Roermond, O.L. Vrouw van Bethlehem of 'in de Stege'

Cultusobject: O.L. Vrouw van Bethlehem of 'in de Stege'
Datum: Onbekend
Periode: Ca. 1374 - 15e eeuw
Locatie: Voormalige Bethlehemkapel behorend bij het karthuizerklooster
Adres: Hoek Swalmerstraat-Bethlehemstraat, Roermond (adres St. Caroluskapel: Swalmerstraat 52)
Gemeente: Roermond
Provincie: Limburg
Bisdom: Roermond
Samenvatting: In de uit 1370 stammende kapel van O.L. Vrouw van Bethlehem, aanvankelijk ook wel O.L. Vrouw 'in de Stege' genoemd, ontstond kort na de stichting een bijzondere verering van twee beelden van O.L. Vrouw. Uit enkele aflaatverleningen blijkt dat de kapel met zekerheid tot in de tweede helft van de 15e eeuw door pelgrims werd bezocht. Uit later tijd zijn geen berichten over pelgrimages voorhanden.
Auteur: Arnoud-Jan Bijsterveld
Illustraties:
Topografie - De kapel van O.L. Vrouw van Bethlehem (kaartje ⟶ Roermond, O.L. Vrouw van de Munsterkerk) maakte deel uit van het kartuizerklooster in Roermond. In 1368 nam het generaal kapittel van de kartuizers het initiatief tot de stichting van een klooster in de hoofdstad van Opper-Gelre.
- In 1370 stichtte Werner, heer van Swalmen, met zijn echtgenote en broer, ter inlossing van een gelofte gedaan na de terugkeer van een bedevaart naar het Heilig Land, in Roermond een kapel ter ere van O.L. Vrouw van Bethlehem. De kapel zou vier altaren hebben. Ook was de stichter voornemens een aan die kapel grenzend armen- en ziekengasthuis te stichten met een eigen altaar. Bisschop Florentius van Münster verleende op 23 juni 1370 een aflaat aan allen die tot uitvoering van deze plannen zouden meewerken.
- De locatie van de kapel en het latere kartuizerklooster zou door O.L. Vrouw aan de stichter zijn aangewezen. Omdat deze plaats en de omgeving een slechte faam hadden, gaf de stichter niet zonder weerstand gehoor aan deze aanwijzing. De locatie stond bekend als 'die Steeghe' of 'Steegstraat', vandaar dat de kapel ook wel kapel van O.L. Vrouw 'in de Steghe' werd genoemd.
- In een akte van 29 juni 1370 schonk hertog Eduard van Gelre (1361-1371) de tienden van Posterholt in de parochie Vlodrop aan 'de kapel genaamd Bethlehem te Roermond'. Op het terrein belendend aan de kapel werd op 25 juli 1376 door Werner van Swalmen de kartuize gesticht. Het klooster was toegewijd aan O.L. Vrouw van Bethlehem.
- De kapel beschikte reeds in 1374 of eerder over twee Mariabeelden: een binnen de kapel en een aan de buitenzijde, boven de poort. De Bethlehemkapel was een openbare kapel; weliswaar was ze gelegen binnen de kloostermuren, maar, net als het gasthuis, was ze door een binnenmuur van het klooster gescheiden. Ze stond op de hoek van de Bethlehem- en de Swalmerstraat en vormde zo de noordwestelijke hoek van de kartuize, naast het gastenkwartier, en werd door de kartuizers als buitenkapel gebruikt. De kapel was vijfhoekig van vorm, met in iedere zijde een halfronde absis. Ze werd bekroond door een koepel met een torentje. Bij de stichting van het klooster verbonden de kartuizers zich ertoe om in de kapel missen te zullen opdragen of te laten opdragen. In 1391 bepaalde het generaal kapittel van de kartuizerorde dat men een priester mocht aanwijzen die in de kapel de dienst zou verrichten voor de gelovigen van de stad.
- Tweemaal werd het kartuizerklooster door brand verwoest, op 16 juli 1554 en op 31 mei 1665. Bij de eerste brand, waarbij het klooster afbrandde tot aan 'de Moerckenspoort', zou ook de O.L. Vrouwekapel veel geleden hebben. Ook bij de tweede brand brandde de kapel af. Een jaar later, in 1666, zong een anoniem dichter in een gedicht over de brand hoe de woedende vlammen ook het kartuizerklooster niet ontzagen. De schrijver vraagt zich in de zesde treurzang (Elegia sexta), over de brand in het klooster ('Monasterium Patrum Carthusianorum exustum'), af of de stenen van de Bethlehemkapel het vuur niet hadden kunnen afbuigen, maar tegen zo'n furie was niets bestand. De auteur tekent in een noot hierbij aan dat voor het klooster een stenen kapel met de naam Bethlehem stond.
