Heerlen, H. Job

Cultusobject: H. Job
Datum: 10 mei
Periode: Ca. 1719 - 1726; eind 19e eeuw
Locatie: Parochiekerk van St. Pancratius
Adres: Pancratiusstraat 41, 6411 KC Heerlen
Gemeente: Heerlen
Provincie: Limburg
Bisdom: Roermond
Samenvatting: Omstreeks 1719 werd een beeld van de heilige man Job in de Heerlense Pancratiuskerk opgesteld, dat een groot aantal bedevaartgangers van buiten het dorp aantrok. Dit leidde herhaaldelijk tot protesten van de in Heerlen woonachtige protestanten. Een ingrijpen van de Staatse drossaard van Valkenburg maakte in 1726 een einde aan de bedevaart. Eind 19e eeuw kreeg de Jobverering, die waarschijnlijk nooit geheel uit de kerk was verdwenen, wederom een bedevaartkarakter. Job werd in Heerlen vereerd als patroon tegen huidziekten
Auteur: Antoine Jacobs
Illustraties:
Topografie - Het van oorsprong Romeinse Heerlen (Coriovallum) beschikte met zekerheid vanaf 1065 al over een parochiekerk, die toegewijd was aan de H. Andreas. In 1364 toont het schepenzegel van Heerlen echter een afbeelding van de H. Pancratius, die toen Andreas klaarblijkelijk had verdrongen als patroon.
- Bij de Vrede van Munster viel Heerlen als generaliteitsland toe aan de Republiek. In 1649 aanvaardde de eerste predikant in Heerlen zijn ambt. Vanaf dat moment werd de Pancratiuskerk als simultaankerk in gebruik genomen, met een dubbelgebruik zowel voor de katholieke meerderheid als de protestantse minderheid. Toen bij het Partagetractaat van 1663 de grenzen tussen de Spaanse en de Staatse gebieden definitief werden vastgelegd, werd dit simultaneum opgeheven. De Pancratiuskerk was daarna enkel nog voor protestanten toegankelijk. Katholieken moesten de mis bijwonen in kerken gelegen op Spaans gebied. Tussen 1672 en 1678, tijdens de Franse bezetting, namen de katholieken de Pancratiuskerk tijdelijk weer in bezit. Na de aftocht van de Fransen wilden de protestanten de bakens wederom verzetten, maar als compromis werd het simultaneum hersteld en bleef tot 1838 bestaan. Sindsdien valt de kerk weer exclusief de rooms-katholieke eredienst ten deel.
- De oudste resten van de Pancratiuskerk zijn de twee traveeën van het schip, die waarschijnlijk uit de eerste helft van de 12e eeuw stammen. In 1394 werd ter hoogte van de 12e-eeuwse westbouw een zware toren gebouwd en sindsdien veranderde de romaanse kerk nauwelijks. In 1862 werd het romaanse koor gesloopt en vervangen door een polygonaal neogotisch koor. Pierre Cuypers restaureerde de kerk omstreeks 1880 en gaf haar een neogotisch interieur. Tussen 1901 en 1903 werd de Pancratiuskerk in neoromaanse trant sterk vergroot naar plannen van architect Joseph Cuypers. Het neogotische koor werd al weer afgebroken en ter plaatse verrees een transept met vieringtoren en een grote koorpartij.
- In het katholieke visitatierapport van 1722 werd medegedeeld dat de Pancratiuskerk in die tijd naast een Jobbeeld ook beschikte over beelden van Maria, Pancratius en Sebastiaan.
Cultusobject - Job is de hoofdpersoon uit het gelijknamige boek uit het Oude Testament. Job was een rijk man, die zijn vrouw, kinderen en bezittingen verloor en voortdurend door de duivel in verzoeking werd gebracht. In de beeldende kunst wordt hij afgebeeld in totale verlatenheid soms zittend op een mestvaalt en met zweren bedekt. Over de oorsprong van de Jobverering is weinig bekend. Men zoekt die in de pestepidemieën die in de middeleeuwen Europa en ook de Nederlanden teisterden. Job werd in de 15e eeuw bijvoorbeeld al vereerd in St-Job-in-’t Goor (B). Vooral tussen 1600 en 1655 maakte de pest in deze streken een groot aantal slachtoffers. Het is begrijpelijk dat men in die situatie zijn toevlucht nam tot Job als patroon van de pestlijders. Hij is de enige oud-testamentische figuur die in Nederland met een bedevaart wordt vereerd (vgl. Enschot en Leuken).
