Rucphen, O.L. Vrouw van de Berg Carmel

Cultusobject: O.L. Vrouw van de Berg Carmel
Datum: 16 juli (+ octaaf)
Periode: 1673 - ca. 1950
Locatie: Parochiekerk van St. Martinus
Adres: St. Martinusstraat 5, 4715 CB Rucphen
Gemeente: Rucphen
Provincie: Noord-Brabant
Bisdom: Breda
Samenvatting: In 1673 werd vanuit het carmelietenklooster te Antwerpen de verering tot O.L. Vrouw van de Berg Carmel en de daarmee verbonden scapulierdevotie in het dorp Rucphen geïntroduceerd. De populariteit van de broederschap en de jaarlijkse viering van het feest in de maand juli (de ‘Rucphense aflaat’) brachten een bedevaart op gang, met deelnemers uit een groot deel van West-Brabant. De terugloop van de cultus begon in de jaren twintig van de 20e eeuw en in de jaren zestig van die eeuw kwam er een einde aan de verering.
Auteur: Peter Jan Margry & Ad Schrauwen
Illustraties:
Topografie - De eerste vermelding van een ‘capella matutinalis’ in Rucphen dateert uit 1432; het betreft een kapel waarin slechts een ‘vroegmis’ mocht worden gecelebreerd. Bij oorkonde van 25 juni 1442 verleende paus Eugenius IV, op verzoek van Jan van Glymes, heer van Bergen op Zoom, goedkeuring aan de oprichting van een parochiekerk in Rucphen. In de tekst is sprake van ‘een kerk met een kerkhof en doopvont, en alle andere parochiële rechten en voorrechten’. Omstreeks 1465 is er met financiële steun van genoemde Jan van Glymes weer een grotere kerk gebouwd, die tot 1809 in functie is gebleven.
- Na de Tachtigjarige Oorlog verplichtten de Staten-Generaal bij plakkaat van 16 juni 1648 de katholieken om afstand te doen van hun kerkgebouwen. Voortaan kerkten de katholieken in Rucphen in verschillende particuliere huizen. Een nieuwe huiskerk, opnieuw aan Martinus gewijd, werd in 1768 door pastoor Alexander de Man gebouwd. In 1798 kocht het katholieke kerkbestuur de oude parochiekerk van de protestantse gemeenschap terug. Deze was echter tot ruïne vervallen en daarom bleven de katholieken hun eredienst in de schuurkerk vieren, totdat in 1809, met financiële steun van koning Lodewijk Napoleon, een nieuw kerkje met 190 zitplaatsen werd gebouwd. De omvang van de parochie werd in 1882 aanzienlijk verkleind door de afscheiding van het dorp ⟶ Schijf (dl. 2) als zelfstandige parochie.
- In 1933, ten tijde van het pastoraat van J.G.M. van Gastel (1932-1947), werd wederom een grotere parochiekerk gebouwd. De architect was J. Berben uit Breda. De parochie telde toen zo’n 1800 zielen.
- In 1936 werd een kapelletje van O.L. Vrouw van de Berg Carmel gebouwd op een grasveldje tussen de kerk en het zusterklooster oftewel tussen de Raadhuisstraat en de St. Martinusstraat. Het is een gemetselde bakstenen opstand met daarin een nis voor het Mariabeeld en een grotere steen die de inwijdingsdatum memoreert. Het was een cadeau van de kinderen van de lagere school aan pastoor Jos van Gastel bij zijn zilveren priesterfeest op 10 juni 1936. Het gelijknamige Mariabeeld dat daarin stond, werd in 1949 vernield. Het werd op zondag 25 juli 1950 vervangen door een ander beeld van geglazuurd aardewerk (chamotte) van dezelfde Lieve Vrouw. Het was opnieuw een geschenk van de schoolkinderen, dit keer aan pastoor H.P.A.M. van der Heijden die toen eveneens zijn zilveren priesterjubileum vierde. De kapel werd door hemzelf opnieuw ingewijd. In 2003 werd ook dit tweede beeldje beschadigd, maar het stond in oktober van dat jaar al weer gerestaureerd terug op haar plaats.
