Delft, O.L. Vrouw van Zeven Smarten

Cultusobject: O.L. Vrouw van Zeven Smarten
Datum: Onbekend
Periode: 1503 - 1572
Locatie: Parochiekerk van St. Hippolytus (Oude Kerk; thans N.H.)
Adres: Oude Delft (t.o. nr 5), Delft.
Gemeente: Delft
Provincie: Zuid-Holland
Bisdom: Rotterdam
Samenvatting: Aan het eind van de 15e eeuw ontstond in de Zuidelijke Nederlanden een gebedsbroederschap van O.L. Vrouw van Zeven Smarten. In 1503 kwam in de Oude Kerk te Delft een cultuscentrum tot stand, dat in korte tijd zeer populair werd. Omstreeks 1520 begon de belangstelling echter al weer af te nemen.
Auteur: Gerrit Verhoeven
Illustraties:
Topografie - De Oude Kerk is gelegen aan de westzijde van de middeleeuwse binnenstad van Delft. Het beeld van Maria van Zeven Smarten stond in een koorkapel aan de noordzijde (� ⟶ Delft, H. Kruis).
Cultusobject - Het beeld (materiaal niet meer bekend) was van het type pietà: een zittende Maria met op haar schoot de van het kruis afgenomen Christus. In een aantal andere plaatsen waar de broederschap was gevestigd, fungeerden schilderijen met deze voorstelling als cultusobject. Dat het in Delft ging om een beeld, blijkt uit de omschrijving van een schenking van een zilveren ketting, bestemd om op hoogtijdagen te hangen om het lichaam van Christus, liggend op de schoot van Maria.
Verering Oorsprong
- Aan het eind van de 15e eeuw ontstond in de Zuidelijke Nederlanden een gebedsbroederschap ter ere van O.L. Vrouw van Zeven Smarten. Hierbij werd een belangrijke rol gespeeld door de dominicanen, die eerder de rozenkransdevotie hadden geïntroduceerd. Krachtige steun werd verleend door de hoogste politieke kringen rond Philips de Schone, hertog van Bourgondië. Diens leermeester Frans Busleiden en biechtvader Michiel Franszoon van Rijsel bevalen de cultus in 1492 bij hem aan, waarna de hertog als titulaire voorman van de broederschap ging fungeren (⟶ Reimerswaal, O.L. Vrouw).
De verplichtingen van de leden van de broederschap bestonden uit het twee maal per week overdenken van Maria's smarten en het bidden van zeven Pater Nosters en zeven Ave Maria's. Deze oefeningen mochten zij overal en op elk gewenst tijdstip doen. Wie een keer vergat of oversloeg 'door al te vele affairen van tijtelijcke dingen' kon de volgende week de gemiste overdenkingen en gebeden inhalen. Door deze oefeningen verdiepten de leden hun geloofsleven en verwierven zij de omvangrijke aflaten die aan het actieve lidmaatschap waren verbonden.
Het geven of ontvangen van geld voor aanmelding of opzegging was verboden op straffe van uitsluiting. Wel was het toegestaan schenkingen te doen teneinde de cultus in de eigen woonplaats mogelijk te maken. Om die van de grond te krijgen was een lokale organisatie nodig, die leek op de traditionele broederschappen. In Delft werd de cultus geïntroduceerd op Goede Vrijdag van het jaar 1503. De broederschap kan hier op diverse manieren bekend zijn geraakt. Zo waren de eerste devotieboekjes, van de hand van Michiel Franszoon, in Delft gedrukt in 1494 en 1497. Bovendien was de pastoor van de Oude Kerk, Anthonius Mettenye, kanunnik in het kapittel van Sint Donaas in Brugge, waarvan Frans Busleiden proost was.
Aan het lidmaatschap van de gebedsbroederschap waren aflaten verbonden, die zijn gespecificeerd in de devotieboekjes. Speciale aflaten voor de Delftse cultus zijn niet bekend.

Wonderen
- Er zijn 178 wonderverhalen bekend uit zes brieven van de Delftse priester Dirck Adamszoon van der Burch aan Jan van Coudenberghe, na het overlijden van Michiel Franszoon in 1502 de voorman van de gebedsbroederschap. Van Coudenberghe publiceerde deze brieven in diverse bundels. De familie Van der Burch had zijn thuisbasis in 't Woudt, ten westen van Delft. Diverse telgen van het geslacht vestigden zich in de stad, vaak als brouwer, en maakten deel uit van het patriciaat. Dirck was doctor in het kerkelijk recht; hij was onder meer pastoor van 't Woudt, pater van het Delftse begijnhof en vicecureit van de Oude Kerk. In 1515 werd hij tot kapelaan van Karel V benoemd, mogelijk naar aanleiding van een bezoek dat aartshertogin Maria van Oostenrijk in dat jaar aan Delft bracht, waarbij hij haar persoonlijk vertelde over de wonderen die hier waren geschied. Hij zette zich op diverse fronten in voor de verbreiding van de devotie tot O.L. Vrouw van Zeven Smarten, onder meer door haar wonderen te laten publiceren en erover te preken bij de diverse plechtigheden. De opbrengsten van de collectes tijdens die preken schonk hij meestal aan de kerkmeesters ten bate van de cultus.
