egmond-Binnen
Gemeente: Egmond
Provincie: Noord-Holland
Bisdom: Haarlem
Samenvatting: De heilige Adalbert werd na zijn dood, omstreeks het midden van de 8e eeuw, begraven in het oorspronkelijke Egmond, dat pelgrims ging trekken. Graaf Dirk I van Holland liet in 922 Adalberts gebeente opgraven en overbrengen naar zijn vrouwenklooster in Hallem (het huidige Egmond-Binnen). Bij de opgraving van het gebeente was in Adalberts graf een bron met geneeskrachtig water ontsprongen. Zowel het water in het oude Egmond als de relieken in de schrijn op het hoogaltaar van de abdijkerk in Egmond-Binnen vermochten blinden en bezetenen te genezen. Na de reformatie werden de relieken bewaard in Haarlem. Aan het einde van de 19e eeuw keerden ze terug naar de St. Adelbertuskerk in Rinnegom. Het in 1935 heropgerichte benedictijner klooster in Egmond-Binnen is thans het centrum van de Adalbertverering. Sinds 1984 worden daar ook de relieken van de heilige bewaard. Rondom de oude Adelbertusput werd vanaf 1923 de St. Adelbertusakker ingericht. Jaarlijks komen hier op de zondag na het feest van Sint Adalbert (25 juni) parochianen, monniken van de abdij en pelgrims samen om de eucharistie te vieren
Auteur: Jurjen Vis
Illustraties:
Topografie Abdijcomplex
- Volgens de Vita Sancti Adalberti (ca. 985) bouwden 'gelovigen' na het overlijden van Adalbert (omstreeks het midden van de 8e eeuw) een kerkje boven het graf van de heilige. Dit gebouw werd na circa 800 door de Noormannen verwoest, maar naderhand door de priester Amalat weer opgebouwd. De Noormannenkoning Rorik heeft omstreeks 870 per schip de kerk bezocht. Op 15 juni 922 schonk koning Karel III (de Eenvoudige) van het Westfrankische rijk de kerk ('ecclesia') van Egmond met haar uitgestrekte goederenbezit aan graaf Dirk I van Holland. De graaf liet op 15 juni, waarschijnlijk de dag van de schenking, het gebeente van St. Adalbert uit de kerk opgraven en overbrengen naar zijn klooster in Hallem (thans: Egmond-Binnen). Bij de opgraving welde in de grafkuil een bron met geneeskrachtig water op.
- Het houten vrouwenklooster in Hallem is in het midden van de 10e eeuw tweemaal door brand verwoest. Graaf Dirk II (†6 mei 988) herbouwde de abdij in steen - een bijzonderheid in deze streken - en liet de relieken van Sint Adalbert in een fraaie schrijn vatten. Deze was geplaast op het hoogaltaar van de abdijkerk. Onder het abbatiaat van Wouter van Gent (1130-1161) werd de in verval geraakte abdijkerk afgebroken en vervangen door een grotere kerk; de abt liet ook het klooster herbouwen. De jaardag van de kerkwijding, 7 oktober 1143, wordt ook in de 20e eeuw nog door de Egmondse benedictijnen gevierd.
- In verband met het verwachte Spaanse beleg van Alkmaar verwoestten de geuzen de Egmondse abdij begin juni 1573. Alleen het front van de abdijkerk stond nog overeind: de twee torens met daar tussenin de toegang met het beroemde tympaan, dat thans in het Rijksmuseum te Amsterdam wordt bewaard. Arend van Buchel heeft de torens getekend in zijn Diarium (1591). De Noordertoren begaf het begin maart 1596, de zuidertoren stortte in op 19 december 1798.
- In de 19e eeuw begon men in den lande steeds sterker te beseffen dat het een schande was dat koeien graasden op de plek waar veel Hollandse graven en gravinnen hun laatste rustplaats hadden gevonden. Mr. D.J. van Lennep hield op 14 april 1841 een redevoering voor het Koninklijk Nederlands Instituut van Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten, waarin hij pleitte voor de oprichting van een gedenkteken op de plaats van het klooster.
- In 1903 werd de Amsterdamse zakenman Bernard B. de Bont (1845-1908) eigenaar van de abdijgronden. Hij had het voornemen op de plaats van de voormalige abdijkerk een mausoleum voor de Hollandse graven te bouwen. In 1909 verkocht zijn weduwe de gronden aan de St. Adelbertstichting, die zich de herbouw van de 'regale abdij van Egmond' ten doel stelde. Deze 'roomse droom' ontmoette ook in niet-katholieke kringen veel sympathie. Toen eenmaal Nederlands eerste katholieke minister-president, Charles Ruijs de Beerenbrouck, zijn schouders onder het herbouwproject had gezet, was het succes van de onderneming verzekerd. Onder zware financiële lasten werd het ontwerp van architect A.J. Kropholler voor een kleine priorij uitgevoerd. In 1935 vestigden zich, vanuit de St. Paulusabdij te Oosterhout, de eerste monniken in Egmond. In 1950 werd de priorij verheven tot 'regale abdij' en het gebouwencomplex aanzienlijk uitgebreid, onder meer met een kerk.