- In 1888 vestigden zich, op verzoek van pastoor Laurijssen, enkele zusters penitenten-recollectinen van Oudenbosch in Rucphen. Nog in hetzelfde jaar ontstond een klooster annex meisjesschool, beide onder het patronaat van O.L. Vrouw van de Berg Carmel. De kloostergemeenschap is tot 1962 daar actief geweest. Daarna zijn de gebouwen afgebroken en is er een nieuwe lagere school gebouwd.
Cultusobject - De feestdag van O.L. Vrouw van de Berg Carmel valt op 16 juli en herinnert aan de verschijning van Maria aan de H. Simon Stock, generaal van de carmelietenorde, op 16 juli 1251 te Cambridge. Daarbij werden het scapulier en het dragen ervan door Maria getoond als een middel tot het verwerven van haar bijzondere bescherming. Deze gebeurtenis is bepalend voor de iconografie van het scapulier geworden. Meestal ziet men op afbeeldingen Simon Stock die op zijn habijt het scapulier van een op een wolk boven de berg Carmel zwevende Maria ontvangt. Een scapulier is een schouderkleed dat soms deel uitmaakt van monastieke ordekleding. Het is een brede strook stof met een gat voor het hoofd dat over de borst en de rug wordt gedragen. Later werd een scapulier in een gereduceerde vorm ook gedragen door leken die zich met een orde verbonden voelden. Het scapulier van de Berg Carmel is de bekendste geworden. Dit werd belangrijker dan andere scapulieren geacht omdat ze immers door Maria zelf zou zijn geschonken. Het werd gezien als een ‘bede om bescherming’ met de belofte van haar dat zij zal waken over hen die het dragen. Tijdens de 17e eeuw raakte het dragen van het scapulier in zwang onder katholieken in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden.
- Het woord Carmel betekent boomgaard en verwijst naar een berg nabij Nazareth in Israël. Mede vanwege de schoonheid van de berg werd het al vroeg voor een heilige plaats gehouden die veel eremieten aantrok. In de 12e eeuw was aldaar, bij de grot van de grote ‘eenzame’ profeet Elias, een bloeiende monastieke beweging ontstaan. Eind 12e eeuw hebben tijdens de kruistochten de carmelieten zich als eremietenorde op de berg Carmel gevestigd, in navolging van Elias. Zij hadden een aan Maria gewijde kapel bij diens grot en heetten daarom de Broeders van O.L. Vrouw van de Berg Carmel. Omstreeks 1210 werd de beweging tot een bedelorde omgevormd en is ze later in de 13e eeuw vanwege de Saracenen uitgeweken naar Europa, alwaar vele kloosters zijn gesticht.
- Het cultusbeeld van O.L. Vrouw van de Berg Carmel te Rucphen dat in 1944 verloren is gegaan, was ongeveer levensgroot en was voorzien van een mantel en zilverwerk. Het beeld stond in de kerk op het zijaltaar aan de evangeliezijde, waar anno 2003 het Blasiusbeeld staat.
- Een ‘versleten’ neogotisch beeld van de Carmel Lieve Vrouw is in 1963 door pastoor E.P.J. Bruinsma na zijn benoeming persoonlijk in stukken geslagen, nadat de koster een opdracht van hem daartoe had geweigerd.
- Omstreeks 1950 is nog een beeldje van geglazuurd aardewerk (chamotte) van deze Lieve Vrouw (ca. 70 cm hoog) vervaardigd en op het hoge Maria-altaar, links van het hoogaltaar geplaatst.
Verering - In Antwerpen was sinds het begin van de 16e eeuw een carmelietenklooster gevestigd. Aan dat klooster werd enige jaren later een ‘vermaarde’ broederschap van het scapulier verbonden, waarvan bestuurders, adellijke personen en hoge clerus lid werden. De broederschap trok op 16 juli, de feestdag, met een grote processie door de stad. De broederschap werd vervolgens verheven tot aartsbroederschap, waarvan de zetel in de Franse tijd, op 28 juni 1811, naar de Carolus Borromaeuskerk in dezelfde stad werd overgebracht.
- De scapuliercultus binnen het genoemde klooster was de basis voor de stichting van een gelijksoortige verering in Rucphen. In 1672 werd namelijk de pastorale zorg in Rucphen toevertrouwd aan de Antwerpse carmelieten die deze devotie actief propageerden. De carmeliet Archangelus à Sancto Spirito (Petrus Johannes van der Zijpe) werd in dat jaar tot pastoor van Rucphen benoemd en bleef dat tot aan zijn overlijden op 29 oktober 1706. Hij werd in het Antwerpse klooster begraven.
