Vinkeveen, O.L. Vrouw van Lourdes

Cultusobject: O.L. Vrouw van Lourdes
Datum: 16 juli; 8 december; Sacramentsdag
Periode: 1883 - ca. 1920
Locatie: Parochiekerk van het H. Hart van Jezus
Adres: Kerklaan 2-2a, 3645 EV Vinkeveen
Gemeente: De Ronde Venen
Provincie: Utrecht
Bisdom: Utrecht
Samenvatting: De Mariaverering in het ‘Klein Lourdes’ te Vinkeveen is door de bouwpastoor van de in 1883 in gebruik genomen parochiekerk van het dorp tot ontwikkeling gebracht. Onder zijn opvolger kwam het daadwerkelijk tot groepsbedevaarten vanuit de regio van het Utrechts-Hollands veengebied. Een brede propagandacampagne om Vinkeveen als bedevaartplaats te positioneren, stuitte echter op bezwaren bij het bisdom. Daarom veranderde omstreeks 1920 de cultus weer in een min of meer lokale devotie.
Auteur: Peter Jan Margry
Illustraties:
Topografie - Het polderdorp Vinkeveen, circa 15 km ten zuiden van Amsterdam, ligt midden in het Utrechts-Hollandse veengebied. Het dorp had in de 14e eeuw een eigen St. Nicolaasparochie. Na de Reformatie zorgden een schuurkerk en continuïteit van (missionaire) zielzorg vanuit Amsterdam ervoor dat de bevolking van de statie Vinkeveen-Waverveen grotendeels katholiek is gebleven. In 1842 werd, ter vervanging van de 17e-eeuwse schuurkerk, aan de Herenweg een Antonius van Paduakerk gebouwd. Toen ook deze kerk vanwege de groeiende bevolking - in 1883 telde de parochie zo’n 2300 zielen - te klein werd, ontstonden plannen voor een grotere kerk.
- Op basis daarvan werd in 1882 begonnen met de bouw van een door Alfred Tepe ontworpen neogotische driebeukige kruiskerk. Bouwpastoor C.J. van Groeningen (1876-1895; voor zijn broer, vgl. ⟶ Hasselt, dl. 1) was lid van het Utrechtse St. Bernulfusgilde en had de architect zo leren kennen. Enkele interieurstukken en de ramen werden door andere leden van het gilde, Otto en F.W. Mengelberg, ontworpen. Bij de bouw van de kerk werd ruimtelijk al rekening gehouden met de mogelijke ontwikkeling van een levendige Mariadevotie. Van Groeningen had namelijk een sterke devotie voor O.L. Vrouw van Lourdes en daarom liet hij met het oog op toekomstige processiebedevaarten een ruime kooromgang ontwerpen, zodat ook binnen de kerk grote groepen konden rondgaan. Het gaf de kerk een ongebruikelijk grote omvang voor een dorpskerk die daarom ook ‘de kathedraal van De Ronde Venen’ werd genoemd. Jan Kalf schreef: ‘Zoo gaf hij [Tepe] dan aan den omgang om het priesterchoor - zulk ambulatorium moest op stelligen wensch van den bouwheer worden aangelegd - veel te groote breedte en ontnam daarmede alle stemming aan dit sanctuarium’. De kerk werd op 23 juli 1883 door de pas aangetreden aartsbisschop P.M. Snickers ingezegend, kort voor de viering van het 25-jarig priesterfeest (26 juli) van de bouwpastoor. De kerk werd toegewijd aan het Heilig Hart van Jezus, een van de andere bijzondere devoties van Van Groeningen. Gerard Brom gaf later een eigen oordeel over deze ambities: ‘Er waren dorpen, die tegen alle redelikheid en doelmatigheid een soort kathedraal moesten krijgen. Vinkeveen zuchtte jarenlang onder het denkbeeld van zijn monarchaal kerkbestuur om een volledige kooromgang binnen de ongehoord ruime kerk aan te leggen.’