Bron, kapel en St. Adelbertusakker
- De Adalbertcultus mocht zich gedurende de middeleeuwen hebben verplaatst van de kerk in het oorspronkelijke Egmond naar de abdij in Hallem (het huidige Egmond-Binnen), de bron in Egmond bleef pelgrims trekken. In het oudste deel van de Evangelieaantekeningen (tweede helft 10e eeuw) is sprake van de priester 'die de kerk waar Sint Adalbert eerst heeft gerust, onderhoudt'. Of er toen in het oude Egmond nog een kerk was, is echter zeer de vraag. In de Vita Sancti Adalberti is slechts sprake van 'de plaats' waarheen de pelgrims gingen. We mogen veronderstellen dat de graven van Holland met het bezit van de relieken de stroom pelgrims van de kerk van Egmond naar hun klooster in Hallem hebben willen afbuigen. Vermoedelijk hebben zij de kerk van Egmond - sinds 922 hun bezit - laten vervallen. Zij zijn niet geslaagd in hun opzet: uit de vita blijkt dat het oude Egmond met de geneeskrachtige bron aan het einde van de 10e eeuw nog steeds een populair bedevaartoord was; veel blinden en bezetenen vonden er genezing.
- In 1113 werd op de plaats 'waar het lichaam van Adalbert ooit begraven was geweest' (toen dus de plaats van de bron), een kleine kapel gebouwd. Deze werd op 3 november van dat jaar door de Utrechtse wijbisschop Gerold gewijd. Vermoedelijk heeft men op deze wijze vanuit de abdij de cultus willen reguleren. De schrijver van de Miracula Nova Sancti Adalberti (1120-1143) beschrijft alleen de wonderen die plaatsvonden bij de relieken in de abdijkerk en zwijgt in alle talen over de geneeskrachtige bron. Uit 14e- en 15e-eeuwse getuigenissen blijkt echter dat het water uit de bron en de relieken in de abdijkerk naast elkaar deel uitmaakten van de hagiotherapie.
- De Egmondse memoriemeester Hendrik van Son beschrijft in zijn notitieboek (eind 15e eeuw) dat monniken en pelgrims jaarlijks op 15 en 25 juni na de hoogmis vanuit de abdijkerk in feestelijke processie naar de kapel boven het voormalig graf van Sint Adalbert trokken, over de Aelbrecht- of Aelbertsweg.
- De kapel onderging in juni 1573 hetzelfde lot als de abdij: een vrijwel totale verwoesting. Op veel landkaarten uit de 17e eeuw wordt echter de 'S. Alberts Capel' nog genoemd. Jan Jansz. Dou (1684) is de eerste kartograaf die alleen de 'St. Aelbertsput' vermeldt. Of er in de 17e eeuw ter plaatse nog restanten van de kapel waren te zien, is niet bekend.
- De grond rondom de put van Sint Adalbert was na de reformatie in handen van de Hervormde gemeente te Egmond-Binnen. Vanaf het midden van de 19e eeuw mocht de put zich verheugen in nieuwe belangstelling van katholieke geleerden en heemkundigen. Dit bleef uiteraard in Egmond zelf niet onopgemerkt. In 1860 gaven de Hervormde kerkvoogden verlof een schutting met een hekje op een afstand van één Hollandse el rondom de put te plaatsen; langs het voetpad van de weg naar de put kwam eveneens een hekje te staan. De kosten van het onderhoud waren voor rekening van de kerkmeesters van de r.k. parochie. Deze zorg kon echter niet verhinderen dat de put verder in verval raakte. In 1888 stelde het college van kerkvoogden een commissie in die was belast met de inzameling van gelden voor de restauratie van hun kerkelijke eigendom.
- Bij archeologisch onderzoek in 1920 en 1924 (uitgevoerd door prof. dr. J.H. Holwerda) werden de fundamenten van de oude kapel teruggevonden: de put bleek midden in het koor van de middeleeuwse kapel te hebben gestaan. In de daaropvolgende jaren heeft men het grondplan van de kapel aangegeven met grote zandsteenblokken.