- In het tweede jaar van zijn pastoraat, in 1673, richtte Van der Zijpe de Broederschap van O.L. Vrouw van de Berg Carmel op. De geschiedschrijver van het bisdom Breda, J.B. Krüger, noemt haar in 1878 een ‘vermaard broederschap’. Hij vond toen nog in het archief een ‘jaarschrift’ dat ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan in 1773 was uitgegeven en dat de oprichting in 1673 nog eens bevestigde. De aandacht en de betiteling (‘vermaard’) die Krüger aan de broederschap geeft, geven het belang ervan aan ten opzichte van andere broederschappen, maar zou misschien ook verband kunnen houden met het feit dat zijn moeder uit Rucphen afkomstig was en dat hij zodoende beter op de hoogte was van de lokale situatie.
- Na Van der Zijpe werden er nog drie opeenvolgende Antwerpse carmelieten, te weten Apollinaris van Hove, Oswaldus van Elsen en Alexander de Man als pastoor in Rucphen aangesteld. In 1785 werd er de eerste diocesane pastoor, Cornelius de Wilde, benoemd.
- Over de praktijk van cultus en devotie is uit die periode verder weinig bekend. Juten weet alleen te melden dat volgens het dekenaal verslag over 1704 er dat jaar op 16 juli zo’n 1600 communies werden uitgereikt. Aangezien de plaatselijke bevolking volgens een volkstelling uit 1703 651 inwoners telde, van wie maar een deel communicanten, kan er uit worden afgeleid dat er alleen al meer dan duizend (communicerende) bedevaartgangers van buiten het dorp naar Rucphen kwamen vanwege het feest van O.L. Vrouw van de Berg Carmel.
- Onder het apostolisch vicariaat Breda was er sprake van een nieuwe versterking van de cultus. Zo heeft J. van Hooydonk, apostolisch vicaris te Breda, op 2 maart 1844 de broederschap opnieuw bevestigd. Een andere devotionele impuls kwam voort uit het verzoek van pastoor F.C. Laurijssen (1883-1901) tot de vestiging van enkele zusters penitenten-recollectinen in Rucphen. Tot aan de opheffing van het klooster in 1962 hebben de zusters een belangrijke bijdrage verleend aan de propaganda voor de scapuliercultus en vervaardigden zij jarenlang zelf de voor verdere verspreiding bestemde scapulieren en andere devotionalia.
- Op of rond 16 juli vond ook de jaarlijkse straatkermis plaats. Het gemeentebestuur sprak van ‘het Kerkfeest’, maar stond er ambivalent tegenover. In het verlengde van eerder uitgevaardigde verboden op liedjeszingen, orgeldraaien en bedelarij tijdens de kermis, maakte het gemeentebestuur in 1927, ten tijde van pastoor P.M. Hack (1924-1932), een einde aan de gehele kermisviering. Een en ander was niet zonder consequenties voor de cultus. Mogelijk in samenhang daarmee was er in 1928 sprake van een duidelijke vermindering in de drukte rond de verering. Een andere factor die daarbij ook een rol kan hebben gespeeld, was de concurrentie van de Blasiusdevotie die in genoemd jaar extra leven was ingeblazen en aanzienlijk meer bezoekers trok dan in voorgaande jaren (⟶ Rucphen, Blasius, dl. 2). Dat sindsdien de scapulierdevotie binnen het dorp minder belangrijk is geworden, lijkt te worden bevestigd door de herinneringen aan het jaar 1938, die zijn opgetekend door de Rucphender S. van Nispen. Ondanks zijn precieze en uitvoerige opsomming van de jaarlijkse feesten, rept hij met geen woord over de scapulierdevotie.
- In 1950 trok de scapulieroplegging nog steeds enige bedevaartgangers van buiten de parochie. Pastoors van bedevaartplaatsen in de regio brachten elkaars feesten jaarlijks onder de aandacht van hun parochianen. Zodoende bracht de ‘Rucphense aflaat’ op 16 juli toen nog vereerders uit onder meer ⟶ Sprundel, ⟶ Schijf, ⟶ Hoeven en ⟶ Roosendaal naar het dorp, de hoogtijperiode van de bedevaart was echter voorbij. Dat de Nederlandse bisschoppenconferentie besloot om dat jaar op 16 juli een algemeen herdenkingsfeest voor O.L. Vrouw van de Berg Carmel te houden, teneinde tot een beter begrip en een betere beleving van de devotie te komen, veranderde daar niets aan. In 1951 werd nog de patroondag van de meisjesschool met een mis en een opdracht van Maria van de Berg Carmel gevierd. De misdienaars droegen tijdens de missen en het lof blauwe (in plaats van rode of zwarte) toogjes met witte superplie, en blauwe met gouddraad afgezette kraagjes, die alleen tijdens de feestdag en het octaaf mochten worden gedragen.