- Ten westen van de kerk werd in 1884 het kerkhof aangelegd; ten zuiden van de kerk lagen weilanden (de ‘kerkelanden’; in 1937 is hier het zorgcentrum ‘Mariaoord’ gebouwd), een terrein waarop gedurende enige jaren de mariale en sacramentsprocessies werden gehouden.
- In de kerk werd aan de zuidzijde van het priesterkoor en de kooromgang een aparte Mariakapel (tegenover de Jozefkapel aan de noordzijde; ook de twee voorgaande kerken hadden Maria- en Jozefkapellen en -beelden) ingericht, waarin na de oplevering op kosten van de pastoor bij het Maria-altaar (met tombe; ontwerp van F.W. Mengelberg) een Lourdesgrot (6 m hoog, 4 m breed en 4 m diep; kosten: f 372,50) werd geconstrueerd. De kapel werd aan de voorzijde en de zijkant door een neogotisch ijzeren hekwerk (kosten: f.590,-) afgeschermd. Op de voorzijde staat een tekst van Bernardus van Clairvaux: ‘Toon dat Gij onze Moeder zijt’; aan de zijkant is de tekst ‘Wees gegroet Moeder van Barmhartigheid’ aangebracht.
- Tussen 1915 en 1918 werd ten behoeve van de Mariakapel een drietal glas-in-loodramen door de Vinkeveense familie Vredendaal aan de kerk geschonken. De ramen zijn ontworpen door Otto Mengelberg en stellen voor: 1. Maria en Bernadette bij de grot en de ontdekking van de bron; 2. de verbeelding van het 12e hoofdstuk uit de Apocalyps, de strijd van de vrouw en de draak; 3. de eerste verschijning van Maria te Lourdes op donderdag 11 februari 1858.
Cultusobject - Van 11 februari tot 16 juli 1858 verscheen Maria 18 keer aan de jeugdige Bernadette Soubirous (1844-1879; vgl. ⟶ Spoordonk, dl. 2) in het Franse Lourdes. Maria bevestigde tijdens een van haar verschijningen haar onbevlekte ontvangenis (d.w.z. dat zij geboren is zonder de smet van de erfzonde) die in 1854 tot kerkelijk dogma was verheven. Na de inwilliging van Maria’s verzoek aan Bernadette om een kapel voor haar te stichten, kwam een bedevaart naar Lourdes op gang die al spoedig werd gestimuleerd door wonderbaarlijke genezingen met bronwater. Dankzij de verschijningen, gebedsverhoringen en genezingen groeide Lourdes uit tot de beroemdste Mariabedevaartplaats ter wereld. Een reis daarheen was, zeker in die tijd, lang niet voor iedereen weggelegd. Nadat de paus zelf een replica van de grot in de tuin van het Vaticaan had laten bouwen, en nadat in 1875 in de Lourdesgrot van Oostakker bij Gent een genezingswonder had plaatsgevonden, kreeg de aanleg van Lourdesgrotten en -kerken in de gehele wereld een sterke impuls. Op 8 december 1933, feestdag van de Onbevlekte Ontvangenis, werd Bernadette heilig verklaard.
- Een replica van het beeld van O.L. Vrouw van Lourdes en van de H. Bernadette zijn respectievelijk in en bij de grot aangebracht. De oorspronkelijke beelden uit 1883 zijn tijdens het pastoraat van H. Campman (1920-1946) vervangen door wit-gipsenexemplaren (Maria ca. 1,25 m; Bernadette ca. 1 m), die omstreeks 1941 door J.A. Maas & zonen te Haarlem zijn gemaakt. De oorpronkelijke, polychrome beelden waren een stuk kleiner; verder was Maria gekroond en was Bernadette toen staande (i.p.v. nu knielend) weergegeven.
- Een Lourdesreliek, een steen (Ø ca. 10 cm) uit de verschijningsgrot van Lourdes, is onder het Mariabeeld in de grot in de Vinkeveense kerk ingemetseld.