- In 1921 had de Alkmaarse margarinefabrikant en politicus Gerrit van den Bosch (1857-1931) kans gezien de St. Adelbertusakker, toen nog een 'armelijk bouwlandje', voor ⨍5000,- van de N.H. gemeente te kopen. In 1923 stonden bij de put een kruis en knielbanken. Met de toename van het aantal pelgrims eind jaren twintig, groeiden ook de plannen voor de bouw van een kapel. De ambitieuze plannen van de architecten Stuyt en Van Driel werden echter nooit verwezenlijkt, omdat de middelen ontbraken. In 1934 richtte men aan het westen van de akker een eenvoudig houten bouwwerk op dat het hogergelegen altaar tot op de huidige dag beschutting biedt. Links van dit gebouw bevindt zich een kleine stenen devotiekapelletje met in mozaiëk een afbeelding van Sint Adalbert.
- In de Grote Provincie Atlas van Noord-Holland (1988) wordt de St. Adelbertusput nog altijd aangeduid als: 'St. Aelbertsput', een benaming die we ook tegenkomen op de kaart van Jan Jansz. Dou (1684) en die ongetwijfeld uit de middeleeuwen stamt. De weg van de abdij naar de akker, bij Dou nog aangeduid als St. Aelbertsweg, heette nog tot halverwege de jaren tachtig van de 20e eeuw 'Albertsweg'. Omstreeks 1988 heeft men de straatnaambordjes vernieuwd; daarop prijkt thans hypercorrect 'Sint Adelbertusweg'
Cultusobject - Adalbert, een van de volgelingen van de in Ierland woonachtige 'peregrinus' Egbert van Rathmelsigi, was in het voetspoor van St. Willibrord (dus na 690) in onze streken als missionaris werkzaam. Omstreeks het midden van de achtste eeuw is hij gestorven; hij werd in Egmond begraven. Na de elevatie van zijn gebeente in 922 ontsprong in het graf een bron met geneeskrachtig water. Tot het einde van de middeleeuwen bezochten al dan niet zieke pelgrims deze plaats; vooral blinden en kreupelen. Hetzelfde gold voor de abdijkerk waar in een schrijn op het hoogaltaar het gebeente van Adalbert werd bewaard.
- Bij de twee branden die volgens de Vita Sancti Adalberti (ca. 985) in het houten nonnenklooster hebben gewoed (tweede kwart tiende eeuw), zou de wade waarin het gebeente van St. Adalbert was gewikkeld, gespaard zijn gebleven. Van deze wonderbaarlijke doek ontbreekt in latere schriftelijke bronnen elk spoor. Uit het verslag van de vita blijkt niet dat het gebeente bij de branden door het vuur was aangetast. De reliek die wij thans nog bezitten is echter grotendeels verkoold. Dit zou betekenen dat graaf Dirk II omstreeks 975 een schrijn liet maken voor een reeds verkoold gebeente. De oudste afbeelding van de schrijn op het altaar is een miniatuur in het Evangeliarium van Egmond (ca. 975), een van de pronkstukken van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag.
- In de jaren 1510-1520 liet abt Meinard Man (1509-1526) een groot altaarretabel vervaardigen, waarin alle in het klooster aanwezige relieken, in hun kassen, werden opgeborgen. Of in dit retabel ook plaats was voor het schrijn van St. Adalbert, is niet bekend. Hof veronderstelt dat Adalberts schrijn, voordat vanaf 1530 gebruik werd gemaakt van een apart sacramentshuisje, ook als tabernakel diende. Volgens de reliekenlijst (begin 13e eeuw) bewaarden de monniken het 'corpus Domini' in de schrijn.
- Nog vóór de verwoesting van de abdij in juni 1573 hadden de monniken de relieken van St. Adalbert, St. Jeroen en andere heiligen in veiligheid gebracht in Haarlem, in een houten met leer overtrokken kistje. In 1595 werden de relieken nagezien, gesorteerd en van opschriften voorzien. In 1851 vond men de relieken bij de opheffing van de 'Vergaderinghe der Maechden in den Hoek', op de Bakenessegracht te Haarlem terug; ze werden overgedragen aan het bisdom. In 1868-1870 inventariseerde mgr. J.J. Graaf de relieken. Na 1889 stond het bisdom - op gezag van bisschop Caspar Bottemanne - de relieken van Adalbert af aan de parochiekerk van Egmond-Rinnegom. Daar werden ze geplaatst in een schrijn. Deze bevatte een glazen kistje, een glazen cilinder met botfragmenten en een enveloppe met beendergruis. Uit deze schat werden in de loop der tijden fragmenten afgestaan aan Adalbertuskerken en benedictijnerkloosters elders. In 1964 verhuisde de schrijn van Rinnegom naar Egmond-Binnen, waar een nieuwe Adelbertuskerk in gebruik was genomen. Afgezien van enkele kleine partikels berustten de relieken van Adalbert in het begin van de jaren tachtig alle in Egmond-Binnen. Ter gelegenheid van haar 200-jarig bestaan in 1984 stond de parochiekerk alle Adalbertrelieken af aan de abdij. In 1983-1984 onderzocht dr. G.J.R. Maat (Anatomisch Laboratorium van de Rijksuniversiteit Leiden) de relieken ten behoeve van een reconstructie van het skelet. Een eerdere, maar vruchteloze poging hiertoe was ondernomen in 1959 door dr. J. Holt.