- Over de praktijk van de eerste scapulieroplegging in de jaren vijftig en zestig van de 20e eeuw vertellen lokale zegslieden in 2003 dat deze plaatsvond na afloop van het lof. Dit gebeurde met name bij kinderen, in de regel in een van de eerste vier levensjaren. Daarmee waren ze reeds jong voor het gehele leven onder de bescherming van Maria gesteld. Het kind werd dan door de moeder bij de communiebank opgetild en onder het uitspreken van een korte gebedsformule legde de pastoor het scapulier over de linkerschouder van het kind. Daarna werd het scapulier bewaard door de ouders, totdat het kind groot genoeg was om het permanent om de hals te dragen. In die tijd werd het stoffen scapulier overigens nauwelijks meer permanent gedragen, maar veelal vervangen door een waarschijnlijk tegelijkertijd uitgereikte scapuliermedaille. Toen na 1962 de zusters uit het dorp waren vertrokken en er geen nieuwe scapulieren meer werden gemaakt, werd vanwege de schaarste daaraan het scapulier over de schouder gelegd, maar daarna weer door de pastoor teruggenomen en voor de volgende oplegging gebruikt. Vóór die periode werd echter nog sterk aan het eerst uitgereikte stoffen exemplaar gehecht, hetgeen blijkt uit Frans Commissaris in 2003 vertelde over zijn vaders scapulier. Zodra dit sporen van slijtage begon te vertonen werd er wit-blauw geblokte stof omheen genaaid en wanneer die stof ook begon te verslijten, gebeurde dat opnieuw. Zo kon het gebeuren dat de kleine scapulieruiteinden tot ‘pannenlappen’ uitgroeiden. Na overlijden ging het stoffen scapulier mee in de kist. Vanwege het permanent dragen van het scapulier kreeg het in Rucphen ook wel de bijnaam van ‘het luizenlapje’.
- Hoewel het afschaffen van de straatkermis de belangstelling had doen teruglopen, overleefde de bedevaart de Tweede Wereldoorlog nog even. Waarschijnlijk vanwege de vernietiging van het cultusbeeld in 1944, verving de pastoor enkele jaren later het Maria-altaar door een Blasiusaltaar, waarna de devotie nog verder terugliep.
- Op basis van lokale zegslieden is het vrijwel zeker dat de bedevaart na 1950 tot een einde is gekomen. De parochiële verering is in de jaren zestig verlopen. De faam van de scapuliercultus kende nog wel enige uitloop. Op de Mariakaart van Nederlandse Mariaheiligdommen uit 1954 wordt Rucphen namelijk nog steeds als ‘devotieplaats’ opgevoerd en in 1978 vernam de Brabantse auteur Naaijkens ter plekke dat de cultus eertijds een vergelijkbare uitstraling had gekend als de naburige bedevaartplaatsen ⟶ Zegge en ⟶ St. Willebrord (dl. 2).
Materiële cultuur Devotioneel drukwerk
- Arn. Wijtenburg, O.L. Vrouw van den Berg Carmel. Handboekje ten gebruike der leden van de derde orde van O.L. Vrouw van den berg Carmel en van de leden der Broederschap van het H. Scapulier (Sittard: Stoomdrukkerij J.K. Alberts, 1913; 242 p.; impr. H. Driessen, Oss, 22 februari 1913 & impr. P. Geurts, Roermond 9 september 1913). Dit boekje was voor algemeen gebruik voor o.m. broederschappen en niet specifiek of alleen op Rucphen gericht.

