Delft, O.L. Vrouw ter Nood Gods

Cultusobject: O.L. Vrouw ter Nood Gods
Datum: Onbekend
Periode: Ca. 1381 - 1572
Locatie: Parochiekerk van St. Ursula (Nieuwe Kerk; thans N.H.)
Adres: Nieuwe Markt 80, 2611 GW Delft
Gemeente: Delft
Provincie: Zuid-Holland
Bisdom: Rotterdam
Samenvatting: Reeds tijdens de bouw van de Nieuwe Kerk in 1381 werd een Mariabeeld verworven, dat onmiddellijk voorwerp van verering werd. Wonderen stimuleerden de cultus, die een belangrijke bron van inkomsten werd. Sinds circa 1520 was de verering tanende.
Auteur: Gerrit Verhoeven
Illustraties:
Topografie - De Nieuwe Kerk, gelegen aan de Markt in het midden van de stad, werd in 1381 gesticht naar aanleiding van een verschijning van Maria boven het Marktveld. Op de plaats waar vroeger misdadigers werden terechtgesteld, werd een kerk gebouwd, gewijd aan Maria en Sint Ursula. Het beeld stond in een kapel ten noorden van het hoogkoor.
Cultusobject - Het cultusobject betrof een Mariabeeld waarvan het materiaal en formaat niet meer bekend zijn, voorstellend 'van Onser Liever Vrouwen in der noodt, also si onder den cruce sat droeflick mit horen gebenediden kinde op hair scoot leggende'.
Verering Oorsprong en mirakelen
- De oorsprongslegende is opgenomen in de kroniek van de Nieuwe Kerk, waarschijnlijk geschreven in het tweede decennium van de 16e eeuw. Tijdens de bouw van de kerk, in of na 1381, overnachtte in Delft een 'constenair ende meester' die op weg was naar de jaarmarkt van Antwerpen of Brugge. Hij had onder meer een Mariabeeld bij zich, dat in de smaak viel bij degenen die verantwoordelijk waren voor de bouw van de kerk, maar voor hen te duur was. Toen de meester de volgende dag verder wilde reizen en zijn koopwaar naar het schip wilde dragen, kon hij het bewuste Mariabeeld niet tillen. Na verscheidene vergeefse pogingen gaf hij het op en liet de gegadigden van de vorige dag komen. Hij bood hun het beeld nu voor veel minder geld aan. De koop werd gesloten en het beeld liet zich zonder problemen vervoeren naar de Nieuwe Kerk.
- Het ontstaansverhaal van de cultus wordt gevolgd door 90 in het Nederlands geschreven mirakelverhalen, die voor het merendeel zeer uitvoerig zijn. Meer dan de helft werd vastgelegd door een notaris, wat aangeeft dat er veel zorg werd besteed aan een betrouwbare weergave van het relaas van de betrokkene. Elf wonderverhalen en de stichtingslegende van de kerk werden in 1387 opgenomen in een Latijnse notariële oorkonde, die waarschijnlijk is gebruikt voor de verwerving van de aflaat van 1390. Het laatste verhaal dateert van 1516.
Vrijwel alle wonderen hadden betrekking op medische kwesties. Er lijkt sprake te zijn geweest van een zekere specialisatie. Bijna de helft van de mirakelen heeft betrekking op genezing van kreupelheid en verlamming en op redding bij verdrinkingsgevaar. Bijna alle geredde of herleefde drenkelingen waren kinderen.
- Maria ter Nood Gods had van de Delftse culten de grootste uitstraling. Een vijfde van degenen die een wonder meldden, kwam van meer dan een halve dagreis afstand en moest dus één of meer keer overnachten om de bedevaart te volbrengen.
- Op vier hoogtijdagen werden processies gehouden. De eerste was op de dag van de Gulden Mis, een woensdag in december. De tweede was op de zondag voor Maria Lichtmis (2 februari), de dag waarop de verschijning van Maria werd herdacht die ten grondslag lag aan de stichting van de kerk ('apparitio ecclesiae'). De derde processie werd gehouden op Hemelvaartsdag, ter herinnering aan een wonder dat in 1444 op die dag plaats had gevonden, toen de kerk op voorspraak van Maria werd gespaard voor verwoesting door brand. De vierde was de ommegang, die oorspronkelijk ter ere van Maria van Jesse in de Oude Kerk werd gehouden, maar waarin ook de beelden van de Nieuwe Kerk werden meegevoerd. In 1450 bepaalde het stadsbestuur dat in oneven jaren het beeld van Maria van Jesse uit de Oude Kerk voorop mocht, in even jaren het beeld van Maria ter Nood Gods uit de Nieuwe Kerk (⟶ Delft, Maria van Jesse).
