Mijzen, O.L. Vrouw van Mijzen

Cultusobject: O.L. Vrouw van Mijzen
Datum: Onbekend
Periode: 1398 (14e eeuw ?) – 16e eeuw / (17e eeuw ?)
Locatie: Voormalige Mariakapel
Adres: Vrouweweg, 1636 WD Schermerhorn
Gemeente: Schermer
Provincie: Noord-Holland
Bisdom: Haarlem
Samenvatting: Van het einde van de 14e tot en met de 16e eeuw kwamen bedevaartgangers O.L. Vrouw vereren in de parochiekerk (later kapel) van Mijzen. De kerk had daarnaast een bijzondere status voor de graven en gravinnen van Holland, vanwege de juridische en financiële banden met de grafelijkheid en het klooster Egmond.
Auteur: Peter Jan Margry
Illustraties:
Topografie - De Mijzenpolder, een veenweidepolder gelegen tussen Schermerhorn en Ursem (tussen Alkmaar en Hoorn) dankt zijn naam aan het voormalige dorp (West-)Mijzen, waarvan vrijwel niets meer is overgebleven. De polder schijnt reeds in de 10e eeuw in ontginning te zijn genomen. Sinds de 14e eeuw werden dijken aangelegd en het gebied was in 1399 geheel omdijkt.
- Tussen ca. 1000 en 1745 bezat het dorp een Mariakerk, een dochterkerk van de Willibrorduskerk te Heiloo. Van Berkum veronderstelt op basis van de beschikbare historische en archeologische bronnen een mogelijke kerkstichting van Mijzen in de 10e eeuw. Een vermelding van Mijzen (‘Misnen’) als parochiale dochterkerk van Heiloo komt evenwel het eerst voor in een oorkonde van 28 december 1063 van bisschop Willem I van Utrecht, waarin hij deze en andere kerken aan de abdij van Echternach schenkt. Enige decennia eerder (voor 1047) wordt Mijzen (‘Misna’) al genoemd in een Echternachse kerkenlijst. In 1156 schonk Echternach de kerk weer aan de abdij van Egmond. Sindsdien werd de kerk begeven door de abten van Egmond.
- Betrof het oorspronkelijk een parochiekerk, op een gegeven moment is er nog slechts sprake van een kapel. In 1347 is nog steeds sprake van een parochiekerk, maar de desbetreffende bron maakt tevens melding van ontvolking en de-institutionalisering (‘deze gemeente is allengs te niet gegaan’; mogelijk in samenhang met de Zwarte Dood?). Omstreeks 1360 verwijzen de bronnen voor het eerst naar het bestaan van een kapel. Sindsdien wordt in de officiaalsrekeningen Mijzen alleen nog maar als ‘capella’ aangeduid. Mijzen is daarmee een van de weinige voorbeelden van een opgeheven parochie. In 1542 wordt de kapel door de officiaal aangeduid als ‘capella de Westmijzen vulgo int Riedt in parrochia de Schermer’ en blijkt de kapel kerkelijk onder de parochie van Schermer terecht te zijn gekomen.
- Het ging om een ‘vervalle’ gebouw van beperkte omvang. De 18e-eeuwse chroniqueur G. Boomcamp die de omvang zelfs ‘zeer gering’ achtte vermeldt: 54 voet (ca. 17 m) lang, 25 voet (ca. 8 m) breed en een toren van 54 voet hoog aan de voorzijde. In de zijmuren waren drie boogvensters aangebracht. Op een tekening van Schoemaker uit 1726 is de kerk van een zijbeuk voorzien, alle andere bestaande tekeningen wijzen daar niet op. Deze zijbeuk lijkt dan ook op een onjuiste weergave van de werkelijkheid te berusten. Op twee 18e-eeuwse prenten is in de voorgevel het jaartal 1613 in muurankers weergegeven, dit lijkt er op te wijzen dat de kerk in dat jaar is verbouwd of hersteld. Het gebouwtje lag in de zuidoosthoek van de polder richting het huidige Oostmijzen. De nabijgelegen Vrouwenweg (‘’t Vrouwe wegie’), een 17e-eeuwse ontginningsweg van de Beemster, loopt op de kaart van J.J. Dou uit 1680 recht op de kapel af en lijkt voor wat de naam betreft in verband te staan met het patronaat van het kerkje.
- Na de Reformatie schijnt de kerk opmerkelijk genoeg door zowel predikanten van Ursem (classis Hoorn) als van Schermerhorn (classis Alkmaar) voor de protestantse eredienst te zijn gebruikt. Doordat de bewoners steeds meer uit de nederzetting wegtrokken, raakte het kerkgebouw in verval en werd het tenslotte in 1745 afgebroken. De fundamenten en de zerken werden pas in 1817 weggeruimd, waarna er verder niets meer zichtbaar was.