- Het oorspronkelijke cultusbeeld van Job is naar alle waarschijnlijkheid verloren gegaan. Hoe het er heeft uitgezien, is onbekend. Slechts beschrijvingen van de protestantse visitators van de classis Maastricht zijn bewaard gebleven en die spreken van een ‘afgrijselijk’ en ‘monstreus’ beeld. Mogelijk was het een realistische voorstelling van de met zweren overdekte Job. Tevens wordt melding gemaakt van een duivelsgestalte op (of boven) het beeld. Het is niet duidelijk of deze duivel een onderdeel was van de sculptuur of er als los element aan was toegevoegd.
- Het huidige, neogotische beeld (3e kwart 19e eeuw) van Job is grijsgeverfd en is circa een meter hoog. Op het voetstuk staat ‘St. Job’. Job is staande uitgebeeld in een lang gewaad met hoofddoek. Hij draagt een lange baard. In zijn linkerhand houdt hij een banderol zonder tekst. Dit beeld lijkt meer op een voorstelling van een profeet dan van een lijdende mens. In de jaren 1966-1969 werd de Pancratiuskerk heringericht. Het beeld, dat eerder in de sacristie was weggezet, kwam toen onder de zangtribune op een ruim twee meter hoge console te staan, voor eenieder in de kerk duidelijk zichtbaar. Van een herleving van de cultus was echter geen sprake. In 2003 stond het beeld nog steeds op die plaats.
Verering Bedevaart
- In de jaren twintig van de 18e eeuw bestonden er in Heerlen spanningen tussen rooms-katholieken en de weinige protestanten (in totaal niet meer dan 18 à 19 families) over de publieke manifestatie van de rooms-katholieke religie, in het bijzonder over de heiligenverering. Zo maakten de visitators van de classis Maastricht vrijwel elk jaar melding van ‘paepsche stoutigheden’ zoals het openlijk bidden en knielen op het kerkhof, het luiden der klokken en deed in 1719 en 1722 de Keulse processiebedevaart naar Scherpenheuvel, trekkende over Staats territorium, geen enkele moeite haar religieuze karakter te verhullen, toen ze in de Pancratiuskerk werd ontvangen. Conflicten rezen ook over een nieuw hoofdaltaar, dat pastoor Antonius Quaedvlieg (1711-1749) in de Pancratiuskerk had laten plaatsen. Dit altaar nam niet alleen licht weg, maar verdekte (met opzet?) ook het wapen van de Staten-Generaal.
- Tegen deze achtergrond had pastoor Quaedvlieg ook nog eens ‘voor omtrent drie jaren een gesneden afgrijselijk Beeld, bij haar St. Job genaamd’ in de kerk tentoongesteld. Dat was waarschijnlijk in 1719. Het visitatieverslag van 1723 meldt, dat het St. Jobbeeld jaarlijks op 10 mei in de kerk werd gezet ‘’t welk maar voor weinig jaaren is ingevoert op welken tijt een groot getal Roomsgesinden tot grote ergernissen der gereformeerde en dat op Staten gebied, derwaarts opkomt’. Het is een duidelijke aanwijzing voor het bedevaartkarakter van de cultus. Het jaar daaropvolgend stond het beeld van Job ‘met de afbeelding van een quellende, vreeselijke Duyvel daerboven op’ in de consistoriekamer, waar de visitators het zelf konden zien. Het conflict lijkt niet van dien aard te zijn geweest dat over deze kwestie blijkbaar niet onderling kon worden gesproken. Mogelijk hadden de visitators de pastoor gevraagd om naar aanleiding van de klachten uit de classis het beeld te mogen beoordelen en heeft hij het tijdelijk in de protestantse consistoriekamer geplaatst.
- De visitatie van de classis in 1726 maakte opnieuw melding van de uitstelling van het ‘afgodsbeeld’, waarvoor wederom een groot aantal katholieken ‘van alle oorden’ naar de Pancratiuskerk kwam. De Staatse luitenant-drossaard van het Land van Valkenburg had per gerechtsbode pastoor Quaedvlieg verzocht op 10 mei het ‘monstreuse’ beeld niet meer op te stellen. Quaedvlieg leek niet onder de indruk. Hij schreef de luitenant-drossaard, dat hij slechts één altaar in de kerk had en dat hij daarop het St. Jobsfeest kon en mocht vieren. Hij was niet van plan daarvan af te zien en zou handelen zoals in de voorafgaande jaren. Op 10 mei 1726 werd wederom het beeld van St. Job op het hoogaltaar in de kerk ter verering uitgesteld ‘onder een grote toevloed van menschen’. Bovendien waren paters capucijnen uitgenodigd, die vanaf de preekstoel een volle aflaat afkondigden ‘’t geen voorheenen noyt geschiet was’. Hiermee werd voor de protestantse overheid de grens van het toelaatbare overschreden. Bij resolutie van 6 december 1726 droeg namelijk de Raad van State de drossaard van Valkenburg op ‘soodanige ordre stelle en voorsieninge doe, dat ingevolge van de placaten van den lande alle paepse buytensporigheden, ende stoutigheden in het district onder sijn ressort en dan in ’t bysonder te Heerlen aen haer Ed. Moog. gedaen verscheijde insolentien van tijt tot tijt souden gepleegt worden, voortaen geweest en de overtreeders gestraeft mogen werden’.