- Op 24 juni 1984 vond de overbrenging plaats van de gereconstrueerde reliek van St. Adalbert (o.m. schedeldak, dij- en scheenbeenderen) van de St. Adelbertusakker naar de abdijkerk. De reliek - gevat in een perspex kistje - was voor de gelegenheid in het oude reliekenkistje (tweede helft 16e eeuw) geplaatst en werd door twee diakens op een draagbaar vervoerd. De diakens werden gevolgd door de monniken van de abdij en een grote schare parochianen en pelgrims. De grote menigte begaf zich in optocht over de oude Albertsweg naar de abdij. Het 'glazen' kistje werd daar op het hoogaltaar gezet en de gelovigen en nieuwsgierigen hadden gelegenheid langs te trekken. Na afloop werd het met een doek bedekte kistje in de confessio van het altaar geplaatst; daar werd het anno 1996 nog steeds bewaard.
- Ten behoeve van de C14-datering waren enkele kleine partikels afgezonderd. De uitkomsten van de onderzoeken van G.J.R. Maat (1995) en B.K.S. Dijkstra (1993), geheel onafhankelijk van elkaar uitgevoerd, liepen echter sterk uiteen. De bevindingen van Maat verdienen het vertrouwen: voorlopig is slechts zeker dat het gebeente toebehoort aan een man die op 40- à 50-jarige leeftijd is overleden en dat de verbranding van het skelet in het tweede kwart van de 10e eeuw heeft plaatsgevonden. Of dit gebeente werkelijk de relieken van Adalbert vormen, blijft natuurlijk een vraag. Op grond van de uitslag mag in ieder geval worden aangenomen dat dit gebeente gedurende de middeleeuwen is vereerd als zijnde dat van Adalbert.
Verering Middeleeuwen
- In de vita (ca. 985) van Adalbert staat dat al voor de komst van de noormannen in de eerste helft van de 9e eeuw er bedevaartgangers, zowel christenen als heidenen, bij het graf kwamen en daar niet tevergeefs vele offergaven brachten (cf. caput 10). Maar ook nog van daarvoor, uit de tweede helft van de 8e eeuw, meldt de vita, weliswaar in algemene hagiografische bewoordingen, dat Adalbert sinds zijn sterven 'onafgebroken door mensen werd vereerd' (cf. caput 8, 'humanis honorabatur excubiis'). Uit het gegeven dat de kerk van Egmond in 922 over een groot grondbezit beschikte, zou kunnen worden opgemaakt dat gelovigen landschenkingen aan Adalbert hebben gedaan. Op 15 juni van een ongenoemd jaar (waarschijnlijk 922) liet graaf Dirk I van Holland het gebeente van Adalbert opgraven, volgens de 'vita' nadat Adalbert in een droom driemaal aan de non Wilfsit was verschenen. Bij de opgraving bleek de wade waarin het lichaam van de heilige was gewikkeld geheel intact en onaangetast: een bewijs van Adalberts heiligheid. Bij de translatie van Egmond naar het houten nonnenklooster in Hallem vonden veel wonderen plaats.
- In de vita vinden we het verslag van enkele genezingen van leden van de Hollandse grafelijke familie: Adalbert redde graaf Dirk I uit ijsgang, hij bevrijdde de zoon van Dirk II, Egbert - de latere aartsbisschop van Trier -, van koorts, en zijn dochter Erlinda van blindheid.
- Vanaf het einde van de 10e eeuw gebeurden er volop wonderen in de abdijkerk, al dan niet in nabijheid van de relieken. Twee zieke kinderen werden, nadat ze op het altaar aan de heilige waren opgedragen en er genezing hadden gevonden, als oblaat in het klooster opgenomen. Een andere keer verloor een gekluisterde Engelse pelgrim vóór het kruis in de kloosterkerk zijn ijzeren boei. Zieke pelgrims die in Rome en zelfs Jeruzalem geen genezing hadden kunnen vinden, kwamen niet vergeefs in Egmond.