Cultusobject - In de kerk werd Maria vereerd, al is niet meer bekend onder welke titel dat gebeurde. In 1398 werd ze als ‘onser Vrouwen van Misen’ genoemd. Het is niet bekend of ‘O.L. Vrouw’ alleen het patrocinium van de kerk/kapel betreft, of het altaar en/of dat er een beeld of een schilderij van Maria aanwezig was. De aanwezigheid van een mariaal cultusbeeld is het meest waarschijnlijk.
Verering - Over het ontstaan van de cultus is niets bekend. Het is niet duidelijk of het Mariapatrocinium van de kerk aanleiding heeft gegeven tot verering of dat een (latere) plaatsing van een (miraculeus) Mariabeeld bedevaarten tot gevolg heeft gehad. Omstreeks 1360 wordt in een opsomming van collaties van kerken en kapellen Mijzen genoemd in samenhang met een ‘Cappellania Divae Virginis’, oftewel de kapelanij van de Heilige Maagd.
- Mijzen nam aan het einde van de 14e eeuw een bijzondere positie in binnen de sacrale topografie die het Hollandse gravenhuis voor zichzelf had gecreëerd. Zowel de graven als hun gemalinnen deden namelijk regelmatig bedevaartplaatsen aan om om voorspraak te smeken (vooral in het krijgsbedrijf); het betreft met name ’s-Gravenzande, Naaldwijk en Noordwijk. Ook Mijzen hoorde in 1392 in dit rijtje thuis. Toen werd van de band tussen de grafelijkheid en de kerk nadrukkelijk melding gemaakt: ‘want onse voirvaderen bi tiden graven van Hollant hebben die capelle ter Misen [= Mijzen] gelegen in onse landen van West-Frieslandt gefundeert ende gesticht…’.
- Mijzen werd in augustus 1398 (in de inleiding van zijn bronnenuitgave dateert Verwijs het bezoek abusievelijk op 1396) bezocht door Margaretha van Kleef (†1411), sinds 1394 de tweede echtgenote van graaf Albrecht van Beieren (1330-1404). Op 11 augustus van dat jaar, toen graaf en gravin ten tijde van de Friese veldtochten op weg waren van Veenhuizen naar Hoorn, werden namelijk twee schilden betaald aan diegenen ‘die mire vrouwen [= Margaretha] voirden tot onser Vrouwen te Mizen’.
- Het gegeven dat ondanks het teloorgaan van de parochie Mijzen de kapel en haar fundaties in stand werden gehouden, duidt op een voortdurende bijzondere betekenis voor de Hollandse grafelijkheid en op een bijzondere Mariadevotie. Een indicatie van de importantie van de geïsoleerde kapel en de daaraan verbonden verering zijn de betalingen die de kapel aan het einde van de 15e eeuw aan de abten van Egmond verschuldigd was, namelijk 40 nobels. Eenzelfde bedrag moesten namelijk ook de veel grotere parochiekerken van Alkmaar en Heiloo jaarlijks aan Egmond betalen.
- Het voortduren van de Mariaverering wordt tevens gestaafd door het gegeven dat tot laat in de 16e eeuw de Mariavicarie in stand bleef. Een visitatieverslag uit 1571 meldt dat Augustinus van Theijlingen is benoemd voor de vicarie (de ‘cappellania’ uit ca. 1360?) van de Heilige Maagd Maria in ‘Capella de Westmijssen in ’t riet’, die vacant was geraakt door het aftreden van Bonaventura van Eik. Dirck Cornelisz was waarschijnlijk de laatste aan de kapel verbonden priester.
- Een handschrift uit 1740 geeft dan in feite pas een tweede attestatie voor het bestaan van bedevaarten naar de kapel. Geschiedschrijver Gijsbert Boomcamp uit Alkmaar schreef daarin op, hetgeen hij waarschijnlijk uit mondelinge overlevering had vernomen, dat ‘de Roomsgezinde rondom deze kerk in voorgaende tijden bedevaerde hebben gehouden’. Een andere tekst van hem geeft: ‘op zekere tijden werden door de Roomsgezinden alhier bedevaerten gedaan’. Een en ander kan slaan op de periode van voor de Reformatie, maar het gegeven dat de katholieken rondom en niet in de kerk gingen, kan er tegelijk ook op duiden dat de bedevaarten nog enige tijd (heimelijk?) zijn doorgegaan na de Reformatie, na de sluiting van de kerk voor de katholieke eredienst. Hoe dan ook, deze informatie maakt waarschijnlijk dat de kapel tot in de 16e eeuw bedevaartgangers heeft getrokken. Het is overigens opmerkelijk dat, gezien de verering tot in de 16e eeuw, er geen verdere bronnen zijn gevonden die daarvan expliciet melding maken of van de verwijdering van cultus- of devotieobjecten in het kader van de Reformatie.
