Haelen, O.L. Vrouw van het Allerheiligst en Onbevlekt Hart

Cultusobject: O.L. Vrouw van het Allerheiligst en Onbevlekt Hart
Datum: 8 december; Mariafeesten; zaterdag
Periode: 1842 - ca.1890
Locatie: Parochiekerk van St. Lambertus
Adres: Burg. Aquariusstraat 19, 6081 AV Haelen
Gemeente: Haelen
Provincie: Limburg
Bisdom: Roermond
Samenvatting: In 1842 werd in de parochiekerk van Haelen de broederschap opgericht van het 'Allerheiligst en Onbevlekt Hart van Maria'. De devotie nam een hoge vlucht en duizenden inwoners van Haelen en de omliggende dorpen lieten zich in de broederschap inschrijven en bezochten op bepaalde feestdagen de St. Lambertuskerk. Omstreeks 1865 was de verering over haar hoogtepunt heen. In 1925 waren het Mariabeeld en de ex-voto's reeds verdwenen.
Auteur: Paulina de Nijs
Illustraties:
Topografie - Zie ⟶ Haelen, Apollonia.
Cultusobject - De verering van het H. Hart van Maria gaat terug tot de middeleeuwen. Een belangrijke nieuwe impuls kreeg de verering in 1836, toen pastoor Dufriche-Desgenettes in de kerk van Notre Dame des Victoires (O.L. Vrouw der Overwinningen) te Parijs de broederschap van het 'Allerheiligst en Onbevlekt Hart van Maria' oprichtte. Paus Gregorius XVI verhief deze broederschap in 1838 tot aartsbroederschap voor de gehele katholieke kerk. In Den Haag werd op 15 augustus 1842 de eerste Nederlandse broederschap opgericht. De redemptoristen van Wittem richtten in 1844 eveneens een broederschap op, die in de loop der decennia tienduizenden leden zou gaan tellen (⟶ Wittem, O.L. Vrouw van Wittem).
- De kerk bezat een beeld van O.L. Vrouw van het Allerheiligst Hart. Materiaal, grootte en vorm zijn onbekend, aangezien het beeld reeds in 1925 was verdwenen.
Verering - Volgens Kronenburg zou een dame uit Den Haag de devotie midden 1842 in Limburg hebben geïntroduceerd. Zij en een andere vrouw genoten veel steun van de Haelense pastoor H.T.F. van Dijck. Deze was voornemens in zijn parochie een broederschap op te richten van het Allerheiligst en Onbevlekt hart van Maria, maar hij schrok terug voor de moeilijkheden die aan de oprichting waren verbonden. Om te zien hoe zijn parochianen op de devotie reageerden, begon hij met het bidden van de rozenkrans elke zondag na het lof. Het godvruchtig overlijden van een jonge officier en de bekering van een protestant tot het katholieke geloof, beiden persoonlijk aan Van Dijck bekend, gaven de doorslag. Op 21 oktober 1842 richtte hij 'voor de bekeering der zondaren en andere noodwendigheden' in de Lambertuskerk van Haelen de broederschap op. Mgr. Paredis verleende zijn goedkeuring voor de oprichting op 28 maart 1843. De broederschap werd op 10 april van dat jaar verbonden aan de Parijse aartsbroederschap. Van Dijck correspondeerde met de directeur van deze broederschap. Deze zond hem op 28 april 1843 een handboekje, twee jaarschriften van de Parijse broederschap en 500 Mariamedailles. De belangrijkste feestdag van de broederschap was 8 december, Maria Onbevlekt Ontvangen. Het boekje Gebeden ten dienste der leden van het broederschap noemt ook andere feestdagen: besnijdenis des Heren (1 januari), de zondag na Driekoningen, Maria Lichtmis (2 februari), Maria Boodschap (25 maart), de zeven smarten van Maria, Goede Vrijdag, Maria Hemelvaart (15 augustus), Maria Geboorte (8 september), de bekering van Paulus (25 januari) en de feestdag van Maria Magdalena (22 juli). Ook alle zaterdagen, maar in het bijzonder de eerste zaterdagen van elke maand, waren devotiedagen. Op de feestdagen konden de leden van de broederschap na gebiecht en gecommuniceerd te hebben een volle aflaat verdienen. Op de zaterdagen was een aflaat van 500 dagen te verdienen.Wanneer men zich inschreef bij de broederschap ontving men naast een bewijs van inschrijving ook een medaille van de Maagd Maria, die tevens met een aflaat begunstigd was. Het lidmaatschapsgeld zou gebruikt worden ten gunste van de 'officiën, predikatiën en H. Missen ter eere van het Heilig Hart van Maria'. Tot in 1905 werden er elk jaar nog missen gelezen voor de leden van de broederschap.