- Op 30 juni 1783 werd het klooster op last van keizer Jozef II opgeheven. Vanaf 1787 tot 1797 waren hier de verdreven adellijke norbertinessen van ⟶ Houthem-Sint-Gerlach gehuisvest. In 1841 kocht apostolisch vicaris J.A. Paredis van Roermond de gebouwen en de kerk en stichtte hier het grootseminarie Roermond. De voormalige laatgotische kloosterkerk, daterend uit de 15e eeuw, werd daarop toegewijd aan St. Carolus Borromaeus. In 1968 werd dit seminarie overgeplaatst naar Heerlen, waarna het complex, met uitzondering van de kapel en de sacristie, werd verhuurd aan de Rijksgebouwendienst. Na een restauratie werd de St. Caroluskapel in 1986 weer voor de rooms-katholieke eredienst in gebruik genomen door het bisdom Roermond. In de kapel worden de relieken bewaard van de martelaren van Roermond, twaalf kartuizers die in 1572 werden vermoord, en de schedel van Dionysius de Kartuizer. Van het voormalige kartuizerklooster (thans rijksmonument) resteren verder nog de kapittelzaal, de refter en het kloosterpand. Aangezien de Bethlehemkapel in 1784 nog wordt afgebeeld, maar in de 19e eeuw niet meer genoemd wordt, is het aannemelijk dat zij na de opheffing van het kartuizerklooster in 1783 is gesloopt.
Cultusobject - In 1374 worden twee Mariabeelden ('ymagines') vermeld die bijzondere verering genoten, onder meer van pelgrims. Eén stond boven de poort van de kapel en één stond binnen de kapel. Afgaande op een van de 'Marialegenden' van Lemmens (1947), droeg het Mariabeeld in de kapel een kind en stond het op of nabij het altaar. Van beide beelden zijn geen verdere kenmerken bekend.
Verering - In een akte van 4 december 1374, uitgevaardigd door frater Arnoldus van Diest, vicaris van de bisschop van Luik, Jan V van Arkel (1364-1378), verleent de eerstgenoemde een aflaat opdat 'de kapel van O.L. Vrouw in de Stege door de christengelovigen steeds in ere wordt gehouden'. De aflaat kan verdiend worden door allen 'die uit hoofde van devotie, gebed of bedevaart komen' ('qui causa devotionis, orationis aut peregrinationis accesserint') en die 'het beeld van de heilige Maagd, geplaatst boven de poort van de voornoemde kapel, of ook het beeld van de heilige Maagd Maria geplaatst in genoemde kapel, eerbied en hulde zullen bewijzen' ('qui ymagini B. Virginis supra hostium capellae praenominatae collocatae aut etiam ymagini B. V. Mariae, in praefata capella collocatae, reverentiam vel honorem impenderint'). Reeds spoedig na de stichting van de kapel beschikte deze over twee bijzondere beelden, waarvan de verering door bedevaartgangers werd gepropageerd met behulp van aflaten. Mogelijk heeft deze vroeg ontstane cultus te maken met het verhaal van de ingeving door O.L. Vrouw om de kapel in de Steegstraat te bouwen.
- Bij zijn bezoek aan de kartuize op 27 januari 1421 stond de visitator broeder Alphairt (of Alfardus, prior van Monnikhuizen nabij Arnhem) op 27 januari toe dat de conventuelen in 'de kapel genaamd Bethlehem' mochten komen bidden, mits de poort in de buitenmuur dan gesloten was en er geen vrouwen in de kapel waren. Dat wil zeggen dat zij er ook mochten komen als er (mannelijke) niet-kloosterlingen in de kapel waren. Deze openbare kapel werd toen door de kartuizers bediend.
- Op 29 september 1451 verleende kardinaal Nicolaas van Cusa (ca. 1401-1464), die een hartelijke kennismaking onderhield met de beroemde Dionysius de Kartuizer (†1471), kloosterling te Roermond en fervent Mariavereerder, op diens aandringen een aflaat van 100 dagen 'daar hij wenst dat de aan de kartuizerkerk belendende kapel, die aan de H. Maagd Maria is toegewijd, veelvuldig wordt bezocht met gepaste eerbewijzen' ('Cupientes ut capella annexa ecclesiae monasterii Carthusiensium, quae in honorem B. Marie Virginis consecrata est, congruis honoribus frequentetur'). Uit dit gegeven kan worden afgeleid dat de in 1374 gepropageerde bedevaart niet zonder vervolg is gebleven. Veelzeggend is bovendien dat deze aflaatverlening geschiedde ten tijde van een langdurige rondreis van Cusanus door de Nederlanden, tijdens welke hij ettelijke malen een aflaat verleende aan belangrijke cultusoorden.