- De schrijver van de Miracula Nova Sancti Adalberti (ca. 1120-1143) vertelt dat op het feest van Adalbert (25 juni) altijd grote menigten pelgrims naar Egmond kwamen om de heilige eer te bewijzen. In het dorp was op die dag markt en kermis; ook Friezen - toen nog een vijandig volk - waren van de partij. Een seizoensvrede maakte dit mogelijk. Onder de bedevaartgangers waren traditiegetrouw veel bezetenen: 'zij vulden de kerk met gesteun, jammerklachten en gebeuk van vuisten, zozeer dat het lawaai de monniken die bezig waren psalmen te zingen of uit de schriften te lezen stoorde'.
- In de loop van de middeleeuwen liep het enthousiasme om op bedevaart naar Sint Adalbert te gaan terug. Vanaf het midden van de 13e eeuw begon men het imago van de Egmondse heilige, over wie weinig bekend was, te verfraaien. De 10e-eeuwse vita bood daarvoor enkele aanknopingspunten: in het eerste hoofdstuk wijst de biograaf op Adalberts adellijke afkomst, in het voorlaatste hoofdstuk wordt de heilige belijder eenmaal aangeduid als 'levita Christi' (diaken). Op het oudst bekende conventszegel van 1264 prijkt Adalbert reeds als Engelse koningszoon en diaken. De historieschrijver Jan Beke gaf in het midden van de 14e eeuw de diakentraditie een nieuwe impuls: Adalbert - traditioneel beschouwd als een gezel van Willibrord - zou de eerste aartsdiaken van het bisdom Utrecht zijn geweest.
- Drie aflaatverleningen (in 1246, 1251 en 1339) moesten de stagnerende devotie verder nieuw leven inblazen. Echt makkelijk ging het niet in Egmond, waarschijnlijk was er in dezelfde periode veel concurrentie van de steden met hun Bloed- en Kruiswonderen. In 1460 bestelden de monniken grote hoeveelheden relieken bij verschillende Duitse kloosters, om zo nieuwe pelgrims aan te trekken.
- Hoewel de relatie van de graven van Holland met hun 'huisheilige' door de eeuwen heen minder exclusief was geworden dan ze in de 10e eeuw lijkt te zijn geweest, bleven de graven Adalbert trouw. Tot in de 15e eeuw gingen zij regelmatig op bedevaart naar Egmond. Aan het einde van dezelfde eeuw mocht Egmond zich ook verheugen in koninklijk bezoek: namelijk van de Engelse koning Edward IV in 1470 en aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk in 1477.
- In de 14e en 15e eeuw gingen pelgrims overigens niet alleen vrijwillig naar Egmond. Enkele tientallen echt- en vredebrekers uit Holland, Zeeland en Vlaanderen werden gestraft met opgelegde bedevaarten naar Sint Adalbert.
- Vermoedelijk uit het midden van de 12e eeuw stamt het zogenaamde 'Adalbertofficie', een verzameling hymnen, antifonen, responsoria en lectiones, die bij de eerste vespers, de nachtgetijden en de getijden op het hoogfeest van Adalbert in de abdijkerk en de kapel boven de Adelbertusput werden gezongen. In de 20e eeuw was hiervan alleen de Adelbertushymne uit het Egmondse Hymnarium uit de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag bekend ('Ave Dei clare miles Adalberte': 'Gegroet zuivere soldaat Gods Adalbertus'). In 1990 werd het complete officie uit verschillende bronnen (een Brevier uit Rijnsburg en een Antifonale en het Hymnarium uit Egmond) gereconstrueerd en - waarschijnlijk voor het eerst sinds 1572 - integraal uitgevoerd; op Egmondse bodem, in de abdij.

Na de hervorming
- Eind april 1567 hadden de Egmondse monniken al zeer te lijden gehad onder het optreden van de geuzen. Op 7 juni 1573 viel het doek definitief: bij het op handen zijnde beleg van Alkmaar hebben de geuzen de abdij in brand gestoken en de gebouwen met de grond gelijk gemaakt. De monniken waren al eerder gevlucht en hadden de relieken en enkele voorwerpen van grote waarde meegenomen: het ⟶ Kruis van Egmond, het Evangeliarium en een paar kostbare schilderijen en boeken. Het hele kloosterarchief en het grondbezit van de abdij werden genaast door de Staten van Holland.