Verering - De Mariaverering werd door de vurige Lourdesvereerder pastoor C.J. van Groeningen (1876-1895) volgens een vantevoren opgezet plan in zijn kerk geïntroduceerd. Op zijn kosten werd in 1883 een Mariakapel ingericht. Mede op deze wijze wilde hij de kerk tot een regionaal centrum van Mariaverering verheffen. Voor de stimulering van de Lourdesdevotie had hij reeds in 1878 in de Antoniuskerk een Broederschap van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria opgericht, die was geaffilieerd met de aartsbroederschap te Lourdes. Daarmee konden alle ‘gunsten en voorregten’ die aan Lourdes zijn of zullen worden verleend, ook in Vinkeveen worden verworven.
- Na de bouw van de nieuwe kerk, breidde Van Groeningen het aantal broederschappen in zijn parochie verder uit: in 1883 richtte hij broederschappen van de H. Familie en van het H. Sacrament op, in 1884 een afdeling van het Genootschap van de H. Kindsheid en een Mariacongregatie en in 1888 ook nog een Kevelaerbedevaartbroederschap. Ook de verwerving van een groot aantal relieken en de plaatsing van relieken op bijzondere plaatsen in de kerk, zijn een indicatie voor het belang dat hij aan devoties hechtte.
- Het feest van Maria Onbevlekte Ontvangenis was in 1854 door Pius IX op 8 december voor de gehele kerk afgekondigd en was in feite enkele jaren later, in 1858, door Maria in een verschijning aan Bernadette in Lourdes mondeling bevestigd met de woorden ‘Ik ben de onbevlekte ontvangenis’. Het eerste ‘Lourdesfeest’ in Vinkeveen werd werd 25 jaar later op 8 december 1883 ‘luisterrijk’ gevierd. In de kerk werd het Mariabeeld van Lourdes door jonge bruidjes omgedragen en gedurende de octaafviering was er elke dag mis, lof en avondpredicatie. Volgens het tijdschrift Maandrozen was de kerk iedere dag gevuld met Mariavereerders. Die week werden er 1200 hosties uitgedeeld. Over het verdere verloop van de Lourdesverering is niets bekend en het is daarom niet duidelijk of de cultus in die jaren wel een bedevaartkarakter had. De uitgave van het pelgrimsliedboek Bedevaart naar Vinkeveen uit circa 1905 lijkt daar echter wel op te duiden.Ten tijde van zijn opvolger Weenink was het bedevaartkarakter evident.
- Pastoor B.H. Weenink (1908-1920) zette zich in om de droom van pastoor Van Groeningen, een actief filiaalheiligdom van Lourdes, te verwezenlijken. Er bestond ondertussen een goede voedingsbodem in Nederland voor dergelijke filiaalculten, men kende vergelijkbare plaatsen als ⟶ Cadier en Keer (dl. 3), ⟶ Katwijk aan de Maas (dl. 2), ⟶ Monster (dl. 1), ⟶ Tienraij (dl. 3), Zuiddorpe (dl. 1) en het nabije ⟶ Zevenhoven (dl. 1). Omdat Lourdes een verre reis betekende, waren de replicagrotten succesvol en werd er in Amsterdam een landelijke ‘Geestelijke Bedevaart’ opgericht tot O.L. Vrouw van Lourdes, die de gunsten op afstand voor haar leden probeerde te verwerven, bijvoorbeeld in alternatieve grotlocaties.