Materiële cultuur Raam: een gebrandgeschilderd glasraam uit 1635 van Gerrit Jansz. van Egmond van de Nijenburgh (1576-1636; o.m. houtvester van de grafelijkheid van Egmond) was aangebracht in het koor van de kerk. Uit de toenmalige aanwezigheid van dat raam blijkt overigens dat de relaties met de grafelijkheid na de Reformatie zijn blijven bestaan.
- In de kerktoren hing een klok met het volgende opschrift: ‘Johannes Ouwerk me fecit, Amstelredami 1714, video cui fidas’.
- Er bestaan vijf 17e- en 18e-eeuwse tekeningen van de kapel: een uit 1726 van Andries Schoemaker (Amsterdam, Rijksmuseum, KOG, Atlas Schoemaker) en vier uit de collectie Boomcamp: een uit 1728, een uit 1740 en twee ongedateerde, eveneens uit de 18e eeuw, mogelijk alle vier van de hand van Boomcamp zelf (Regionaal Archief Alkmaar).
Bronnen en literatuur Archivalia: Den Haag, Nationaal Archief, Register Voorne, inv.nr. 29 f. 97 (‘117’) (vermelding in 1347); archief Graven van Holland: inv.nrs. 1251 f. 64 en 1252 f. 84v (bezoek Margaretha in 1398); Haarlem, Rijksarchief in Noord-Holland: Leen- en Registerkamer van Holland, toegev.nr. 1, inv.nr. 16, f.100r+v (1392, stichting kapel) en archief van de Gecommitteerde Raden, inv. nr. 23, f.165 (afbraak kapel); Utrechts Archief, Archief van het Domkapittel, nr. 2464-3 (officiaalsrekening 1409); Alkmaar: regionaal archief: handschrift uit 1740 van G. Boomcamp, Verhandeling over dorpen en meeren om de stad Alcmaar.
Tekstedities: J.G.C. Joosting, Bronnen voor de geschiedenis der kerkelijke rechtspraak in het bisdom Utrecht in de middeleeuwen (Den Haag: M. Nijhoff, 1915) p. 309-310.
Literatuur: A.J. van der Aa, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, dl. 7 (Gorinchem: J. Noorduyn, 1846) p. 967; Eelco Verwijs, De oorlogen van Hertog Albrecht van Beieren met de Friezen in de laatste jaren der XIV eeuw (Utrecht: Kemink en Zoon, 1869) p. XLIII en 163; A. v. L., ‘R.K. pastoors’, in: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem 3 (1874-1875) p. 301; L.P.A. Gompertz, ‘Aanteekeningen over parochiën van Westfriesland’, in: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem 9 (1881-1882) p. 150; J.F. Vregt, ‘Oorkonden’, in: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem 13 (1885-1886) p. 464; J. Belonje, ‘Heer Dirk Cornelisz van Ursum en zijn vicarie te Mijzen’, in: Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem 49 (1931-1932) p. 111-113; D.P. Blok, ‘De Hollandse en Friese kerken van Echternach’, in: Naamkunde 6 (1974), 172-176; Antheun Janse, Grenzen aan de macht. De Friese oorlog van de graven van Holland omstreeks 1400 (Den Haag: Stg. Hollandse Historische Reeks, 1993); J.G. Smit, Vorst en onderdaan. Studies over Holland en Zeeland in de late middeleeuwen (Leuven: Peeters, 1995) p. 57; A.H. van Berkum, ‘Willibrord en Egmond’, in: Th.P.M. van der Fluit e.a. (red.), Heiloo voor en na Willibrord. Opstellen over de geschiedenis van Heiloo (Heiloo: Gemeentebestuur, 1995) p. 38; Ed Dekker, 'Maria vereren in bedevaartplaats Mijzen', in: Noordhollands Dagblad, 16 maart 2005, p. 4; Dick Mantel, De Mijzenpolder: duizend jaar veen en water (Hilversum: Verloren, 2006).
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Mijzen; schriftelijke informatie van 22 april 2002 van Dick Mantel te Schermerhorn.
  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<