De Utrechtse bisschop Frederik van Baden liet de eerste Delftse wonderen onderzoeken door een commissie, die 35 verhalen opnam in haar rapport. De desbetreffende oorkonde van de bisschop vormt de hoofdmoot van de eerste brief van Dirck Adamszoon van 20 mei 1506. De volgende brieven dateren uit de jaren 1509-1519 en bevatten respectievelijk 44, 29, 18, 7 en 45 wonderverhalen. Dirck Adamszoon overleed pas in 1531 en heeft dus misschien nog meer brieven geschreven, maar die zijn nooit gepubliceerd en ook (nog) niet opgedoken in archieven. Ruim 90% van de wonderen betrof genezingen. Er is geen duidelijke specialisatie waarneembaar.
- De overgrote meerderheid van degenen die een wonder meldden, kwam uit Delft of directe omgeving. De schenkingen die zijn verantwoord in de kasboeken van de kerkmeesters, zijn voornamelijk afkomstig van Delftenaren. Vrouwen waren onder de schenkers in de meerderheid (58%) en schonken gemiddeld hogere bedragen dan mannen.

Feesten en aflaten
- De kasboeken van de kerkmeesters zijn niet geheel compleet voor de jaren 1503-1504. Vandaar dat de eerste melding van een speciale plechtigheid pas dateert van 11 augustus 1504: toen werd een grote processie gehouden 'om sekere merckelijcke teykenen ende myraculen die dat daer ghesciet waren'. Voor de hoogmis werden 40 priesters ingehuurd, voor lof en processie zelfs 60. Sindsdien werden zonder duidelijke regelmaat processies georganiseerd. Vanaf 1507 trad een zekere stabilisering op: er vonden processies plaats op de derde zondag na Pasen (zondag Jubilate) en op St. Bavo (1 oktober). Deze data waren niet toevallig: de eerste lag dicht bij het feest van Compassio Mariae (vrijdag voor Jubilate), de tweede bij het wijdingsfeest van het altaar (zondag na St. Bavo).
In 1514 stond het stadsbestuur de kerkmeesters toe de plechtigheden ter ere van O.L. Vrouw van Zeven Smarten uit te breiden wegens de grote baten die er uit voortvloeiden. Het 'principael hoichtijt ende festum, opten dorden sonnendach na Paschen, dominica Jubilate' zou voortaan een week duren; al die tijd stond het beeld prominent op het hoogaltaar. Het 'hoichtijt van miraculen, opten eersten dach van october' duurde voortaan dertien dagen. Dit aantal was gekozen omdat zo lang voor Goede Vrijdag werd besloten om Christus gevangen te nemen. De plechtigheden begonnen op St. Mattheus (21 september), culmineerden in de processie op St. Bavo (1 oktober) en eindigden op 3 oktober. In 1529 schonk Katrijn Ewoutsdochter 200 Rijnsgulden om te eeuwigen dage op 2 oktober met 21 priesters mis en lof te doen voor het beeld.
- De baten van deze devotie waren vijftien jaar lang even hoog als die van de aloude cultus van Maria van Jesse. Omstreeks 1520 namen de inkomsten echter sterk af, hetgeen wijst op een tanende belangstelling. Het beeld zal net als dat van Maria van Jesse de beeldenstorm hebben overleefd, maar verdween in 1572 definitief.