- Als resultaat van Weeninks inspanningen kwam in 1909 de eerste bedevaartgroep uit Kockengen. Zo’n 100 personen kwamen met ‘processiebooten’ naar Vinkeveen. Processies op het rond de kerk gelegen ‘kerkeland’ (waar tijdelijk een rustaltaar werd geplaatst), waarvoor elk jaar apart toestemming bij de bisschop moest worden gevraagd, sloten de bedevaarten op of rond 16 juli (de laatste dag van de verschijningen aan Bernadette en feestdag van O.L. Vrouw van de Berg Carmel) af. Deze mariale feestdag in de zomer was waarschijnlijk gekozen als pragmatisch alternatief voor de eigenlijke feestdag 8 december, welke in de winter valt en daarmee niet zo geschikt is voor bedevaarten. Een serie foto- of ansichtkaarten uit die jaren geeft een beeld van de bedevaart- en processiepraktijk in de beginjaren van de bedevaart. In diverse brede en platte schuiten voorzien van zitbanken en/of stoeltjes en van luifels tegen de zon en regen werden de pelgrims tot aan het kerkeland gevoerd.
- Behalve op genoemde Mariafeestdagen, werd ook Sacramentsdag in Vinkeveen groots gevierd en alszodanig in de bedevaart betrokken. De sacramentsprocessie werd buiten de kerk op de omliggende terreinen gehouden. Daar werden dan rustaltaren of huldepoorten met teksten (‘Maria Hulde’ en ‘Adoro te’), wimpels en plantenversieringen aangebracht. Ook voor dit ritueel kwamen veel pelgrims van buiten Vinkeveen. Het lijkt alsof hier de eucharistische en mariale vieringen met elkaar werden verbonden, zoals ook in het echte Lourdes sacramentsprocessies een belangrijke plaats innemen binnen de cultus. De liedbundel De Pelgrim werd gebruikt voor de gezangen, met ondersteuning van de harmonie Unitas. De pastoor en andere priesters droegen het Allerheiligste mee onder een baldakijn. Aan de processie namen ook bruidjes, de Katholieke Jonge Meisjesvereniging (KJM) met diverse vaandels, waaronder dat van Maria Onbevlekt Ontvangen, en volwassen vrouwen en mannen deel.
- Deze ontwikkelingen werden door aartsbisschop H. van de Wetering van Utrecht met lede ogen aanschouwd. In een brief uit 1911 liet hij weten niet gelukkig te zijn met de toestroom van bedevaartgangers naar Vinkeveen: ‘Wij menen ons te moeten verzetten tegen het scheppen van bedevaartplaatsen zonder dat daarvoor grond bestaat’. Hij stond afwijzend tegenover pastoors die ex nihilo een heiligdom wensten te creëren, teneinde buiten de reguliere parochiële praktijk ook nog een andere status aan hun kerk te verbinden. Tegen de achtergrond van de vele Mariaverschijningen wereldwijd, onder meer te Lourdes, begon ook de algemene kerkregel invoering te vinden dat de bisschop aan nieuwe bedevaartplaatsen in zijn diocees zijn goedkeuring diende te hechten. Van de Wetering gaf daarom geen toestemming meer om processies te houden met deelnemers van buiten de parochie Vinkeveen. Aangezien de grot toch bezoekers van buiten bleef trekken - in 1913 namen ook Utrechtenaren aan de processie deel - herhaalde de bisschop het jaar daarop zijn standpunt. Ondanks tegenwerpingen van pastoor Weenink bleef de bisschop bij zijn standpunt. Ook in 1915 zette de pastoor zijn activiteiten nog voort, maar kreeg hij de harde lastgeving direct alle propaganda voor bedevaarten naar ‘Klein Lourdes te Vinkeveen’ te beëindigen. Dit lijkt effect te hebben gehad, aangezien sindsdien de (groepsgewijze) belangstelling van buiten Vinkeveen allengs afnam.
- Hoe dan ook bleef er een zekere devotie rond de Mariakapel bestaan. Pastoor Campman vond het immers nog gepast om in de jaren dertig de kapel van nieuwe cultusbeelden te voorzien.
- Voorzover bekend of overgeleverd, hebben er bij de grot geen genezingen of andere miraculeuze verschijnselen plaatsgevonden.
