HomeDatabankenBedevaarten

Rijen, O.L. Vrouw

Mail voor aanvullingen en commentaar
Cultusobject: O.L. Vrouw
Datum: Onbekend
Periode: 16e eeuw
Locatie: Parochiekerk van de St. Maria Magdalena
Adres: Hoofdstraat 58, 5121 JG Rijen
Gemeente: Gilze -Rijen
Provincie: Noord-Brabant
Bisdom: Breda
Samenvatting: In de 16e eeuw bestond in de H. Maria Magdalenakerk te Rijen een bijzondere Mariaverering; in het begin van de 17e eeuw werd deze cultus zelfs vergeleken met de Mariaverering in Scherpenheuvel. Deze vergelijking duidt erop dat Maria in Rijen ook vereerders van buiten de eigen parochie aantrok. Over verering en bedevaart zijn verder geen expliciete gegevens bekend.
Auteur: Charles Caspers
Illustraties:
(Klik op afbeelding voor vergroting)
Topografie - In 1464 werd door de aartsdiaken van Kempenland een misbeneficie erkend voor een kapel die gebouwd was door de inwoners van het buurtschap 'ten Ryen'. De kapel, die afhankelijk was van de parochie van Gilze, werd gewijd aan Maria Magdalena en de H. Catharina. In 1484 werd ze vergroot en in 1524 officieel verheven tot parochiekerk ('quarta capella'). Kort voor de oprichting van de parochie werd in de kapel een Maria-altaar gesticht. In 1603 stond de pastoor van Gilze, aan wie tot dan toe de inkomsten van het Maria-altaar toekwamen, dit beneficie af aan zijn collega te Rijen omdat deze laatste een erg laag inkomen had.
- Na de Vrede van Munster (1648) werd de kerk gesloten en waren de katholieken voor de eredienst aangewezen op schuurkerken, eerst buiten Rijen, later, in de 18e eeuw in het centrum van het dorp (Kerkstraat). In 1815 werd de oude kerk weer teruggegeven aan de katholieken. In 1905 werd de kerk afgebroken omdat ze te klein was geworden voor de groeiende parochie. Ze werd vervangen door de huidige parochiekerk (neogotisch; architect J.H.H. van Groenendael) die eveneens aan Maria Magdalena is gewijd.
Cultusobject - Bij of op het aan haar gewijde altaar werd Maria vereerd. Waarschijnlijk concentreerde de aandacht van de vereerders zich hierbij op een beeld, omdat de deken van Breda in 1609 een vergelijking maakt tussen de situatie in Rijen en die in Scherpenheuvel waar een mirakelbeeld van Maria toen volop in de actualiteit stond (? Breda, O.L. Vrouw van Scherpenheuvel, -> Den Haag, O.L. Vrouw (dl. 1) en Maastricht, O.L. Vrouw van Scherpenheuvel (dl. 3)).
Verering - Waarschijnlijk was er al tamelijk snel na de stichting van het aan haar gewijde altaar sprake van een bijzondere Mariaverering te Rijen. Zo liet in 1526 Catharina van de Velde Laureisdochter in haar testament opmaken dat een jaarlijkse rente diende te worden geschonken om 'bernende te onderhouden een wassen keersse alle Saterdagen in Onser Vrouwe misse ende in alder Onser Vrouwe love, die men aldaer doen sal'. In 1609 noteert de deken van Breda, de norbertijn Matthaeus van Yersel, dat het Maria-altaar in de Rijense kerk 'beroemd was vanwege wonderen, zoals dat van Scherpenheuvel' ('Celebre fuit hoc altare miraculis ad instar Montis Acuti'). Indien we deze notitie ernstig nemen, dan moet de cultus in Rijen een meer dan plaatselijke uitstraling hebben gehad. De cultus in Scherpenheuvel was sinds 1602 erg vermaard geworden en net in 1609 - tevens het eerste jaar van het Twaalfjarig Bestand - werd in deze Belgische plaats een bedevaartkerk gebouwd. Omdat de deken de verleden tijd gebruikte, kunnen we ervan uitgaan dat in 1609 de cultus in Rijen al enige tijd niet meer bestond en waarschijnlijk al aan het einde van de 16e eeuw of eerder was opgehouden te bestaan. In de visitatieverslagen tot 1648 wordt het Maria-altaar wel vaak genoemd, maar voornamelijk als bron van inkomsten voor de pastoor. Indien er in de eerste helft van de 17e eeuw nog een speciale Mariaverering met bedevaart zou hebben bestaan, dan zou dat zeker zijn genoteerd in de vaak uitgebreide visitatieverslagen.
- Weliswaar werd, waarschijnlijk voor 1660, door de landdeken van Breda, Thomas Verschueren o.p., in Rijen een broederschap opgericht van O.L. Vrouw van de Rozenkrans, maar er kan geen band worden aangewezen tussen deze devotie en de 16-eeuwse verering.
- In de nacht van 16 februari 1763 werd de pastorie overvallen door rovers (volgens de overlevering joden uit Zaltbommel). De rovers namen onder meer vele zilveren voorwerpen (zoals kruisen, handen en armen) mee die uit godsvrucht waren geofferd. Mogelijk duiden deze ex-voto's op een meer dan lokale verering, maar opnieuw ontbreekt iedere relatie met de oudere Mariaverering. De voorwerpen kunnen ook aan een andere heilige geschonken zijn, bijvoorbeeld Blasius: zo werden bij de roof in 1763 eveneens relieken van de H. Blasius en de H. Apollonia gestolen; bij een roof in 1794 werden nogmaals relieken gestolen, ditmaal van de H. Blasius en de H. Maria Magdalena.

Bronnen en literatuur Tekstedities: P.M. Toebak, Kerkelijk-godsdienstig leven in westelijk Noord-Brabant, 1580-1652. Dekenale visitatieverslagen als bron, dl. 2 (Breda: Gemeentearchief, 1995) p. 79-206, het Maria-altaar wordt vaak genoemd, maar over een eventuele cultus wordt met geen woord gerept.
Literatuur: J.B. Krüger, Kerkelijke geschiedenis van het bisdom van Breda etc., dl. 4 (Roosendaal: Van Leeuwen, 1878) p. 152-157; Jan Kalf, De katholieke kerken in Nederland (Amsterdam: Van Holkema & Warendorf, 1906) p. 498; Jan Kalf, De monumenten van geschiedenis en kunst in de provincie Noordbrabant, dl. 1 (Utrecht: Oosthoek, 1912) p. 243; G.C.A. Juten, De parochiën in het bisdom Breda, dl. 2 (Bergen op Zoom: Gebr. Juten, 1935) p. 91-104, met citaat van de deken uit 1609 over de verering; A.J. Brekelmans, 'Verkenningen in de middeleeuwen', in: A.J. Brekelmans e.a., Gilze duizend jaar. Bijdrage tot de geschiedenis van Gilze (Gilze: Historische Werkgroep 1000 jaar Gilze, 1992) p. 27-29.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Rijen.

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<