Materiële cultuur Devotioneel drukwerk
-Devotieprentjes: in 1506/1507 betaalden de kerkmeesters ruim tien schellingen Vlaams voor 'een printgen te steken daer men up print die briefges van Onse Vrou van de Zeven Ween'. In 1510 werd de plaat 'verstoken', dus gewijzigd. De kerkmeesters kochten tussen 1506/1506 en 1514 minstens 2650 exemplaren. Er zijn drie verschillende typen van het Delftse devotieprentje bekend, die alle berusten in het Rijksprentenkabinet te Amsterdam. 1 Op de oudste, gedateerd 1507, wordt de cultus aangeprezen met de woorden: 'Eert Jezus passie ende die ween van Marien / doir Welck te Delf veel miraculen ghescien'. Boven de tekst is Maria in een medaillon afgebeeld met een zwaard in de borst, symbool voor het verdriet dat zij doorstond bij het zien van haar van het kruis afgenomen zoon. Hiermee werd gerefereerd aan de voorspelling van Simeon bij de besnijdenis van Jezus, dat een zwaard de ziel van Maria zou doorsnijden. Rond deze centrale afbeelding zijn de overige zes smarten van Maria weergegeven in kleinere medaillons. Het geheel wordt bekroond met pinakels; 2 Een soortgelijke, iets eenvoudiger uitgevoerde voorstelling is gebezigd op een prent uit 1510, waarschijnlijk naar de 'verstoken' plaat. De tekst luidt: 'Simeon seit: dat swaert daer [lees: der] droefheit u sylle doersniden sal. Broer Jan Melisz van der Goude'; 3 In 1511 werd een heel ander type prent vervaardigd, met nagenoeg dezelfde tekst als op die van 1507. In een soort drieluik is centraal Maria onder het kruis met haar gestorven zoon afgebeeld. Op elk van beide zijpanelen zijn boven elkaar drie andere smarten weergegeven. Het geheel wordt bekroond door rijk versierde pinakels en een baldakijn, waaronder een beeld van Maria met het kind Jezus, staande in een stralenkrans. Onder het centrale paneel zijn de lijdenswerktuigen van Christus afgebeeld op een schild, vastgehouden door twee engelen.
- Mirakel- en devotieboekjes: de oudste devotieboekjes, van de hand van Michiel Franszoon van Rijsel, bevatten geen Delftse elementen, maar werden wel hier gedrukt: 1 Van den seven droefheden ofte weeden Onser Liever Vrouwen (Delft: Snellaert, 1494) en 2 Van de seven droefheden ofte weeden O.L.V. (Delft: Snellaert of Eckert, 1497); 3 de eerste bundel mirakelen, eveneens nog zonder Delftse verhalen, werd anoniem gepubliceerd onder de titel Miracula confraternitatis septem dolorum beatissime Virginis Marie (Antwerpen: Lettersnider, circa 1496); 4 een uitgebreide bundel, met de eerste Delftse mirakelen, werd in drie talen (Nederlands, Frans en Latijn) uitgegeven door J. van Coudenberghe. Alleen de Latijnse editie is bewaard: Miracula confraternitatis septem dolorum Virginis Mariae (Antwerpen: Back, 1510); 5 deze collectie werd nog eens uitgebreid in J. van Coudenberghe, Miracula confraternitatis VII dolorum (Antwerpen: Van Hoochstraten, 1519), waarvan het enige exemplaar in de Tweede Wereldoorlog verloren ging; 6 wel bewaard bleef de heruitgave van dit boekje: G. Colvenerius, Miracula CCX confraternitatis VII dolorum sacratissimae Virginis Mariae, una cum Ortu et progressu eiusdem confraternitatis (Douai 1619); 7 dit werd enkele jaren later vertaald door J. Stratius, Onse L. Vrouwe der seven weeën, met de mirakelen, getyden ende misse der selver, insgelycks den oorspronck ende voortganck der broederschap (Antwerpen 1622). Vergelijk het devotioneel drukwerk van ⟶ Abbenbroek.
Bronnen en literatuur Archivalia: Delft, gemeentearchief.
Literatuur: D. van Bleyswijck, Beschryvinge der stadt Delft etc. (Delft 1667) p. 148, 153; A. Van de Kerckhove, Geschiedenis van het koninglyke broederschap der zeven weedommen van Maria, etc. (Brugge: Vanhee-Wante, 1860), m.n. p. 102-120; het onderzoek naar de Delftse cultus is op gang gebracht door D.P. Oosterbaan, 'De zeven smarten van Maria te Delft', in: Archief voor de geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland 5 (1963) p. 94-125, met enkele kleine wijzigingen herdrukt in D.P. Oosterbaan, De Oude Kerk te Delft gedurende de Middeleeuwen (Den Haag: Voorhoeve, 1973) p. 250-257.
De Delftse mirakelen zijn thans beschikbaar in een tweetalige editie in G. Verhoeven, Devotie en negotie. Delft als bedevaartplaats in de late middeleeuwen (Amsterdam: VU-uitgeverij, 1992) p. 225-307. Hierin zijn ook de Delftse devotieprenten afgebeeld en nader beschreven. De Delftse devotieprenten zijn ook beschreven en afgebeeld door F.W.H. Hollstein, Dutch and Flemish etchings, engravings and woodcuts, ca 1450-1700, dl. 13, Monogrammists of the 16th and 17th century (Amsterdam z.j.) p. 65 nr 1 (1507), p. 158 (1510), p. 65 nr 2 (1511).
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Delft-O.L. Vrouw van Zeven Smarten
  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<