- De gelovigen bleven ondanks de tegenwerking volharden in hun devotie bij het putje. Arend van Buchel tekende in 1591 in zijn dagboek aan dat er jaarlijks op het feest van Sint Adalbert een zeer grote menigte naar Egmond kwam 'om het wonderdadig putje te vereren'. Volgens het verslag van Jacobus de la Torre uit 1656 vermocht het water 'ook heden ten dage' nog blinden het gezicht terug te geven en koortsigen te genezen. De jezuïet Daniël Papebroch (1709) verhaalt - op gezag van zijn medebroeder Floris van Montfoort die in Alkmaar actief was - dat de bevolking van Egmond bijna in haar geheel katholiek was gebleven en er jaarlijks op 25 juni een pater jezuïet uit Alkmaar naar Egmond kwam om de feestpreek te houden. Waar die preek werd gehouden en of er tijdens of na afloop van de viering ook gebruik werd gemaakt van het wonderwater, blijkt niet. De Alkmaarder Adriaan van Westfalen (1626-1695) berichtte aan de jezuïet Godfried Henschen dat er nog altijd pelgrims naar de put kwamen die door het drinken van het water genezing vonden. In de 18e eeuw werd het water nog wel eens gebruikt voor de genezing van koeien. In 1829 herstelde men 'de schier vergeten put', niet zozeer uit piëteit als wel om te voorkomen dat het vee erin zou verdrinken.
- In 1859 werd de eerste steen gelegd voor de nieuwe St. Adelbertuskerk te Rinnegom. Pastoor W.P. Janmaat (pastoor van 1862 tot 1892) heeft veel voor de Adalbertdevotie gedaan. Op 25 juni bracht hij zijn parochianen altijd naar de heilige plaats in het weiland. Het wijwater dat men in de parochie gebruikte kwam uit de put.
- Op 29 maart 1909 werd de St. Adelbertstichting in het leven geroepen. Deze stichting stelde zich ten doel het benedictijns leven op Egmondse bodem in volle glorie te herstellen. Voorzitter was de eerste prior van de benedictijner St. Paulusabdij te Oosterhout, Dom Jean de Puniet de Parry. Het zou nog lang duren voor de bisschop van Haarlem (mgr. J. Callier) toestemming gaf tot vestiging van benedictijnen in zijn diocees; pas in 1935 was het zover. Het herstel van de put en de inrichting van de St. Adelbertusakker waren voorlopig gemakkelijker te realiseren doelen. De grote motor hierachter was de Alkmaarse margarinefabrikant en politicus Gerrit van den Bosch (1857-1931; vgl. ? Heiloo). In 1909 bezocht hij voor het eerst de put, samen met de latere Warmondse kerkhistoricus dr. W. Nolet. Deze schreef later: 'we vonden een put, die er niet bijzonder oud uitzag, midden op een armelijk bouwlandje'. Van den Bosch slaagde er in 1921 in voor ? 5000,- het land van de Hervormde gemeente op te kopen. In 1923 werden bij de put een kruis en knielbanken geplaatst. Al in 1925 was er sprake van een 'wassende stroom pelgrims'. Op 25 juni 1926 werd voor het eerst op de akker de mis opgedragen. Sindsdien heeft men er steeds op de zondag na 25 juni een feestelijke eucharistie in de open lucht gehouden.
- In de jaren dertig plachten bedevaartgangers uit Amsterdam en andere plaatsen zich de avond tevoren te voet in een Adelbertustocht naar Egmond te begeven, zodat zij daar de vroegmis konden meemaken. In de loop van de dag was er een processie van de parochiekerk in Rinnegom naar de put, waarbij de relieken van St. Adalbert werden meegedragen. Vóór 1940 kwamen er uit Amsterdam doorgaans twee bussen met pelgrims. In de laatste oorlogsjaren kon de bedevaart wegens de evacuatie van een groot deel van Egmond geen doorgang vinden. Na de oorlog zakte de Adelbertusbedevaart in; ook de Amsterdamse pelgrims lieten het afweten. Meer en meer werd het Adalbertfeest een Egmonds gebeuren: een feest voor de parochianen, de monniken en de met de abdij verbonden gelovigen.

Einde 20e eeuw
- In de parochiekerk van Egmond-Binnen bevindt zich in de kluis een 19e-eeuwse metalen reliekschrijn met daarin nog één botfragmentje van Adalbert. Jaarlijks plaatst men de schrijn op de eerste zondag na 25 juni vóór het altaar op de St. Adelbertusakker; de overbrenging geschiedt in stilte. In de kerk zelf bevinden zich een 20e-eeuws houten beeld van Adalbert en een dito wandkleed dat de heilige verbeeldt. Door het jaar heen wordt er geen aandacht besteed aan Adalbert; bij de kerk komen geen pelgrims.
- De jaarlijkse vieringen op de akker zijn een gezamenlijk initiatief van de parochiekerk en de abdij. Het ene jaar preekt de pastor, het andere jaar een van de monniken. Voor elke jaarlijkse viering wordt een apart misboekje gemaakt. Er is geen processie naar het park of een omgang in het park. Uitzonderlijk was de viering van 24 juni 1984, toen na afloop de kort tevoren gereconstrueerde relieken van Sint Adalbert van de Adelbertusakker in optocht naar de abdijkerk werden gedragen. Een simpele ontheffing van de politieverordening bleek voldoende om het verkeer op de grote weg van Egmond naar Bakkum gedurende langere tijd stil te laten houden.