Materiële cultuur - Processievaandels: 1 vaandel met een afbeelding van O.L. Vrouw van Lourdes en de tekst ‘Ego sum Immaculata Conceptio’ en de wapens van de provincie Utrecht en van Vinkeveen, ca. 1,6 m x 1,2 m; ca. 1890; 2 processievaandel van de ‘Maria Vereniging Vinkeveen’, opgericht op 23 oktober 1905, met een afbeelding van Maria Koningin en het wapen van Vinkeveen (een vinkje en drie turven), ca. 1,6 m x 1,2 m; ca. 1905.
- Devotionalia: in de Mariakapel hangt als een votiefgeschenk een verguld koperen hartje (18,5 cm) uit het einde van de 19e eeuw, met een door pastoor Weenink geschreven opdracht aan Maria.
- Reliekschrijntje van verguld gegoten koper (26 cm hoog x 18 cm breed x 11,5 cm diep) gemaakt te Lourdes aan het einde van de 19e eeuw. De functie is niet bekend; mogelijk was deze oorspronkelijk bedoeld om de verworven steen uit de grot van Lourdes in op te bergen.

Devotioneel drukwerk
- Liedboekje: Bedevaart naar Vinkeveen (Amsterdam: druk. A. van Straelen, ca. 1905; 20 p.; collectie Thomaassen UB Utrecht), bevat o.m. het Broederschapslied ter ere van het H. Sacrament en een lied ter ere van het Onze Lieve Vrouw van het H. Hart.
- Ansichtkaarten: 1 serie van foto- of ansichtkaarten van processie, staties en versieringen, processieboten, grot, kerkinterieur met altaar uit ca. 1911 (deels ook afgebeeld in H. Hartkerk Vinkeveen 1883-1983, p. 43, 44, 53, 113, 115); 2 mapje met zes kleurenfotokaarten van kerk en interieur, gemaakt t.b.v. het jubileum in 1983 (uitgave parochie Vinkeveen, 1983).
- Devotieprentjes: 1 ‘Ter herinnering aan de bedevaart naar de grot van Lourdes te Vinkeveen’, met op de keerzijde een kleurenprent van O.L. Vrouw van Lourdes en Bernadette te Lourdes en de tekst ‘Onze Lieve Vrouw van Lourdes bid voor ons!’ (Utrecht: Dekker & Van de Vegt; 5,5 cm x 10,5 cm; de gebruikte kleurenprent is afkomstig van Kühlen uit Mönchen-Gladbach, serie G-2); 2 ‘Ter Herinnering aan de Bedevaart ter eere van O.L.V. Lourdes Vinkeveen’, met op de andere zijde een kleurenprent van O.L. Vrouw van Lourdes en Bernadette te Lourdes en de tekst ‘O Domina mea, serva me, defende me!’; 3 een andere kleurenprent O.L. Vrouw van Lourdes en Bernadette is eveneens van Kühlen uit Mönchen-Gladbach (nr. 170) met de tekst ‘Ik ben de onbevlekte ontvangenis’.
Bronnen en literatuur Archivalia: Utrecht, Rijksarchief in Utrecht: parochiearchief H. Hart van Jezus; archief van het Aartsbisdom Utrecht, parochiedossier Vinkeveen.
Literatuur: ‘O.L. Vrouw van Lourdes in ons vaderland’, in: Maandrozen ter eere van het H. Hart van Jezus 15 (1884) p. 62-63; Jan Kalf, De katholieke kerken in Nederland (Amsterdam: Van Holkema & Warendorf, 1906) p. 143; Gerard Brom, Herleving van de kerkelike kunst in katholiek Nederland (Leiden: Ars Catholica, 1933) p. 141; J.M.A. van Cauteren e.a., H. Hartkerk Vinkeveen-Waverveen 1883-1983 (Vinkeveen: Parochiebestuur, 1983) p. 30-31, 43-45, 53, 64, 90, 112-117, met foto’s van processiebedevaarten.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Vinkeveen; beeldmateriaal en schriftelijke informatie van drs. J.M.A. van Cauteren te Weert in 1999.
  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<