- In Lemmens' Marialegenden (1947) wordt verteld dat de bijzondere verering die O.L. Vrouw in de Roermondse kartuize genoot, haar zeer zou hebben behaagd. Zij zou daarom meermalen aan verschillende kloosterlingen zijn verschenen, zo ook eens aan een eenvoudige lekenbroeder, die in de conventskapel geknield lag voor de beeltenis van O.L. Vrouw. Zij zou haar kind op het altaar hebben gezet, zijn afgedaald naar de 'in kinderlijke liefde vervoerde broeder' en hem 'met moederlijke tederheid' hebben gekust. Helaas ontbreken in deze vertelling nadere aanduidingen van tijd en personage.

Bronnen en literatuur Archivalia: Roermond, gemeentearchief: zie J.B. Sivré, Inventaris van het Oud Archief der Gemeente Roermond, 4 dln. (Roermond: J.J. Romen, 1868-1883) dl. 3, p. 240-241. Brussel, Algemeen Rijksarchief, zie Alfred d'Hoop, Inventaire général des archives ecclésiastiques du Brabant, 6 dln. (Brussel: Guyot, 1905-1932 = Brussel: Guyot, 1979) dl. 5, p. 139, inv. nr. 18493 R (cartularium met documenten uit de jaren 1370-1639) p. 2, 4, 5.
Literatuur: Guilielmus de Blitterswyck, Rvraemonda vigens, ardens, renascens (...) (Brussel: Typis Guilielmi Scheybels, 1666) p. 35-36; Joannes Knippenbergh, Historia ecclesiastica ducatus Geldriae etc. (Brussel: Typis Francisci Foppens, 1719) p. 102-107, stichtingsakte van de kartuize d.d. 25 juli 1376; Joh. Uebinger, 'Kardinallegat Nikolaus Cusanus in Deutschland, 1451-52', in: Historisches Jahrbuch 8 (1887) p. 659-660; J. Habets, Geschiedenis van het tegenwoordige bisdom Roermond, dl. 3 (Roermond: J.J. Romen, 1892) p. 715-716; Voorloopige lijst der Nederlandsche Monumenten van Geschiedenis en Kunst. Deel VIII. De provincie Limburg (Den Haag: Algemeene Landsdrukkerij, 1926) p. 391-393; 'O.L. Vrouw in de Karthuis te Roermond', in: Limburg aan Christus 10 (1927) p. 214; H. Mosmans, 'Eenige Roermondsche aflaatbrieven', in: De Maasgouw 54 (1934) p. 66-67; H.J.J. Scholtens, 'Het Roermondsche Kartuizerconvent in de zestiende eeuw', in: Publications S.H.A. Limbourg 76 (1940) p. 91-121; Michael Schoengen, Monasticon Batavum, dl. 3 (Amsterdam: Noord-Hollandsche Uitgevers Maatschappij, 1942) p. 99-100; Gerard Lemmens, Maria in Limburg. De legendenkrans voor Maria (Maastricht: Veldeke, 1947) p. 133; H.J.J. Scholtens, 'Het Roermondsche Kartuizerconvent vóór de zestiende eeuw', in: Publications S.H.A. Limbourg 86-87 (1950-1951) p. 187-245, vooral p. 189-191, 208-209, met tekening en plattegrond van het klooster in de 18e eeuw; J.M. Gijsen, De bouwgeschiedenis van de Roermondse Kartuis (Roermond: onuitgegeven scriptie, 1957; herzien in 1968) p. 5; J.G.F.M.G. van Hövell tot Westerflier, Roermond vroeger en nu (Bussum: Fibula-Van Dishoeck, 1968) p. 19, 72, 96; Roermond Kerkenstad 1992 (Roermond: Stg. Jong Roermond, 1992), p. 6; J.G.C. Venner, 'De stadsbranden in Roermond (1554 en 1665). 'Brand, overheidsmaatregelen en herstel', in: G.H.A. Venner ed., Roermond. Stad met verleden. Negen hoofdstukken over Roermondse geschiedenis (Roermond: Commissie Kleine Monumenten Roermond, 1985) p. 116-141; P. Stengler, O. Stegmüller & N. Maginot, 'Dionysius van Leeuwen', in: Marienlexikon, dl. 2 (St. Ottilien: Eos, 1989) p. 199-201; J. Frantzen, Grote monumenten in Roermond. De Caroluskapel (Roermond: Stg. Limburg Natuurlijk, ca. 1995); Peter Nissen, 'Dionysius de Kartuizer (1402/3-1471). De "doctor extaticus" uit Roermond', in: Spiegel van Roermond 6 (1998) p. 65-71.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Roermond-O.L.Vrouw in de Stege; Utrecht: Stichting Kerkelijk Kunstbezit in Nederland, 1997, Roermond, Caroluskapel (vgl. T. Graas & D. Olde Olthof, Inventarislijst van het kunstbezit).

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<