- Het water uit de put kent verschillende toepassingen: de gelovigen worden ermee op het feest van de heilige besprenkeld; individuele pelgrims kunnen het water ter plekke drinken. Er zijn lieden die het water mee naar huis nemen en het hun zieke huisdieren te drinken geven. Op de met een hangslot afgesloten putdeksel staat steeds een tot de rand gevulde zinken emmer; het water kan echter met een eenvoudige handpomp door ieder naar believen worden opgepompt. De akker is vrij toegankelijk.
- Op de akker of in het nabijgelegen café Sint Adelbert zijn geen devotionalia te verkrijgen; evenmin in de parochiekerk en de abdij. In de portiersloge van de abdij worden wel afbeeldingen van Sint Adalbert verkocht: reproducties van een ets van Abraham Bloemaert (eerste helft 17e eeuw) en een detailopname van een Egmondse suppliek van 1515 waarop de 'koningszoon' Adalbert staat afgebeeld. Tevens is het boekje Adelbert en Egmond (1990) te verkrijgen, waarin ook een moderne vertaling van de Vita Sancti Adalberti is opgenomen

Bronnen en literatuur Archivalia: Alkmaar, regionaal archief: archief St. Adelbertusparochie Egmond-Binnen, inv. nr. 172; hervormde gemeente Egmond-Binnen, inv. nrs. 60 en 101.
Tekstedities: G. Henschen, 'De S. Adalberto Diacono', in: Acta Sanctorum Iunii VII (Parijs: V. Palmé, 1867) p. 83 e.v.; J. de la Torre, 'Relatio seu descriptio', in: Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht 11 (1883) p. 159; J.de la Torre e.a., 'Descriptio status', in: Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht 12 (1884) p. 422; A.C.F. Koch ed., Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299, dl. 1 ('s-Gravenhage: Nijhoff, 1970) nr. 28; W. Levison, 'Wilhelm Procurator von Egmond und seine Miracula s. Adalberti', in: Neues Archiv 40 (1916) p. 793-804; O. Oppermann ed., Fontes Egmundenses (Utrecht: Kemink en zoon, 1933) p. 62, evangelieaantekeningen, p. 95, wijdingsberichten; G.N.M. Vis, 'De Vita Sancti Adalberti Confessoris', in: Egmond en Berne. Twee verhalende historische bronnen uit de middeleeuwen ('s-Gravenhage: Nederlands Historisch Genootschap, 1987) p. 1-86; A.M.J. Zijlstra ed., Officia Sancti Adelberti Egmundensis (Egmond: St. Adelbertabdij, 1990) p. 13-14; G.N.M. Vis, 'De Historia en de Miracula Nova Sancti Adalberti', in: G.N.M. Vis, m.m.v. J.P. Gumbert ed. Egmond tussen Kerk en wereld (Hilversum: Verloren, 1993) p. 67-137.
Literatuur: D. Buddingh, Mirakel-Geloof en Mirakelen in de Nederlanden ('s-Gravenhage: H.C. Susan, 1845) p. 90 e.v.; J.A. de Rijk, 'St.-Aelbrechtsput bij Egmond', in: Het jaarboekje van Alberdingk Thijm 1859, p. 193-210; J.A. de Rijk, 'Heilige Plaatsen in het Bisdom Haarlem, III. St. Aelbertsput te Egmond', in: Bijdragen tot de geschiedenis van het bisdom van Haarlem 1 (1873) p. 400-420; J.J. Graaf, 'De reliquiën van St. Jeroen en St. Adelbert uit de abdij van Egmond', in: Bijdragen tot de geschiedenis van het bisdom van Haarlem 2 (1874) p. 377-412; A.C.J. van der Kemp, 'De bedevaarten onzer landgenooten', in: Studiën en bijdragen op 't gebied der historische theologie 4, 1e stuk (1878) p. 14-15; C. Pijnacker Hordijk, 'Wat weten wij omtrent den heiligen Adalbert van Egmond', in: Bijdragen voor vaderlandse geschiedenis en oudheidkunde, 4e reeks, 1 (1906) p. 145-174; G.Th.M. van den Bosch, 'De St. Adelbertsput te Egmond-Binnen', in: Katholieke Illustratie 56 (1921-1922) p. 269; G.Th.M. van den Bosch, 'De St. Adelbertsput te Egmond-Binnen', in: Sint Bavo 25 (1922) p. 34; G.Th.M. van den Bosch, 'St. Adelbert en Egmond', in: Sint Bavo 27 (1924) p. 58; 'Kapelontwerp', in: Katholieke Illustratie, 30 januari 1924; G.Th.M. van den Bosch, 'Het oude worde weer nieuw. De St. Adelbertus-akker te Egmond-Binnen in natuursteen uitgezet op de oude grondslagen', in: Sint Bavo 29 (1926) p. 124; Maria Hüffer, St. Adelbert van Egmond, Apostel van Kennemerland (Nijmegen 1926); G.Th.M. van den Bosch, 'Juni-Egmond-1927', in: Sint Bavo 30 (1927) p. 220; 'Bij St.Adalbertus te Egmond', in: Katholieke Illustratie 67 (1933) nr. 39, p. 848-849; Piet Visser, 'De Abdij van Egmond. II. Pogingen tot herstel', in: Vrienden van Egmond aan het woord over verleden en toekomst van de abdij (Haarlem 1934) p. 23-45; 'Egmond gaat herrijzen', in: Katholieke Illustratie, 4 juli 1934, p. 945; H. van Boven, 'Naar het herstel', in: Tien Eeuwen Egmond. Ontstaan, bloei en ondergang van de regale abdij van Egmond (Heemstede: De Toorts, 1950) p. 158-195; P. Andriessen, 'Het graf van Sint Adelbert', in: Tien Eeuwen Egmond (1950) p. 11-25; W. Nolet, 'Persoonlijke herinneringen', in: Tien Eeuwen Egmond (1950) p. 196-209; Romain Roussel, Les Pèlegrinages à travers les siècles (Parijs: Payot, 1954) p. 173; J. Hof, De abdij van Egmond van de aanvang tot 1573 ('s-Gravenhage-Haarlem, 1973) p. 315-316; J. van Herwaarden, Opgelegde bedevaarten (Assen-Amsterdam: Van Gorcum, 1978) p. 85 en 295; E.H.P. Cordfunke, Opgravingen in Egmond. De abdij van Egmond in historisch-archeologisch perspectief (Zutphen: Walburg Pers, 1984); G.J.R. Maat, 'De relieken van St. Adelbert', in: E.H.P. Cordfunke, Opgravingen in Egmond, p. 155-172; H. van Boven, 'Openingsrede', in: St. Adelbert Abdij 1935-1985. Deo Vacare (Egmond 1985) p. 2-29; G.N.M. Vis, 'Adalbert van Egmond, een diaken in het gezelschap van Sint Willibrord?, in: E.H.P. Cordfunke e.a. ed. Kennemer Historie. Uit de geschiedenis van Alkmaar en omstreken, (Zutphen: Walburg pers, 1987) p. 17-36; G.N.M. Vis, 'Twee Egmondse feestdagen: 15 en 25 juni', in: Vrienden van Egmond (juni 1988); G.N.M. Vis, 'De twaalf gezellen van Sint Willibrord', in: P. Bange en A.G. Weiler ed., Willibrord, zijn wereld en zijn werk (Nijmegen 1989) p. 128-148; A.M. Mulder-Bakker, 'De wijze lessen van Willem Procurator', in: G.N.M. Vis, M. Mostert en P.J. Margry, Heiligenlevens, Annalen en Kronieken (Hilversum: Verloren, 1990) p. 115-143; G.N.M. Vis, 'Sint Adalbert en de andere structuren. Over het karakter van de levensbeschrijving en de verschillende wonderverhalen van Sint Adalbert van Egmond', in: Heiligenlevens, Annalen en Kronieken (1990) p. 35-54. G.N.M. Vis, Adelbert en Egmond. Het Leven van de heilige belijder Adelbert (Egmond-Binnen: Sint-Adelbertabdij, 1990); A.M.J. Zijlstra, 'Het Officie van Sint Adalbert. Vistekaartje van een middeleeuwse abdij', in: G.N.M. Vis m.m.v. J.P. Gumbert ed., Egmond tussen Kerk en wereld (Hilversum: Verloren, 1993) p. 193-214; B.K.S. Dijkstra, 'De relieken van St. Adelbert', in: Oud Alkmaar 17 (1993) p. 10-21; E.H.P. Cordfunke en G.J.R. Maat, 'Sint Adelbert en Egmond: mythe of werkelijkheid?', in: Holland 27 (1995) p. 1-8; J.G. Smit, Vorst en onderdaan. Studies over Holland en Zeeland in de late Middeleeuwen (Leuven: Peeters, 1995) p. 54-55, 60; Clemens Jöckle, Bedevaartsoorden. Honderd bedevaartplaatsen van Europa (Helmond: Palladium, 1997) p. 134.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Egmond-Binnen - Adalbert; Meertens Instituut volkskundige vragenlijst 64a (1993); Collectie 'Adalbert' van A.J. Bomans, opgenomen in BiN-dossier (acquisitie 2012).

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<