- Pastoor Van Dijck staat als eerste lid geregistreerd. Het ledental der broederschap groeide fors als gevolg van de wonderbaarlijke bekeringen en genezingen die pastoor Van Dijck in zijn omgeving vaststelde en die hij ongetwijfeld bekendmaakte. Van Dijck schreef op 25 oktober 1843 aan Dufriche-Desgenettes dat zijn dienstmeisje, Monique, al sedert vier jaar ziek was. Twee artsen vreesden dat de ziekte tot de dood zou leiden. Maar sedert de inschrijving in de broederschap herstelde Monique langzaam. Zijn 92-jarige, 'buitenzinnen' zijnde tante, die sedert vele jaren niets anders deed dan vloeken en godslasterlijke taal bezigen, bad na het verkrijgen van een medaille voortaan elke avond het 'Ave Maria'. Blasfemische taal sprak zij niet meer. Tot slot verhaalde Van Dijck van de apothekersvrouw, Elise Pr., die overvallen was door koorts. Haar toestand verslechterde snel en de artsen vreesden voor haar leven. De laatste sacramenten werden toegediend. Twee franciscanen bezochten de stervende vrouw. Terloops kwam de broederschap van Haelen ter sprake, waarop het dienstmeisje opmerkte dat de zieke lid was van die broederschap. Onmiddellijk werden de medaille en het inschrijfformulier tevoorschijn gehaald. Een van de paters legde de medaille op de hals van de zieke vrouw, die vervolgens in slaap viel. Na enige dagen trad het herstel in.
- Op 14 januari 1844 schreef Van Dijck aan Dufriche-Desgenettes dat hij reeds 1789 leden had ingeschreven. Die behoorden lang niet allemaal tot zijn parochie, want die telde slechts 500 communicanten. De hele parochie was met uitzondering van enkele personen inmiddels ingeschreven '(...) et je puis dire que depuis l'érection de la confrèrie le bon et misericordieux Dieu a donné beaucoup de consolation par l'intercession de Marie à bien de familles'. In totaal bedroeg het aantal inschrijvingen in de broederschap 4316. De leden waren vooral afkomstig uit de nabije omgeving van Haelen (Buggenum, Heythuysen, Neer, Nunhem, Roggel). Ook studenten van het kleinseminarie Rolduc en het grootseminarie Roermond meldden zich aan. De inschrijvingen lopen door tot 1893, waarbij vanaf 1869 bijna alleen nog de 'neo-communicantes' van Haelen werden ingeschreven. Wellicht duidt dit op een achteruitgang in de belangstelling voor de devotie.
- De genezingen, het aantal inschrijvingen, de aanwezigheid van ex-voto's en de uitgifte van devotieboekjes maken duidelijk, dat sprake is geweest van een boven-parochiële devotie. Dit moge ook blijken uit een vergelijking met Bingelrade waar indertijd eenzelfde broederschap werd opgericht en waar nooit meer inschrijvingen zijn geweest dan van de parochianen zelf. Hoe de bedevaart in Haelen concreet gestalte heeft gekregen, is door gebrek aan gegevens niet te reconstrueren.
Materiële cultuur Devotioneel drukwerk
- Devotieboekjes: 1 Gebeden ten dienste der leden van het broederschap van het allerheiligste en onbevlekte hart van Maria , opgerigt in de kerk van den H. Lambertus M. en B. in de gemeente Haelen (Roermond: J.J. Romen, 1843); 2 Broederschap van het allerheiligste en onbevlekte hart van Maria opgerigt (...) in de parochiale kerk van den H. Lambertus M. en B. in de gemeente Haelen (Roermond: J.J. Romen, 1844; 31 p.).

Bronnen en literatuur Archivalia: Roermond, gemeentearchief: handschriftencollectie Petrus Schreurs, Haelen, inv. nrs. 17 en 19; parochiearchief H. Lambertus, Haelen, inv. nr. 181. Maastricht, Rijksarchief in Limburg: collectie Goossens, inv. nr. 110.
Literatuur: Voorloopige lijst der Nederlandsche monumenten van geschiedenis en kunst. Deel VIII. De provincie Limburg. Eerste stuk (Den Haag: Algemeene Landsdrukkerij, 1926) p. 112-113; Het Kanton Weert, 1925; J.A.F. Kronenburg, Maria's heerlijkheid in Nederland, dl. 8 (Amsterdam: F.H.J. Bekker, 1914) p. 232-238, over de devotie tot het Allerheiligst en Onbevlekt Hart van Maria; Petrus Schreurs, 'Over de oude kerk van Haelen. Historische aantekeningen', in: Rondom het Leudal nr. 23, 6 (1981) p. 3-6.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Haelen-O.L. Vrouw

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<