Materiële cultuur
- Scapulier: 1 Leken ontvingen een scapulier als teken dat zij deel hadden aan de goede werken van de desbetreffende orde. In broederschappen verenigd droegen zij het scapulier als onderscheidingsteken. Om de ermee verbonden aflaten te verdienen is het voldoende om eenmaal met het scapulier ‘ingekleed’ te zijn en vervolgens het gezegende scapulier te dragen. Om alle aan het scapulier verbonden ‘voorrechten’ te kunnen genieten, moest het altijd, dag en nacht, worden gedragen. Voor het dragen onder gewone kleren werd een ‘kleinscapulier’ gebruikt, ook wel ‘lekenscapulier’ genoemd. De gewone vorm daarvan was twee kleine vierkante of rechthoekige gekleurde wollen stukjes stof, soms van een afbeelding voorzien, en aan de boveneinden door twee linten met elkaar verbonden en zo over de schouders gedragen, dikwijls versierd met religieuze voorstellingen. Iconografie en kleur (wit, bruin, zwart, blauw, rood) zijn afhankelijk van de orde waaraan een scapulier is verbonden. De meest voorkomende gewone scapulieren zijn die van: 1. de Allerheiligste Drieëenheid; 2. het Viervoudig Scapulier (het Lijden van Jezus Christus, het Allerheiligst Hart van Jezus Christus, de Onbevlekte Maagd Maria en van het Hart van de Onbevlekte Maagd Maria); 3. de Zeven Smarten der H. Maagd Maria; 4. O.L. Vrouw van Goede Raad; 5. de H. Jozef; 6. de oudste en meest bekende is het bruine of zwarte scapulier van O.L. Vrouw van de Berg Carmel, het is bovendien de enige waarvan het feest gevierd wordt door de (r.k.) wereldkerk. Nederlandse exemplaren komen voor met de afmetingen van 3,5 x 5 cm (met gravure-achtige afbeeldingen van O.L. Vrouw van de Berg Carmel en van Simon Stock met Maria) met linten van 1 x 34 cm.
- Aan het dragen van het scapulier zijn volle aflaten verbonden. Maria beloofde de Carmel-scapulier drager twee gunsten: vrijwaring voor de helse straffen en verlossing uit het vagevuur, onder de voorwaarden dat men in de Carmel-broederschap was opgenomen, het scapulier altijd op de juiste wijze droeg, het op een geldige wijze van een priester had ontvangen en een goed christelijk leven leidde. De aflaten waren te verdienen 1. op de dag waarop men het scapulier had ontvangen; 2. op 16 juli; 3. na bezoek aan de kerk waar de broederschap is opgericht; 4. op de zondag van de maandelijkse processie; 5. Pinksteren; 6. op 15 november, het ‘allerzielen’ van de carmelieten; 7. in het stervensuur bij het aanroepen van de H. Naam Jezus.
2 De Rucphense scapulieren werden als huisvlijt met de hand vervaardigd door de kloosterzusters ter plaatse. Het zijn twee lapjes van drie op elkaar genaaide stukjes stof (2 x 5 cm) met daarop een rood kruisje. Het geheel is inclusief de beide linten zo’n 50 cm lang.
- Scapuliermedaille: in 1910 is door paus Pius X toegestaan, teneinde het gebruik te bevorderen, vanwege het gemak of uit overwegingen van ‘zindelijkheid’, het scapulier te vervangen door een scapuliermedaille van ‘deugdelijk’ metaal. Op deze medaille staat aan de ene kant een afbeelding van het H. Hart van Jezus en aan de andere een van Maria. Deze medaille kan door een priester, die de volmacht bezit het scapulier op te leggen, met een enkel kruisteken worden gewijd. Het dragen hiervan gebeurt volgens de katholieke kerk op correcte wijze, als het scapulier voortdurend wordt gedragen en hij is omgehangen door een bevoegd priester.
Bronnen en literatuur Archivalia: Het parochiearchief van voor 1684 is in dat jaar door brand verloren gegaan. Onderzoek in zowel het parochiearchief (van na 1684), het bisdomarchief als het gemeentearchief heeft tot dusver geen gegevens over de cultus opgeleverd; Archief RKK Utrecht, notulen 15/16 maart 1950.