- Het optreden van de luitenant-drossaard was ditmaal klaarblijkelijk effectief, want in de navolgende jaren wordt de verering van het St. Jobbeeld niet meer door de visitators vermeld.

Verering in de 19e en 20e eeuw
- Met het onderdrukken van de Jobbedevaart in 1726 was de verering van de heilige man Job waarschijnlijk niet volledig verdwenen. Er zijn verder echter nauwelijks gegevens overgeleverd. Wel is bekend dat er in 1844 voor het eerst en sindsdien jaarlijks op 10 mei in Heerlen een St. Jobsmarkt werd gehouden. Dit was de jaarmarkt waarop paarden, hoornvee, varkens en ‘kramerijen’ werden aangeboden. Deze markt bleef tot aan het begin van de 20e eeuw in zwang. In 1892 meldde de Limburger Koerier nog dat het bijzonder druk was geweest en dat er duizend biggen zouden zijn verhandeld. Een deel van de bezoekers van de markt vereerden echter ook Job. De Pancratiuskerk kon namelijk – aldus de krant - ‘de vrome vereerders van den Heilige niet bevatten’. In 1897 plaatste de parochie kleine annonces in de Limburger Koerier om mensen in Heerlen en omgeving te attenderen op de feest- en marktdag van Job. De hernieuwde belangstelling voor de heilige vertaalde zich ook in de verwerving van een nieuw beeld. Ook de in het Duits gestelde proclamanda over de jaren 1880-1893 maken elk jaar melding van het feest. Op 10 mei waren er diensten zoals op de zondagen: drie missen en een ‘feierliches Hochamt mit Predigt’. Tevens werd die dag ook Jobswater gezegend dat gebruikt kon worden bij de genezing van huidziekten, waarvoor hij daar als een effectief patroon gold. Al deze gegevens bij elkaar wekken sterk de indruk dat in het laatste kwart van de 19e eeuw de verering een regionale uitstraling en daarmee ook een bedevaartkarakter heeft gehad. Hoe lang dat geduurd heeft, is niet bekend. Hoe dan ook is in de 20e eeuw de devotie uiteindelijk verdwenen aangezien het cultusbeeld in 1967 in de sacristie werd aangetroffen. Sinds de verbouwing van de kerk in 1969 is dit beeld echter opnieuw in de kerk geplaatst, zonder dat dit geleid heeft tot een herleving van de verering.
Bronnen en literatuur Archivalia: Heerlen, gemeentearchief: parochiearchief St. Pancratius Heerlen, inv.nrs. 380-381; Maastricht, Rijksarchief in Limburg: archief classis Maastricht inv. nrs. 73, 100; Maastricht, Rijksarchief in Limburg, archief oude bisdom Roermond, inv. nr. 76.
Literatuur: Voorloopige lijst der Nederlandsche monumenten van geschiedenis en kunst. Deel VIII. De provincie Limburg. Eerste stuk (Den Haag: Algemeene Landsdrukkerij, 1926) p. 121-122; W. Marres & J.J.F.W. van Agt, De Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst. Deel V. Derde stuk: Zuid-Limburg uitgezonderd Maastricht (Den Haag: SDU, 1962) p. 237-242; Jo Horst, ‘Schenking van het houten Hoogaltaar in de Sint Pancratiuskerk te Heerlen 250 jaar geleden’, in: Het Land van Herle 16 (1966) p. 102-112; W.A.J. Munier, ‘Benoemingen van pastoors van Heerlen in de Staatse tijd (1633-1795)’, in: Het Land van Herle 34 (1984) p. 59-70; Th. van Hooft & P. Post, St. Pancratiuskerk Heerlen (Heerlen: Winants/Stichting Historische kring het Land van Herle, 1985); P. Jochems, ‘Vernieuwing en verandering van het interieur van de Pancratiuskerk in de periode 1965-1985’, in: Het Land van Herle 36 (1986) p. 85-96; Marcel M.J. Put & Mark van Dijk, 2000 Jaar Heerlen. Van Romeinse nederzetting tot moderne stad (Heerlen: Stadsarchief, 1998) p. 168-169; W.A.J. Munier, ‘Simultaan maar gescheiden. Wederwaardigheden in en rond de Heerlense Pancratiuskerk in de Staatse tijd (1632-1794)’, in: Het Land van Herle 53 (2003) p. 53.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Heerlen-Job.
  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<