Na elke processie, behalve die in december, bleef het beeld nog acht dagen 'voorstaen', dat wil zeggen voor het koor. Pas na het octaaf keerde het terug naar de kapel, die werd bewaakt door vrouwen. Nergens blijkt dat zij begijnen waren, zoals in de Oude Kerk, of andere (semi-)religieuzen.

Aflaten, broederschap en einde
- Op 20 mei 1390 gaf paus Bonifatius IX een aflaat van drie jaar en 120 dagen, die in de Nieuwe Kerk kon worden verworven op een groot aantal feestdagen. Aanleiding waren de vele mirakelen die daar geschiedden, waarmee waarschijnlijk op de cultus van O.L. Vrouwe ter Nood werd gedoeld. Op 4 april 1410 verleende wijbisschop Matthias een aflaat van veertig dagen aan de vereerders van Christus in het graf en Maria ter Nood Gods, beide gesitueerd in de kapel. Drie weken later werd deze aflaat verdubbeld door Frederik van Blankenheim, bisschop van Utrecht.
- In 1468 werd volgens de kroniek een poging gedaan een broederschap op te richten voor Maria ter Nood Gods. Er werden giften ingezameld om haar cultus te intensiveren en velen lieten zich inschrijven als lid. Het initiatief bloedde echter dood, volgens de auteur door toedoen van de Mariabroederschap in de Oude Kerk, die concurrentie vreesde.
- In 1501 werd bij Tieman Janszoon een nieuw houten tabernakel voor het beeld besteld, voorzien van afbeeldingen van de zeven smarten van Maria. Op 28 april 1512 werd het altaar na een grondige verbouwing van de kapel opnieuw gewijd, en wel aan God, de passie van Christus, de zeven smarten en de zeven vreugden van Maria, en Ursula, de kerkpatrones. Wijbisschop Jacobus van Kalkar verleende een aflaat van veertig dagen; Frederik van Baden, bisschop van Utrecht, deed er nog eens veertig dagen bij. De aflaten waren niet alleen te verdienen door het bijwonen van plechtigheden bij het nieuwe altaar, maar ook door het deelnemen aan een processie ter ere van O.L. Vrouw van Zeven Smarten en door het lidmaatschap of op andere wijze steunen van de broederschap te harer ere. De oude cultus van Maria ter Nood Gods werd hiermee ingekaderd in de vrij nieuwe Delftse cultus van ⟶ O.L. Vrouw van Zeven Smarten, die in de Oude Kerk en elders zo succesvol was gebleken.
- Sinds 1520 namen de inkomsten uit de cultus sterk af, hetgeen wijst op een tanende belangstelling. Bij de beeldenstorm kon het beeld nog worden gered, maar in 1572 verdween het definitief.
Bronnen en literatuur Archivalia: De kroniek van de Nieuwe Kerk, die ook de aflaten en de wonderverhalen bevat, berust in de British Library te Londen, additional manuscripts nr 25.050
Tekstedities: Bovenstaand handschrift is uitgegeven door D.P. Oosterbaan, 'Kroniek van de Nieuwe Kerk te Delft, inleiding en aantekeningen', in: Haarlemse Bijdragen. Bouwstoffen voor de geschiedenis van het Bisdom Haarlem 65 (1958) p. 2-336; M. Carasso-Kok, Repertorium van verhalende historische bronnen uit de middeleeuwen (Den Haag: Nijhoff, 1981) nr. 132.
Literatuur: R. Boitet, Beschryving der stadt Delft etc. (Delft 1729) p. 268-278; J.H.A. Thus, 'Processie of 'ommegancks'-spelen te Delft in de XV of de XVIe eeuw', in: De Katholiek 127 (1905) p. 346-364; J.A.F. Kronenburg, Maria's heerlijkheid in Nederland, dl. 6 (Amsterdam: Bekker, 1909) p. 172-182; S. Muller, Geschiedkundige atlas van Nederland. De kerkelijke indeeling omstreeks 1550, tevens kloosterkaart, dl. 1 ('s-Gravenhage: M. Nijhoff, 1921) p. 270-271; D.P. Oosterbaan, 'Kroniek van de Nieuwe Kerk te Delft; inleiding en aantekeningen', in: Haarlemse Bijdragen. Bouwstoffen voor de geschiedenis van het Bisdom Haarlem 65 (1958) p. 2-336; L. Van der Burgh, 'Het altaar van Onze Lieve Vrouwe ter Noot Gods in de Nieuwe Kerk te Delft', in: Bulletin van de Stichting Oude Hollandse Kerken 29 (herfst 1989) 8; G. Verhoeven, Devotie en negotie. Delft als bedevaartplaats in de late middeleeuwen (Amsterdam: VU uitgeverij, 1992).
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Delft-OLV ter Nood Gods
  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<