Literatuur: Kort begryp van d’instelling, privilegien en aflaeten van het Aertsbroederschap van Onze Lieve Vrouw des Bergs Carmeli den H. Scapulier, voordeelig aen alle christenen, zoo in dit leven, als naer hunne dood (Antwerpen: J.B. de Beer, 1837); A.J. van der Aa, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, dl. 9 (Gorinchem: Noorduyn, 1847) p. 748; J.B. Krüger, Kerkelijke geschiedenis van het bisdom van Breda (Roosendaal: Van Leeuwen, 1878) dl. 1 p. 223-230 (over Carmel en broederschap te Antwerpen), dl. 4 p. 208-215 (over Rucphen en broederschap); Neerlandia Catholica of Het Katholieke Nederland. Ter herinnering aan het Gouden priesterfeest van Z.D. Paus Leo XIII (Utrecht: P.W. van de Weijer, 1888) p. 249; Joan J.M. Pluijm, Verhandeling over de scapulieren (Nijmegen: Malmberg 1904); J.A.F. Kronenburg, Maria’s Heerlijkheid in Nederland, dl. 4 (Amsterdam: Bekker, 1905) p. 388-391 (scapulier algemeen), dl. 7 (Amsterdam: Bekker, 1911) p. 304-306 (introductie scapulier in Nederland); Jan Kalf, De katholieke kerken in Nederland (Amsterdam: Van Holkema & Warendorf, 1906) p. 493; A. Koenders, Over scapulieren en scapulier-medaille (Venlo: G. Mosmans, 1912); Jan Kalf, De monumenten van geschiedenis en kunst in de provincie Noordbrabant. Eerste stuk: de monumenten in de voormalige Baronie van Breda (Utrecht: A. Oosthoek, 1912) p. 326-328; P. Pulskens, Korte verhandeling over de gewone scapulieren, scapulierbroederschappen en scapulier-medaille (Tilburg: W. Bergmans, 1915); Franz Beringer, Die Ablässe, ihr Wesen und Gebrauch (Paderborn: F. Schöningh, 1921-1922) dl. 1 nr. 919-952, p. 463-498; dl. 2 passim; G.C.A. Juten, De parochiën in het bisdom Breda, dl. 1. Dekenaat Bergen op Zoom (Bergen op Zoom: Juten, 1925) p. 14; [wijding veldkapel], in: Brabants Nieuwsblad, 25 juli 1950; [patroondag meisjesschool], in: Brabants Nieuwsblad, 17 juli 1951; P. Polman, Katholiek Nederland in de achttiende eeuw, dl. 3 (Bussum: Paul Brand, 1968) p. 63, 83, 92, over de parochie; Ludovico Saggi, ‘Santa Maria del Monte Carmelo’, in: Ludovico Saggi ed., Santi del Carmelo. Biografie da vari dizionari (Rome: Institutum Carmelitanum, 1972) p. 109-135; Jan Naaijkens, Leer ze mij kennen... de Brabanders (’s-Hertogenbosch 1978) p. 65, vermelding van de cultus; C. Priem & A. Schrauwen, Parochiekroniek bij gelegenheid van het 50-jarig kerkjubileum 1983 (Rucphen: Kerkbestuur St. Martinusparochie, 1983) geen vermelding van de cultus; G. Mesters, ‘Skapulier’, in: Lexikon für Theologie und Kirche, dl. 9 (Freiburg: Herder, 1964); Stan van Nispen, ‘Rucphen vijftig jaar geleden’, in: ’t Rucvennerke 1 (1988) passim; Cultuurhistorische inventarisatie Noord-Brabant: M.I.P. Gemeente Rucphen (Den Bosch: Provincie Noord-Brabant, 1993); C.A.I.L. van Nispen, ‘Ter bedevaart in West-Brabant. Overwegingen en aanvullingen bij het verschijnen van Bedevaartplaatsen in Nederland, deel 2 Noord-Brabant’, in: Jaarboek ‘De Ghulden Roos’ 59 (1999) p. 118-121; Directorium over volksvroomheid en liturgie. Principes en richtlijnen (Zeist: Nationale Raad voor Liturgie; Bisschoppenconferentie, 2003) p. 136-137; Anny Lauwerijssen, ‘Maria staat weer op haar plaats’, in: Rucphense bode, 21 oktober 2003.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Rucphen-O.L.Vrouw van de Berg Carmel; mondelinge informatie in 1999 van H.C. van Oosterbosch uit Rucphen en van C.A.I.L. van Nispen en in 2003 van A.F.M. Commissaris en J. Herrijgens te Rucphen. Prentjes/litanie van O.L. Vrouw van de Berg Carmel, uit de collectie J.A. Bomans, opgenomen in BiN-dossier (acquisitie 2012).
  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<